Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/7.4.2.1
7.4.2.1 Uitgangspunten bij uitdeling
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186729:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
De term pondspondsgewijs is ongelukkig omdat die onvoldoende tot uitdrukking brengt dat de verschillende verhaalsgerechtigden niet een even groot bedrag ontvangen, maar een even groot deel van hun vordering.
Zie ook par. 5.2.3.2.
Zie Snijders & Rank-Berenschot 2017, nr. 707 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 737.
Zie par. 5.2.3.6.
Zie Spinath 2005, p. 24, A. van Hees 1989, p. 114, Wessels 2013, p. 83, Klaassen 1981, p. 17 en Rapport Insolad Afwikkeling Faillissementen 2011, p. 57.
Zo ook impliciet Spinath 2005, p. 24, A. van Hees 1989, p. 114, Wessels 2013, p. 83, Klaassen 1981, p. 17 en Rapport Insolad Afwikkeling Faillissementen 2011, p. 57.
Vgl. enerzijds figuur 7.2 en anderzijds figuur 7.4 in par. 7.3.3.5 respectievelijk 7.3.3.6.
473. De verdeling van de executie-opbrengst conform de vastgestelde rangorde gebeurt op basis van de volgende uitgangspunten.
Ten eerste wordt aan schuldeisers met gelijke rang pondspondsgewijs1 uitgedeeld, ook wel ‘pari passu’ genoemd. Zij ontvangen hetzelfde percentage van hun vordering. Dit is onderdeel van de paritas creditorum. Die houdt in dat alle verhaalsrechten behoudens wettelijke redenen van voorrang of achterstellingen een gelijke rang hebben en dat verhaalsgerechtigden met gelijke rang een gelijk percentage van hun vordering uit de executie-opbrengst ontvangen.2 Deze twee aspecten van de paritas creditorum zijn samen gecodificeerd in artikel 3:277 lid 1 BW. Bij de verdeling van de executie-opbrengst gaat het om het tweede aspect: verhaalsgerechtigden met een gelijke rang krijgen een gelijk deel van hun vordering voldaan uit de executie-opbrengst.3
Ten tweede wordt het deel van de executie-opbrengst dat een schuldeiser ontvangt enkel bepaald door de rang van zijn eigen verhaalsrecht tot andere verhaalsrechten en niet door de onderlinge verhouding tussen die andere verhaalsrechten. De uitkering aan schuldeiser A kan dus niet worden beïnvloed door de onderlinge verhouding tussen verhaalsrecht B en C. Dit hangt samen met het relatieve karakter van rangorde.4 Het verhaalsrecht van schuldeiser A heeft alleen een rang in de onderlinge verhouding met het verhaalsrecht van B en in de onderlinge verhouding met het verhaalsrecht van C. Verhaalsgerechtigde A staat buiten de verhouding tussen verhaalsrecht B en verhaalsrecht C. De verhouding tussen B en C beïnvloedt uitkering aan A dus niet.5
Ten derde heeft een verschil in rang tussen twee verhaalsgerechtigden binnen dezelfde klasse hetzelfde gevolg als het rangverschil tussen twee schuldeisers die in verschillende klassen zitten.6 Dat volgt uit het vorige uitgangspunt. Als er een rangverschil bestaat tussen verhaalsrecht B en verhaalsrecht C bepaalt dat hun onderlinge verhouding. Of B en C in dezelfde klasse zitten wordt bepaald door hun beider verhouding tot verhaalsgerechtigde A.7 Schuldeiser B en C zitten in dezelfde klasse als hun verhaalsrechten allebei dezelfde rang hebben als dat van A, maar voor de relatie tussen B en C maakt dat geen verschil. Dat is terecht, omdat de aard van het rangverschil tussen B en C hetzelfde is wanneer zij in dezelfde klasse zitten als wanneer zij in twee verschillende klassen zitten.