Einde inhoudsopgave
Uitkeringen aan aandeelhouders in het nieuwe BV-recht (VDHI nr. 127) 2015/5.4.4
5.4.4 De perceptie van het uitkeringsbesluit
mr. M.B.F. Canisius & mr. R.E.H. Canisius, datum 20-11-2014
- Datum
20-11-2014
- Auteur
mr. M.B.F. Canisius & mr. R.E.H. Canisius
- JCDI
JCDI:ADS594184:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Noldus (diss. Nijmegen) 1969, p. 39 en 41.
Zie De Monchy & Timmerman (preadvies) 1991, p. 70-71.
Zie Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 574.
Vgl. Rb. Utrecht 15 mei 1953, NJ 1954, 337, waarin de rechtbank het volgende stelt: ‘O. toch dat de Algemene Vergadering der Knopenfabriek uiteraard autonoom was in de vaststelling van dividenden (…).’ [Onderstr. MC]
Zie Hof Arnhem 22 januari 1986, NJ 1988, 476 (Drooge q.q./Van Heek).
Zie HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 (Nimox).
Zie Hof Arnhem 27 maart 2012 (Udo Holding) (niet gepubliceerd).
Zie Hof Arnhem 22 januari 1986, NJ 1988, 476 (Drooge q.q./Van Heek). Zie in dit verband Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/844 en Schoonbrood-Wessels (diss. Nijmegen) 1993, p. 917, waarin zij de uitspraak van de Rb. Almelo 2 november 1977 (Kranenburg q.q./Wessels Vastgoed Rijssen BV) (niet gepubliceerd) aanhaalt. De rechtbank Almelo acht in ieder van de genomen besluiten, waaronder het besluit tot een aanzienlijke dividenduitkering, een onrechtmatige daad van de holding jegens de werkmaatschappij, haar crediteuren en haar werknemers gelegen. Vgl. HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 (Nimox), waarover meer uitgebreid paragraaf 6.2.1.
Zie Hof Arnhem 22 januari 1986, NJ 1988, 476, r.o. 10 en 11 (Drooge q.q./Van Heek).
Zie Hof Arnhem 22 januari 1986, NJ 1988, 476, r.o. 13 onder d (Drooge q.q./Van Heek).
Zie meer uitgebreid paragraaf 6.2.2.3 over de vereenzelvigingsbenadering ten aanzien van de conclusie van het hof inzake het arrest Reinders Didam. In deze benadering wordt de indirect bestuurder c.q. de indirect aandeelhouder in een zekere ‘UBO-gedachte’ aansprakelijk gesteld voor zijn handelen op grond van artikel 2:11 jo. 2:248 BW of 6:162 BW.
Zie HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 (Nimox) en Hof Arnhem 27 maart 2012 (Udo Holding) (niet gepubliceerd). Zie meer uitgebreid over het arrest Nimox paragraaf 5.2.1.
Zie HR 8 november 1991, NJ 1992, 174, r.o. 3.3.3 (Nimox).
Zie Rb. Arnhem 13 november 2009, JOR 2009/303, r.o. 4.10 (Udo Holding): ‘Het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders tot het uitkeren van dividend moet extern als een besluit van de vennootschap worden aangemerkt en als een rechtshandeling die vatbaar is voor vernietiging op grond van artikel 3:45 BW.’
Zie Hof Arnhem 27 maart 2012, r.o. 4.25 (Udo Holding) (niet gepubliceerd).
Zie Kamerstukken II 1957/58, 3769, nr. 5, p. 7.
Zie meer uitgebreid paragraaf 5.2.
Zie meer uitgebreid paragraaf 5.3.
Daarnaast was het bestuur ex artikel 2:219 (O)BW bevoegd tot het bijeenroepen van de AV en ingevolge artikel 2:224 lid 1 (O)BW tot het vaststellen van de agenda.
Zie in dit verband HR 10 maart 1995, NJ 1995, 595 (Janssen Pers), hieruit volgt dat het oproepen van het bestuur voor de AV om hun raadgevende stem uit te oefenen een regel van dwingend recht is, tenzij aan deze regel wordt gederogeerd door artikel 2:8 BW.
Zie in dit verband Boschma (diss. Groningen) 1997, p. 56-57 en HR 10 maart 1995, NJ 1995, 595 (Janssen Pers). Voor het niet waarschijnlijke geval dat het bestuur om een of andere reden niet aanwezig was bij de AV waarin het uitkeringsbesluit was genomen, diende het bestuur door de AV achteraf op de hoogte te worden gesteld van het genomen besluit. Het bestuur kon mijns inziens een afschrift eisen van de genomen besluiten. Indien op grond van artikel 2:238 (O)BW buiten vergadering een uitkeringsbesluit werd genomen, waarbij het bestuur niet aanwezig was, moest het bestuur eveneens op de hoogte worden gesteld van de genomen besluiten. De bestuurder kon bij het uitoefenen van zijn raadgevende stem vooraf kenbaar maken dat hem een afschrift van de genomen besluiten diende te worden overgelegd. In beide gevallen betrof de mededeling van de AV aan het bestuur een interne handeling, welke niet verward diende te worden met een bodehandeling die soms moest volgen op een direct extern werkend besluit.
Zie in dit verband Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuw Weme 2-II* 2009/340 en GS Rechtspersonen, artikel 117 Boek 2 BW, aant. 2 (2009).
Zie in dit verband Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 212.
Zie in dit verband HR 10 maart 1995, NJ 1995, 595 (Janssen Pers).
Zie in dit verband Asser/Van Solinge & Nieuw Weme 2-IIa 2013/200.
Zie HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308, m.nt. Maeijer (Ellem Beheer).
Anders Lennarts (oratie Utrecht) 2006, p. 12-13 en Rapport-De Kluiver e.a. 2004, p. 80-81.
Indien de AV een uitkeringsbesluit neemt, behelst dit een wettelijke beperking van de vertegenwoordigingsbevoegd van het bestuur in de zin van artikel 2:240 lid 1 BW.
Zie Winter (diss. Groningen) 1992, p. 236. Anders Rapport-De Kluiver e.a. 2004, p. 80-81 en Wessels 2010, nr. 3301. Vgl. Barneveld (diss. Amsterdam UvA) 2014, p. 442-444 en De Weijs & Barneveld 2010, paragraaf 3.2, over de dividenduitkeringen en de faillissementspauliana.
Anders Stokkermans 2014, paragraaf 6.1, waarin hij stelt dat de betaalbaarstelling binnen de bestuurstaak valt.
Mijns inziens kan worden gesteld dat zélfs de aandeelhouders binnen orgaanverband bevoegd waren om tot betaalbaarstelling van het dividend over te gaan. Deze zienswijze past bij het wettelijk uitgangspunt ‘uitkeren’ van artikel 2:216 lid 1 (O)BW en de perceptie van het dividendbesluit.
Zie in dit verband HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 (Nimox). Nu de medewerker van de financiële administratie noch de bestuurder aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het betaalbaar stellen van het dividend komt de aandeelhoudersaansprakelijkheid in beeld. De aandeelhouder die wist of behoorde te weten dat door het nemen van het uitkeringsbesluit een tekort bij de vennootschap zou ontstaan waardoor crediteuren zouden worden benadeeld, handelt onrechtmatig. Zie meer uitgebreid paragraaf 6.2.
Anders Van der Sangen 2013, paragraaf 4.3, waarin hij de betaalbaarstelling lijkt te kwalificeren als een vertegenwoordigingshandeling van het bestuur. Zie ook Lennarts (oratie Utrecht) 2006, p. 12-13, voetnoot 40 en 42, waarin zij stelt dat het bestuursbesluit tot betaalbaarstelling gekwalificeerd dient te worden als een besluit met indirect externe werking. Hiermee kwalificeert zij de betaalbaarstelling als een vertegenwoordigingshandeling. Zie ook Stokkermans 2014, paragraaf 6.1, waarin hij het uitkeringsbesluit van de AV kwalificeert als een indirect extern werkend besluit, omdat de betaalbaarstelling naar zijn mening binnen de bestuurstaak valt.
Artikel 3:61 lid 1 BW jo. 3:37 lid 1 BW.
Zie HR 19 oktober 2001, JOR 2002/1, r.o. 3.4.4 (Utrechts Monumentenfonds).
Anders dan bij het arrest Utrechts Monumentenfonds gaat het bij betaalbaar stellen van dividend niet om een eigendomsoverdracht van een onroerende zaak waarvoor een notariële akte is vereist. In deze zin is de betaalbaarstelling te beschouwen als een meer zuivere uitvoeringshandeling. Zie meer uitgebreid over het arrest Utrechts Monumentenfonds paragraaf 5.4.3.1 onder i.
Zie meer uitgebreid paragraaf 5.2.
Vgl. Winter (diss. Groningen) 1992, p. 236.
Artikel 2:210 lid 1 jo. 2:216 lid 3 (O)BW.
Artikel 2:392 lid 1 sub c en 2:362 lid 2 (O)BW.
Ik acht het niet onwaarschijnlijk dat toch een bestuurder het initiatief neemt tot een tussentijdse uitkering. Denkbaar is het geval waarin een BV in concernverband uitsluitend gericht is op het ontvangen van dividenden en dit vervolgens, met aftrek van de administratiekosten, onder haar aandeelhouders verdeelt.
In deze paragraaf toon ik aan dat het uitkeringsbesluit naar het recht van vóór 1 oktober 2012 gekwalificeerd diende te worden als een besluit met direct externe werking. De opvatting dat een uitkeringsbesluit onder oud recht direct externe werking had, vindt steun in de literatuur en jurisprudentie. Verscheidene auteurs hebben het uitkeringsbesluit gekwalificeerd als een direct extern werkend besluit, waaronder: (i) Noldus in zijn dissertatie over de ongeldigheid van besluiten in de naamloze vennootschap: ‘Een besluit tot vaststelling van de jaarrekening impliceert vaststelling van de winst. De aandeelhouders bepalen daarmee allereerst de resultaten van hun samenwerkingsverband. Maar winstgerechtigden zien door deze vaststelling hun rechten tevens nader bepaald. Slechts wanneer derden geen tevoren vaststaande winstrechten hebben en de winstvaststelling overigens, rekening houdende met alle relevante belangen, geldig plaats vindt, zou men kunnen betwijfelen of van direct externe werking sprake is. (…) Het komt mij voor, dat ook besluiten van andere organen deze werking kunnen hebben, bijv. besluiten van commissarissen tot schorsing van een bestuurder of tot besteding van winst.’1 [Onderstr. MC]; (ii) De Monchy en Timmerman in het preadvies van de Vereeniging Handelsrecht met betrekking tot de nieuwe algemene bepalingen van Boek 2 BW: ‘Ook zijn er besluiten die door hun karakter wel externe werking moeten hebben. Genoemd kunnen worden besluiten van de algemene vergadering tot benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen, tot bezoldiging van bestuurders en commissarissen, tot decharge van bestuurders, tot benoeming van de accountant en tot vaststelling van het dividend (zie voor een soortgelijke opsomming: E.J.J. van der Heijden, Ongeldigheid van besluiten, WPNR 3457).2 [Onderstr. MC]’; en (iii) Raaijmakers merkt op dat: ‘Betaling van dividend na vaststelling van de winst en een besluit over de verdeling daarvan geschiedt namens de BV/NV door het bestuur uit de middelen van de vennootschap. Wordt externe binding beoogd, dan ligt aan het handelen van het bestuur in de regel een besluit ten grondslag of vallen besluit en vertegenwoordiging samen, bijvoorbeeld in de aanvaarding van een aanbod tot aankoop van een partij goederen tegen gunstige voorwaarden. Interne wilsvorming (besluit van de rechtspersoon) en externe wilsverklaring (externe vertegenwoordiging) vloeien hier in elkaar over.’3 Het laatste citaat blinkt niet uit in helderheid. Het besluitvormingstraject voor het doen van dividenduitkeringen wordt beschouwd in het licht van besluiten met derdenwerking (direct externe werking). Raaijmakers stelt dat betaling van het dividend na vaststelling van de winst geschiedt namens de BV door het bestuur uit de middelen van de vennootschap. In diezelfde zin wekt hij mijns inziens de indruk dat het bestuur het tot winstbestemming bevoegde orgaan was, hetgeen slechts het geval kon zijn indien statutair was bepaald dat het bestuur het tot winstbestemming bevoegde orgaan was. Ik meen Raaijmakers zo te begrijpen dat hij het mogelijk acht dat met het uitkeringsbesluit externe binding wordt beoogd, omdat besluit en vertegenwoordiging kunnen samenvallen.
In de jurisprudentie is het uitkeringsbesluit nimmer expliciet gekwalificeerd als een direct extern werkend besluit.4 Wel zijn voorbeelden te vinden van uitspraken waarin de externe werking van het uitkeringsbesluit wordt erkend. In dit verband worden de volgende drie arresten besproken: (i) Drooge q.q./Van Heek;5 (ii) Nimox;6 en (iii) Udo Holding.7
In het arrest Drooge q.q./Van Heek wordt Van Heek, de enig bestuurder en tevens aandeelhouder van de Holding, als bestuurder van de Holding ex artikel 6:162 BW aansprakelijk gehouden voor de overheveling van activa, waaronder een aanzienlijke dividenduitkering, van de Werkmaatschappij aan de Holding.8 Van Heek heeft zich als UBO vereenzelvigd met het door de Holding gevoerde beleid waaraan hij als bestuurder leiding en uitvoering gaf.9 Van Heek was als bestuurder van de Holding vertegenwoordigingsbevoegd om op de door haar gehouden aandelen in de werkmaatschappij te stemmen. Let wel, Van Heek stemde aldus namens de Holding als aandeelhouder. Zie figuur 2 voor een schematische weergave van de casus.
Uit rechtsoverweging 13 onder d blijkt dat Van Heek als bestuurder van de Holding zich mogelijk heeft verweerd met het argument dat de Holding als bestuurder van de Werkmaatschappij, als gevolg van de direct externe werking van het uitkeringsbesluit van de AV, louter uitvoering moest geven aan het dividendbesluit: ‘Evenmin gaat op dat aan de verantwoordelijkheid van Van Heek afdoet dat hij als directeur van Holding [Toev. MC: kennelijke fout, hier moet staan ‘als indirect bestuurder van de Holding’.] de besluiten van de aandeelhoudersvergadering moest uitvoeren. Van Heek stelt immers niet dat hij als aandeelhouder van Holding [Toev. MC: kennelijke fout, hier moet staan ‘als vertegenwoordiger van de houder van de aandelen in de werkmaatschappij’.] die besluiten niet heeft ondersteund en evenmin is in enig ander opzicht distantie van Van Heek ten aanzien van die besluiten en de uitvoering daarvan door hemzelf, gebleken.’10 Opvallend is dat het hof de in figuur 2 weergegeven concernstructuur lijkt te negeren.
Het hof is kennelijk de mening toegedaan dat Van Heek in de uitoefening van de aandeelhoudersrechten van de Holding niet voldoende distantie heeft betracht ten aanzien van het dividendbesluit en de uitvoering daarvan. De betrokkenheid van Van Heek bij de besluitvorming lijkt bepalend te zijn voor zijn aansprakelijkheid als bestuurder van de Holding. Het hof verwart hiermee de verschillende hoedanigheden waarin Van Heek acteerde binnen het concern. De bewoordingen van het hof zouden mijns inziens zo kunnen wordt geïnterpreteerd dat, indien Van Heek als vertegenwoordiger van de houder van de aandelen in de Werkmaatschappij distantie had betracht ten aanzien van het dividendbesluit, door zich te onthouden van de stemming of tegen te stemmen, Van Heek in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Holding niet aansprakelijk zou zijn geweest voor het betaalbaar stellen van het dividend. Nu Van Heek zich als UBO heeft vereenzelvigd met het door de Holding gevoerde beleid en ook de aandeelhoudersrechten uitoefende in de AV van de Werkmaatschappij, heeft hij het uitkeringsbesluit logischerwijs niet geblokkeerd.
Naar mijn mening schuilt in de bovenstaande interpretatie van de rechtsoverweging van het hof een argument dat pleit voor de direct externe werking van het uitkeringsbesluit. Het hof lijkt het kennelijk met Van Heek eens te zijn dat hij het dividend betaalbaar moest stellen. Echter, het hof stoelt de aansprakelijkheid van Van Heek als bestuurder van de Holding op het feit dat hij bij zijn gedragingen als stemgerechtigde op aandelen in de Werkmaatschappij niet voldoende distantie heeft betracht ten aanzien van het uitkeringsbesluit.11
In de arresten Nimox en Udo Holding wordt het uitkeringsbesluit beschouwd als een externe rechtshandeling van de vennootschap.12 In het arrest Nimox heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.3.3 de visie van de rechtbank en het hof dat het uitkeringsbesluit externe werking toekomt, onderschreven: ‘(…) De klacht miskent de gedachtengang van rechtbank en hof. De rechtbank heeft in r.o. 22 van haar vonnis vooropgesteld dat het besluit niet slechts “een intern-vennootschappelijke rechtshandeling” is geweest, maar “tevens een externe rechtshandeling, bestaande in de toekenning aan Nimox van een vordering op Auditrade”, en dat het “als externe handeling bezien” een onrechtmatige daad kan opleveren. In het vervolgens door de rechtbank overwogene ligt besloten dat zij het besluit als “externe rechtshandeling” als een onrechtmatige daad van Auditrade heeft beschouwd. Hiermee heeft het hof zich kennelijk verenigd. (…).’13[Onderstr. MC] Dat het uitkeringsbesluit als een externe rechtshandeling dient te worden beschouwd, blijkt uit het feit dat de Hoge Raad benadrukt dat Nimox als aandeelhouder direct een opeisbare vordering op de vennootschap (Auditrade) verkrijgt.
Dat aan het uitkeringsbesluit externe werking toekomt is eveneens door het hof Arnhem inzake Udo Holding aangenomen. In navolging van de rechtbank oordeelt het hof Arnhem dat:14 ‘(…) het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders tot dividenduitkering extern als een besluit van de vennootschap moet worden aangemerkt. Met dit besluit wordt ontegenzeglijk een op rechtsgevolg gerichte wil geopenbaard, zodat sprake is van een rechtshandeling. Als gevolg van het dividendbesluit heeft Udo een vordering gekregen op Udo Holding. Dat Udo die vordering heeft verrekend met zijn schuld aan Udo Holding, maakt niet dat bij de dividenduitkering van een rechtshandeling geen sprake is geweest’15 [Onderstr. MC]. Het hof stelt uitdrukkelijk dat met het uitkeringsbesluit van de AV externe binding wordt bewerkstelligd, namelijk het ontstaan van een opeisbare vordering van Udo als aandeelhouder op Udo Holding.
In de parlementaire geschiedenis bij de invoering van het nieuw BW zijn besluiten onderverdeeld naar hun werking.16 De categorie van besluiten met externe werking is beperkt en omvat alleen besluiten met direct externe werking. Vanuit deze onderverdeling geredeneerd, kan worden gesteld dat de Hoge Raad in het arrest Nimox, door te bevestigen dat het uitkeringsbesluit externe werking toekomt, erkent dat een uitkeringsbesluit een direct extern werkend besluit is.
Naar aanleiding van het bovenstaande kan mijns inziens worden gesteld dat het uitkeringsbesluit onder oud recht diende te worden gekwalificeerd als een besluit met direct externe werking. In het hiernavolgende wordt het uitkeringstraject aan een nadere analyse onderworpen. Voor deze analyse dienen twee situaties van elkaar te worden onderscheiden, te weten: (a) de situatie dat het wettelijk uitgangspunt van artikel 2:216 lid 1 (O)BW onverkort gold (wettelijke winstbestemming); en (b) de situatie waarin statutair werd afgeweken van het wettelijk uitgangspunt. In de situatie als bedoeld onder a was niet statutair van het wettelijke uitgangspunt ‘uitkeren’ afgeweken. De AV kon in dit geval geen andersluidend besluit nemen, omdat de bevoegdheid tot bestemming van de winst niet aan een orgaan van de vennootschap toekwam. In deze situatie had de vennootschap, na vaststelling van de jaarrekening, de verplichting om de gehele winst uit te keren aan haar aandeelhouders.17 In de situatie als bedoeld onder b was de winstbestemmingsbevoegdheid toegekend aan een orgaan van de vennootschap, veelal de AV. De AV moest in dit geval, naast een besluit tot vaststelling van de jaarrekening, ook een winstbestemmingsbesluit nemen.18
Voorafgaand aan de stapsgewijze behandeling van beide uitkeringstrajecten, zoals hierboven bedoeld onder a en b, dient een vijftal algemene opmerkingen te worden gemaakt:
De aandeelhouder binnen orgaanverband en de aandeelhouder buiten orgaanverband waren in dezelfde persoon vertegenwoordigd tijdens de AV waarin het uitkeringsbesluit werd genomen. Dit betekende dat de inhoud van het genomen besluit niet meer door middel van een bode behoefde te worden overgebracht. De overige handelingen ter voltooiing van het uitkeringstraject dienen mijns inziens dan ook te worden beschouwd als uitvoeringshandelingen en niet als bodehandelingen.
Het was gebruikelijk dat het bestuur de AV, waarin tot het dividend werd besloten, bijwoonde. Bestuurders (en eventueel commissarissen) hadden een raadgevende stem in de AV ex artikel 2:227 lid 4 (O)BW en het bestuur diende overeenkomstig artikel 2:230 lid 4 (O)BW aantekening te houden van de aldaar genomen besluiten.19 Bestuurders (en eventueel) commissarissen moesten voor de AV worden opgeroepen om in de gelegenheid te worden gesteld advies uit te brengen ten aanzien van de voorgenomen besluitvorming.20 Gesteld kan dan ook worden dat het bestuur te allen tijde op de hoogte was van het genomen uitkeringsbesluit van de AV.21
Het uitoefenen van de adviserende stem in de hoedanigheid van bestuurder diende ter bevordering van een optimale besluitvorming van aandeelhouders, zulks met het oog op de belangen van de vennootschap.22 Bestuurders zijn geen vergadergerechtigden, maar hebben wegens hun raadgevende stem toegang tot de AV.23 De positie van bestuurders is in deze zin een andere dan die van de vergadergerechtigden. De adviserende stem is geen constitutief vereiste voor het nemen van een besluit door de AV, maar dient uitsluitend ter bevordering van optimale besluitvorming. Indien een bestuurder niet in gelegenheid is gesteld om gebruik te maken van zijn adviserende stem is, behoudens vernietiging van het besluit ex artikel 2:15 lid 1 sub a BW, het desbetreffende besluit toch rechtsgeldig genomen.24
Ten aanzien van de betaalbaarstelling merk ik op dat dit een uitvoeringshandeling was, welke voortvloeide uit en volgde op het direct extern werkende uitkeringsbesluit van de AV.25 De vraag rijst of het bestuur nog een besluit tot betaalbaarstelling moest nemen. In zijn noot onder het arrest Ellem Beheer merkte Maeijer het volgende op: ‘De HR gaat blijkbaar uit van de regel dat de vennootschap vertegenwoordigd door de algemene vergadering van aandeelhouders, zoals ieder rechtssubject, over haar vermogensrechten kan disponeren, en haar debiteur (-directeur) ontslag kan verlenen uit aansprakelijkheid voor gepleegde handelingen van welke aard ook, mits deze aan de dechargerenden bekend zijn.’26 Maeijer stelde dat de vennootschap, zoals ieder rechtssubject, vertegenwoordigd door de AV kon beschikken over haar vermogensrechten. Deze zin lijkt op gespannen voet te staan met het uitgangspunt van artikel 2:240 lid 3 BW op basis waarvan het bestuur, alsook de individuele bestuurders, onbeperkt en onvoorwaardelijk vertegenwoordigingsbevoegd zijn. Ingevolge artikel 2:210 lid 3 BW werd de jaarrekening vastgesteld door de AV. Naar het wettelijk uitgangspunt van artikel 2:216 lid 1 (O)BW omvatte het besluit tot vaststelling van de jaarrekening eveneens het uitkeringsbesluit; de AV vertegenwoordigde dan bij dit besluit de vennootschap en disponeerde op deze wijze over haar vermogen. Hetzelfde gold indien de AV een tussentijds uitkeringsbesluit nam. In dit geval werd de vennootschap ook door de AV vertegenwoordigd en disponeerde de AV over haar vermogen. De vraag of nog een bestuursbesluit tot betaalbaarstelling moest worden genomen, zou ik in lijn met Maeijer, negatief willen beantwoorden. Nu de AV reeds bij besluit had beschikt over het vermogen van de vennootschap was alleen nog een uitvoeringshandeling nodig en geen bestuursbesluit.27
In het licht van de dogmatische perceptie van het direct extern werkende uitkeringsbesluit rijst de vraag of de betaalbaarstelling, als uitvoeringshandeling, dient te worden beschouwd als een vertegenwoordigingshandeling. Hét vertrekpunt bij de beantwoording van deze vraag is het gegeven dat de vennootschap reeds door de AV bij besluit is vertegenwoordigd.28
Het rechtsgevolg van het uitkeringsbesluit was het ontstaan van een opeisbare vordering voor de aandeelhouders, waarmee de besluitvormingsfase was afgerond. Het uitkeringstraject was nog niet afgerond, want de aandeelhouders hadden nog geen rode cent ontvangen. Zij hadden uitsluitend een claim op de vennootschap ter hoogte van hun deel in de jaarwinst. Het uitkeringsbesluit riep naar mijn mening de plicht in het leven voor de vennootschap om tot betaalbaarstelling over te gaan. Zie in vergelijkbare zin Winter, die in zijn dissertatie het volgende stelt: ‘De uitkering is door het besluit verplicht. De curator zal daarom het uitkeringsbesluit moeten aantasten.’29 Nu de vennootschap reeds was vertegenwoordigd bij AV-besluit betrof de betaalbaarstelling louter een functionele verplichting. Het maakte daarom niet uit wie namens de vennootschap de betaling verrichtte.30 In theorie kon iedereen, die over de bankrekening van de vennootschap kon beschikken, als uitvoerder het dividend aan de aandeelhouders betaalbaar stellen.31
De bestuurder voldeed slechts aan een functionele verplichting voortvloeiende uit het direct extern werkende uitkeringsbesluit. De bestuurder acteerde in dit geval als uitvoerder van het uitkeringsbesluit en niet als bestuurder in de zin van artikel 2:240 BW, omdat de vennootschap reeds was vertegenwoordigd bij AV-besluit. In deze zin maakte het niet uit of de bestuurder die het dividend betaalbaar stelde vertegenwoordigingsbevoegd was.
In het hypothetische geval dat het bestuur, als gevolg van de ontwikkelingen na sluiting van het boekjaar, weigerde tot betaalbaarstelling van het dividend over te gaan, was het niet ondenkbaar dat een groot-aandeelhouder de financiële administratie verzocht om de betaling te verrichten. Nu in dit geval niet de bestuurder maar een medewerker van de financiële administratie, die kon beschikken over de bankrekening van de vennootschap, de betaling had verricht, kon de bestuurder mijns inziens niet aansprakelijk worden gehouden.32 De bestuurder behoefde immers niet per se zelf de betaling te verrichten.
De feitelijke betaalbaarstelling van het dividend door de bestuurder viel mijns inziens niet te beschouwen als een vertegenwoordigingshandeling, maar louter als een functionele uitvoeringshandeling; het uitdragen van een besluit waar de vertegenwoordiging al in zit.33 Naar mijn idee behoefde geen enkele vertegenwoordigingshandeling te worden gesteld om de uitkering te kunnen doen. Voor zover men al zou willen aannemen dat de betaalbaarstelling wél een vertegenwoordiginghandeling behelsde, handelde degene die het dividend betaalbaar stelde mijns inziens op basis van een algemene volmacht, welke lag besloten in het direct extern werkende uitkeringsbesluit.34 Deze gedachtegang ontleen ik aan het arrest Utrechts Monumentenfonds waar de Hoge Raad in een bestuursbesluit tot aanvaarding van een aanbod een opdracht en volmacht leest.35 Als gezegd, dit is een wankelmoedige zienswijze van de Hoge Raad, maar kan hier als bijkomend argument worden gebruikt.36
(a) de situatie dat het wettelijk uitgangspunt van artikel 2:216 lid 1 (O)BW onverkort gold
Naar het wettelijke uitgangspunt kwam de winst ex artikel 2:216 lid 1 (O)BW de aandeelhouders buiten orgaanverband en niet een vennootschapsorgaan rechtstreeks ten goede; hiervoor aangeduid als wettelijke winstbestemming.37 Ingevolge artikel 2:216 lid 3 (O)BW geschiedde uitkering van winst na vaststelling van de jaarrekening waaruit bleek dat zij geoorloofd was. In het besluit tot vaststelling van de jaarrekening lees ik tevens een impliciet direct extern werkend besluit tot uitkering van de jaarwinst.38 De externe component van het impliciet genomen uitkeringsbesluit lag besloten in het feit dat de AV als orgaan van de vennootschap de jaarrekening, waaruit de in het afgelopen boekjaar behaalde winst bleek, vaststelde (goedkeurde) en daarmee een opeisbare vordering voor de aandeelhouder( s) tot betaling van hun deel in de jaarwinst in het leven riep.39 Een individuele aandeelhouder kon, voor zover aan de balanstest was voldaan, zijn deel van de vastgestelde jaarwinst onmiddellijk opeisen.
Het uitkeringstraject bestond in dit geval uit twee fasen, te weten: (i) de besluitvormingsfase; en (ii) de uitvoeringsfase. De besluitvormingsfase zag er als volgt uit. De aandeelhouders handelend binnen orgaanverband namen een besluit tot vaststelling van de jaarrekening, inhoudende een impliciet direct extern werkend besluit tot uitkering van de jaarwinst, met als rechtsgevolg het ontstaan van een opeisbare vordering voor de aandeelhouders buiten orgaanverband op de vennootschap. Nu op de vennootschap de plicht rustte om tot betaalbaarstelling van het dividend over te gaan, diende nog een uitvoeringshandeling plaats te vinden. Deze uitvoeringshandeling had, behoudens een beroep op verrekening door de vennootschap of haar aandeelhouders, doorgaans de vorm van een daadwerkelijke uitkering van het dividend. Het rechtsgevolg van het betaalbaar stellen was het tenietgaan van de opeisbare vordering van de aandeelhouders op de vennootschap. Na het betaalbaar stellen van het dividend aan de aandeelhouders was het uitkeringstraject afgerond.
(b) de situatie waarin statutair werd afgeweken van het wettelijk uitgangspunt
In het gros van de gevallen bepaalde de statuten dat de winst ter beschikking stond van de AV. De AV kon in dit geval tot reservering of uitkering van de winst besluiten. Voorafgaand aan het direct extern werkende uitkeringsbesluit nam het bestuur of de AV het voortouw tot het doen van de dividenduitkering. Bij de jaarlijkse dividenduitkering initieerde het bestuur de dividenduitkering door bij de opgemaakte jaarrekening, waaruit de voor uitkering vatbare winst bleek,40 een voorstel tot winstbestemming toe te voegen.41 In geval van een tussentijdse dividenduitkering initieerde normaal gesproken de AV.42
Het uitkeringstraject bestond in dit geval uit drie onderdelen, te weten: (i) het bestuur of de AV nam het initiatief tot het doen van een dividenduitkering, het voorstel tot winstbestemming; (ii) de besluitvormingsfase; en (iii) de uitvoeringsfase. Nadat het bestuur of de AV het initiatief tot het doen van een dividenduitkering had genomen, namen de aandeelhouders binnen orgaanverband, rekening houdend met ontwikkelingen na sluiting van het boekjaar, nadat het bestuur in de gelegenheid was gesteld om van zijn raadgevende stem gebruik te maken,43 een direct extern werkend uitkeringsbesluit op basis van de laatst vastgestelde jaarrekening. Het rechtsgevolg van het uitkeringsbesluit was het ontstaan van een opeisbare vordering van de aandeelhouders op de vennootschap. Nu op de vennootschap de plicht rustte om tot betaalbaarstelling van het dividend over te gaan, diende nog een uitvoeringshandeling plaats te vinden. Deze uitvoeringshandeling had, behoudens een beroep op verrekening door de vennootschap of haar aandeelhouders, doorgaans de vorm van een daadwerkelijke uitkering van het dividend aan de aandeelhouders. Het rechtsgevolg van het betaalbaar stellen was het tenietgaan van de opeisbare vordering van de aandeelhouders op de vennootschap. Na het betaalbaar stellen van het dividend was het uitkeringstraject afgerond.