Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/2.2.5
2.2.5 Juridische grondslag van de rechtspersoon-bestuurder
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS302465:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl Van Zeben e.a. 1961, p. 118-119.
Derhalve niet het organisatorische aspect van het begrip rechtspersoon. Vgl. Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:5 BW, aant. 2.
Bartman, Dorresteijn en Olaerts 2016, p. 1 voegen daaraan toe dat dit geldt ongeacht of een rechtspersoon in economisch opzicht onderdeel is van een groter geheel.
De term “vermogensrecht” in art. 2:5 BW – die in dit kader staat tegenover “familierecht” – moet ruimer worden opgevat dan de term die gebruikt wordt in bijvoorbeeld Boek 3 BW. Vgl. Handelingen II, Parlementaire Geschiedenis 2, p. 115 en Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:5 BW, aant. 3.1. Zie voorts over art. 2:5 BW: Van Schilfgaarde, Wezeman en Winter 2013, nr. 8.
Ten aanzien van de raad van commissarissen is in de wet met betrekking tot een aantal rechtspersonen uitdrukkelijk bepaald dat die uit een of meer natuurlijke personen dient te bestaan. Zie artt. 2:57 lid 1 BW (coöperatie/onderlinge waarborgmaatschappij), 2:140/250 lid 1 BW (NV/BV), art. 13 lid 3 Uitvoeringswet SCE en art. 14 Uitvoeringswet SE. Vgl. ook Honée 1986, p. 101. Art. 2:11 lid 1 BW zoals opgenomen in het voorstel van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen bepaalt dat de raad van commissarissen bestaat uit een of meer natuurlijke personen.
Anders: Rechtbank Gelderland 28 oktober 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6650, r.o. 4.3: “[…] ziet er dan echter aan voorbij dat indien de statutair bestuurder een rechtspersoon is, hetgeen op grond van artikel 2:11 BW mogelijk is, […]”
Zo ook: Wezeman 1998, p. 348 en 362. Zie tevens Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 425 waar geschreven wordt: “Ook een rechtspersoon kan bestuurder zijn; zie art. 2:11 BW.” Huizink 1989, p. 121 merkt in dit kader op dat in (de voorloper van) art. 2:11 BW de rechtspersoon-bestuurder “wettelijke erkenning” heeft gekregen.
Zie ook bijv. art. 3:46 lid 5 BW.
Een vereniging kan – zo blijkt uit bijvoorbeeld art. 2:47 BW waarin uitdrukkelijk wordt gesproken over commissarissen – een raad van commissarissen hebben. Ten aanzien van de vereniging en de stichting is in de wet geen verbod opgenomen om een rechtspersoon tot commissaris te benoemen. Mijns inziens moet een dergelijke benoeming naar huidig recht dan ook mogelijk zijn. Daarbij realiseer ik mij dat een dergelijke benoeming wel enige complicaties met zich kan brengen (zo geldt art. 2:11 BW niet voor de tweedegraads bestuurder van die rechtspersoon-commissaris). Anders: Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 223 waar de mening verkondigd wordt dat een rechtspersoon in een dergelijk geval niet benoemd kan worden als toezichthouder/commissaris, aangezien dit uit de aard van de toezichtstaak – die als een persoonlijke gekenschetst kan worden – voortvloeit. Overigens geldt dat art. 2:11 lid 1 BW zoals opgenomen in het voorstel van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen bepaalt dat de raad van commissarissen bestaat uit een of meer natuurlijke personen.
Art. 2:5 BW is de enige bepaling die gewijd is aan rechtspersonen in het algemeen.1 Het artikel is van toepassing op alle rechtspersonen die het Nederlandse recht kent, derhalve de publiekrechtelijke, kerkrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen (inclusief de Europeesrechtelijke rechtspersonen met statutaire zetel in Nederland).2 Art. 2:5 BW vormt de juridische grondslag van de rechtspersoon-bestuurder als rechtsfiguur.3 Art. 2:5 BW benadrukt met betrekking tot het begrip rechtspersoon het aspect van de rechtssubjectiviteit.4 Het artikel bepaalt namelijk woordelijk het volgende: “Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit.”5Art. 2:5 BW brengt mee dat als het ware een schild tegen persoonlijke aansprakelijkheid van de natuurlijke persoon als (tweedegraads) bestuurder wordt gevormd. In beginsel is de rechtspersoon namelijk zelf aansprakelijk voor zijn daden, niet de natuurlijke persoon “achter” die rechtspersoon.
Een natuurlijk persoon kan bestuurder van een rechtspersoon zijn. Voor een rechtspersoon geldt op grond van art. 2:5 BW hetzelfde.6 Uit de wet vloeit het tegendeel niet voort. In de wet is namelijk niet bepaald dat een rechtspersoon geen bestuurder kan zijn. Evenmin bepaalt de wet dat het bestuur uit een natuurlijk persoon of meerdere natuurlijke personen dient te bestaan.7 Een uitzondering op deze regel is tegenwoordig opgenomen in art. 2:129a/239a lid 1 laatste volzin BW. Dat artikel bepaalt dat niet uitvoerende bestuurders natuurlijke personen (dienen te) zijn.
Art. 2:11 BW is – om misverstanden te voorkomen – niet de juridische basis van de figuur van de rechtspersoon-bestuurder.8 Het artikel bevestigt door de woorden “een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon” slechts dat een rechtspersoon bestuurder kan zijn van een andere rechtspersoon.9 Een andere bevestiging van het feit dat een rechtspersoon bestuurder van een andere rechtspersoon kan zijn, treft men aan in bijvoorbeeld art. 43 lid 1 sub 5.a. en lid 5 Fw.10 Laatstgemeld artikellid bepaalt dat – indien de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder zelf een rechtspersoon is – deze rechtspersoon met de rechtspersoon-bestuurder wordt gelijkgesteld. Zelfs zou men a contrario uit de tekst van art. 2:140/250 lid 1 BW kunnen afleiden dat ook rechtspersonen van het bestuur deel kunnen uitmaken.11 Die bepaling houdt namelijk in dat de raad van commissarissen (van een N.V./B.V.) bestaat uit een of meer natuurlijke personen. Uit het feit dat een dergelijke bepaling ten aanzien van het bestuur ontbreekt, kan men afleiden dat rechtspersonen blijkbaar deel mogen uitmaken van het bestuur.