Einde inhoudsopgave
Uitkeringen aan aandeelhouders in het nieuwe BV-recht (VDHI nr. 127) 2015/5.4.1
5.4.1 Interne en externe orde
mr. M.B.F. Canisius & mr. R.E.H. Canisius, datum 20-11-2014
- Datum
20-11-2014
- Auteur
mr. M.B.F. Canisius & mr. R.E.H. Canisius
- JCDI
JCDI:ADS596499:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie meer uitgebreid over de oorsprong van het begrip orgaan Maeijer 1966/1967, p. 182; Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/1, 112; Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/1-7; Van Gerven 2007, p. 140-143; en Huizink 2013, p. 8-10.
Zie in verband Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 290-292.
Zie Polak 1969, p. 43; Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 167; en Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, p. 18.
Vgl. Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/37; Huizink 2013, p. 135-136; Van Schilfgaarde/ Winter/Wezeman 2013, p. 24; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, p. 365; en Slagter/ Assink 2013 (Deel 1), p. 166 en 290.
Zie in dit verband Van der Heijden 1936 (ii), p. 153-154.
Zie in dit verband Pitlo/Löwensteyn 1994, p. 73.
Zie HR 15 juli 1968, NJ 1969, 101 (Wijsmuller).
Artikel 2:230 BW.
Zie in dit verband Van der Heijden 1936 (ii), p. 154; Kamerstukken II 1957/58, 3769, nr. 5 (memorie van antwoord), p. 7; Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/125; Huizink 2013, p. 208-210; Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, p. 298; en Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 202. Anders Löwensteyn 1994, p. 73-76, waarin hij de kwalificatie van een besluit als rechtshandeling bestempelt als een ongerijmde voorstelling van zaken, omdat hier sprake zou zijn van een rechtshandeling die geen rechtsgevolgen heeft voor degenen die bij haar partij zijn, maar wel voor de rechtspersoon die geen partij is.
Zie De Monchy & Timmerman (preadvies) 1991, p. 66.
Vgl. De Monchy & Timmerman (preadvies) 1991, p. 67. Zie meer uitgebreid paragraaf 5.4.3.1.
Zie in dit verband Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 52.
Vgl. paragraaf 5.4.4, algemene opmerkingen onder v, waar ik het betaalbaar stellen van het dividend kwalificeer als een feitelijke uitvoeringshandeling.
Zie in dit verband Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 292.
Zie in dit verband Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/73.
Zie in dit verband De Monchy & Timmerman (preadvies) 1991, p. 67.
Hiermee bedoel ik dat het handelen van de vennootschap altijd terug is te voeren op menselijke gedragingen.
Zie in dit verband Kamerstukken II 1984/85, 17 725, nr. 7 (memorie van antwoord), p. 14-15, waar de minister het volgende opmerkt: ‘Een ruime kring is voor het onderhavige artikel niet schadelijk, integendeel. De commissie wijst op het voorbeeld van een gemeentebestuur dat statutair bevoegd is een deel van de bestuursleden van een stichting te benoemen; mijns inziens is het passend dat het zich dan tegenover de stichting daarbij laat leiden door hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, en bijvoorbeeld niet een notoir onbekwaam of het doel der stichting vijandig gezin persoon benoemt.’ Zie ook Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, p. 25.
Zie meer uitgebreid Wolf (diss. Maastricht) 2013, p. 321-327.
Vgl.Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, p. 18-19; Huizink 2013, nr. 61-62; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/50; en Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 541-542.
Denk aan het vergader- en stemrecht. Zie in dit verband HR 30 juni 1944, NJ 1944, 465 (Wennex), hierin heeft de Hoge Raad uitgemaakt: ‘dat toch den aandeelhouder eener N. V. in het hem verleende stemrecht niet een recht in het belang van anderen is toevertrouwd, doch een eigen recht is gegeven om zijn belang in de vennootschap te dienen; (…) dat dit medebrengt, dat het den aandeelhouder – in overeenstemming met de vrijheid, die hij heeft om van zijn stemrecht in de algemeene vergadering naar goeddunken gebruik te maken, mits dit niet ontaardt in misbruik van recht – ook vrijstaat zich ten aanzien van de uitoefening van zijn stemrecht ter algemeene vergadering contractueel jegens anderen te binden, (…).’ [Onderstr. MC] Hieruit volgt dat een aandeelhouder, anders dan een bestuurder of commissaris, in vergadering (handelend binnen orgaanverband) binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 2:8 jo. 3:13 BW en de maatschappelijke betamelijkheid ex artikel 6:162 lid 2 BW naar eigen goeddunken mag stemmen. Zie ook Raaijmakers & Van der Sangen 2011 (i), p. 92.
Opmerking verdient dat sinds de invoering van de Wet Flex-BV de BV winstrechtloze aandelen kent (artikel 2:216 lid 7 BW).
Een vennootschap functioneert door middel van haar organen,1 welke op hun beurt handelen door het nemen van besluiten.2 Met het begrip orgaan3 bedoel ik een instantie binnen de vennootschap, welke krachtens het interne rechtspersonenrecht bevoegd is om besluiten te nemen, die rechtens hebben te gelden als besluiten van de rechtspersoon zelf. Het interne rechtspersonenrecht is het recht dat geldt binnen de interne orde (het samenstel van de vennootschapsorganen), dat wordt gevormd door wet, statuten, bevoegd genomen besluiten (tot op zekere hoogte ook aandeelhoudersbesluiten), reglementen, codes (denk aan de Nederlandse Corporate Governance Code) en ongeschreven recht.4 De vennootschapsorganen bezitten, anders dan de rechtspersoon zelf, geen rechtssubjectiviteit in de zin van artikel 2:5 BW.5
Door middel van een besluit kan een vennootschapsorgaan beslissend optreden door bepaalde rechtsgevolgen in het leven te roepen binnen de interne betrekkingen van de vennootschap of tevens daarbuiten door middel van (direct) extern werkende besluiten. De vennootschapsorganen brengen door het nemen van besluiten de wil van de BV tot uiting.6 Om deze wilsvorming te bewerkstelligen, houden natuurlijke personen die het orgaan bemannen een vergadering waarin voorstellen in stemming worden gebracht met als resultaat een besluit.7 Uit het Wijsmuller-arrest volgt dat een besluit van een vennootschapsorgaan tot stand komt als vrucht van onderling overleg van alle leden van dat orgaan, die, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, aan dat overleg wensen deel te nemen.8 In de meeste gevallen geeft een gewone of gekwalificeerde meerderheid van de stemmen de doorslag.9
Over het algemeen wordt aangenomen dat een besluit dat op formeel juiste wijze tot stand is gekomen een rechtshandeling van de vennootschap is.10 De Monchy en Timmerman definiëren een besluit van een orgaan als volgt: ‘Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is een rechtshandeling, indien het desbetreffende orgaan een wilsverklaring aflegt die gericht is op het in het leven roepen van (een) rechtsgevolg(en) voor de rechtspersoon.’11 Uit artikel 3:33 BW volgt dat een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist die zich door een verklaring openbaart. Dit impliceert een beoogd rechtsgevolg van het besluit, namelijk nadere bepaling of wijziging van de rechtspositie van de rechtspersoon. Het beoogde rechtsgevolg kan zich manifesteren binnen de interne orde, welke bestaat uit het samenstel van vennootschapsorganen (zoals de AV, het bestuur en eventueel de RvC) en in de externe orde, het rechtsverkeer. Het doel en de strekking van het besluit zijn daarom bepalend voor de vraag of het besluit interne dan wel externe werking heeft.12
Rechtspersonen kunnen niet zelf fysiek handelen en worden in het rechtsverkeer (de externe orde) zichtbaar doordat natuurlijke personen namens hen handelen.13 Wanneer de vennootschap als rechtspersoon, dat wil zeggen als zelfstandig drager van rechten en verplichtingen, aan het rechtsverkeer wenst deel te nemen, is daarbij tussenkomst vereist van een natuurlijke persoon die haar vertegenwoordigt. De bevoegdheid om de vennootschap te vertegenwoordigen kan wettelijk, statutair of bij volmacht aan deze persoon zijn toegekend. Daarnaast kan de vennootschap, buiten de scope van vertegenwoordiging, ook feitelijke handelingen verrichten.14 Denk aan het plegen van een onrechtmatige daad.15 Aan dit optreden van de rechtspersoon naar buiten toe ligt in beginsel steeds interne besluitvorming ten grondslag.16
Figuur 1: Schematische weergave BV
In figuur 1 is de interne orde, de BV, welke bestaat uit het samenstel van vennootschapsorganen (zoals de AV, het bestuur en eventueel een RvC), weergegeven in het rechtsverkeer; de externe orde. Vennootschapsorganen kunnen besluiten nemen waarvan de rechtsgevolgen louter betrekking hebben op de interne rechtsbetrekkingen, zoals een goedkeuringsbesluit. De rechtsgevolgen manifesteren zich dan binnen de interne orde van de rechtspersoon. Daarnaast kan de BV als rechtssubject in het rechtsverkeer handelen doordat haar organen besluiten nemen met externe rechtsgevolgen, welke zich manifesteren in de externe orde ofwel het rechtsverkeer. Zo kan de vennootschap een rechtsbetrekking met een wederpartij tot stand brengen of wijzigen.17
Vennootschapsorganen hebben een functie binnen de interne orde. Deze functie wordt vervuld door een of meer natuurlijke personen. Deze natuurlijke personen staan, al dan niet indirect,18 in een rechtsbetrekking van eigen vennootschapsrechtelijke aard tot de vennootschap, waardoor zij het predicaat aandeelhouder, bestuurder of commissaris hebben. De bijzondere rechtsbetrekking van deze natuurlijke personen wordt mede beheerst door de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Het is lastig een duidelijke definitie te geven van de kring van betrokkenen van artikel 2:8 BW. Echter, in elk geval is evident dat dit een ruime kring betreft.19 Tot deze kring van betrokkenen behoren niet slechts de natuurlijke personen die deel uitmaken van een orgaan, maar ook natuurlijke personen die in enig wettelijk of statutair verband tot de vennootschap staan.20
Een aandeelhouder, bestuurder of commissaris kan handelen vanuit een tweetal posities, te weten: binnen orgaanverband en buiten orgaanverband.21 Met handelen binnen orgaanverband bedoel ik de individuele aandeelhouder, bestuurder of commissaris handelend vanuit de interne orde als onderdeel van een orgaan. In figuur 1 is de individuele aandeelhouder, bestuurder of commissaris die handelt binnen orgaanverband als onderdeel van het orgaan weergegeven binnen het betreffende orgaan. Deze individuele aandeelhouder, bestuurder of commissaris heeft uit het interne rechtspersonenrecht voortvloeiende rechten en verplichtingen waarmee hij participeert binnen de interne orde als deel van een orgaan.22
Met handelen buiten orgaanverband bedoel ik de individuele aandeelhouder, bestuurder of commissaris die, handelend vanuit de externe orde, op grond van zijn bijzondere rechtsbetrekking met de vennootschap, aanspraken heeft op de vennootschap en verplichtingen heeft tegenover de vennootschap. De individuele aandeelhouder, bestuurder en commissaris handelend buiten orgaanverband is in figuur 1 weergegeven in het rechtsverkeer. Zij kunnen de vennootschap aanspreken tot uitbetaling van dividend,23 liquidatie-uitkering en salaris, alsmede om toegelaten te worden tot de uitoefening van de hun toekomende bevoegdheden. Daarnaast kan de aandeelhouder handelend buiten orgaanverband door de vennootschap worden aangesproken tot volstorting van zijn aandelen.