Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/11.6.0
11.6.0 Introductie
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977008:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vermeulen 1999, p. 55; vgl. Drop 1985, p. 196-197, Advies Commissie-onderwijsstelsel 2011, p. 12, P.W.A. Huisman, De samenwerkingsschool, Den Haag: Reed bi 2002, p. 53 en Basisboek onderwijsrecht. Een inleiding op de onderwijs wet- en regelgeving in primair en voortgezet onderwijs, Den Haag: Sdu 2014, p. 18-20.
Mentink & Vermeulen 2011, p. 62.
Burkens e.a. 1997, p. 289.
Kortmann e.a, 2021, p. 156.
Ibid., p. 156.
Mentink & Vermeulen 2011, p. 64.
Wet goed onderwijs, goed bestuur van 2 maart 2010, Stb. 2010, nr. 80.
Wet van 4 februari 2010, Stb. 2010, nr. 80; vgl. P.J.J. Zoontjens, ’Regelgeving en principes’, in: R. Klarus & F. de Vilder (red.), Wat is goed onderwijs?, Den Haag: Boom 2010, p. 61-82.
Wet van 28 mei 2010, Stb. 2010, nr. 194; vgl. Huisman 2014, p. 47.
Wet goed onderwijs, goed bestuur (Kamerstukken II 2008/09, 31828, nr. 7); vgl. Onderwijsraad, Briefadvies van 3 april 2009, waarin verwezen is naar zijn adviezen Richtpunten bij onderwijsagenda's, 2008 en Partners in onderwijsopbrengst, 2008. Hierin figureert het begrip leerstandaarden.
Kamerstukken II 2008/09, 31828, nr. 4, p. 6.
Een zelfstandig bestuursorgaan oefent overheidstaken uit onder ministeriële verantwoordelijkheid (Kaderwet ZBO van 2 november 2006, Stb. 2006, nr. 587).
Vgl. B.P. Vermeulen, ’Een schets en evaluatie van de kritiek op de overheidsfinanciering van het bijzonder onderwijs’, in: Van de Donk e.a. (red.), Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformatie, WRR Verkenningen 13, Den Haag/Amsterdam: WRR AUP 2006, p. 353-366 en J.H. de Graaf, ’Leerplicht en Recht op onderwijs. Een onderzoek naar de legitimatie van de leerplicht en aanverwante onderwijswetgeving, Nijmegen: AA Libri 2000, p. 74.
Ibid., p. 365.
De vrijheid van onderwijs bestaat uit de deelvrijheden van stichting, richting en inrichting (artikel 23 Gw).1 Deze laatste is niet onlosmakelijk verbonden met de vrijheid van richting die vanaf 1848 twee grondwettelijke pijlers kent: (a) de vrije schoolstichting2 en (b) het connexe ouderrecht.3
Vrijheid van richting en inrichting en burgerschapsvorming
In deze paragraaf staan de vrijheden van richting (artikel 23 lid 5 Gw) en inrichting (artikel 23 lid 6 Gw) centraal in relatie tot de invoering van burgerschapsvorming. De vrijheid van inrichting is meer dan een ondersteunend recht ten opzichte van de vrijheid van richting, het is meer dan een recht dat aan het kernrecht van de vrijheid van richting dienstbaar is. Vrijheid van inrichting kan dan ook betrekking hebben op zaken die buiten de vrijheid van richting gelegen zijn, zoals het op pedagogische of organisatorische gronden berustende toelatingsbeleid van leerlingen. Beide vrijheden zijn echter niet geheel te scheiden. Inrichting overlapt immers richting. Van betekenis is dat de vrijheid van richting kleur geeft aan de vrijheid van de onderwijsinrichting, waar de eigen aard van het bijzonder onderwijs zich het sterkst profileert.4
Vermeulen ziet de vrijheid van inrichting dan ook als het overkoepelende grondrecht met de vrijheid van richting als kern.5 De vrijheid van inrichting is – voor zover niet gefundeerd in de richting – wel minder beschermd dan de vrijheid van richting. Volgens Mentink en Vermeulen oefent de overheid steeds meer druk uit op de inrichtingsvrijheid door meer sturing op de inhoud en de aanscherping van het toezicht (artikel 15 Wot).6
Pedagogisch/organisatorische autonomie en regelgeving
De vrijheid van inrichting omvat de pedagogisch/organisatorische autonomie, vandaar dat voorschriften in de schoolgids verschijnen (artikel 24a Wpo, 22 Wec en 16 Wvo oud). De wetgever kan deze autonomie beperken, zoals in 2010 gebeurde in de Wet goed onderwijs, goed bestuur.7 Hierin is onder meer bepaald dat leerresultaten moeten worden vastgelegd en dat gebrekkige resultaten voor de kernvakken Nederlands, rekenen en wiskunde gesanctioneerd worden.8
Het vaststellen van inrichtingseisen, zoals leerstandaarden en referentieniveaus9 is voorbehouden aan de regering door middel van voorhang-AMvB’s.10 De verplichte vakken zijn vermeld in artikel 9 Wpo, 13 en 14 Wec, 10b-10f Wvo en 11c-15 Wvo oud en behoeven voor de vaststelling en wijziging formele wetgeving. De kerndoelen worden bij voorhang-AMvB vastgelegd (artikel 9 lid 5 Wpo, 13 lid 7 Wec en 11b Wvo oud).11 Delegatie aan de minister of aan een ZBO komt vaak voor, zo stelt bijvoorbeeld het College voor Toetsen en Examens de examenprogramma’s vast (artikel 2 lid 2 sub c Wet CTE).12
Inbreuk door de overheid op de vrije bestuurlijke ruimte?
Er is al lang een tendens te bespeuren van toenemende invloed van de wetgever op (het toezicht op) de curricula en de kerndoelen die in het bijzonder onderwijs de vrije bestuurlijke ruimte vérgaand kan inperken of zelfs feitelijk kan wegnemen. De overheid dient zich de vraag te blijven stellen of het vrije onderwijs niet teveel aan banden wordt gelegd (non-interventiecriterium).13 Vermeulen merkt dienaangaande op ‘dat de democratische rechtsstaat een open huis dient te blijven, met verschillende leefruimten, waarin ook minderheden van religieuze en andere snit zich thuis kunnen voelen’.14 Het is de vraag hoever de overheid kan gaan in de begrenzing, zonder in het vaarwater van het voorschrijven van wat de richting mag inhouden, verzeild te raken. Deze vraag komt hieronder nog aan bod.