Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/0.5
5. De probleemstelling
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476130:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Het rechtshistorisch onderzoek bevat een schriftelijke neerslag van een door mij uitgevoerd literatuur- en bronnenonderzoek en zal met name descriptief van aard zijn. Het doorgronden van het historisch kader van de landinrichting in het algemeen en de kavelruil in het bijzonder is (hopelijk) voor de lezer een fascinerende reis door de tijd, die inzichten en uitgangspunten oplevert, die van zeer groot belang zijn voor een goed begrip van de overige onderdelen van mijn onderzoek. Ik pretendeer daarbij overigens geen volledigheid, enerzijds omwille van de omvang van dit onderzoek, anderzijds omwille van het feit dat de rechtshistorie in dit onderzoek een ondersteunende rol speelt. Dat er wel degelijk behoefte is aan dergelijk rechtshistorisch onderzoek op agrarisch gebied, stelt B.H. Slicher van Bath, Boerenvrijheid, p. 3 vast: ‘Bij de beoefening der economische geschiedenis hier te lande is slechts in een geringe mate aandacht besteed aan onderwerpen van agrarische aard.’
Ik zal daarbij overigens frequent verwijzen naar de parlementaire geschiedenis, dit mede indachtig stelling X uit de dissertatie van Cramer: ‘De Handelingen der Staten-Ceneraal, welke – naar algemeen oordeel – onontbeerlijk zijn voor het inzicht in de ontwikkeling der wetgeving, worden te weinig gebezigd als bron van Itennis omtrent toestanden en opvattingen in het verleden’, N. Cramer, Parlement en pers in verhouding tot de overheid (diss. 1958). Ook de beschrijving van de huidige regeling zal, net als het rechtshistorisch deel, in belangrijke mate beschrijvend van aard zijn (afgezien van de vele ‘doorkijkjes’ naar en parallellen met andere rechtsgebieden en begrippen). Het descriptieve karakter moet ook hier bezien worden als noodzakelijk fundament onder het ‘(grensoverschrijdende) kavelruilhuis’.
Ik sluit mij daarbij aan bij de woorden van B.H. Slicher van Bath, Boerenvrijheid, p. 23: ‘Men mag immers van een historicus terecht verwachten, dat hij door zijn kennis van het verleden een dieper inzicht kan geven in het gebeuren van het heden.’ Uiteraard pretendeer ik hierbij geen historicus te zijn, maar (slechts) een rechtshistorisch geïnteresseerde jurist.
Zie het proefschrift van G.M. Andela, Kneedbaar landschap, kneedbaar volk, alsmede S. van den Bergh, Verdeeld land.
Het aantal bronnen over de historische ontwikkeling van landinrichting in brede zin is omvangrijk, maar in geen enkele bron wordt de kavelruil als zodanig zelfstandig onderzocht.
D. Kokkini-Iatridou, Een inleiding tot het rechtsvergelijkend onderzoek, Deventer: Kluwer 1998, p, 27 stelt dat rechtsvergelijking helpt het ‘rechtsprovincialisme’ te overwinnen. Bovendien is rechtsvergelijking een logische keuze in het kader van dit onderzoek, gezien het feit dat ongeveer 42 procent van de juridische dissertaties geclassificeerd wordt als rechtsvergelijkend onderzoek dat zich uitstrekt over meerdere nationale jurisdicties. Zie H.E.B. Tijssen, De juridische dissertatie onder de loep. De verantwoording van methodologische keuzes in juridische dissertaties, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, p. 128.
A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, is weliswaar een rechtsvergelijkende studie naar ruilverkaveling in Frankrijk, Nederland en België, maar deze studie richt zich voornamelijk op de (wettelijke) ruilverkaveling. De ‘vrijwillige ruilverkaveling’ wordt op enkele plaatsen genoemd en op hoofdlijnen beschreven (m.n. p. 121-129), maar maakt slechts een zeer bescheiden onderdeel van het onderzoek uit. Vermeldenswaard is eveneens L.P.J. Mertens, ‘Landinrichting in België, Duitsland en Nederland’, in: Agrarisch recht 1991/6, waarin een (kort) verslag van het ‘Dreiländeragrarrechtseminar’ uit 1990, met als onderwerp ‘actuele ontwikkelingen in de landinrichting’ is opgenomen, alsmede E.H. Jacoby, Hurbereinigung in Europa, Wageningen: H. Veenman & Zonen 1961.
Dit hoewel ik mij ervan bewust ben dat een geïntegreerde benadering veelal op bijval kan rekenen, zo blijkt uit de woorden van rector magnificus S.GJ.J. Kortmann in: J, Meuren, T. Havinga, Voorbeeldige proefschriften, uitgave van de Commissie voor het promovendibeleid van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Radboud Universiteit Nijmegen, p. 33.
Ontleend aan: J.E.A.M. van Dijck, ‘Rechtsvergelijking’, in: WFR 2003/1963,
Zie http://www.nieuweoogst.nu/scripts/edoris/edoris.dll?tem=LTO_TEXT_VIEW8!doc_id=185844, datum inzage 20 december 2012.
Art. 7:49 e.v. BW. Zie hierover uitgebreid het onderdeel ‘civielrechtelijke dwarsverbanden’, opgenomen in grenspost 1, hfdst. II, onderdeel C van dit onderzoek.
Ik verwijs uiteraard naar het ‘civielrechtelijke hart’ van mijn onderzoek in grenspost 1, hfdst. II, onderdeel C, maar ook naar onderdeel G van ditzelfde hoofdstuk waar de diverse (alternatieve) toepassingsmogelijkheden van kavelruil nader beschreven en becommentarieerd worden. Tevens wordt de driehoek civiel-fiscaal-subsidie uitgebreid geanalyseerd in grenspost 2, hfdst. II, onderdeel C. Daarnaast zullen doorlopend (waar mogelijk) ‘bruggetjes’ met het civiele recht worden geslagen.
Zie grenspost 2, hfdst. II, onderdeel C.3 van dit onderzoek.
Ontleend aan J.P.M. Stubbé, ‘Zomermix’, in: FBN 2013/38, alwaar in onderdeel 3, ten aanzien van de gebondenheid van een derde (de inspecteur) aan een vaststellingsovereenkomst tussen erfgenamen is te lezen: ‘(…) voor de belastingheffing (volgt) in veel gevallen het fiscale recht het civiele recht Hierop voortbordurend is het in mijn ogen niet mogelijk om als louter civielrechtelijk geschoolde jurist alle geheimen van het fiscale recht te kunnen doorgronden en vice versa. Het kunnen ‘schakelen’ tussen de civiele en fiscale wereld is voor een goed begrip van het recht in het algemeen en voor het kunnen doorgronden van de kavelruil in al zijn facetten in het bijzonder, een (basis) vereiste. Zie t.a.v. de civielrechtelijke en fiscale ‘kruisbestuiving’ op het terrein van de schenken erfbelasting B.M.E.M. Schols, “Enige’ civielrechtelijke dogmatiek misstaat in een schenk(ings)- en erfbelasting niet!’, in: WPNR (2008) 6757.
Zo vermeldt J.P.M. Vermeulen, Kavelruil in Nederland, p. 17 en 19 cijfers betreffende de periode 1971-1982.
Voor de ruilverkaveling is het, vanwege de invloed van de centrale overheid, eenvoudiger om dergelijke statistische data te vergaren, getuige de zeer indrukwekkende hoeveelheid statistische gegevens in S. van den Bergh, Verdeeld land, bijlage A t/m K
Na vorenstaande opmerkingen, die zowel dienen ter bepaling van de sfeer als ter ondersteuning van mijn motivatie om de kavelruil te ‘annexeren’ als onderzoeksdomein, is het hoog tijd voor de introductie van het centrale thema van dit onderzoek, de probleemstelling. Deze valt uiteen in een drietal deelgebieden/subvragen:
De Nederlandse kavelruil: hoe is het gesteld met de kwaliteit, de effectiviteit en de werkbaarheid van de kavelruil in Nederland, zowel in civielrechtelijke als in fiscale zin?
Kavelruil in rechtsvergelijkend perspectief: hoe is de kavelruil in de ons omringende landen geregeld en wat zijn de overeenkomsten en verschillen met de Nederlandse regeling? Hierbij beperk ik mij, zoals hierna in onderdelen 6 en 7 nader zal worden beschreven, tot een vergelijking met de regelingen van enkele, geografisch gezien, ‘directe buren’, die in Nordrhein-Westfalen en Vlaanderen.
Kavelruil in grensoverschrijdend perspectief: is (lands)grensoverschrijdende toepassing van kavelruil mogelijk? Ais uitvloeisel van de tweede, rechtsvergelijkende, deelvraag ga ik in verkennende zin op zoek naar de vraag of het, met de vergaarde kennis als begage, mogelijk is om ‘te kavelruilen’ over landsgrenzen heen.
Bij de beantwoording van de eerste vraag is het mijn intentie om een zo compleet mogelijk beeld te schetsen van de kavelruil in Nederland en de bijbehorende grenzen. Het is daarbij mede mijn bedoeling dit (deel)onderzoek te laten uitgroeien tot een volwaardig ‘handboek kavelruil’. Ik zal daarom, zowel in civilibus als in fiscalibus, rechtshistorisch onderzoek verrichten, 1 de huidige regeling beschrijven2 en (kort) een toekomstvisie (voor zover mogelijk) voor de kavelruil schetsen, zodat verleden, heden3 en toekomst van de kavelruil in Nederland zullen worden behandeld. Een rechtshistorische beschouwing inzake ruilverkaveling in Nederland is niet nieuw, 4 maar er is, voor zover mij bekend, nog nimmer op wetenschappelijk niveau onderzoek gedaan naar de oorsprong van kavelruil.5 Dit (deel)onderzoek tracht mede de aanwezige rechtshistorische leemte op te vullen, door een geschiedkundig onderzoek naar de civiele en fiscale ‘roots’ van de kavelruil. Het onderzoek op fiscaal terrein beperkt zich tot de overdrachtsbelasting, enerzijds omwille van de omvang van het onderzoek en anderzijds aangezien de fiscale consequenties van een kavelruilproject zich vooral doen gevoelen binnen de kaders van de overdrachtsbelasting.
De beantwoording van de tweede vraag vergt een ietwat andere aanpak. Ik zal mij bij de behandeling van de ‘buitenlandse’ kavelruilsystemen minder op de rechtsgeschiedenis richten en meer op de huidige regeling, waarbij ik uiteraard zowel de civiele als de fiscale aspecten aan bod zal laten komen. In dit deel van het onderzoek zal tevens de rechtsvergelijking met ‘ons’ recht aan bod komen.6 Vooral voor de kavelruil is het, voor zover ik kan nagaan, de eerste keer dat de kavelruil op uitgebreide wijze in ‘comparatief perspectief zal worden geplaatst.7 Ik heb er daarbij, omwille van de leesbaarheid en opbouw van dit onderzoek, bewust voor gekozen om de rechtsvergelijking in twee grensposten onder te brengen, in plaats van de rechtsvergelijking op geïntegreerde wijze uit te voeren.8 Bovendien is een goede rechtsvergelijking in mijn opinie enkel mogelijk indien de kavelruil-reiziger beschikt over voldoende civielrechtelijke en fiscale ‘bagage’ met betrekking tot onze ‘eigen’ kavelruil. Vergelijking met andere systemen heeft immers enkel zin indien men het eigen systeem beheerst.9Ik tracht met dit onderzoek, zoals gezegd, mede een handboek casu quo naslagwerk voor het fenomeen kavelruil op te stellen. Een geïntegreerde rechtsvergelijkende benadering van de kavelruil verdraagt zich daar mijns inziens minder goed mee, aangezien het de ‘overzichtelijkheid’ van het onderzoek mogelijk op nadelige wijze zou beïnvloeden.
Tot slot zal de in de twee voorgaande deelgebieden vergaarde kennis worden ingezet voor verdere verdieping (niet toevalligerwijs geplaatst in grenspost 3D), in de vorm van een (grens)verkennend onderzoek op een voor de kavelruil volledig braakliggend en ontgonnen (onderzoeks)terrein: grensoverschrijdende kavelruil. De lessen uit onze nationale kavelruil-regeling en de ervaringen bij onze ooster- en zuiderburen zullen ‘een niveau hoger’, met een Europese bril, worden samengevoegd in een poging te komen tot enige vorm van ‘internationale kavelruil’. Wellicht is groeibriljant China, in het kielzog van de recente grensoverschrijdende activiteiten van de Wageningen UR, 10 een ideale (toekomstige) bestemming voor het kavelruil-evangelie?
Dit laatste deel van het onderzoek dient gezien te worden als een gedachtenoefening, waarbij het vooral interessant is te bezien of een dergelijke ‘Crossing border-kavelruil’ een reële mogelijkheid is of niet meer dan een utopie casu quo hersenspinsel van de auteur zal blijken te zijn.
Om de kavelruil ‘uit de agrarische klei te trekken’ en dit onderzoek ook voor niet- agrarisch specialisten interessant te maken zal, waar mogelijk, de vergelijking met de ‘ruil’ uit het algemene vermogensrecht11 en met diverse andere rechtsfiguren uit het civiele recht worden gemaakt.12 Is kavelruil een vorm van verdeling? Is er sprake van een ‘eigen rechtssfeer’ waarbinnen de kavelruil zich beweegt of is de facto sprake van een bijzondere civielrechtelijke overeenkomst? Is de kavelruil op enige wijze ‘geïntegreerd’ binnen het civiele recht? Dient de kavelruil soms als bijzondere overeenkomst te worden opgenomen in boek 7 BW? Deze en andere vragen zullen nader worden onderzocht. De niet-agrarisch geschoolde lezer zij reeds voorbereid op een aanzienlijk aantal ‘aha-erlebnisse’ in het onderdeel ‘civielrechtelijke dwarsverbanden’. Sinds 12 november 200413 zijn de civielrechtelijke lessen overigens ook van belang voor de fiscale dimensie van de kavelruil. Of, om met de woorden van Stubbé te spreken: ‘fiscaal volgt civiel’.14 De civielrechtelijke ‘vondsten’ en grensverkenningen hebben derhalve ook hun weerslag op de fiscale realiteit.
Dit onderzoek tracht een bijdrage te leveren aan de juridische gedachtenvorming over ‘ruil’ in brede zin en is daarom van belang voor eenieder die op enige wijze met ‘ruil’ van doen heeft Ongeacht of men nu grond (kavels), postzegels, aandelen of auto’s ruilt. Met de (toevallig agrarisch getinte) kavelruil als vertrekpunt zullen daarom diverse civielrechtelijke dwarsverbanden worden gelegd met het civiele recht in brede zin. Ook de fiscale dimensie van de kavelruil zal uiteraard in een breder perspectief worden neergezet. De agro-juridische wereld wordt hiermee uit het isolement, waarin het rechtsgebied dikwijls lijkt te zijn beland, gehaald en zal worden aangesloten op de vermogensrechtelijke en fiscale realiteit van alledag. Ook het korte uitstapje naar de verhouding tussen kavelruil en andere deelgebieden (ruimtelijke ordening, sociologie, geografie en – last but not least – het notariaat) moet worden gezien als een poging om de kavelruil in een breder dan puur agrarisch-juridisch perspectief te plaatsen.
Rest mij nog te vermelden dat ik in deze proeve niet beoog een volledig sluitende cijfermatige onderbouwing van de inzet van kavelruil, het aantal geruilde hectares, de gemiddelde doorlooptijd en de waarde van de betrokken gronden te geven. Een liefhebber van dergelijke cijfers moet ik derhalve teleurstellen. Waar nodig zal ik dergelijke cijfers, die (mede door de vrijwilligheid en door de decentralisatie van de subsidiëring van kavelruilen per 1 januari 2007) erg lastig te verkrijgen en te verzamelen zijn, slechts ter ondersteuning inzetten.15 Ik heb derhalve op dit terrein geheel niet de pretentie volledig te zijn.16 Onderzoek naar de algemene tendensen inzake kavelruil acht ik een voldoende nauwkeurige graadmeter om de populariteit en resultaten van het landinrichtingsinstrument te kunnen duiden.