Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.4
3.4 Grondwet 1814/1815: middelbaar onderwijs
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977449:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Curs.W; vgl. H.T. Colenbrander, Ontstaan der Grondwet. Bronnenverzameling, 1, 1814, Den Haag: Nijhoff 1908 en A. Hallema, ‘Het idee van de middelbare school voor Thorbecke's M.O.-wet’, PS 1933, p. 67 e.v.
S. Stokman, De religieuzen en de onderwijspolitiek der regeering in het Vereenigd Koninkrijk der Nederlanden (1814-1830), Den Haag: CBKO 1935, p. 272.
J. Hoedeman & R. Meijer, Willem IV. Van prins tot koning, Amsterdam: Atlas 2010.
Van Hasselt, Nederlandse staatsregelingen en grondwetten, Alphen a/d Rijn: Samsom 1956, p. 191: 8e hoofdstuk: Van den Godsdienst, het openbaar onderwijs en het armbestuur; vgl. M. Berendse, ’Grondwet graag alsnog juist dateren’, Trouw 29 maart 2014.
P.Th.F.M. Boekholt, Het ongeregelde verleden. Over eenheid en verscheidenheid van het Nederlandse onder wijs, (oratie UU), Assen: Van Gorcum 1998, p. 15 en S. Elzinga, De grondslagen der Maatschappijschool, Groningen: Wolters 1933, p. 32-34.
Van Hasselt 1956, p. 282: Grondwet van 1815, artikel 226. Tiende hoofdstuk: Van het Onderwijs en het Armbestuur; Wet van 29 maart 1814, Stb. 1814, nr. 44, artikel 140, opgenomen in het Bijvoegsel tot het Staatsblad 1813/14, p. 495. Premier Balkenende (CDA) maakt op 5 februari 2010 het instellen van het Nationaal Comité ter viering van tweehonderd jaar Koninkrijk bekend. Hij vraagt aandacht te besteden aan de bewustwording van het Nederlands democratisch bestel en aan de kennis van de rechtsstaat en de Grondwet. Het bevorderen van onderlinge verbondenheid en saamhorigheid staat in de viering centraal.
Organiek Besluit van 2 augustus 1815, Stb. 1815, nr. 14 (Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van 12 oktober 1815, nrs. 242-243); vgl. H.W. Fortgens, Schola Latina. Uit het verleden van ons voorbereidend hoger onderwijs, Zwolle: TjeenkW 1958.
Er bestonden in de zuidelijke Nederlanden R.K. kleinseminaries als een soort middelbare scholen die bij KB van 14 juni 1825, Stb. 1825, nrs. 55, 56 zijn opgeheven; vgl. E Bos, ’Godsdienstpolitiek onder de Oranjevorsten’, in: Van Bijsterveld & Steenvoorde 2013, p. 23.
Soeverein Besluit 18 januari 1814, 66, Nederlandsche Staats-Crt. 26 januari 1814, 2.1; Rapport van de Staatscommissie-Van der Duijn van Maasdam, ARA, OKW, 1815-1848, 3985 en A.D.N. Kerkhoff & J. Martina, ‘Advies aan de regering. Staatscommissies in Nederland tussen 1814 en 1870’, b en m 42, 2, p. 79-101.
Verslagen nopens den staat der Hooge, Middelbare en Lagere Scholen in het Koningrijk der Nederlanden, gedaan aan de Staten-Generaal 1816-1840, s-Gravenhage 1842.
Artikel 140 Gw van 1814 bepaalt dat ‘ter bevordering van Godsdienst als een vaste steun van den Staat en ter uitbreiding van kennis [is] het openbaar onderwijs op de hooge, middelbare1 en lage scholen een aanhoudend voorwerp van de zorge der Regeering.2 De Souvereine Vorst3 doet van den Staat dier scholen jaarlijks aan de Staten Generaal een uitvoerig verslag geven’.4 De opdracht tot de verbetering van het volksonderwijs ligt hierin besloten.5 Ook in de Grondwet van 1815 is middelbaar onderwijs in artikel 226 vermeld.6 Echter, niemand weet na de regeling van de Latijnse scholen in het Organiek Besluit van 2 augustus 1815 bij het Hooger Onderwijs7, waar de scholen voor middelbaar onderwijs zich in het Koninkrijk mogen bevinden.8
Middelbaar onderwijs is geen hoger onderwijs
In 1815 treedt de Staatscommissie-Van der Duijn van Maasdam aan met als opdracht een stelsel van hoger onderwijs te ontwerpen dat de Latijnse scholen omvat, maar niet het middelbaar onderwijs (‘Hoogere Burger Scholen’).9 Het eerste regeringsverslag (1816) maakt melding van de noodzaak ‘eene meer beschaafde opvoeding en het onderwijs te doen genieten in andere hedendaagse of ook geleerde talen, aardrijkskunde en geschiedkunde’.10
Middelbaar onderwijs: geen nationale wetgeving
De term ‘middelbaar onderwijs’ behoeft enige toelichting. Om te beginnen zijn destijds scholen van middelbaar onderwijs, in de materiële zin van het huidige middelbaar onderwijs, formeel bij ‘het lager onderwijs’ ondergebracht, met uitzondering van de Latijnse scholen. Rond 1800 is er in het Nederlandse onderwijsstelsel sprake van een tweedeling in lager én hoger onderwijs. Dat laatste valt duidelijk te omschrijven. Onder het hoger onderwijs vielen de hogescholen die later universiteiten werden en de Latijnse scholen als de opleidingsschool voor de hogescholen. Alle andere vormen van onderwijs zijn ‘lager’ onderwijs. Dit betekent dat schooltypen die nu tot het voortgezet onderwijs behoren, toen werden aangemerkt als lager onderwijs.
Stadsbesturen lopen niet voorop voor middelbaar onderwijs
De Grondwetten van 1814 (artikel 140) en 1815 (artikel 226) vermelden het bestaan van de hooge, middelbare en lage scholen. Maar enige aandrang om naast het volksonderwijs middelbaar onderwijs mogelijk te maken was er bij de stadsbesturen als rechtskringen niet. Het streven was zoveel mogelijk gericht op het voeren van een eigen beleid voor het onderwijs, dat voor de burgergroepen, waarmee die besturen nauwe connecties onderhielden, van belang was. Zo bestonden er in den lande ‘middelbare’ scholen, die zich aanpasten aan de behoeften van de stedelijke omgeving. Doordat er geen landelijke regelgeving was en de steden hun beleid niet op elkaar afstemden, ontstaat er in de eerste helft van de 19de eeuw een heterogeen geheel van ‘middelbaar’ onderwijs. Deze situatie heeft bestaan tot de Wet op het Middelbaar Onderwijs van 1863 (hierna: MO-Wet 1863).