Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.9.2.2
7.9.2.2 Relativiteit
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577540:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
In Duitsland leek men daar anders over te denken. Alleen ingeval de schending van de mededingingsregels was gericht tegen de eiser bestond er in Duitsland een recht op schadevergoeding. Als gevolg van de hervorming van de Gesetz gegen Wettbewerbsbeschrtinkungen (GWB) door het 7 amendement is deze restrictie (Schutznormerfordernis) afgeschaft. Zie art. 33(1) GWB en art. 823-II BGB. Een inbreuk op de mededingingsregels is mijns inziens uiteindelijk gericht tegenover zowel directe als indirecte afnemers. Niet valt in te zien waarom indirecte afnemers niet beschermd zouden behoren te worden op grond van het relativiteitsvereiste. Zie over de situatie in Duitsland ook Haak & VerLoren van Themaat 2005, p. 75-77 en de ook in hun rapport gesignaleerde rechtspraak LG Mannheim 11 juli 2003, Az. 7 0 326/02,106 GRUR 2004, 182 (Vitaminlcartell); OLG Karlsruhe 28 januari 2004, Az. 6 U 183/03, 57 GRUR 2004, 883, NJW 2004, 2243, WuW/E DE-R 1229, 415 (Vitaminlcartell). Zie ook het landenrapport over Duitsland bij Waelbroeck, Slater & Evan-Shoshan 2004 (Ashurst-rapport). Zie over de situatie in Duitsland na de hervorming als gevolg van het 7 amendement Roth 2007, p. 69-70.
Haak & VerLoren van Themaat 2005, p. 76-77.
Haak & VerLoren van Themaat 2005, p. 76-77.
Zie I-ER 17 januari 1958, NI 1961, 568 (Tandartsen) .
De in § 7.6.7 besproken relativiteitsleer zou aan een indirecte actie in de weg kunnen staan. Volgens artikel 6:163 BW bestaat geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. De vordering van de indirecte gelaedeerde tot verkrijging van schadevergoeding wegens schending van het mededingingsrecht moet dan ook worden afgewezen wanneer de mededingingsbepaling (de geschonden norm) niet strekt ter bescherming tegen de schade zoals die door de indirecte gelaedeerde is geleden of wanneer de soort schade of de wijze waarop de schade is ontstaan buiten het bereik van de bescherming valt. De relativiteitsleer behoort in het algemeen geen belemmering te vormen voor een indirecte actie. Ik zie niet in waarom de geschonden mededingingsregels niet zouden strekken tot bescherming tegen de schade zoals die door de indirecte gelaedeerde (vaak de consument) is of wordt geleden.1 Zie hiervoor § 7.6.7 waar overtuigende argumenten zijn aangedragen voor de aanname dat de mededingingsregels strekken tot bescherming van de schade zoals die door consumenten is geleden.
Haak & VerLoren van Themaat zijn van mening dat eventuele schade die wordt opgelopen door tussenhandelaren niet wordt beschermd door de mededingingsregels.2 Dit kan echter niet in zijn algemeenheid worden gezegd. Veelal worden tussenhandelaren als directe afnemers wel degelijk beschermd door de mededingingsregels. Dit is alleen anders in het door Haak & VerLoren van Themaat gegeven voorbeeld van de schade die tussenhandelaren lijden door de afspraak die een groep fabrikanten heeft gemaakt om voortaan rechtstreeks aan de detaillist te zullen leveren en de groothandel uit te sluiten.3
In dat geval kan een gezonde mededinging meebrengen dat tussenhandelaren zullen verdwijnen.
Mochten de geschonden mededingingsregels niet strekken tot bescherming tegen de schade zoals die door de indirecte gelaedeerde(n) is geleden dan zou nog, zoals besproken in § 7.6.7, een beroep kunnen worden gedaan op schending van de zorgvuldigheidsnorm (een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt). Het enkele feit van wetsovertreding (kartelverbod of verbod op het maken van misbruik van een machtspositie) zal, ook al strekt het overtreden voorschrift niet ter bescherming tegen de schade, steeds meewegen bij het oordeel over de vraag of een betamelijkheidsregel is geschonden waar de benadeelde wel bescherming aan kan ontlenen (de correctie Langemeijer).4