Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.3.5.2
3.3.5.2 De toelating van motorrijtuigverzekeraars
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394792:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie de art. 15 en 17 van Richtlijn Solvency II.
Zie par. 3.1.
Art. 8 lid 2 van de 2e Richtlijn Schade.
Art. 2 onderdeel d, tweede streepje van de 2e Richtlijn Schade.
Hierna, in par. 3.3.5.4, zal een uitzondering op deze regel worden besproken. Als namelijk een motorrijtuig van de ene lidstaat naar een andere wordt verkocht en verzonden (‘geëxporteerd’), geldt gedurende een periode van maximaal dertig dagen na aanvaarding van de levering door de koper, de lidstaat van bestemming als lidstaat waar het risico is gelegen. Dat brengt mee dat de verzekeringsplicht ter zake van dat voertuig gedurende deze periode in de lidstaat van bestemming berust.
Vgl. art. 1:104 lid 1 onderdeel d Wft.
Art. 12bis lid 2 van de 2e Richtlijn Schade.
Art. 12bis lid 2, tweede alinea van de 2e Richtlijn Schade.
Art. 8 lid 1 onder f van de 1e Richtlijn Schade.
Art. 12bis lid 4 van de 2e Richtlijn Schade. De richtlijn duidt deze figuur aan als ‘vertegenwoordiger’. De Wft spreekt van schadeafhandelaar. Ik zal in deze studie de term schadeafhandelaar gebruiken. Zie voor de Nederlandse situatie par. 3.4.3.
In Nederland houdt dit in dat de schadeafhandelaar de kennisgevingen als bedoeld in art. 13 lid 1 Wam bij de Dienst Wegverkeer (RDW) mag verrichten.
Onmisbaar voor het totstandkomen van de interne markt is het wegnemen van beperkingen die verzekeraars ondervinden wanneer zij in een andere lidstaat dan die van hun vestiging werkzaam willen zijn. Daarnaast moesten onder meer de wetgevingen van de lidstaten op elkaar worden afgestemd die eisen bevatten ten aanzien van de toelating tot de nationale verzekeringsmarkt en de bedrijfsuitoefening.
Dat geldt ook voor de verzekeraars die de verplichte motorrijtuigverzekering willen uitvoeren. Deze materie is thans geregeld in Richtlijn Solvency II.
In deze paragraaf zal ik onderzoeken aan welke voorwaarden een verzekeraar moet voldoen die in een lidstaat Wam-verzekeringen wil aanbieden, en bij welke verzekeraar een in een EU-lidstaat geregistreerd voertuig mag worden verzekerd. De algemene eisen waaraan elke verzekeraar moet voldoen, ongeacht de (schade) branche die hij wil beoefenen, laat ik daarbij onbesproken. Ik concentreer mij op de specifieke eisen die aan Wam-verzekeraars worden gesteld.
De EU heeft één geïntegreerde financiële markt gerealiseerd. Deze gehele markt moet – in beginsel – openstaan voor verzekeraars uit alle lidstaten, anders gezegd:
verzekeraars moeten toegang hebben tot de markten van alle lidstaten en verzekeringnemers moeten – alweer in beginsel – hun risico’s kunnen verzekeren bij verzekeraars uit alle lidstaten, ook die in andere lidstaten dan die van hun, verzekeringnemers woonplaats. Het regime is thans dat een verzekeraar een vergunning nodig heeft om in de EU werkzaamheden uit te oefenen. Deze vergunning wordt verleend door de toezichtautoriteiten van de lidstaat van zijn (hoofd)vestiging. Deze vergunning geldt in beginsel voor de gehele EU, waarbij hij met een (lichte) kennisgevingprocedure ook activiteiten in andere lidstaten kan verrichten, hetzij met een bijkantoor of agentschap, hetzij in dienstverrichting. Het toezicht op de verzekeraar wordt uitgeoefend door de toezichthouder van de lidstaat van vestiging.
Dit regime staat bekend als dat van single licence en home country control.1
Deze volledig geïntegreerde financiële markt moet echter in overeenstemming worden gebracht met een hoog niveau van consumentenbescherming en consumentenvertrouwen.
2 Bij verplichte verzekeringen zou een onverkorte toepassing van dit regime problemen opleveren met het oog op de doelstelling van consumentenen slachtofferbescherming. De verplichte verzekering strekt immers (meestal) ter bescherming van de belangen van zwakkeren in de samenleving. Dit karakter van de verplichte verzekering leidt tot een aantal bijzondere bepalingen rond de verplichte motorrijtuigverzekering in diverse richtlijnen.
Art. 179 van Richtlijn Solvency II3 bepaalt met het oog daarop dat een lidstaat die een verplichting tot verzekering van op zijn grondgebied gelegen risico’s oplegt, ook mag eisen dat verzekeringsovereenkomsten inhoudelijk moeten stroken met de door die lidstaat gestelde eisen. Het betreft hier een tot de verzekeraar gerichte bepaling met een publiekrechtelijk karakter in het kader van de vergunningverlening.
Voor wat betreft voertuigen geldt, blijkens art. 13 lid 13 onderdeel b van Richtlijn Solvency II4 , dat het risico dat zij meebrengen is gelegen in de lidstaat van registratie.5 Dat betekent dat deze lidstaat de inhoud van de verplichte dekking mag bepalen, ook als de verzekering in vrijheid van dienstverrichting vanuit een andere lidstaat is gesloten. Voldoet de polis daaraan niet, dan is het gevolg dat de verzekeraar niet (meer) aan de vergunningseisen voldoet.
Met het oog op de slachtofferbescherming die de richtlijnen nastreven, gelden nog enige andere eisen, die als vestigings- of bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden kunnen worden gezien. Voldoet een verzekeringsonderneming niet aan deze voorwaarden, dan kan zijn vergunning tot het uitoefenen van de branche WA-motorrijtuigen worden ingetrokken.6
In de eerste plaats moet elke verzekeringsonderneming met vestiging in een lidstaat die de branche WA-motorrijtuigen wil uitoefenen, zich aansluiten bij het Bureau van de lidstaat van vestiging. Voor verzekeraars die de branche WAmotorrijtuigen vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat dan die van hun vestiging uitoefenen, vloeit de verplichting tot aansluiting bij het Bureau voort uit art. 145 lid 3 van Richtlijn Solvency II. Voor dienstverrichtende verzekeraars brengt art. 150 lid 1 van Richtlijn Solvency II7 mee dat zij zich dienen aan te sluiten bij het Bureau van de lidstaat van dienstverrichting. Met deze bepaling wordt de gewenste solidariteit op de markt van dienstverrichting bereikt. Een bijkomend gevolg is dat zij de IVB’s van het Bureau van het land van dienstverrichting kunnen afgeven.
Merkwaardig genoeg ontbreekt een expliciete bepaling dienaangaande voor wat betreft de hoofdvestiging van de verzekeringsonderneming. Wel volgt zij uit Aanbeveling nr. 5, maar hoewel de overheden van de landen die zich bij het groenekaartstelsel willen aansluiten deze Aanbeveling moeten onderschrijven en naleven, kan dat toch niet als het equivalent van een communautaire verplichting worden beschouwd. Wel is de verplichting logisch: de Bureaus dragen op grond van art. 2 van de Richtlijn het risico van in andere lidstaten door zowel verzekerde als onverzekerde motorrijtuigen veroorzaakte ongevallen, een risico dat zij alleen kunnen dragen als alle in deze staat toegelaten verzekeraars zijn aangesloten. Alleen zo wordt immers bereikt dat het gehele (verzekerde) wagenpark de schadelast van de onverzekerde voertuigen draagt.8
In bijvoorbeeld Ierland echter zijn in dat land gevestigde verzekeraars pas verplicht zich bij het Bureau aan te sluiten, als zij Ierse risico’s dekken, dat wil zeggen Ierse motorrijtuigen verzekeren.
Een in Ierland gevestigde verzekeraar die alleen in dienstverrichting in andere lidstaten werkzaam is, behoeft zich dus niet bij het Bureau aan te sluiten. Evenmin behoeft hij bij te dragen aan het Ierse waarborgfonds, omdat deze bijdrage alleen afhankelijk mag zijn van hetzij premieomzet, hetzij het aantal gedekte risico’s. Zie art. 150 lid 2, tweede alinea van Richtlijn Solvency II9 .
Op de gevestigde zowel als op de dienstverrichtende verzekeraars rust daarnaast – op grond van dezelfde bepalingen – een verplichting om deel te nemen in de financiering van het waarborgfonds. Ook hier geldt dat deze verplichting alleen voor bijkantoren en dienstverrichtende verzekeraars rechtstreeks op de richtlijnen te baseren is.
Een derde verplichting bestaat hierin dat elke verzekeraar met een vestiging in een lidstaat, in elke andere lidstaat een schaderegelaar moet aanstellen, die tot taak heeft ‘4e Richtlijnschadegevallen’ te behandelen. Zie art. 21 lid 1, derde alinea van de Richtlijn en art. 18 lid 1 onder h van Richtlijn Solvency II10 .
Een in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappij dient in elke andere lidstaat een schaderegelaar aan te stellen. Veroorzaakt een verzekerde van deze maatschappij een ongeval in Nederland waarbij een inwoner van een andere lidstaat schade lijdt, dan kan de benadeelde zich in eigen land tot de schaderegelaar van de Nederlandse verzekeraar wenden.
Tot slot dient de verzekeraar die in dienstverrichting in een andere lidstaat werkzaam is, in die lidstaat van dienstverrichting een schadeafhandelaar aan te stellen. Zie art. 152 lid 1 van Richtlijn Solvency II.11 Deze schadeafhandelaar dient alle nodige informatie omtrent schadegevallen te verzamelen, moet over voldoende bevoegdheden beschikken om de verzekeringsonderneming tegenover benadeelden te vertegenwoordigen, waaronder begrepen het vergoeden van de schade, en hij moet zo nodig ook in rechte namens de onderneming kunnen optreden. Daarmee wordt bereikt dat de benadeelde van een ongeval in de lidstaat van dienstverrichting, waar hij ook woonplaats heeft, niet in een slechtere positie verkeert dan de benadeelde van een ongeval dat een in de lidstaat van het ongeval gevestigde verzekeraar tegenover zich heeft. De schadeafhandelaar moet ook bevoegd zijn om “de onderneming bij de bevoegde autoriteiten van de staat van dienstverrichting te vertegenwoordigen wanneer het gaat om de controle op het bestaan van geldige verzekeringspolissen.”12
De figuur van de schadeafhandelaar moet worden onderscheiden van die van de schaderegelaar.
De eerste behoeft door de verzekeraar alleen te worden aangesteld indien hij in andere lidstaten in dienstverrichting werkzaam wil zijn, en dan ook alleen in de lidstaat van dienstverrichting. Zijn taak ligt op het gebied van de afhandeling van verkeersongevallen in de lidstaat van dienstverrichting.
De schaderegelaar moet door alle in een lidstaat gevestigde verzekeraars worden aangesteld in alle andere lidstaten dan die van vestiging. Zijn taken zijn beperkt tot de ongevallen als bedoeld in de 4e Richtlijn.
De figuur van de schaderegelaar en die van de schadeafhandelaar mogen wel door dezelfde persoon worden vervuld. De schaderegelaar die door een Italiaanse verzekeraar in Nederland is aangesteld, mag door die verzekeraar ook met de verantwoordelijkheden van schadeafhandelaar worden belast, als deze Italiaanse maatschappij in Nederland in dienstverrichting werkzaam wordt.
Deze figuren zullen in de hierna volgende hoofdstukken nog uitvoeriger aan de orde komen.