Gerechtshof ʼs-Hertogenbosch 1 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2481.
HR, 28-11-2025, nr. 24/04032
ECLI:NL:HR:2025:1808
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-11-2025
- Zaaknummer
24/04032
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1808, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑11‑2025; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2481
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:993
ECLI:NL:PHR:2025:993, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1808
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑09‑2024
- Vindplaatsen
VAAN-AR-Updates.nl 2025-1514
AR-Updates.nl 2025-1514
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2025/366
JAR 2026/17
TvPP 2026/9, p.27 met annotatie van S. van der Vegt
JAR 2026/17
Uitspraak 28‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Ontslagrecht. Transitievergoeding. Art. 7:673 lid 4 BW. Samentellingsregel. Telt eerder dienstverband dat door werknemer is beëindigd mee bij berekening van transitievergoeding bij einde van later dienstverband?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04032
Datum 28 november 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de werknemer],
wonende te [plaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de werknemer,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
DEME OFFSHORE NL B.V.,
gevestigd te Breda,
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de werkgever,
advocaat: B. Schouten.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 10603258 \ AZ VERZ 23-38 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 oktober 2023;
b. de beschikking in de zaak 200.337.140/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 augustus 2024.
De werknemer heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De werkgever heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de werknemer heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De werkgever is een offshorebedrijf dat wereldwijd opereert.
(ii) De werknemer is in juni 2011 in dienst getreden van de werkgever en heeft tegen 1 oktober 2017 zijn arbeidsovereenkomst opgezegd.
(iii) De werknemer is op 1 maart 2018 opnieuw in dienst getreden bij de werkgever.
(iv) Tussen de werkgever en de werknemer is verschil van mening ontstaan over de functie van de werknemer en over uitzending naar het buitenland.
2.2
De werkgever verzoekt in deze procedure ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
2.3
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden op de ‘g-grond’ (verstoorde arbeidsverhouding; art. 7:671b lid 1, aanhef en onder a, BW in verbinding met art. 7:669 lid 3, onder g, BW) per 1 december 2023 en de werkgever veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 12.683,02 bruto.
2.4
Het hof1.heeft de beschikking ten aanzien van de transitievergoeding vernietigd, een transitievergoeding toegewezen van € 14.346,37 bruto en de beschikking van de kantonrechter voor het overige bekrachtigd. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen.
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst terecht op de g-grond ontbonden. (rov. 3.8.10)
De werknemer betoogt dat voor de berekening van de duur van het dienstverband in het kader van de transitievergoeding voorafgaande arbeidsovereenkomsten meetellen en dat daarom moet worden uitgegaan van een dienstverband per 1 juni 2011 en een einddatum per 1 januari 2024. (rov. 3.10.2)
Zowel uit de tekst van de wet als uit de parlementaire geschiedenis volgt dat uitgangspunt moet zijn dat een transitievergoeding (slechts) verschuldigd is wanneer het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitgaat van de werkgever. In deze zaak staat tussen partijen vast dat de eerste arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging daarvan door de werknemer. Op deze situatie heeft art. 7:673 lid 4 BW geen betrekking. (rov. 3.10.4)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1.1
Onderdeel II van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10.4 dat bij de berekening van de transitievergoeding het eerdere dienstverband van de werknemer bij de werkgever niet moet worden betrokken, omdat dit door de werknemer is beëindigd. Het onderdeel klaagt dat voor deze opvatting van het hof in de tekst van de wet en in de wetsgeschiedenis geen steun is te vinden.
3.1.2
De transitievergoeding is een geldbedrag dat de werkgever verschuldigd is aan de werknemer indien, kort gezegd, de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever of als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever wordt beëindigd (art. 7:673 lid 1 BW). De transitievergoeding is enerzijds bedoeld als compensatie voor de gevolgen van het ontslag en anderzijds om de werknemer met behulp van de hiermee gemoeide financiële middelen in staat te stellen de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken.2.
3.1.3
De hoogte van de transitievergoeding is mede afhankelijk van de duur van de beëindigde arbeidsovereenkomst: voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd is een derde van het bruto maandsalaris verschuldigd (art. 7:673 lid 2 BW). Art. 7:673 lid 4, aanhef en onder b, BW bepaalt, voor zover in deze zaak van belang, dat in dit kader voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst een of meer voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, worden samengeteld (de ‘samentellingsregel’).
3.1.4
Het onderdeel berust op de opvatting dat art. 7:673 lid 4, aanhef en onder b, BW meebrengt dat ook een voorafgaande arbeidsovereenkomst tussen dezelfde partijen die op initiatief van de werknemer is beëindigd (zonder dat sprake was van ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever) meetelt bij de berekening van de transitievergoeding.
Die opvatting strookt niet met de hiervoor in 3.1.2 weergegeven ratio van de transitievergoeding en de op die ratio gebaseerde regel dat de transitievergoeding slechts verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever of als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever wordt beëindigd. Die opvatting strookt evenmin met de opmerking in de wetsgeschiedenis met betrekking tot de tweede volzin van art. 7:673 lid 4, aanhef en onder b, BW – die ziet op het geval dat de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest van verschillende werkgevers die geacht moeten worden elkaars opvolgers te zijn – dat de samentellingsregel niet van toepassing is als de werknemer op eigen initiatief dezelfde arbeid bij een andere werkgever is gaan verrichten.3.
Een redelijke wetsuitleg brengt daarom mee dat eerdere arbeidsovereenkomsten die zijn beëindigd op initiatief van de werknemer (zonder dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever) niet worden meegerekend bij de toepassing van art. 7:673 lid 4, aanhef en onder b, BW.
Het onderdeel faalt dus.
3.2
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.3
Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het slagen van een onderdeel van het principale beroep leidt tot vernietiging van de beschikking van het hof. Aan die voorwaarde is niet voldaan. Het incidentele beroep blijft dus buiten behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt de werknemer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de werkgever begroot op € 361,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de werknemer deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 28 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑11‑2025
Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 38 en HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, rov. 4.3.3.
Conclusie 12‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Ontslagrecht. Verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), maatstaf ontbinding ex art. 7:686 jo. 6:265 BW, berekening transitievergoeding en eerder door werknemer beeïndigd dienstverband.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04032
Zitting 12 september 2025
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
[Werknemer] ,
eiser tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
tegen
DEME Offshore NL B.V.,
verweerster in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [Werknemer] en DEME of Werkgever.
Het geschil draait om de vraag of de arbeidsovereenkomst van Werknemer terecht is ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (de ‘g-grond’). Werkgever is een offshore bedrijf dat wereldwijd opereert. Werknemer is in de periode 2011-2017 bij Werkgever in dienst geweest en heeft toen veel in het buitenland gewerkt. Om gezinsredenen en vanwege het uitblijven van promotie heeft hij eind 2017 zelf ontslag genomen. Begin 2018 is hij echter weer terug in dienst gekomen in de functie van project manager. Kort hierna werd hij arbeidsongeschikt en tot begin 2023 is hij drie maal lange periodes arbeidsongeschikt geweest en/of heeft hij een andere functie uitgeoefend wegens opgenomen ouderschapsverlof. Begin mei 2023 heeft Werknemer zichzelf, eerder dan de bedrijfsarts adviseerde, hersteld gemeld, waarna in een maand tijd drie gesprekken hebben plaatsgevonden tussen Werknemer en Werkgever. Hieruit bleek dat partijen van inzicht verschilden over de verplichting van Werknemer om voor langere tijd in het buitenland werkzaam te zijn. Nadat partijen tevergeefs hebben geprobeerd tot een middellijke beëindigingsregeling te komen, heeft Werkgever een ontbindingsverzoek ingediend.
De kantonrechter heeft het verzoek tot ontbinding wegens wanprestatie afgewezen, maar wel ontbonden op de g-grond. Het hof heeft dit oordeel bekrachtigd en (eveneens) in de kern geoordeeld dat uit de gevoerde gesprekken blijkt dat partijen een fundamenteel verschil van inzicht hebben over de inhoud van de functie van Werknemer met betrekking tot werken in het buitenland.
Werknemer klaagt in cassatie over de manier waarop het hof de buitenlandclausule uit de arbeidsovereenkomst heeft uitgelegd, het hofoordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en dat het hof bij de berekening van de transitievergoeding niet het eerste dienstverband van Werknemer heeft meegenomen, omdat dit op zijn initiatief was beëindigd. Werkgever heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen afwijzing van de (ernstige) wanprestatie-grondslag (art. 6:265 BW jo. 7:686 BW). Ik zie de klachten van het principaal cassatieberoep niet slagen, zodat niet behoeft te worden toegekomen aan het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep, dat mij inhoudelijk overigens eveneens tevergeefs lijkt voorgesteld, of waar geen belang bij bestaat.
1.Feiten1.
1.1 DEME is een offshore bedrijf dat wereldwijd opereert met projecten in onder meer Amerika, Mexico, Australië en Taiwan op het gebied van steenstort (rock placement) en land fall. Ruim 55% van de orderportefeuille wordt buiten Europa uitgevoerd.
1.2 Werknemer, geboren op [geboortedatum] 1981, is op 1 maart 2018 bij Werkgever in dienst getreden in de functie van Project manager. Daarvoor heeft hij vanaf juni 2011 totdat hij zijn arbeidsovereenkomst opzegde tegen 1 oktober 2017 als Work manager bij een rechtsvoorganger van Werkgever gewerkt binnen de business unit land fall. Vanaf maart 2018 is Werknemer steeds ingezet binnen de business unit rock placement.
1.3 In de tussen partijen op 26 januari 2018 gesloten arbeidsovereenkomst is vermeld:
- in artikel 2:
“Als historische datum in dienst wordt aangehouden 1 maart 2018.”
- In artikel 5.2:
“Werknemer verbindt zich ertoe, indien de werkzaamheden dit vereisen of op verzoek van werkgever, een tewerkstelling en/of uitzending van korte of lange duur naar een project/site of voor een zakenopdracht in het buitenland te aanvaarden en hij verklaart zich uitdrukkelijk akkoord dit als een normale werkomstandigheid te beschouwen welke, gezien het internationaal karakter van de firma, een essentieel deel uitmaakt van de uitoefening van zijn verdere loopbaan.”
1.4 Het laatstgenoten salaris bedraagt € 6.434,15 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en dertiende maand.
1.5 Vanaf 1 maart 2018 tot 1 juni 2018 heeft Werknemer de functie van Project manager uitgevoerd.
1.6 Vanaf 1 juni 2018 was Werknemer arbeidsongeschikt.
1.7 In een e-mail van 1 november 2019 van [HR Manager 1] aan Werknemer is vermeld:
“Het is van belang om een aantal accepten duidelijk voor ogen te hebben en houden. Ten eerste ben je nu aan het re-integreren in je eigen functie (...) Als Project Manager ben je verantwoordelijk voor de Rock Placement projecten die aan je toegewezen zijn en zoals beschreven in de functie omschrijving van Project Manager. (...) Ten tweede heb je, mede op 15 oktober 2019, uitgebreid duidelijk gemaakt dat je de functie van Project Manager Rock Placement niet ambieert.”
1.8 Werkgever heeft Werknemer per 18 december 2019 hersteld gemeld.
1.9 Vanaf 19 december 2019 tot 20 augustus 2020 heeft Werknemer zijn functie van Project manager weer uitgeoefend.
1.10 Vanaf 20 augustus 2020 tot 6 december 2020 is Werknemer arbeidsongeschikt.
1.11 Op 6 december 2020 heeft Werknemer in verband met de komst van zijn derde kind – geboren op [geboortedatum] 2021 – ouderschapsverlof aangevraagd. Hij heeft dit verlof (1,5 dag per week gedurende vier jaar) met ingang van 17 maart 2021, aansluitend aan zijn partnerverlof, opgenomen en vervulde in verband met dit ouderschapsverlof de functie van Project engineer binnen de business unit rock placement met behoud van salaris.
1.12 Op 8 december 2021 meldt Werknemer zich ziek en zet hij het ouderschapsverlof stop met het verzoek aan Werkgever om hem weer terug te plaatsen in de functie van Project manager.
1.13 In februari 2023 is hij in het kader van zijn re-integratie begonnen met de opbouw in uren rekening houdend met zijn beperkingen.
1.14 Werknemer heeft zich op 2 mei 2023 hersteld gemeld.
1.15 Uit de concept rapportage arbeidsdeskundigonderzoek van 9 mei 2023 volgt dat de bedrijfsarts op 19 april 2023 heeft aangegeven dat hij verwacht dat Werknemer eind mei 2023 weer volledig belastbaar zal zijn voor eigen werk. De arbeidsdeskundige concludeert dat de bedongen arbeid van Project manager niet passend is vanwege de onregelmatigheid en het werken in de nacht. Het werk van Project engineer zou volgens de arbeidsdeskundige wel passend zijn of passend gemaakt kunnen worden.
1.16 Werknemer heeft in reactie op dit rapport onder andere aangegeven:
“Ik ben iemand die goed is in het organiseren en regelen van zaken en met mensen omgaan. Ik merk dat binnen rock placement er meestal geen team is, meer een soort van 1 man show. Het werk is meer dat van een werkvoorbereider (Project engineer) waarbij je als je ook het klantcontact en de financiële zaken bijhoudt, je project manager wordt genoemd. Dit is heel anders dan hoe ik heb gewerkt als Project manager binnen de BU Landfalls en ook heel anders dan dat de Project managers binnen andere Business Units werken. Ik heb verschillende keren aangegeven dat ik interesse heb om terug te gaan in de BU Landfalls. Hier heb ik altijd naar grote tevredenheid gewerkt maar brengt echter periodes van veel in het buitenland werkzaam zijn wat niet past met onze gezinssituatie.”
1.17 Op 10 mei 2023 heeft Werkgever aan Werknemer laten weten dat de herstelmelding niet wordt geaccepteerd gelet op de conclusie van de arbeidskundige in zijn concept rapportage van 9 mei 2023. Werknemer wordt daarom uitgenodigd voor een gesprek op 11 mei 2023.
1.18 Op 11 mei 2023 heeft Werkgever in persoon van [CEO] (CEO, hierna: [CEO] ) en [HR Manager 2] (HR Manager, hierna: [HR Manager 2] ) een eerste gesprek met Werknemer naar aanleiding van zijn – voor Werkgever onverwachte – herstelmelding. In het daarvan opgemaakte gespreksverslag is onder meer opgenomen:
“ [CEO] geeft aan dat de komende jaren de pijplijn van projecten is gevuld met projecten in het buitenland, bijvoorbeeld in Mexico of Taiwan, maar ook andere verder gelegen oorden. Als Project Manager zal [Werknemer] [Werknemer; A-G] er rekening mee moeten houden dat [CEO] hem dan graag terug inplant op projecten. Voor Mexico bijvoorbeeld is mogelijk een Project Leider nodig, dus twee maanden op, 1 maand af. Kan dat wel? DEME maakt zich zorgen. Ingeval van hersteld melding is werken in het buitenland en onregelmatigheid wel aan de orde. Dat is wat het werk met zich mee brengt.
[Werknemer] geeft aan dat hij niet in het buitenland wil werken. (...)
Het werken als Project Manager binnen DEME houdt dus in dat je ook werkzaam bent in het buitenland, geeft [CEO] aan. [Werknemer] geeft aan dat dat ook zo in zijn contract staat inderdaad. Echter toen [Werknemer] begon was dat op een project waarbij hij minder hoefde te reizen. Dat was puur geluk, want net als van het eerste dienstverband weet [Werknemer] dat het werk een internationaal werkveld kent, precies zoals het ook in zijn contract staat. Er zijn ook geen garanties afgegeven en DEME was ook niet bekend met het feit dat [Werknemer] niet of beperkt wil reizen.
(...) geeft [Werknemer] ook aan dat zijn ervaring en interesse niet bij rock dump ligt, maar wel bij Land Falls ligt. Hij heeft dan ook een vacature gezien voor een Business Unit Manager Land Falls en deze rol en dit vakgebied is wat hij wil. Hierop vraagt [CEO] hoe [Werknemer] deze functie voor zich ziet, een 09.00-17.00 kantoorbaan in Breda zonder reizen? [Werknemer] geeft aan zeker te weten dat deze functie veel energie vraagt maar dat hij teams kan instrueren om het werk vervolgens te kunnen opvolgen.”
1.19 Op 15 mei 2023 heeft Werknemer aan [HR Manager 2] gemaild dat de essentie en de beleving die hij bij het gesprek had niet juist zijn vastgelegd. Werknemer heeft veel aanpassingen voor het gespreksverslag. Hij geeft onder meer aan dat zijn thuissituatie niet toelaat dat hij 2/3 deel van het jaar van huis is, geregeld kortere perioden van huis geen probleem is en dat hij bang is dat het inderdaad zo is dat in zijn contract staat dat je ook werkzaam bent in het buitenland, maar dat hij bang is dat hij in een spagaat tussen zijn werk en gezinsleven komt als hij langere tijd van huis is.
1.20 Op 23 mei 2023 heeft er een tweede gesprek tussen [CEO] , [HR businesspartner] (HR businesspartner, hierna: [HR businesspartner] ) en Werknemer plaatsgevonden. In het gespreksverslag hiervan is onder meer vermeld:
“Vervolgens spreken we over de afdeling RD en de functie van PM daar. [Werknemer] geeft aan dat dit niet de beste plek is voor hem. Er is daar geen team, terwijl hij zelf altijd gemerkt heeft wel goed in een team te kunnen werken. Het werk bij RD moet hij zelf doen i.p.v. delegeren, dan wordt het snel te veel. (...)
Er wordt gesproken over de pijplijn van projecten op RD: in de VS, Mexico, Taiwan en Australië. De pijplijn is dus gevuld met werk in het buitenland. Werken in het buitenland als PM is niet mogelijk zegt [Werknemer] . Hij geeft aan dat hij destijds gestopt [is] met het werk bij Tideway vanwege buitenlandwerk. (...)
[Werknemer] geeft aan dat zijn passie echt ligt bij landfalls. (...) [CEO] geeft aan dat (...) er ook landfall projecten aankomen. Dat zijn projecten buiten Europa. Ook daarvoor is buitenland werk nodig. (...) [Werknemer] geeft aan dat hij wellicht wel even naar het buitenland kan, maar niet veel en ook geen langere periodes. Dat buitenland werk hoort er wel bij en flexibiliteit, deadlines, pieken. Elk project van ongeveer 6 maanden is weer verschillend en vereist andere/meer/continue inzet in het buitenland, ook afhankelijk van de wensen van de klant.
Vervolgens wordt gesproken over de rol van BUM die [Werknemer] ambieert: 2 levels hoger. Is dat wel realistisch? [Werknemer] geeft zelf direct aan dat hij snapt dat dat misschien hoog gegooid is, maar hij herkent zich in het profiel en het is standplaats Breda. Hij geeft wel aan dat hij commerciële ervaring mist. (...)
[CEO] vraagt zich af waarom hij BUM oppert en waarom niet veel logischer keuzes wat betreft niveau zoals bijvoorbeeld de functies: Project Engineer, Tender Engineer of zelfs wellicht Tender Manager landfalls. Daar vraagt [Werknemer] niet om. [Werknemer] geeft aan dat Project Engineer (…) niet bij hem [past]: Tender Engineer wil hij ook niet worden. Tender Manager, daar heeft hij geen ervaring mee, kennis van aanbestedingen is belangrijk, het contractenwerk zou [Werknemer] interessant lijken. [CEO] snapt het niet, want Tender Engineer wil hij niet, terwijl je daar ook al veel voor de tenders en contracten moet voorbereiden. [Werknemer] legt uit dat hij het onderdeel engineering binnen de rol van Tender Engineer niet ziet zitten. Bij Tender engineering of Tender Management horen ook kunnen omgaan met stress en deadlines en short breaks.
[CEO] geeft aan dat het lijkt alsof er een mismatch is tussen wat [Werknemer] wil en DEME kan bieden; dat is zeker zo, bevestigt [Werknemer] . (...)
[HR businesspartner] vraagt of we mogen concluderen dat [Werknemer] geen PM of iets anders op RD wil maar naar landfalls wil en niet te vaak en te lang buitenland, waarbij [CEO] aanvult: hands-on dingen regelen en [Werknemer] aanvult: buiten bezig zijn, niet de hele dag achter een scherm. Dit bevestigt [Werknemer] . Het buitenland past op dit moment niet bij zijn privéleven.”
1.21 Op 26 mei 2023 heeft Werknemer aan [HR businesspartner] gemaild dat de essentie van het gesprek nog steeds niet duidelijk op papier komt. In die e-mail heeft hij een aantal punten opgesomd die naar zijn idee wel de essentie weergeven:
“(…)
Ik wil best naar het buitenland. (...)
Er zijn verschillende andere vormen mogelijk om wel in het buitenland te werken mocht dit noodzakelijk zijn.
o Op familiebasis met het hele gezin.
o Enkel tijdens de relatief korte uitvoeringsfase van een landfall project een roulatieschema lopen.
o Vanuit de aanbestedingsfase het project opstarten, het overdragen aan het uitvoeringsteam ter plekke en vervolgens het project verder op te volgen vanuit Breda en waar nodig nog eens op locatie bij te springen of iemand af te lossen. (...)
o Ik ben gewend als PM een project en een team te hebben met daarin verschillende disciplines (...).
o Binnen rock placement heb ik dat team niet en wordt verwacht dat ik veel van deze taken zelf doe, dit ligt mij minder goed, kost mij meer tijd (...)
o De Rock placement projecten zijn relatief klein, weinig innovatief en zijn heel erg gericht op productieoptimalisatie. Wat mij meer ligt is een inventieve oplossing vinden voor een complex probleem en dat dan zo goed mogelijk uitvoeren.
o Het is niet dat ik dit werk niet wil doen, ik denk alleen dat ik hier niet optimaal functioneer en dat mijn kracht ergens anders ligt. (...)
Nu zit ik in een functie die ik best wil doen maar volgens mij niet de beste match is. Ook zit ik nu met de thuissituatie die mij beperkt in het werken in het buitenland en snap ik dat ik daardoor niet meer binnen de standaardprofielen val, die bij DEME gezocht worden. Toch denk ik dat we met wat creativiteit en wilskracht mij heel goed binnen de firma kunnen inzetten waardoor ik mijn meerwaarde aan het bedrijf kan laten zien. (...) en graag zoek naar een functie waarin ik kan excelleren (...).”
1.22 Op 30 mei 2023 is Werknemer verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts. Naar aanleiding daarvan heeft de bedrijfsarts het volgende aan Werkgever teruggekoppeld:
“Er zijn geen medische redenen waarom hij nu niet onregelmatig zou kunnen werken of in het buitenland zou kunnen werken. [Werknemer] geeft aan dat hij sinds 01 mei 2023 conform contracturen zijn eigen werkzaamheden op kantoor verricht. Indien dit door zijn leidinggevende wordt bevestigd adviseer ik over te gaan tot een hersteld melding.”
1.23 Vanaf 30 mei 2023 heeft Werkgever de herstelmelding doorgevoerd en de loonbetaling aangepast van 70 naar 100%.
1.24 Op 31 mei 2023 heeft Werknemer aan [HR businesspartner] onder andere het volgende gemaild:
“Ik lijk een van de beelddenkers te zijn. (...)
Ik denk dan ook dat dat het grote contrast tussen mijn functioneren op de landfall projecten tegenover mijn functioneren op de Rockplacement projecten hieraan te relateren is. (...) Bij rock placement is het juist totaal andersom, het grote plaatje is zeer beperkt. (...)
Ik hoop dat dit een beetje meer inzicht geeft en dat we samen tot iets komen waarin ik mijn kwaliteiten kan laten zien.”
1.25 Op 5 juni 2023 heeft er een derde gesprek tussen [CEO] , [HR businesspartner] en Werknemer plaatsgevonden. In dat gesprek zijn Werknemer drie keuzes gegeven: 1) aanstaand weekend (zoals Werknemer stelt) dan wel binnen twee weken (zoals Werkgever stelt) naar een project in het buitenland vertrekken in een twee maanden op/een maand af-systeem, 2) uit elkaar gaan door middel van een vaststellingsovereenkomst en 3) onaangenaam uit elkaar gaan.
1.26 Op 6 juni 2023 heeft Werknemer het team geïnformeerd dat hij de organisatie gaat verlaten.
1.27 Op 9 juni 2023 heeft Werknemer gemaild dat hij graag een voorstel wil ontvangen voor een vaststellingsovereenkomst. Werkgever heeft Werknemer vervolgens een voorstel gestuurd. Werknemer heeft dat voorstel niet geaccepteerd.
1.28 Op 7 juli 2023 heeft Werkgever het ontbindingsverzoek ingediend.
1.29 Vanaf 24 juli tot en met 15 augustus 2023 heeft Werknemer zomervakantie gehad.
1.30 Op 15 augustus 2023 hebben partijen afgesproken dat Werknemer wordt vrijgesteld van werkzaamheden met opneming van vakantiedagen tot de zitting. Werknemer is dezelfde dag teruggekomen op deze afspraak.
2.Procesverloop2.
2.1 In deze procedure heeft Werkgever, voor zover in cassatie relevant, de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met Werknemer te ontbinden, primair wegens een tekortkoming in de nakoming daarvan (art. 7:686 BW) en subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 1 en lid 3 onder g BW).
2.2 Aan dit verzoek heeft Werkgever het volgende ten grondslag gelegd. Werknemer is door te weigeren in het buitenland te werken ernstig tekortgeschoten, omdat in het buitenland werken hier een essentieel onderdeel van is. Die weigering heeft ook bijgedragen aan het ontstaan van een verstoorde arbeidsverhouding, samen met het feit dat Werknemer zijn functie hekelt, aangeeft dat zijn hart niet bij ‘rock placement’ ligt en dat hij terug wil naar ‘land falls’, dat hij alle gespreksverslagen herschrijft en dat hij al vanaf 2019 onvrede heeft over zijn functie.
2.3 Werknemer heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden heeft hij, voor zover in cassatie relevant, aanspraak gemaakt op een transitievergoeding van € 31.396 bruto, althans € 14.554 bruto en een billijke vergoeding van € 846.925,19.
2.4 Bij beschikking van 31 oktober 2023 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden op de g-grond en Werkgever veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 12.683,02 bruto.
2.5 Werknemer heeft hoger beroep ingesteld en zijn eis verminderd. Hij maakt in appel aanspraak op een billijke vergoeding van € 567.452,00 bruto dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, primair in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:683 lid 3 BW en subsidiair, indien het hof oordeelt dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden, wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten op grond van art. 7:671 lid 9 BW. Zowel primair als subsidiair maakt Werknemer aanspraak op een transitievergoeding van € 31.395,27, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag.
2.6 Werkgever heeft incidenteel beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar primaire verzoek tot ontbinding wegens wanprestatie en verzoekt in incidenteel appel te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst primair wegens wanprestatie had moeten worden ontbonden met ingang van de dag van wanprestatie ultimo 5 juni 2023, althans een door het hof te bepalen datum.
2.7 Het hof heeft in het principale hoger beroep de beschikking van de kantonrechter alleen vernietigd ten aanzien van de hoogte van transitievergoeding (€ 12.683,02) en hem een hoger bedrag toegewezen, te weten € 14.346,37. Voor het overige heeft het hof de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd, omdat het hof ook van oordeel was dat de arbeidsovereenkomst op de g-grond kon worden ontbonden. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:
“Grief 1 en 2 van [Werknemer]
3.8.1. Het hof zal de grieven 1 en 2 in het principaal hoger beroep gezamenlijk behandelen. Met deze grieven keert [Werknemer] zich tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.8., 4.10. en 4.11. van de bestreden beschikking. Daarin oordeelt de kantonrechter, kort weergegeven, dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord geraakt omdat [Werknemer] steeds besproken en afgestemde informatie anders weergeeft, dat hij bij herhaling aangeeft over de functie product manager bij rock placement niet tevreden te zijn en ook dat hij niet voor langere periodes naar het buitenland wil. Andere functies die DEME opperde om aan zijn wensen tegemoet te komen wilde [Werknemer] niet - hij leek te verwachten dat DEME voor hem een functie creëert die hem het meest past, zonder rekening te houden met de belangen van DEME. Herplaatsing ligt volgens de kantonrechter niet in de rede. De kantonrechter concludeert dat het verzoek op de g-grond zal worden toegewezen.
3.8.2. In zijn inleiding op de grieven stelt [Werknemer] dat hij voorafgaand aan zijn tweede dienstverband met DEME de afspraak had gemaakt dat hij niet meer op de wijze zoals waarvan eerder wel sprake was zou worden uitgezonden naar het buitenland. Zonder deze afspraak was hij nooit teruggekeerd naar DEME. [Werknemer] heeft in hoger beroep transcripties van door hem opgenomen telefoongesprekken met (oud-)collega’s in het geding gebracht, waaruit volgens hem blijkt dat DEME wel bereid was om met hen afspraken over verminderd reizen naar het buitenland vanwege gewijzigde privé-omstandigheden te maken. De functie van project manager rock placement kon volgens [Werknemer] toch al grotendeels op kantoor in Breda worden vervuld.
3.8.3. Volgens [Werknemer] gaf hij zijn reactie op gespreksverslagen omdat die afweken van wat daadwerkelijk was besproken en deed DEME daarmee pogingen een dossier op te bouwen. [Werknemer] stond wel degelijk open voor andere functies, maar [CEO] heeft die in het derde gesprek van tafel geveegd. Het voorstel om op korte termijn naar het buitenland te gaan, wetende dat [Werknemer] goedgekeurd verlof voor allerlei afspraken rondom zijn trouwen had, was een schijnvoorstel met het doel [Werknemer] het bedrijf uit te krijgen. Er is geen sprake van dat de verstoring van de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam was. DEME was niet bereid tot de door [Werknemer] voorgestelde mediation. Zij heeft geen moeite gedaan om de verhouding te herstellen. De kantonrechter heeft, aldus nog steeds [Werknemer] , ten onrechte geconcludeerd dat het verzoek op de g-grond zou worden toegewezen.
3.8.4. DEME heeft de gestelde afspraak over verminderd reizen naar het buitenland in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist. Zij heeft benadrukt dat ook in de functie van project manager rock placement het veelvuldig en soms langdurig reizen naar het buitenland een essentieel onderdeel van de werkzaamheden is en dat zij juist daarom de buitenlandclausule (hiervoor weergegeven in rov. 3.2.3)3., die zij voorafgaand aan het tweede dienstverband nog uitdrukkelijk met [Werknemer] heeft besproken, in de arbeidsovereenkomst heeft opgenomen. [Werknemer] heeft die dus geaccepteerd. Zij mocht daarom van [Werknemer] verwachten dat hij naar projecten in het buitenland zou afreizen, maar [Werknemer] bleef zich daartegen verzetten. In het gesprek van 5 juni 2023 heeft [CEO] daarom voor de keuze gesteld: op korte termijn vertrekken, of (goedschiks dan wel kwaadschiks) uit dienst. De kantonrechter heeft volgens DEME op goede gronden geconcludeerd dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord was en de arbeidsovereenkomst op die grond ontbonden.
3.8.5. Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat de buitenlandclausule onderdeel is van de arbeidsovereenkomst. Deze clausule is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. De bewijslast van de andersluidende stellingen van [Werknemer] over de afspraak met betrekking tot het reizen naar het buitenland rust op grond van artikel 284 lid 1 in samenhang met artikel 150 Rv. op [Werknemer] . [Werknemer] heeft die stellingen, gezien de gemotiveerde betwisting door DEME, in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. Het hof heeft hem daarop tijdens de mondelinge behandeling indringend bevraagd, maar [Werknemer] kon niet zeggen met wie hij die afspraak zou hebben gemaakt en ook niet, al was het maar bij benadering, welke bewoordingen daarbij zouden zijn gebezigd. Het lijkt erop dat [Werknemer] zelf de aanname heeft gedaan dat hij na zijn terugkeer bij DEME minder zou hoeven reizen dan tijdens zijn eerste dienstverband. Nu [Werknemer] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan komt het hof niet toe aan een bewijsopdracht. Hier komt bij dat, omdat [Werknemer] ter zitting heeft verklaard dat hij zijn eerste dienstverband nu juist had beëindigd omdat DEME destijds in gebreke bleef om een toezegging over minder buitenlandreizen op schrift te stellen, het niet goed te begrijpen is dat hij (wederom) zonder een dergelijke ondubbelzinnige (schriftelijke) toezegging een arbeidsovereenkomst met daarin nota bene een buitenlandclausule ondertekende, als hij niet meer vaak en lang naar het buitenland wilde.
3.8.6. Het hof passeert ook de stelling van [Werknemer] dat de functie project manager rock placement (ook zonder een daartoe strekkende afspraak) voornamelijk een kantoorfunctie was. [CEO] heeft die stelling ter zitting gemotiveerd betwist door te betogen dat [Werknemer] een achterhaald beeld van de werkelijkheid had en dat de functie in de huidige tijd wel degelijk frequent en soms langdurig verblijf in het buitenland vereist. [Werknemer] heeft daar vervolgens, zeker in het licht van de buitenlandclausule in de arbeidsovereenkomst, onvoldoende tegenover gesteld, zodat ook hier een bewijsopdracht niet aan de orde is.
3.8.7. Het hof gaat ook voorbij aan de stellingen over door DEME geleverd ‘maatwerk’ bij (oud-) collega’s. [CEO] heeft ter zitting verklaard dat DEME als goed werkgever niet van haar werknemers verlangt dat zij jarenlang in hetzelfde tempo werken, maar dat zij probeert hen te faciliteren als bijvoorbeeld zwangerschap maakt dat een periode van een paar maanden overbrugd moet worden. Maar dat betekent niet, aldus [CEO] , dat iemand tien jaar op kantoor werkt omdat hij een jong gezin thuis heeft - dat past niet binnen het bedrijf. Het hof is van oordeel dat DEME in het licht van de overeengekomen buitenlandclausule niet handelt in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door van [Werknemer] te verlangen om, zoals tussen partijen overeengekomen, ook daadwerkelijk gedurende langere tijd op projecten in het buitenland werkzaam te zijn.
3.8.8. Naar het oordeel van het hof geven de verslagen van de gesprekken van 11 mei 2023, 23 mei 2023 en 5 juni 2023 blijk van een fundamenteel verschil van inzicht tussen [Werknemer] en DEME over de inhoud van [Werknemer] functie met betrekking tot het reizen naar het buitenland. Daarbij constateert het hof overigens dat het commentaar van [Werknemer] op de verslagen van DEME er niet op wijst dat DEME de inhoud van de gesprekken al dan niet moedwillig onjuist heeft weergegeven. Partijen hebben over dat verschil van inzicht gesproken en daarbij heeft DEME aan [Werknemer] andere functies voorgesteld die geen veelvuldige buitenlandreizen vergen. [Werknemer] heeft die weliswaar niet categorisch afgewezen, maar hij heeft de mogelijkheid ook niet omarmd en in ieder geval niet een van die functies aanvaard. Hij had dus nog steeds de functie van project manager en zoals hiervoor in rov. 3.8.4. overwogen mocht DEME van [Werknemer] verwachten dat hij buitenlandreizen maakte. Het gesprek van 5 juni 2023 moet worden geplaatst in het kader van dat in de eerdere gesprekken gebleken fundamentele verschil van mening over hetgeen DEME als werkgever van [Werknemer] mocht verlangen ten aanzien van werkzaamheden in het buitenland. Uit de verslagen blijkt een aanhoudende discussie daarover, waarbij [Werknemer] de indruk gaf van mening te zijn dat hij en niet zijn werkgever de inhoud van de functie bepaalde, terwijl DEME zich bij herhaling terecht op het standpunt stelde dat langdurige werkzaamheden in het buitenland tot zijn functie behoorden. Dat rechtvaardigt de conclusie dat van DEME, indien [Werknemer] zijn standpunt niet zou verlaten, niet langer gevergd kon worden dat zij de arbeidsovereenkomst met [Werknemer] zou voortzetten. Dat DEME er in het gesprek van 5 juni 2023 voor koos om duidelijkheid te krijgen over de bereidheid van [Werknemer] om op korte termijn naar het buitenland te reizen is alleszins begrijpelijk. DEME heeft ter zitting voldoende gemotiveerd betwist dat er op of kort na 5 juni 2023 helemaal geen project was dat reizen noodzakelijk maakte. DEME gaf [Werknemer] dus een redelijke opdracht die hij in beginsel niet mocht weigeren. In dat gesprek van 5 juni 2023 kwam nogmaals tot uiting dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord was. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat DEME de verstoring wel heeft ‘uitgebouwd' door [Werknemer] in dat gesprek voor het blok te zetten terwijl hij mede vanwege zijn huwelijk verlof zou hebben, maar dat is haar gezien de voorgeschiedenis niet ernstig te verwijten. Ook kon na de drie gesprekken niet meer van DEME worden gevergd dat zij nog meewerkte aan mediaton. Het hof voegt daar nog aan toe dat [Werknemer] zich ook in deze procedure ten onrechte op het standpunt blijft stellen dat de verplichtingen zoals weergegeven in de buitenlandclausule niet voor hem gelden.
3.8.9. Ook het hof is van oordeel dat herplaatsing niet in de rede lag. DEME had in voorafgaande gesprekken al alternatieve functies aangedragen die [Werknemer] niet had geaccepteerd, terwijl de door [Werknemer] voorgestelde functie van business unit manager land falls and umbilicals twee niveaus hoger (de leidinggevende van zijn leidinggevende) [lag, A-G] en daarmee niet passend was. Van andere in aanmerking komende functies is niet gebleken.
3.8.10. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht op de g-grond heeft ontbonden. De grieven falen. Het hof zal het primaire verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:683 lid 3 BW) onder I afwijzen. Dat lot treft ook de overige primaire verzoeken onder II tot en met V (die gelijkluidend zijn aan de hierna te behandelen subsidiaire verzoeken onder VIII tot en met XI).
Grief 3 en 4 van [Werknemer]
3.9.1. [Werknemer] komt met zijn grieven 3 en 4 op tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.14. dat de verstoorde arbeidsrelatie niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van DEME en dat daarom de proceduretijd in mindering zal worden gebracht op de opzegtermijn.
3.9.2. Volgens [Werknemer] was er ten tijde van de gesprekken op 11 en 23 mei 2023 nog helemaal geen verstoorde arbeidsverhouding, maar veranderde dat op 5 juni 2023, toen [CEO] aandrong op een verblijf van 2/3 jaar in het buitenland en daarmee namens DEME [Werknemer] voor het blok zette en zonder reden aanstuurde op beëindiging van het dienstverband, waarna de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op een valse grond heeft ontbonden. Dat is volgens [Werknemer] ernstig verwijtbaar.
3.9.3. Het hof overweegt als volgt. [Werknemer] heeft niet kenbaar een grief gericht tegen het hierna geciteerde deel van rov. 4.14. van de beschikking:
“(...) Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014. 33 818, nr. 3, pag. 34) (...)”
Ook het hof zal die maatstaf hanteren.
3.9.4. Het hof heeft hiervoor in rov. 3.8.8. overwogen dat de ernstig en duurzaam verstoorde verhouding al vóór het gesprek van 5 juni 2023 was ontstaan doordat DEME terecht van [Werknemer] verlangde dat hij bereid zou zijn (ook frequent en langdurig) naar het buitenland te reizen, maar [Werknemer] daartoe aanhoudend niét bereid was. Daarom is de arbeidsovereenkomst ontbonden. Gesteld noch gebleken is dat DEME de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst grovelijk niet is nagekomen. Daaruit volgt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van DEME. Ook het ‘voor het blok zetten’ van [Werknemer] door [CEO] op 5 juni 2023 is, zoals hiervoor in rov. 3.8.8. overwogen, naar het oordeel van het hof niet fraai maar niet ernstig verwijtbaar.
3.9.5. Het hof komt tot de conclusie dat [Werknemer] ook op de subsidiaire grondslag van artikel 7:671b lid 9 onder c BW geen recht heeft op een billijke vergoeding, dat de kantonrechter terecht de proceduretijd in mindering heeft gebracht op de opzegtermijn en dat [Werknemer] uit dien hoofde geen aanspraak heeft op een bedrag ter grootte van een bruto maandsalaris. De grieven slagen niet. Het hof zal de verzoeken onder (VI en) VII en IX afwijzen.
Grief 5 van [Werknemer]
3.10.1. Grief 5 richt zich tegen rov. 4.17. en 4.18. van de beschikking, waarin de kantonrechter oordeelt dat de aan [Werknemer] toekomende transitievergoeding moet worden berekend op basis van de duur van de tweede arbeidsovereenkomst - met de daarin expliciet genoemde ‘historische datum in dienst’ van 1 maart 2018 - en dus over de periode met ingang van 1 maart 2018 tot 1 december 2023.
3.10.2. [Werknemer] betoogt met een beroep op artikel 7:673 lid 4 BW dat voor de berekening van de duur van het dienstverband in het kader van de transitievergoeding voorafgaande arbeidsovereenkomsten meetellen en dat er in deze zaak geen feiten en/of omstandigheden zijn die maken dat het onredelijk zou zijn om de wet toe te passen. Er moet volgens [Werknemer] worden uitgegaan van een dienstverband per 1 juni 2011 en een einddatum per 1 januari 2024. Als het hof uitgaat van 1 maart 2018 als datum van indiensttreding, dan komt de transitievergoeding volgens de berekening van [Werknemer] uit op een bedrag van € 14.346,37 bruto, zo stelt hij.
3.10.3. Het hof overweegt als volgt. Artikel 7:673 lid 4 onder b BW bepaalt dat voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst een of meer voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, worden samengeteld. Naar de letter van de wet moet het standpunt van [Werknemer] dus worden gevolgd: de eerste arbeidsovereenkomst eindigde op 1 oktober 2017 en op 1 maart 2018, vijf maanden later, trad [Werknemer] opnieuw bij DEME in dienst.
3.10.4. Echter, zoals het hof in zijn beschikking van 17 oktober 2016 (ECLI:NL:GHSHE:20 16:4808) heeft overwogen volgt zowel uit de tekst van de wet als uit de parlementaire geschiedenis dat uitgangspunt moet zijn dat een transitievergoeding (slechts) verschuldigd is wanneer het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitgaat van de werkgever. In deze zaak staat tussen partijen vast dat de eerste arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging daarvan door [Werknemer] . Op deze situatie heeft artikel 7:673 lid 4 BW geen betrekking. Het doel van die bepaling is om te voorkomen dat werknemers een transitievergoeding zouden mislopen als werkgevers constructies hanteren om verschuldigdheid daarvan te vermijden, zoals het telkens achter elkaar (met korte tussenpozen) aanbieden van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Dat is hier niet aan de orde. Een redelijke wetsuitleg brengt dan ook mee dat [Werknemer] niet nu alsnog aanspraak kan maken op een transitievergoeding die is berekend over de duur van een eerdere door hem opgezegde arbeidsovereenkomst. Het hof betrekt bij dat oordeel dat partijen in de tweede arbeidsovereenkomst expliciet als “historische datum in dienst” 1 maart 2018 hebben opgenomen (zie rov. 3.2.3.)4.. De grief faalt in zoverre. Het hof zal het verzoek onder VIII om DEME te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 31.395,27 afwijzen.
3.10.5. De grief slaagt wel waar [Werknemer] betoogt dat de kantonrechter de transitievergoeding over de periode van 11 maart 2018 tot 1 december 2023, met de bedragen die in rov. 4.18. tot uitgangspunt zijn genomen, onjuist heeft vastgesteld. Volgens [Werknemer] behoort de transitievergoeding € 14.346,37 bruto te bedragen. DEME heeft dat niet bestreden. Het hof zal de beschikking in zoverre vernietigen en de transitievergoeding bepalen op € 14.346,37 bruto.”
2.8 In het incidenteel hoger beroep heeft het hof de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd:
“Grief van DEME
3.7.1. Met haar grief klaagt DEME over de afwijzing van het ontbindingsverzoek op de primaire grond, een tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:686 BW). De kantonrechter overwoog in rechtsoverweging (rov.) 4.4.van de bestreden beschikking dat DEME [Werknemer] niet had mogen opdragen om binnen een paar dagen althans binnen twee weken voor weken naar het buitenland te gaan. Zij wist immers dat [Werknemer] in die periode mede in verband met zijn huwelijk en zomervakantie meerdere goedgekeurde verlofperiodes had. Ook had DEME [Werknemer] volgens de kantonrechter eerst moeten waarschuwen voor de gevolgen indien hij zou blijven weigeren om, anders dan onder zijn voorwaarden, in het buitenland te werken. Niet gebleken is dat DEME dat heeft gedaan. Om die reden heeft de kantonrechter het verzoek tot ontbinding op grond van artikel 7:686 BW afgewezen.
3.7.2. DEME betoogt dat uit artikel 5.2 van de arbeidsovereenkomst – die naar zeggen van [Werknemer] ook nog eens met hem is besproken – volgt dat werken in het buitenland een ‘normale werkomstandigheid’ is die voor DEME ‘een essentieel deel uitmaakt van de uitoefening van zijn verdere loopbaan’. DEME mocht [Werknemer] dus vragen om zijn functie uit te voeren en dus, zo begrijpt het hof, hem opdragen om in het buitenland te gaan werken. Anders dan de kantonrechter overweegt heeft DEME [Werknemer] gewaarschuwd voor de gevolgen indien hij dat zou blijven weigeren: dat heeft zij gedaan in het gesprek van 5 juni 2023 en dat blijkt ook uit de transcriptie van dat gesprek die [Werknemer] in het geding heeft gebracht. De verplichting uit hoofde van de arbeidsovereenkomst staat dus vast. [Werknemer] heeft die nooit willen nakomen en komt die ook na waarschuwing niet na. De gevolgen van die niet nakoming zijn groot. Daardoor kan DEME niet inzetten op een volwaardig project en kan er geen invulling aan de arbeidsovereenkomst worden gegeven, terwijl [Werknemer] wel verwacht dat het salaris wordt doorbetaald.
3.7.3. Het hof overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 april 1990 (ECLI:NL:PHR:1990:AD1092) geoordeeld dat een beëindiging van de dienstbetrekking wegens een tekortkoming in de nakoming slechts toewijsbaar is in gevallen van ernstige wanprestatie, op één lijn te stellen met een beëindiging wegens een dringende reden. Het hof heeft in zijn beschikking van 8 juli 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:2157) overwogen dat deze rechtspraak van de Hoge Raad nog steeds uitgangspunt dient te zijn.
3.7.4. DEME heeft ook in hoger beroep niet gesteld dat de tekortkoming die zij [Werknemer] verwijt dermate ernstig is dat die op één lijn is te stellen met een dringende reden die ontslag op staande voet zou hebben gerechtvaardigd. Ook anderszins is niet gebleken dat daarvan sprake is. Ook al had van [Werknemer] verwacht mogen worden dat hij ook voor langere tijd naar projecten in het buitenland zou vertrekken, het (door [Werknemer] gestelde en door DEME onvoldoende betwiste) feit dat hij in de periode kort na 5 juni 2023, mede in verband met zijn aanstaande huwelijk, enkele door DEME al goedgekeurde verlofperiodes in het vooruitzicht had, maakt dat zijn weigering in het gesprek van 5 juni 2023 om op zeer korte termijn naar het buitenland te vertrekken geen ernstige wanprestatie als hiervoor bedoeld is. De kantonrechter heeft het verzoek dus terecht niet op de primaire grondslag toegewezen.”
2.9 Werknemer heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Werkgever heeft verweer gevoerd en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld, waar Werknemer op zijn beurt verweer tegen heeft gevoerd.
3. Bespreking van het principale cassatiemiddel
3.1
Het middel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel I richt klachten tegen de wijze waarop het hof de buitenlandclausule heeft uitgelegd en het oordeel dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden op de (voldragen) g-grond. Het bestaat uit elf subonderdelen. De eerste acht daarvan zijn gericht tegen de uitleg van de buitenlandclausule. Daarbij is miskend dat Werknemer geen andersluidende overeenkomst heeft gesteld (subonderdeel I.1), de Haviltex-maatstaf niet/onjuist is toegepast en de […] /Mammoet-doctrine is miskend wat betreft de eenzijdige wijziging van de standplaats door Werkgever (subonderdelen I.2, I.3, I.4, I.5 en I.6). Ook heeft het hof art. 3:33 en 3:35 BW miskend voor de vraag of Werknemer gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat hij vanuit kantoor Breda kon werken (subonderdeel I.7) en ten onrechte Werknemer niet tot bewijslevering toegelaten voor zijn stelling dat zijn functie vooral een kantoorfunctie was (subonderdeel I.8). Subonderdeel I.9 voert vervolgens vijf klachten aan tegen de manier waarop het hof tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. In dit kader is het ook onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat herplaatsing niet in de rede lag (subonderdeel I.10). Subonderdeel I.11 bevat een veegklacht.
Onderdeel II is gericht tegen het oordeel dat bij de berekening van de transitievergoeding het eerdere dienstverband van Werknemer bij Werkgever niet is betrokken, omdat dit op zijn initiatief is beëindigd. Volgens subonderdeel II.1 is dit onjuist/onbegrijpelijk, omdat zowel wettekst als wetsgeschiedenis van art. 7:673 lid 4 onder b BW geen aanknopingspunten bieden voor deze opvatting.
Onderdeel III bevat een veegklacht.
Inleidende opmerkingen over de g-grond
3.2
Voorafgaand aan de bespreking van onderdeel I herhaal ik voor de zelfstandige leesbaarheid van deze conclusie de inleidende beschouwingen over de g-grond uit mijn conclusie van 29 augustus 2025, ECLI:NL:PHR:2025:617, onder 3.2 t/m 3.8 – voor zover relevant voor de onderhavige zaak.
3.3
Volgens art. 7:669 lid 1 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen als daarvoor een redelijke grond bestaat en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In het derde lid zijn de redelijke gronden limitatief aangegeven. De redelijke grond uit art. 7:669 lid 3 sub onder g BW is geformuleerd als: ‘een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’.
3.4
De ontslaggronden van lid 3 zijn ontleend aan het (inmiddels vervallen) Ontslagbesluit en de daarop gebaseerde Beleidsregels Ontslagtaak UWV, ten opzichte waarvan geen inhoudelijke wijziging is beoogd in het stelsel van de WWZ, maar waarbij op onderdelen omwille van de consistentie de formuleringen zijn aangepast5.. De g-grond is ontleend aan art. 5:1 lid 4 Ontslagbesluit6.. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in de omschrijving van de g-grond besloten ligt dat de verstoring in beginsel ‘ernstig en duurzaam’ moet zijn, zoals ook was vereist onder het regime van het Ontslagbesluit7.. In beginsel, omdat ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst opgezegd moet kunnen worden, als de ernst daarvan zodanig is dat voorzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd8.. Uit dat laatste wordt afgeleid dat de g-grond daarmee toch eniger mate is verruimd ten opzichte van het Ontslagbesluit en de Beleidsregels ontslagtaak UWV9.. Uit de memorie van toelichting volgt verder dat de werkgever enige beoordelingsvrijheid toekomt10..
3.5
In de formulering van de g-grond ligt besloten dat herstel van de verstoorde verhouding niet langer tot de mogelijkheden behoort11.. De rechter dient te toetsen of de werkgever voldoende heeft gedaan om de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen, bijvoorbeeld door het aanbieden van mediation12.. Pas wanneer dat niet mogelijk blijkt te zijn of wanneer dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd, kan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op deze grond aan de orde zijn13..
3.6
Voor toepassing van de g-grond is niet vereist dat sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer, en de omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt, staat op zichzelf evenmin aan ontbinding op de g-grond in de weg14.. Bij de beoordeling of sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, kan de mate waarin de verstoorde arbeidsverhouding aan een partij (of aan beide partijen) verwijtbaar is, wel gewicht in de schaal leggen, maar die omstandigheid behoeft op zichzelf niet doorslaggevend te zijn15..
3.7
Verwijtbaarheid aan de kant van de werkgever kan een rol spelen bij de beoordeling of voortzetting van de arbeidsovereenkomst van de werkgever gevergd kan worden, in de zin dat wanneer bijvoorbeeld de werkgever de arbeidsverhouding moedwillig verstoort, het niet voor de hand ligt te beslissen dat van hem in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten16.. In dergelijke gevallen wordt echter toch vaak ontbonden, zij het dat er dan wel een reden kan zijn om een billijke vergoeding aan de werknemer toe te kennen17.. De achtergrond hiervan is dat tijdens de parlementaire behandeling van de WWZ in de Eerste Kamer door minister Asscher bevestigend is geantwoord op de vraag of ontbinding van de arbeidsovereenkomst mogelijk is, indien de werkgever een verstoorde arbeidsverhouding met zijn werknemer over zichzelf heeft afgeroepen door een onvoldoende onderbouwd ontbindingsverzoek op grond van disfunctioneren (de d-grond) in te dienen, maar dat de werkgever dan wel een risico loopt dat hij een billijke vergoeding moet betalen wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten18.. Deze zogenoemde ‘Asscher-escape’19.houdt dus in dat indien een voldragen ontslaggrond ontbreekt, toch kan worden ontbonden op straffe van een billijke vergoeding20.. Er is wel bepleit dat deze ‘vluchtroute’, waarbij in feite met geld een tekort aan ontslaggrond wordt gecompenseerd, (uiterst) terughoudend zou moeten worden toegepast, omdat het anders leidt tot verwatering en vermenging van het (strenge) wettelijke stelsel van ontslaggronden21.. Bouwens en Bij de Vaate noemen als voorbeelden van afwijzing van ontbindingsverzoeken op de g-grond gevallen waarin de verstoring door de werkgever is gecreëerd met het enkele doel om tot ontbinding te komen of als deze anderszins in overwegende mate aan de werkgever kan worden verweten22.. Zij ontwaren in zijn algemeenheid geen terughoudende toepassing van de Asscher-escape, omdat het regelmatig voorkomt dat wordt ontbonden op de g-grond, terwijl de verstoring geheel door de werkgever in de hand is gewerkt, waarbij dan veelal wel een billijke vergoeding wordt toegekend23..
3.8
In ServiceNow lijkt de Hoge Raad een mogelijke ‘escape op de Asscher-escape’24.te hebben ontwikkeld: de rechter kan besluiten een ontbindingsverzoek op de g-grond af te wijzen zodat verwijtbaar gedrag van de werkgever niet beloond wordt, bijvoorbeeld wanneer de verstoring door de werkgever is veroorzaakt met als enige doel een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen25., of als deze anderszins in overwegende mate aan de werkgever kan worden verweten26., maar dat hoeft niet.
3.9
In dit verband is nog van belang te benadrukken dat de rol van de feitenrechter groot is bij de vraag of de mate waarin de werkgever blaam treft bij het verstoord raken van de arbeidsverhouding moet meewegen bij de beslissing op een ontbindingsverzoek op die grond. De ruimte voor cassatietoetsing is daarmee beperkt.
Onderdeel I: Miskenning Haviltex, art 3:33 en 3:35 BW; geen (voldragen) g-grond; herplaatsingsplicht
3.10
In rov. 3.8.5 oordeelt het hof dat vaststaat dat de buitenlandclausule onderdeel is van de arbeidsovereenkomst en dat deze clausule niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. De bewijslast van de andersluidende stellingen van Werknemer over de afspraak met betrekking tot het reizen naar het buitenland rust op grond van art. 284 lid 1 jo. art. 150 Rv op Werknemer, waarin hij volgens het hof niet is geslaagd. Volgens subonderdeel I.127.miskent het hof hiermee dat Werknemer niet een nadere afspraak c.q. overeenkomst naast de arbeidsovereenkomst heeft gesteld, maar juist dat de arbeidsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat Werknemer op en vanuit zijn standplaats Breda mocht en kon werken en dat reizen naar het buitenland slechts incidenteel zou plaatsvinden28.. Het gaat dus om de (uitleg van) de arbeidsovereenkomst zelf en niet van een – daarvan losstaande – (nadere) overeenkomst of afspraak. Althans is het oordeel zonder nadere toelichting ontoereikend gemotiveerd.
3.11
De klacht faalt, omdat die berust op een verkeerde lezing van het arrest. De passage andersluidende stellingen van Werknemer uit rov. 3.8.5 slaat terug op rov. 3.8.2, waarin het hof weergeeft dat Werknemer stelt voorafgaand aan zijn tweede dienstverband met Werkgever de afspraak te hebben gemaakt dat hij niet meer op de wijze als voorheen onder zijn eerste dienstverband naar het buitenland zou worden uitgezonden. Nadat het hof constateert in rov. 3.8.4 dat Werkgever de gestelde afspraak over verminderd reizen naar het buitenland gemotiveerd betwist bij verweerschrift en ter zitting, oordeelt het hof in rov. 3.8.5 dat de buitenlandclausule die in de arbeidsovereenkomst staat niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is en dat het dan aan Werknemer is om ‘de andersluidende stelling van [Werknemer] over de afspraak met betrekking tot reizen naar het buitenland’ hard te maken, hetgeen naar zijn oordeel niet is gelukt. Dat is geen nadere afspraak, maar gewoon Haviltex-uitleg van wat met de buitenlandclausule is bedoeld. Dat het hof hier het oog zou hebben op een van de arbeidsovereenkomst losstaande (nadere) overeenkomst of afspraak, zoals de klacht aanvoert, blijkt zodoende niet, zodat de klacht niet slaagt.
3.12
Volgens subonderdeel I.2 miskent het hof in de passage dat de buitenlandclausule niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is (rov. 3.8.5), dat ook ‘duidelijke’ overeenkomsten moeten worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf waarbij het gaat om de bedoeling van partijen29.. Zoals in subonderdeel I.1 aangegeven, heeft Werknemer een uitdrukkelijk beroep gedaan op de bedoeling van partijen30.. Hieruit volgt dat het hof, al dan niet ex art. 25 Rv, de buitenlandclausule conform de Haviltex-maatstaf had moeten uitleggen.
3.13
Deze klacht faalt ook bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof de buitenlandclausule wél conform de Haviltex-maatstaf heeft uitgelegd, zoals net besproken. Die uitleg omvat de vrijheid van de rechter om de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de uit te leggen clausule van de overeenkomst tot uitgangspunt te nemen. Vervolgens zal de rechter wel moeten beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt (‘andersluidende stelling’, namelijk dat voorafgaan aan zijn tweede dienstverband de afspraak was gemaakt dat hij niet meer op de wijze zoals waarvan eerder sprake was zou worden uitgezonden naar het buitenland), voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel tegenbewijs te worden toegelaten31.. Dat heeft het hof op juiste wijze gedaan, zodat subonderdeel I.2 niet kan slagen.
3.14
Subonderdeel I.3 vervolgt dat bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf bepalend is wat partijen uit elkaars uitlatingen en gedragingen hebben mogen afleiden. Daarbij is, anders dan waar het hof in rov. 3.8.6 kennelijk vanuit gaat, bepalend wat bij het aangaan van de overeenkomst partijen voor ogen heeft gestaan en niet wat die functie thans (of in juni 2023) zou inhouden. Voor de uitleg is dus niet relevant de stelling van [CEO] dat het zou gaan om een ‘achterhaald beeld van [Werknemer] ’. Om deze reden getuigt rov. 3.8.6, aldus de eerste klacht van subonderdeel I.3, hetzij van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel van een ontoereikende motivering. Daarbij miskent het hof volgens de tweede klacht bovendien dat als die functie inderdaad inmiddels zou zijn gewijzigd en dat heeft geleid tot een eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden (wijziging standplaats), dit had moeten worden beoordeeld via de band van art. 7:613 BW32.of, bij het ontbreken van een 7:613 BW-beding, via de […] /Mammoet-doctrine. Het hof heeft dit in rov. 3.8.5 -3.8.6 miskend, dan wel onbegrijpelijk toegelicht.
3.15
Ook deze klacht gaat niet op. In rov. 3.8.6 heeft het hof de stelling van Werknemer gepasseerd dat zijn functie (project manager bij de afdeling rock placement) ook zonder een daartoe strekkende afspraak voornamelijk een kantoorfunctie was. Werkgever heeft die stelling bij monde van [CEO] ter zitting gemotiveerd betwist en daarbij gezegd dat Werknemer een achterhaald beeld van de werkelijkheid had en dat die functie in de huidige tijd wel degelijk frequent en soms langdurig verblijf in het buitenland vereist. Hier heeft Werknemer, aldus nog steeds het hof, zeker in het licht van de buitenlandclausule, onvoldoende tegenover gesteld, zodat ook hier een bewijsopdracht niet aan de orde is. De opmerking van [CEO] waar het hof naar verwijst is ter zitting gemaakt toen het hof Werknemer heeft bevraagd wat precies over zijn functie is besproken toen hij opnieuw in dienst trad:
“Voorzitter: (…) Toen [CEO] zei: we plaatsen je bij Landfalls. Wat heeft hij toen gezegd over het buitenland?
[Werknemer]: Dat ik naar Rock Placement ging en dat alle project managers daarvan op dat moment in Nederland werkten.
Voorzitter. Zei hij dat? Of ging u daarnaar toe redeneren?
[Werknemer]: In het gesprek ervoor met [betrokkene 1] is uitgebreid gegaan over hoe Rock Placement in zijn werk gaat.
Voorzitter: [betrokkene 2] zegt dat blijkt niet het geval te zijn, maar wat heeft [CEO] gezegd?
[Werknemer]: Je gaat bij Rock Placement werken en hij heeft besproken hoe dat eruit ziet. Ik wil niet betwisten dat buitenlandwerk bij het werk hoort, maar het is de hoeveelheid.
Voorzitter: Zei [CEO] : het hangt van de projecten af?
[Werknemer]: Dat is bij Rock Placement. Dat zijn projecten, die lopen snel door. Bovendien zit je niet aan boord.
Voorzitter: Met dat punt gaan we naar [CEO] .
[CEO] : Wat ik zeer waardeer is dat [Werknemer] correct aangeeft hoe dat heeft plaatsgevonden. Zo zal het vast ook hebben plaatsgevonden. De projecten veranderen. Toen ik begon bij DEME was het soms een project van drie dagen. Inmiddels hebben we nu projecten van soms 2 jaar. [Werknemer] blijft hangen in de oude werkelijkheid die niet meer bestaat. Dat is voor mij het belangrijkste punt. (…)”
3.16
In de kern is de eerste klacht dat of het beeld dat Werknemer zou hebben over het kantoorkarakter (in Breda) van zijn functie al dan niet achterhaald is, niet relevant is voor de uitleg van hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan. De eerste klacht plaatst bedoelde opmerking van [CEO] in een verkeerde context. Bedoeld lijkt mij dat Werkgever heeft aangegeven dat Werknemers beeld over het beweerdelijke kantoorkarakter van zijn functie ten tijde van het aangaan van het tweede dienstverband niet strookt met de gang van zaken van tegenwoordig. Dat daarmee bedoeld zou zijn wat zijn functie ‘thans (of in juni 2023) zou inhouden’, zoals de klacht het wil lezen, valt niet in te zien. Het hof onderzoekt daar immers wat er met Werknemer is besproken over zijn functie bij het aangaan van zijn tweede dienstverband. Daar ketst de eerste klacht al op af; van een motiveringsgebrek is ook geen sprake. De tweede klacht faalt, omdat van een eenzijdige functiewijziging geen sprake is, zoals hierna bij subonderdeel I.4 nader aan de orde komt. Subonderdeel I.3 is daarmee tevergeefs voorgesteld.
3.17
Het hof miskent volgens subonderdeel I.4 – althans laat onbesproken in rov. 3.8.5-3.8.6 – dat Werknemer expliciet beroep heeft gedaan op (1) het feit dat als standplaats Breda is overeengekomen33.en (2) het niet is toegestaan die standplaats eenzijdig te wijzigen34., omdat dat alleen in overleg mogelijk is35., terwijl er ook geen zwaarwegend belang (hetgeen op een toepassing van art. 7:613 en/of de […] /Mammoet-doctrine duidt) aanwezig is36.. Werknemer mocht hier dus in redelijkheid op vertrouwen en hoefde er niet op beducht te zijn dat Werkgever na de herstelmelding van Werknemer op deze afgesproken standplaats zou terugkomen. Dit betekent dat Werkgever met de gesprekken in mei-juni 2023 de verhouding op scherp heeft gezet door opeens deze afspraken te negeren.
3.18
Deze klacht faalt al, omdat deze berust op het uitgangspunt dat sprake zou zijn geweest van een eenzijdige wijziging van de standplaats van Werknemer. Daarvan is geen sprake. Werknemers standplaats was Breda, maar daarnaast was de besproken buitenlandclausule in de hiervoor geduide betekenis van kracht als onderdeel van de arbeidsovereenkomst37.. Volgens het hof (rov. 3.8.5.-3.8.6) mocht Werkgever op grond van die clausule van Werknemer verwachten dat hij ook in het buitenland zou werken, naast zijn werkzaamheden vanuit kantoor Breda. Bij gebreke van eenzijdige standplaatswijziging, falen de daarop gebaseerde klachten van subonderdeel I.4.
3.19
Onderdeel I vervolgt dat voor de toepassing van de Haviltex-maatstaf alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen als het erom gaat wat partijen bij aanvang voor ogen heeft gestaan. Het hof miskent volgens subonderdeel I.5 dat een aanwijzing van wat partijen bij aanvang voor ogen heeft gestaan, kan liggen in de wijze waarop partijen de overeenkomst vervolgens hebben uitgevoerd. Indien de Haviltex-maatstaf (juist) wordt toegepast, kan er geen andere conclusie zijn dan dat partijen op 26 januari 2018 zijn overeengekomen dat ‘de standplaats’ voor Werknemer Breda was, hij zijn werkzaamheden grotendeels vanuit Breda verrichtte en er slechts sprake zou zijn van incidentele reizen (en niet dat hij in een 2:1 verhouding in het buitenland zou moeten werken, zoals hem te verstaan werd gegeven in het gesprek in mei 2023) en dat partijen hier ook op deze manier invulling aan hebben gegeven38.. Het andersluidende oordeel in rov 3.8.5-3.8.6 is dan ook onjuist, dan wel ontoereikend gemotiveerd.
3.20
De klacht stelt in de kern dat het hof bij de uitleg van de arbeidsovereenkomst onvoldoende acht heeft geslagen op de wijze waarop deze is uitgevoerd. Besproken is al dat het hof in rov. 3.8.4 constateert dat Werkgever de door Werknemer gestelde afspraak over verminderd reizen naar het buitenland gemotiveerd heeft betwist: zijn functie project manager rock placement behelst veelvuldig en soms langdurig reizen naar het buitenland als essentieel onderdeel van de werkzaamheden, hetgeen ook de reden was voor het overeenkomen van de buitenlandclausule en dat de functie project manager voornamelijk een kantoorfunctie was, verwerpt het hof in rov. 3.8.6. Werknemer stelt dat hij aan het begin van zijn arbeidsovereenkomst daadwerkelijk voornamelijk in Breda heeft gewerkt en maar beperkt naar het buitenland hoefde te reizen. Vast staat dat Werknemer slechts in de periode van 1 maart 2018 tot 1 juni 2018 (drie maanden) en 19 december 2019 tot 20 augustus 2020 (acht maanden) heeft gewerkt in de functie van project manager. Hierna was hij arbeidsongeschikt, aan het re-integreren of genoot hij ouderschapsverlof, waarvoor hij naar een andere functie was verplaatst39.. Dat hij in de eerste periode minder hoefde te reizen, lag aan het project waar hij toen op was gezet en was dat dus ‘meegenomen’ wat de reisomvang betreft. In de tweede periode kwam het internationale werkveld van Werkgever stil te liggen door de corona-pandemie40.. Ik meen dat op basis hiervan niet kan worden gezegd dat het hof bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf geen of onvoldoende acht heeft geslagen op (vaststaande) omstandigheden die van belang waren bij de vraag wat partijen bij aanvang van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan en hoe zij daar vervolgens uitvoering aan hebben gegeven. Subonderdeel I.5 strandt daarop.
3.21
Subonderdeel I.6 vervolgt dan onder verwijzing naar de klacht van subonderdeel I.5 met een klacht tegen de passage uit rov. 3.8.5 dat het erop lijkt dat Werknemer zelf de aanname heeft gedaan dat hij bij terugkeer bij Werkgever minder zou hoeven reizen dan tijdens zijn eerste dienstverband. De eerste klacht veronderstelt andermaal dat sprake is geweest van eenzijdige standplaatswijziging door Werkgever. Besproken is al dat daarvan geen sprake was, zodat die klacht feitelijke grondslag mist en faalt. De tweede klacht is dat het hof in dat verband ook Werknemers stelling onbesproken laat dat de buitenlandclausule aan de bedoeling van partijen niet afdoet, omdat dit een standaardbepaling is die in de meeste arbeidsovereenkomsten van Werkgever voorkomt, maar dat dit niet de bedoeling van partijen weergeeft41., zodat de Haviltex-maatstaf in dit verband is miskend, althans de wils-vertrouwensleer (zo subonderdeel I.7), omdat relevant is of de betreffende aanname van Werknemer ook steunt op wat Werknemer heeft begrepen en mocht begrijpen.
3.22
De Haviltex-maatstaf is een uitvloeisel van de wilsvertrouwensleer, zoals die is neergelegd in art. 3:33 en 3:35 BW42.. De klachten stellen in de kern aan de orde dat het hof niet zouden hebben getoetst of Werknemer, mede op basis van enkele door hem aangedragen omstandigheden, erop mocht vertrouwen dat hij bij indiensttreding niet zou zijn gebonden aan de buitenlandclausule. Zoals uit de bespreking van de voorgaande klachten blijkt, heeft het hof de Haviltex-maatstaf correct gehanteerd om te onderzoeken wat partijen precies overeen zijn gekomen over werken in het buitenland. Het hof is daarbij uitgegaan van de (duidelijke) tekst van de buitenlandclausule en heeft vervolgens onderzocht of Werknemer voldoende heeft gesteld over zijn visie op wat over reizen naar het buitenland is overeengekomen en geoordeeld dat daarvan geen sprake is (rov. 3.8.5). Ook heeft Werknemer volgens het hof niet aan zijn stelplicht voldaan omtrent het hoofdzakelijke kantoorkarakter van zijn functie in standplaats (rov. 3.8.6), waarna het hof tot het uitleg-oordeel is gekomen dat Werkgever op grond van de overeengekomen buitenlandclausule van Werknemer kon verlangen dat hij ook op projecten in het buitenland zou werken (rov. 3.8.7). Zodoende is eveneens beoordeeld in hoeverre Werknemer gerechtvaardigd mocht aannemen dat hij zijn functie voornamelijk op kantoor in Breda kon uitoefenen (wils-vertrouwensleer). Daarvan is geen sprake volgens het hof. Van schending van art. 3:33 en 3:35 BW is geen sprake. De stelling dat de buitenlandclausule slechts een standaardbepaling is die niet op Werknemer van toepassing zou zijn, is (impliciet) verworpen met de passage in rov. 3.8.6 dat werken in het buitenland wel degelijk van belang is bij de uitoefening van de functie die Werknemer had. Subonderdelen I.6 en I.7 treffen dan ook geen doel.
3.23
De klacht van subonderdeel I.8 ziet op het oordeel in rov. 3.8.5 dat Werknemer niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zodat het hof niet aan een bewijsopdracht is toegekomen. Geklaagd wordt dat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op art. 284 lid 1, 149 en 150 Rv en de stellingen van Werknemer43.. Het valt volgens de klacht niet in te zien wat een werknemer in dit verband nog meer zou moeten stellen om tot bewijs van zijn stellingen te worden toegelaten. Werknemer heeft gesteld dat en waarom de door hem aangevoerde uitleg moet worden gevolgd. Ook heeft hij gesteld44.en te bewijzen aangeboden45.dat bij andere werknemers wel met persoonlijke omstandigheden rekening wordt gehouden. Tenslotte heeft hij gesteld dat na de tweede indiensttreding er ook op een dergelijke wijze invulling aan de overeenkomst is gegeven.
3.24
Uitleg van partijstellingen is feitelijk in cassatie. Op zich is juist dat wanneer geoordeeld wordt dat een partij niet aan haar stelplicht heeft voldaan op een bepaald punt, er geen sprake kan zijn van (toelating tot nadere) bewijslevering. De rechtsklacht ketst daar al op af. Volgens Werknemer geeft de buitenlandclausule niet de juiste bedoeling van partijen weer en hebben zij in werkelijkheid iets anders afgesproken. Dit is door Werkgever gemotiveerd betwist (rov. 3.8.2 en 3.8.4), zodat het hof terecht de stelplicht en bewijslast van een dergelijke andersluidende bedoeling (dan uit te tekst volgt) bij Werknemer heeft gelegd; het is immers Werknemer die een beroep doet op een andere uitleg van de buitenlandclausule (rov. 3.8.5). Het oordeel dat niet aan de betreffende stelplicht is voldaan hier, is goed te volgen: Werknemer is er uitgebreid over aan de tand gevoeld ter zitting, maar kon niet zeggen met wie een dergelijke afspraak zou zijn gemaakt en zelfs niet bij benadering in welke bewoordingen46.. Als onvoldoende wordt gesteld, wordt niet aan bewijslevering toegekomen, maar strandt het op de stelplicht. Dat het hof daarop uitkomt, is tegen de geschetste achtergrond goed te volgen. Dat volgens Werknemer bij andere werknemers wel met persoonlijke omstandigheden rekening werd gehouden, is door het hof verworpen, in ogenschouw nemend de gemotiveerde betwisting hiervan door Werkgever (rov. 3.8.7). Voor wat betreft de wijze waarop partijen invulling aan de arbeidsovereenkomst hebben gegeven, verwijs ik kortheidshalve naar hetgeen daarover al is besproken. Dat werpt geen ander licht op de zaak. Subonderdeel I.8 treft geen doel.
3.25
Subonderdeel I.9 bevat vijf klachten (a t/m e) gericht tegen rov. 3.8.8 (volgens het opschrift tegen rov. 3.8.7, maar dat is een kennelijke verschrijving, want de klacht begint met het citeren van rov. 3.8.8). Daarin bespreekt het hof de drie gesprekken van Werkgever met Werknemer uit mei-juni 2023, waaruit het hof afleidt dat sprake was van een fundamenteel verschil van inzicht tussen partijen over de functie-inhoud van Werknemer met betrekking tot reizen naar het buitenland. Het hof oordeelt dat Werkgever met haar verzoek om op korte termijn voor werk naar het buitenland te vertrekken een redelijke opdracht heeft gegeven, die Werknemer in beginsel niet mocht weigeren.
3.26
Klacht I.9.a is een veegklacht: het slagen van een van de eerdere klachten uit onderdeel I tast ook rov. 3.8.8 aan. Dit behoeft geen afzonderlijke bespreking. Deze klacht faalt ook.
3.27
Klacht I.9.b gaat uit van de volgende hypothetisch feitelijke grondslag: de arbeidsovereenkomst moet zodanig worden uitgelegd dat de standplaats van Werknemer Breda was47.en dat die alleen na overleg kon worden gewijzigd48.en er dus sprake is geweest van een eenzijdige wijziging zonder instemming van Werknemer als bedoeld in art. 7:613 BW en de […] /Mammoet-doctrine49.. Op grond hiervan is het rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, dat het hof in rov. 3.8.8 heeft geoordeeld dat (1) Werkgever zonder instemming van Werknemer mocht verwachten dat hij in het buitenland ging werken, (2) dit een redelijke opdracht was, (3) het dus Werknemer was die die ‘redelijke opdracht’ niet mocht weigeren en (4) van Werkgever na drie gesprekken (die alle drie van een onjuiste uitleg van de arbeidsovereenkomst zijn uitgegaan50.) niet kon worden verwacht dat zij meewerkte aan mediation. Indien Werknemer heeft afgesproken dat hij vanuit de standplaats Breda mocht werken, daar ook invulling aan is gegeven en bovendien die standplaats alleen in overleg met hem kon en mocht worden veranderd, dan mocht hij dus gerechtvaardigd wijzen op die afspraak en kan dat niet als grondslag/rechtsfeit dienen voor de door Werkgever gestelde duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Het had dan veeleer in de rede gelegen om juist wel mediation te beproeven.
3.28
Dat deze klacht volgens mij moet falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, is na de voorafgaande bespreking geen verrassing meer. De door de klacht aangevoerde hypothetische feitelijke grondslag gaat niet op, zodat de daarop gestoelde klacht geen doel kan treffen. Het hof kon in rov. 3.8.5-3.8.7 oordelen dat Werkgever, in het licht van de overeengekomen buitenlandclausule, van Werknemer kon verlangen dat hij ook daadwerkelijk gedurende langere tijd op projecten in het buitenland werkzaam zou zijn. Dat sprake zou zijn van een eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden, is dus (impliciet) door het hof verworpen. De klacht is tevergeefs.
3.29
Volgens klacht I.9.c heeft het hof miskend dat er geen sprake was van een duurzaam verstoorde relatie, gelet op het korte tijdsbestek waarin de drie gesprekken plaatsvonden en het feit dat [CEO] ter zitting in hoger beroep aangaf dat hij Werknemer ‘al heel lang kent en warme gevoelens bij hem had’51.. Niet alleen blijkt hieruit dat van een duurzame verstoring geen sprake is of kan zijn, nu de directeur Werknemer al heel lang kent, goed met hem heeft samengewerkt, zijn kwaliteiten kent en waardeert en met zijn wensen rekening heeft gehouden, maar ook waar werkelijk de schoen wrong bij Werkgever: Werknemer is drie keer voor een langere periode ziek geweest: de eerste keer vanwege een burn-out, de tweede keer vanwege kanker en de derde keer door long-covid. Kennelijk heeft Werkgever bij de laatste herstelmelding gemeend dat Werknemer een risico was en daarom in een drietal gesprekken op een beëindiging aangestuurd.
3.30
In aanvulling op de inleidende beschouwingen over de g-grond hiervoor in 3.3 t/m 3.9 recapituleer ik dat een arbeidsovereenkomst op de g-grond kan worden ontbonden als de arbeidsrelatie dermate verstoord is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook als de verstoring van de arbeidsrelatie in een relatief korte tijd ontstaat, kan zij duurzaam zijn, in die zin dat zij niet meer te herstellen is; anders gezegd: de onderlinge verhouding is dermate verstoord dat zij ‘niet meer door een deur kunnen’.
3.31
Het hof heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de arbeidsovereenkomst op de g-grond kan worden ontbonden (rov. 3.8.5-3.8.8.):
- uit de verslagen van de drie gesprekken die op 11 mei 2023, 23 mei 2023 en 5 juni 2023 zijn gevoerd, blijkt dat partijen een fundamenteel verschil van inzicht hadden met betrekking tot het werken in het buitenland;
- uit het commentaar van Werknemer op de gespreksverslagen is niet gebleken dat Werkgever al dan niet moedwillig de inhoud van de gespreksverslagen onjuist heeft weergegeven;
- Werkgever heeft Werknemer verschillende functies voorgesteld die geen veelvuldig buitenlandreizen vergen, maar deze heeft hij niet aanvaard;
- Werknemer had dus nog steeds de functie project manager en op grond van de buitenlandclausule mocht Werkgever van Werknemer verlangen dat hij naar het buitenland zou gaan voor werk, waarvoor geldt dat Werkgever, in het licht van die buitenlandclausule, niet in strijd met de eisen van goed werkgeverschap heeft gehandeld door van Werknemer ook te verlangen om, zoals overeen was gekomen, ook daadwerkelijk gedurende langere tijd op projecten in het buitenland werkzaam te zijn;
- uit de gespreksverslagen blijkt dat Werknemer de indruk gaf dat hij van mening was dat hij, en niet Werkgever, de inhoud van zijn functie kon bepalen, terwijl Werkgever zich meermaals terecht op het standpunt stelde dat langdurige werkzaamheden in het buitenland tot zijn functie behoorden en dat rechtvaardigt de conclusie dat van Werkgever niet kon worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst zou voortzetten;
- tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat Werkgever er tijdens het derde gesprek voor koos om duidelijkheid te krijgen van Werknemer of hij op korte termijn bereid was om naar het buitenland te reizen voor werk en Werkgever heeft ter zitting voldoende gemotiveerd betwist dat er op of kort na het derde gesprek geen project in het buitenland was dat reizen mogelijk maakte, zodat Werkgever ook een redelijke opdracht gaf om naar het buitenland te reizen die Werknemer in beginsel niet mocht weigeren. Tijdens dit derde gesprek is nogmaals (vgl. ook rov. 3.9.4) tot uiting gekomen dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord was;
- Werkgever heeft de verstoring wel ‘uitgebouwd’ door Werknemer tijdens het derde gesprek voor het blok te zetten terwijl hij mede vanwege zijn huwelijk verlof zou hebben in de periode dat hij naar het buitenland zou moeten, maar dat is gezien de voorgeschiedenis niet ernstig te verwijten;
- gelet op de drie gesprekken kon van Werkgever niet meer worden gevergd dat zij nog zou meewerken aan mediation;
- ook bleef Werknemer tijdens de procedure zich ten onrechte op het standpunt stellen dat de buitenlandclausule niet voor hem zou gelden;
- herplaatsing lag ook niet in de rede, omdat Werkgever al alternatieve functies had aangedragen die niet door Werknemer waren geaccepteerd. Werknemer had slechts interesse in een functie die twee niveaus hoger was dan zijn huidige, en daarmee niet passend was.
3.32
Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat de arbeidsrelatie op de g-grond kon worden ontbonden – een in hoge mate feitelijk oordeel – begrijpelijk. Partijen verschilden fundamenteel van mening over de wijze waarop Werknemer zijn functie moest uitoefenen, waarbij Werknemer weigerde om deze uit te oefenen zoals die in zijn arbeidsovereenkomst overeen was gekomen door niet frequent en langdurig naar het buitenland te willen reizen (vgl. ook rov. 3.9.4). Dat dit tot uiting kwam in drie gesprekken van een maand tijd, maakt op zichzelf niet dat de arbeidsrelatie niet duurzaam en ernstig kan zijn verstoord.
3.33
Ook de opmerking van [CEO] dat hij Werknemer lang kent en ‘warme gevoelens bij hem had’ maakt niet dat daarmee geen sprake kan zijn van een verstoorde arbeidsrelatie. Deze opmerking is door [CEO] gedaan bij zijn omschrijving van het eerste dienstverband met Werknemer en zegt niet per se ook iets over hoe de situatie was tijdens het tweede dienstverband, laat staan toen in mei 2023 duidelijk werd dat Werknemer niet bereid was om, kort gezegd, zijn functie uit te oefenen, zoals overeengekomen, dus met inbegrip van werkverplichtingen in het buitenland. De stelling dat Werkgever bij de laatste herstelmelding van Werknemer heeft gemeend dat hij een risico was vanwege zijn langdurige periodes van ziekte en daarom in een drie gesprekken op een beëindiging heeft aangestuurd52., is uit context gehaald en door het hof (impliciet) verworpen. De opmerking van [CEO] (“Het probleem is dat Werknemer terugkomt en door ziekte getroffen wordt”) is gedaan in zijn antwoord op de vraag van het hof wat hij kon zeggen over de aanloop van het tweede dienstverband van Werknemer en hiermee heeft hij geenszins erkend dat Werkgever Werknemer eruit wilde werken omdat hij langdurig ziek was. Daarnaast is dit scenario door het hof verworpen omdat, als gezegd, de reden voor de verstoorde arbeidsrelatie volgens het hof lag in het fundamentele verschil van inzicht tussen partijen over de wijze waarop Werknemer zijn functie moest uitoefenen en Werknemer weigerde gehoor te geven aan een redelijke opdracht van Werkgever om op korte termijn voor langere tijd in het buiteland werkzaam te zijn.
3.34
Ook klacht I.9.d is gericht tegen de wijze waarop het hof tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een voldragen g-grond. Volgens deze klacht heeft het hof miskend, in samenhang met het voorgaande maar ook los daarvan, dat het hierbij aankomt op een afweging van alle omstandigheden van het geval. Het hof laat daarom ten onrechte stellingen van Werknemer onbesproken die erop neerkomen dat Werkgever bewust heeft aangestuurd op een situatie die zij ten grondslag wilde leggen aan het verzoek tot ontbinding:
- i) het was ongebruikelijk dat de drie bewuste gesprekken met [CEO] werden gevoerd53.;
- ii) Werkgever had het plan om de samenwerking te beëindigen54.;
- iii) Werknemer kon niet anders concluderen dan dat werd aangedrongen op gesprekken;
- iv) er werden onjuiste verslagen gemaakt om zo een reactie van Werknemer uit te lokken, welke reactie vervolgens door Werkgever kon worden gebruikt om Werknemer een verstoring van de arbeidsrelatie in de schoenen te schuiven55.;
- v) het werkelijke doel van de gesprekken was dat Werkgever van Werknemer af wilde, omdat zijn afwezigheid wegens ziekte lastig werd gevonden56.;
- vi) Werknemer heeft expliciet onderbouwd aan de hand van een transcriptie van een gesprek dat en waarom het opgestelde verslag onjuist en onvolledig was. Daaruit volgt dat Werknemer niet zonder enige grond aanvullingen en correcties heeft gedaan57.;
- vii) Werkgever heeft in het kader van het voorgenomen exit-traject bewust de verslaglegging van de gespreken zo behandeld, om dit later tegen Werknemer te kunnen inbrengen in de ontslagzaak58.;
- viii) Werknemer stond wel degelijk open voor de door [CEO] geopperde functies van Tender manager of Tender engineer59.;
- ix) Werkgever heeft niet met Werknemer willen meedenken, zij heeft aangestuurd op een verstoorde arbeidsrelatie en uitsluitend zij heeft daarin een doorslaggevende rol gehad60.;
- x) Werknemer wilde gewoon aan het werk. Hij heeft nimmer gevraagd om gesprekken of het creëren van een andere functie61.;
- xi) het project dat Werkgever voor Werknemer in gedachten had, was nog helemaal niet concreet. Dit bevestigt dat het om een schijnvoorstel ging met het enige doel om hem onder druk te laten kiezen voor een vaststellingsovereenkomst62.;
- xii) Werkgever was niet uit op een duurzame, goede arbeidsrelatie met Werknemer. Haar doel was Werknemer het bedrijf uit te krijgen63.;
- xiii) zo al sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsrelatie, dan is gelet op het korte tijdsbestek ten onrechte uitgegaan van een duurzame verstoring64.;
- xiv) uit de transcriptie van het gesprek van 5 juni 2023 volgt dat Werknemer heeft aangegeven wel degelijk naar het buitenland te willen, maar dat dit door [CEO] is genegeerd65..
3.35
Deze stellingen komen er op neer dat Werkgever tijdens de gesprekken een reactie van Werknemer heeft uitgelokt, waarna Werkgever kon beweren dat sprake was van een ‘verstoring’66.; er was sprake van een valse reden op basis waarvan Werkgever geen zuiverheid van oogmerk had bij het ontslagtraject. Het hof heeft miskend dat dit aan een geldig beroep op de g-grond voor Werkgever in de weg staat. Het betreft hier cruciale stellingen die het hof niet onbesproken had mogen laten, nu dit gedrag zonder meer als ernstig verwijtbaar aan de zijde van Werkgever kan worden geduid en dit Werknemer recht geeft op een billijke vergoeding bovenop de transitievergoeding. Onbegrijpelijk is dan ook de wijze waarop het hof in rov. 3.8.8 de drie gesprekken en daarbij horende verslagen heeft beoordeeld.
3.36
De klacht komt er in de kern op neer dat het hofoordeel dat sprake is van een voldragen g-grond onbegrijpelijk is, omdat het hof niet heeft gerespondeerd op de stelling van Werknemer dat hij tijdens de drie gesprekken door Werkgever ‘erin is geluisd’, zodat Werkgever een reden had om van hem af te komen; een ‘opzetje’ dus.
3.37
De klacht faalt. Het hof heeft in rov. 3.8.8. uitgebreid stilgestaan bij de drie gesprekken en daarover geoordeeld dat hieruit blijkt dat partijen fundamenteel van mening verschilden over de wijze waarop Werknemer zijn functie moest uitoefenen. Daarom was het begrijpelijk dat Werkgever de situatie in het derde gesprek op scherp zette om duidelijkheid te krijgen van Werknemer over zijn bereidheid om op korte termijn naar het buitenland te reizen voor het verrichten van werkzaamheden. Werkgever heeft de verstoring wel ‘uitgebouwd’ door Werknemer tijdens het derde gesprek voor het blok te zetten, terwijl hij mede vanwege zijn huwelijk verlof zou hebben in de periode dat hij naar het buitenland zou moeten, maar dat is gezien de voorgeschiedenis haar niet ernstig te verwijten volgens het hof. Dit is niet fraai, maar daarmee nog niet ernstig verwijtbaar (vgl. ook rov. 3.9.4) Hiermee is het scenario dat door de klacht wordt aangedragen (voldoende kenbaar) door het hof verworpen, zodat de klacht geen doel treft.
3.38
Volgens klacht I.9.e staat ook de combinatie van de door de klachten a-d van dit subonderdeel aangevoerde gronden eraan in de weg dat er sprake is van een voldragen g-grond.
3.39
Nu geen van de voorgaande klachten van subonderdeel I.9 slagen, is ook deze klacht tevergeefs.
3.40
Het slagen van één of meer van de hiervoor besproken klachten tast, aldus de eerste klacht van subonderdeel I.10, ook het oordeel aan dat daarop volgt, waarin het hof heeft geoordeeld dat herplaatsing niet in de rede ligt (rov. 3.8.9) en tot de conclusie is gekomen dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht op de g-grond heeft ontbonden (rov. 3.8.10)67.. Ten aanzien van de herplaatsing is het oordeel bovendien (tweede klacht) onbegrijpelijk in het licht van stelling xiii van klacht I.9.d68.. Het getuigt aldus van een onjuiste rechtsopvatting (want te lichte maatstaf ter zake van de herplaatsingsverplichting), althans van een onbegrijpelijk oordeel in dit geval, waar Werknemer tot zo ongeveer alles bereid was, maar Werkgever aanstuurt op een verstoring en er dan geen herplaatsingsplicht zou zijn (al dan niet na mediation).
3.41
De eerste klacht is een veegklacht en deelt het lot van de falende voorgaande klachten waarnaar zij verwijst.
3.42
Ten aanzien van de tweede klacht geldt dat opzegging via de g-grond slechts mogelijk is als herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt (art. 7:669 lid 1 BW). Bij de vraag of herplaatsing ‘niet in de rede ligt’ gaat het om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Hiermee wordt de werkgever een zekere beoordelingsruimte gelaten69.. In onze zaak heeft het hof geoordeeld dat herplaatsing niet in de rede lag, omdat Werkgever in het tweede gesprek drie andere functies heeft voorgesteld waarin Werknemer minder hoefde te reizen, maar deze alle drie door Werknemer zijn afgewezen en dat Werknemer slechts interesse had in een functie die twee niveaus hoger lag dan zijn toenmalige functie en daarom niet passend was (rov. 3.8.9). Dit vindt ook steun in de feiten70.. Gegeven de beoordelingsruimte van Werkgever en de opstelling van Werknemer dat hij niet bereid was om frequent en langdurig te reizen, terwijl Werkgever een bedrijf is dat wereldwijd opereert71., is dit oordeel goed te volgen en heeft het hof daarbij geen rechtsregel miskend. Hierop strandt dit subonderdeel.
3.43
De louter voortbouwende klacht van subonderdeel I.11 dat het slagen van één of meer van de hiervoor besproken klachten ook rov. 3.9.1-3.9.5 aantast, waarin het hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Werkgever, deelt het lot van de voorafgaande falende klachten.
Onderdeel II: Berekening van de transitievergoeding
3.44
Onderdeel II is gericht tegen rov. 3.10.3-3.10.5 waarin is geoordeeld dat het eerdere dienstverband van Werknemer bij Werkgever niet meetelt bij de berekening van de transitievergoeding, omdat dat dienstverband op initiatief van Werknemer is beëindigd, zodat art. 7:673 lid 4 onder b BW niet van toepassing is72.. Volgens subonderdeel II.1 is het hof hiermee uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, omdat zowel de wetsgeschiedenis als de wettekst van art. 7:673 lid 4 BW geen aanknopingspunten bieden voor deze opvatting. Art. 7:673 lid 4 onder b BW bepaalt dwingend dat indien binnen zes maanden tussen dezelfde partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt gesloten, voor de berekening van de transitievergoeding het oude dienstverband wordt meegeteld. Daarin is op geen enkele manier bepaald dat dit alleen geldt als de eerdere opzegging door de werkgever is gedaan73.. De parlementaire geschiedenis vermeldt dit ook niet. Daarbij komt dat de wetgever uniformiteit heeft nagestreefd, zodat uit de wet zelf kan worden afgeleid of een werknemer recht heeft op een transitievergoeding en hoe die wordt berekend.
3.45
De transitievergoeding is een geldbedrag dat de werkgever bij de beëindiging van het dienstverband onder bepaalde omstandigheden verschuldigd is aan de werknemer. Zij heeft een tweeledig doel: (i) de werknemer compenseren voor de gevolgen van het ontslag en (ii) hem financiële middelen ter beschikking stellen om de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken. De grondslag van de transitievergoeding ligt in het goed werkgeverschap, op basis waarvan de werkgever, ook bij ontslag, een zorgplicht jegens de werknemer heeft74.. Het recht op een transitievergoeding is vastgelegd in art. 7:673 BW. Volgens de hoofdregel kan de werknemer hier slechts aanspraak op maken als, kort gezegd, de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd (lid 1 sub a). Alleen wanneer sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever kan de werknemer ook aanspraak maken op een transitievergoeding wanneer hij zelf zijn arbeidsovereenkomst heeft beëindigd (lid 1 sub b).
3.46
De hoogte van de transitievergoeding is afhankelijk van de duur van de beëindigde arbeidsovereenkomst: voor elk jaar is een derde van het bruto maandsalaris verschuldigd (lid 2). Lid 4 bepaalt vervolgens hoe deze periode moet worden berekend. Voor onze zaak is de eerste volzin van sub b relevant:
“4. Voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in de leden 1 en 2, worden:
a. (…)
b. een of meer voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, samengeteld. De vorige zin is eveneens van toepassing indien de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.”
De klacht stelt in de kern aan de orde of bij deze samenstelling ook een voorafgaande arbeidsovereenkomst tussen dezelfde partijen die op initiatief van de werknemer is beëindigd moet worden meegenomen – en wel zonder dat sprake is van ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever volgens art. 7: 673 lid 1 sub b BW? Hoewel uit een letterlijke en geïsoleerde lezing van deze bepaling lijkt te volgen dat dit inderdaad het geval is, heeft het hof op grond van een redelijke wetsuitleg, met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis en het doel van art. 7:673 lid 4 BW, deze vraag ontkennend beantwoord.
3.47
Ik meen dat dit om de volgende redenen juist is. Volgens vaste Hoge Raad rechtspraak is met de transitievergoeding gekozen voor een abstract en gestandaardiseerd stelsel, waarin de voorwaarden voor het recht op een transitievergoeding en de regels voor de berekening van de hoogte daarvan nauwkeurig in de wet zijn omschreven75.. Toch is hierop een uitzondering gemaakt voor onregelmatige opzegging door de werkgever met het doel om de verschuldigde transitievergoeding laag te houden76.. In Nayak is hierover als volgt geoordeeld77.:
“3.3.7 Uit de letterlijke tekst van art. 7:673 lid 2 (oud) BW en art. 7:673a lid 1 (oud) BW volgt dat het recht op en de hoogte van de transitievergoeding moeten worden bepaald aan de hand van de daadwerkelijke duur van de arbeidsovereenkomst. Daarvan uitgaand is de feitelijke beëindigingsdatum van de arbeidsovereenkomst de peildatum voor de berekening van de transitievergoeding.
3.3.8
Omdat de wet aan een onregelmatige opzegging door de werkgever niet de sanctie verbindt dat de aangezegde einddatum van de arbeidsovereenkomst wijzigt, kan zo’n opzegging ertoe leiden dat de werknemer zijn recht op de wettelijke transitievergoeding geheel of gedeeltelijk misloopt, hoewel hij daarop bij een regelmatige opzegging, waarbij de werkgever de juiste opzegtermijn in acht zou hebben genomen, wel aanspraak had kunnen maken. (…).
3.3.9
Uit de parlementaire geschiedenis van de Wwz blijkt niet dat de wetgever bij de regeling van de transitievergoeding de hiervoor in 3.3.8 genoemde gevolgen van een onregelmatige opzegging door de werkgever onder ogen heeft gezien. Gelet op het doel van de dwingendrechtelijke wettelijke transitievergoeding (…), kan niet worden aangenomen dat de wetgever heeft bedoeld dat de werkgever door een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst, de werknemer zijn aanspraak op de wettelijke transitievergoeding geheel of gedeeltelijk kan onthouden. Een redelijke wetsuitleg brengt daarom mee dat bij onregelmatige opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever, het recht op en de hoogte van de wettelijke transitievergoeding moeten worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop die arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig zou hebben opgezegd. (…).”
3.48
Een soortgelijke situatie speelt ook in onze zaak: letterlijke lezing van art. 7:673 lid 4 BW leidt tot een situatie die de wetgever niet kan hebben bedoeld. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wwz blijkt immers niet dat de wetgever bij de regeling van de transitievergoeding oog heeft gehad voor de vraag of een eerder dienstverband dat door de werknemer zelf is beëindigd, waarna hij binnen zes maanden opnieuw in dienst is getreden bij dezelfde werkgever, moet worden meegenomen in de berekening van de transitievergoeding wanneer het tweede dienstverband wordt beëindigd op initiatief van de werkgever. Wel heeft de regering bij herhaling benadrukt dat het voor de toepassing van art. 7:673 BW van groot belang is op wiens initiatief de arbeidsovereenkomst is beëindigd en dat de transitievergoeding, behoudens bijzondere uitzonderingen, alleen verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is beëindigd78.. Specifiek over de eerste volzin van art. 7:673 lid 4 sub b BW is slechts een beperkte toelichting voorhanden79.. Het debat tijdens het wetgevingsproces ging vooral over de tweede volzin: het samenstellen van verschillende arbeidsovereenkomsten bij opvolging van onderneming, meer specifiek bij uitzendconstructies80.. Het gaat dan om de situatie waarin de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die redelijkerwijze geacht moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkaars opvolger te zijn. Hiervoor geldt dat de samenstellingsregel van sub b, aldus de regering, niet van toepassing is als de werknemer op eigen initiatief dezelfde arbeid bij een andere werkgever gaat verrichten81.. Het ligt dan niet voor de hand om dit wel te doen in onze situatie waar geen opvolging van onderneming speelt, maar sprake is van twee arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd.
3.49
Daarnaast druist het standpunt van Werknemer ook in tegen de ratio van de transitievergoeding en is zij niet in lijn met de systematiek van art. 7:673 BW. De grondslag van de transitievergoeding is de zorgplicht van de werkgever bij het ontslag van zijn werknemer. Het spreekt dan minder aan om deze zorgplicht ook op zo’n manier te laten gelden als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werknemer wordt beëindigd. Daarom bepaalt lid 1 sub a ook dat een transitievergoeding slechts verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst door de werkgever is beëindigd. Als het standpunt van Werknemer wordt gevolgd, kan voor de berekening van een transitievergoeding via een omweg de looptijd van een dienstverband worden meegenomen dat op zichzelf bij de beëindiging door de werknemer geen recht gaf op een transitievergoeding. Dat lijkt mij niet de bedoeling. En evenals het hof meen ik dat de samenstellingsregel van lid 4 sub b is opgenomen met het doel om te voorkomen dat werknemers een transitievergoeding zouden mislopen als werkgevers constructies hanteren om de verschuldigdheid daarvan te vermijden, zoals draaideurconstructies als het telkens achter elkaar (met korte tussenpozen) aanbieden van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd82.. Dat is hier inderdaad niet aan de orde.
3.50
De Hoge Raad heeft zich over deze specifieke kwestie (nog) niet uitgelaten en de feitenrechtspraak is niet omvangrijk. De lijn hierin is dat eerdere arbeidsovereenkomsten die zijn beëindigd op initiatief van de werknemer niet worden meegerekend bij de toepassing van art. 7:673 lid 4 sub b BW83.. Ook de literatuur is dun gezaaid. Slechts in het Handboek nieuw ontslagrecht is de vraag aan de orde gesteld of het voor de samenstelling bij art. 7:673 lid 4 sub b, eerste volzin, BW van belang is hoe de eerdere arbeidsovereenkomst is beëindigd. Bij letterlijke lezing niet, maar dat kan tot onredelijke uitkomsten leiden en dat kan niet de bedoeling van de wetgever geweest zijn84..
3.51
Zodoende meen ik ook dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat voor de berekening van de transitievergoeding op grond van art. 7:673 lid 4 sub b eerste volzin BW in een geval als de onderhavige zaak geen arbeidsovereenkomst die op initiatief van de werknemer is beëindigd moet worden meegenomen. Als die opvatting wordt gevolgd, dan faalt de klacht.
Onderdeel III: veegklacht
3.52
Onderdeel III bevat een louter voortbouwende klacht over rov. 3.12.1-3.14.1 en het dictum, die onbesproken kan blijven.
4. Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
4.1
Werkgever heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld voor het geval het principaal beroep tot cassatie zou leiden. Wordt de lijn van de bespreking van het principaal beroep gevolgd, dan wordt aan het incidenteel beroep niet toegekomen. Niettemin bespreek ik de voorwaardelijk incidentele klachten ook – in mijn visie ten overvloede.
4.2
Het middel bevat twee onderdelen. Onderdeel 1 klaagt in vier subonderdelen over afwijzing van het ontbindingsverzoek op de wanprestatie-grondslag ex art. 7:686 jo. 6:265 BW. Onderdeel 2 bevat een veegklacht.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:686 jo. 6:265 BW
4.3
Art. 7:686 BW regelt dat de bepalingen van afdeling 9 over het einde van de arbeidsovereenkomst niet uitsluiten dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden op grond van een tekortkoming in de nakoming van die overeenkomst (art. 6:265 lid 1 BW), maar dat moet dan wel door de rechter gebeuren. Ook kan daarbij schadevergoeding worden gevorderd. Lange tijd werd (de voorloper van) art. 7:686 BW in de praktijk nauwelijks gehanteerd85.. Maar sinds de hervorming van het ontslagstelsel met de komst van de Wwz is dat veranderd86..
4.4
Op grond van het commune civielrechtelijke art. 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit een wederkerige overeenkomst aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Ontbinding heeft geen terugwerkende kracht meer (art. 6:269 BW); voor zover partijen al verbintenissen zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond daarvoor in stand, maar ontstaan ten tijde van de ontbinding voor partijen over en weer ongedaanmakingsverbintenissen van de al door hen ontvangen prestaties (art. 6:271 BW)87.. Of een tekortkoming ontbinding rechtvaardigt, oftewel van ‘voldoende gewicht’ is, wordt getoetst aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij de belangen van beide partijen (kunnen) worden meegenomen88.. In de prejudiciële Eigen Haard-beslissing is onder meer de vraag onder ogen gezien of er aanleiding is om bijzondere eisen te stellen voor de ontbinding van een huurovereenkomst van een sociale huurwoning. Antwoord: nee89.. Nog onder oud BW is dat wél gebeurd voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie zijdens de werknemer90.. […]/[…]91.formuleerde daarvoor toen de volgende regel:
“Het stelsel van de wet betreffende beëindiging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever, in het bijzonder de bescherming die deze regeling ter zake van die beëindiging aan de werknemer beoogt te bieden, brengt mee dat een zodanige vordering slechts toewijsbaar is in gevallen van ernstige wanprestatie, namelijk een wanprestatie van zodanige aard dat zij het ingrijpende gevolg van een ontbinding van de overeenkomst, in beginsel met terugwerkende kracht tot de dag van de wanprestatie, kan rechtvaardigen. Bij dit uitgangspunt is deze ontbinding veeleer op een lijn te stellen met een beëindiging van de dienstbetrekking wegens een dringende reden [onderstreping A-G], (…)”
4.5
Bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst moet het dus niet (slechts) gaan om een toerekenbare tekortkoming die de ontbinding rechtvaardigt, maar om een ernstige tekortkoming van zodanige aard dat zij het ingrijpende gevolg van ontbinding kan rechtvaardigen92.. De gevolgen van ontbinding op deze grond kunnen inderdaad ingrijpend zijn voor de werknemer. Opzegtermijnen hoeven niet in acht genomen te worden, er ontstaan ongedaanmakingsverbintenissen (al zullen verrichte arbeid en daarvoor betaald loon doorgaans tegen elkaar weggestreept kunnen worden), de werkgever kan schadevergoeding vorderen, de kans is groot dat een WW-uitkering wordt geweigerd en de werknemer kan geen aanspraak maken op een transitievergoeding93.. In de feitenrechtspraak wordt de drempel van ernstige tekortkoming (dan ook) niet snel gehaald94.. Deze hoge drempel is volgens […]/[…] gerechtvaardigd wegens het bijzondere karakter van het ontslagrecht. Het ontslagrecht biedt de werknemer bescherming tegen een te lichtzinnige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, op grond waarvan de werknemer immers afhankelijk is om te voorzien in zijn of haar levensonderhoud. Nu ontbinding van een arbeidsovereenkomst grote gevolgen kan hebben voor de werknemer, mag het voor de werkgever niet te eenvoudig zijn om het ontslagrechtstel met zijn waarborgen te omzeilen via de weg van ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming. Hoewel /[…] is gewezen onder het oude recht (art. 1639x BW (oud)) en de regeling van ontbinding in het nieuwe BW op een aantal punten is gewijzigd95., wordt in de feitenrechtspraak en de literatuur vrij algemeen aangenomen dat de maatstaf van ernstige tekortkoming nog steeds geldt en dus ook van toepassing is op art. 7:686 BW96.. Volgens het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel is dat niet meer juist, zoals we zullen zien bij de inhoudelijke bespreking daarvan.
4.6
Hoe verhoudt zich de maatstaf van ‘ernstige tekortkoming’ precies tot het criterium van ‘dringende reden’ dat geldt voor een ontslag op staande voet97.: gaat het om dezelfde norm of niet? In de feitenrechtspraak98.wordt hier verschillend over gedacht. Oorzaak van de onduidelijkheid lijkt het woordje “veeleer” uit de geciteerde passage in […]/[…]: ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van ernstige wanprestatie is “veeleer” op een lijn te stellen met een beëindiging wegens een dringende reden. De hoofdlijn in de literatuur is dat ‘ernstige wanprestatie’ iets anders is dan ‘dringende reden’99.; het betreft twee verschillende toetsen. Ook ‘veeleer’ uit […]/[…] wijst niet op ‘hetzelfde’, maar geeft aan iets als: ‘lijkt bij benadering op’100.. Indien beide normen hetzelfde zouden zijn, had het voor de hand gelegen dat in de uitspraak zou zijn aangegeven dat ernstige wanprestatie op een lijn te stellen is met een beëindiging wegens dringende reden, zonder daarvoor het woord ‘veeleer’ te hanteren. Ook levert niet iedere dringende reden een (ernstige) toerekenbare tekortkoming op en is niet iedere (ernstige) toerekenbare tekortkoming een dringende reden voor ontslag, bijvoorbeeld als de tekortkoming zich uitstrekt over een langer tijdsverloop101.. Dit neemt niet weg dat er wel belangrijke overeenkomsten zijn, zodat de praktische betekenis van dit onderscheid niet wezenlijk lijkt te zijn. In beide gevallen gaat het immers om een hoge drempel waarin wordt getoetst aan alle omstandigheden van het geval, zodat de uitkomst doorgaans casuïstisch is en er weinig ‘harde’ vuistregels zijn te formuleren102..
Onderdeel 1
4.7
Het hof heeft in rov. 3.7.3-3.7.4 geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst alleen op grond van art. 7:686 BW jo. 6:265 BW kan worden ontbonden, indien sprake is van “ernstige wanprestatie, op één lijn te stellen met een beëindiging wegens een dringende reden”. Volgens subonderdeel 1.1 had het hof echter in het kader van de ‘tenzij-bepaling’ van art. 6:265 BW moeten beoordelen of de tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst door Werknemer de ontbinding rechtvaardigt. Het uitgangpunt van het hof, dat voor ontbinding ‘ernstige wanprestatie’ is vereist, is in dit verband onjuist. Voor de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan niet op voorhand aan één gezichtspunt een beslissende rol worden toegekend. Het hof heeft deze beoordelingsmaatstaf miskend103..
4.8
Als deze klacht in samenhang wordt gelezen met het juridisch kader van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep104., wordt duidelijk dat hiermee wordt beoogd de Hoge Raad te laten terugkomen van […]/[…], dus de norm van ernstige toerekenbare tekortkoming vertaalt naar de terminologie van het huidige BW. Dat zou achterhaald zijn, omdat (i) in het huidige BW ontbinding ingrijpend is gewijzigd, (ii) waardoor de in […]/[…] genoemde rechtvaardiging voor die norm niet meer bestaat, althans niet in gelijke mate, (iii) in een aantal recente Hoge Raad uitspraken is geoordeeld dat de regels van het algemene verbintenissenrecht ook van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst en binnen het arbeidsovereenkomstenrecht zodoende geen 'eigen' rechtsregels van toepassing zijn op het betreffende leerstuk105.en (iv) uit rov. 3.8.3 van Eigen Haard, al aangehaald, volgt dat het toetsingskader van art. 6:265 BW voldoende ruimte biedt om de aard van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het geval te betrekken bij de ‘tenzij-bepaling’, waarbij het niet in de rede ligt om voor de arbeidsovereenkomst een andere conclusie te trekken dan voor de huurovereenkomst van (sociale) woonruimte nu er verschillende overeenkomsten bestaan tussen beide benoemde overeenkomsten106..
4.9
De klacht lijkt mij inhoudelijk niet op te gaan. Ontbinding van een arbeidsovereenkomst op grond van een toerekenbare tekortkoming van de werknemer vereist volgens de heersende leer – ook nadat de prejudiciële Eigen Haard beslissing was gegeven, nog steeds dat sprake is van een ernstige toerekenbare tekortkoming die van zodanige aard is dat de ingrijpende gevolgen van ontbinding kunnen worden gerechtvaardigd. Dat wordt inherent geacht aan het werknemers-beschermende karakter van het ontslagrecht en daar is veel voor te zeggen denk ik. De gevolgen van ontbinding zijn onder het nieuw BW inderdaad gewijzigd, maar zijn nog steeds zeer ingrijpend voor de werknemer. De hiervoor besproken rechtvaardiging voor de bijzondere regel van ‘ernstige wanprestatie’ uit […]/[…] bestaat dan ook nog steeds. Daarnaast wordt in de literatuur, ook na Eigen Haard, breed gedragen dat de maatstaf uit […]/[…] nog steeds geldt, waarbij de nadruk wordt gelegd op het beschermende karakter van het ontslagrecht. Door als algemene regel te eisen dat de toerekenbare tekortkoming van de werknemer ‘voldoende ernstig’ is, wordt hier recht aan gedaan107..
4.10
Het argument dat nu in Eigen Haard is geoordeeld dat het toetsingskader van art. 6:265 BW voldoende ruimte biedt om de aard van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het geval te betrekken bij de ‘tenzij-bepaling’, zodat hetzelfde zou moeten gelden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de speciale norm uit […]/[…] achterhaald zou zijn, overtuigt niet meteen. In rov. 3.8.1 van Eigen Haard wordt immers aangegeven dat oud en huidig BW op dit punt niet verschilt:
“De afweging die in het kader van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW plaatsvindt bij beantwoording van de vraag of de ontbinding in het concrete geval gerechtvaardigd is, geschiedt niet slechts (zoals de eerste prejudiciële vraag het formuleert) “aan de hand van de in de wet genoemde gezichtspunten”. Naast de in art. 6:265 lid 1 BW genoemde gezichtspunten (bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming; gevolgen van de ontbinding) kunnen immers alle overige omstandigheden van het geval van belang zijn. Dat volgt uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zowel onder oud recht als huidig recht. Zie voor het oude recht onder meer het hiervoor in 3.5 vermelde arrest Gallas/Mozes en Oskam, rov. 3.3, en voor het huidige recht onder meer HR 27 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2789, NJ 1999/197, rov. 3.4 ( […] / […] ).” (Onderstreping A-G)
4.11
Ook ten tijde van het wijzen van […]/[…] gold deze regel dus al en niettemin werden toen termen gezien om voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van wanprestatie van de werknemer de bijzondere regel te formuleren dat daarvoor ernstige wanprestatie van de werknemer is vereist.
4.12
Dat de benoemde overeenkomsten huur en arbeid in verschillend opzicht op elkaar lijken, maakt nog niet dat het afzien van een bijzondere regel bij ontbinding van een huurovereenkomst van een sociale woning in Eigen Haard één-op-één van toepassing is/moet zijn op ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming van een arbeidsovereenkomst. Vooral de besproken rechtvaardiging voor de hoge lat voor ontbinding van arbeidsovereenkomsten wegens ‘wanprestatie’ speelt hierbij een rol; het beschermingskarakter van ontslagrecht voor werknemers tegen (te lichtzinnig) verlies van inkomen én de ingrijpende gevolgen van ontbinding, speelt niet in dezelfde mate bij ontbinding van huur van (sociale) woonruimte108..
4.13
Zo daar niettemin anders over geoordeeld zou moeten worden, dan vraag ik mij of belang bestaat bij deze klacht. Is dat niet lood om oud ijzer? Het lijkt mij niet goed voorstelbaar dat toepassing van de ‘ernstige wanprestatie’-maatstaf uit […]/[…] tot een andere uitkomst kan leiden dan een toets conform de ‘tenzij-clausule’ uit art. 6:265 BW in dit geval. Tot ‘alle omstandigheden van het geval’ zal in dat laatste kader worden gerekend de vraag of de toerekenbare tekortkoming van Werknemer van voldoende zwaar gewicht is, gelet op de ingrijpende gevolgen van ontbinding voor zijn rechtspositie en het niet eenvoudig moeten kunnen omzeilen van de ontslagbescherming voor werknemers door Werkgever. Vanwege deze werknemersbeschermingscomponent lijkt mij hier geen verschillende uitkomst mogelijk onder beide toetsen. Van het op voorhand aan één gezichtspunt een beslissende rol toekennen, zoals de klacht het brengt, lijkt mij materieel geen sprake onder beide toetsen.
4.14
Het hof heeft dan ook terecht tot uitgangsput genomen dat voor toewijzing van de ontbinding op deze grondslag ernstige wanprestatie is vereist – althans bestaat geen belang bij deze klacht, als dat al anders zou moeten worden gezien.
4.15
Of het hof ook kon oordelen dat ernstige wanprestatie op een lijn is te stellen met een dringende reden voor ontslag op staande voet, komt aan bod bij de bespreking van subonderdeel 1.3.
4.16
Subonderdeel 1.1 kan, ook als daar aan toegekomen zou worden, niet tot cassatie leiden.
4.17
Volgens subonderdeel 1.2 zijn ten onrechte essentiële stellingen van Werkgever niet kenbaar bij het ontbindingsoordeel betrokken, waardoor het is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel sprake is van een motiveringsgebrek:
- i) projecten die door een project manager moeten worden geleid, spelen zich veelal af in het verre buitenland en vereisen zijn fysieke aanwezigheid109.;
- ii) de gevolgen van weigering van Werknemer om in het buitenland te werken zijn voor Werkgever groot, omdat Werkgever Werknemer niet als project manager op een volwaardig project kan inzetten110.;
- iii) het grote belang van het verrichten van werkzaamheden in het buitenland is expliciet en schriftelijk tussen partijen overeengekomen in de buitenlandclausule111.;
- iv) de buitenlandclausule is niet alleen schriftelijk in de arbeidsovereenkomst opgenomen, maar ook met Werknemer besproken112.;
- v) gelet op het eerste dienstverband van Werknemer was hij bij het sluiten van de tweede arbeidsovereenkomst mee bekend, althans had hij ermee bekend moeten zijn, dat langdurig werken in het buitenland bij Werkgever een bestendige praktijk is113.;
- vi) Werknemer is – in aanmerking genomen tussen partijen gevoerde gesprekken – vanaf het begin van de tweede arbeidsovereenkomst tussen partijen nooit van plan geweest om de afspraken over werkzaamheden in het buitenland na te komen114.;
- vii) ontbinding werd niet uitsluitend verzocht vanwege de weigering van Werknemer om na het gesprek van 5 juni 2023 op betrekkelijk korte termijn naar het buitenland te gaan, maar ook/vooral door zijn weigering om ook in de verdere toekomst onverkort aan de verplichtingen uit art. 5.2 van de arbeidsovereenkomst te voldoen115..
4.18
Deze stellingen zijn relevant voor de beoordeling of de tekortkoming van Werknemer in de nakoming van de overeenkomst van voldoende gewicht is om ontbinding te rechtvaardigen. Uit stellingen i t/m iii blijkt het belang van Werkgever bij volledige nakoming van de afspraken over werken in het buitenland, alsook om bij niet volledige nakoming daarvan de arbeidsovereenkomst te kunnen ontbinden. Stellingen iv t/m vi zijn ook relevant, omdat deze tegenwicht bieden aan (of zelfs een contra-indicatie vormen voor) het belang van Werknemer bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst, waardoor dit belang bij de beoordeling van de vraag of ontbinding gerechtvaardigd is minder gewicht in de schaal behoort te leggen. Stelling vii is relevant, omdat hieruit voortvloeit dat ontbinding niet alleen wordt verzocht wegens een enkele niet-nakoming, maar wegens een blijvende niet nakoming, waardoor de nakoming (ook in de toekomst) blijvend voor onmogelijk moet worden gehouden.
4.19
Zoals hiervoor is besproken in 4.5 en 4.8, gaat deze klacht uit van een onjuiste maatstaf voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens toerekenbare tekortkoming; daar geldt (materieel) de verzwaarde maatstaf voor van een ernstige toerekenbare tekortkoming. Ook mist de klacht feitelijke grondslag, nu de aangevoerde stellingen van Werkgever onder ogen zijn gezien door het hof, maar verworpen. Daarbij laat de klacht een belangrijke schakel in de redenering van het hof onbesproken. In rov. 3.7.2 heeft het hof uiteengezet waarom Werkgever van mening is dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek tot ontbinding op grond van art. 7:686 BW heeft afgewezen. De door de klacht aangevoerde stellingen komen hier, al dan niet impliciet, in terug. Vervolgens heeft het hof in rov. 3.7.3 de eerder genoemde maatstaf voor ontbinding op grond van art. 7:686 BW voorop gesteld en in rov. 3.7.4 geoordeeld dat (i) Werkgever ook in hoger beroep niet heeft gesteld dat de tekortkoming die zij Werknemer verwijt aan die maatstaf voldoet en (ii) dat dat ook anderszins niet is gebleken. Hierbij heeft het hof specifiek gewicht toegekend, hetgeen door de klacht wordt miskend, aan de omstandigheid dat de periode waarin Werkgever van Werknemer op korte termijn verwachte dat hij voor werkzaamheden lange tijd naar het buitenland zou gaan, samenviel met een reeds goedgekeurde verlofperiode voor het huwelijk van Werknemer. Vanwege deze omstandigheid heeft het hof geoordeeld dat de weigering van Werknemer in die situatie geen ernstige toerekenbare tekortkoming oplevert.
4.20
Zodoende heeft het hof de door de klacht aangevoerde stellingen voldoende kenbaar heeft verworpen en is het oordeel goed te volgen is. Onderdeel 1.2 is ook inhoudelijk tevergeefs voorgesteld.
4.21
Volgens subonderdeel 1.3 is het oordeel in rov. 3.7.3 en 3.7.4 ook onjuist als wordt geoordeeld dat voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst steeds ‘ernstige wanprestatie’ vereist is. Het hof oordeelt dat ernstige wanprestatie in dit verband ‘op één lijn te stellen’ is met een dringende reden. Op basis daarvan is het hof bij zijn beoordeling niet verder gegaan dan na te gaan of Werknemer aan Werkgever een dringende reden heeft gegeven die een ontslag op staande voet zou hebben gerechtvaardigd. Dit blijkt uit de passage in rov. 3.7.4 dat Werkgever niet heeft gesteld dat de tekortkoming die zij Werknemer verwijt dermate ernstig is dat die op één lijn is te stellen met een dringende reden die ontslag op staande voet zou hebben gerechtvaardigd en ook anderszins niet is gebleken dat daarvan sprake is. Het hof heeft daarmee miskend dat ‘ernstige wanprestatie’ in dit verband niet synoniem is aan een ‘dringende reden’. Dit blijkt ook uit […]/[…], al aangehaald: ontbinding van de arbeidsovereenkomst is veeleer op een lijn te stellen met beëindiging wegens een dringende reden. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat de rechter terughoudend moet zijn met de toewijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstige wanprestatie, maar niet dat de rechter kan volstaan met te onderzoeken of de aangevoerde reden voor ontbinding ook een ontslag op staande voet wegens een dringende reden had gerechtvaardigd.
4.22
De klacht faalt bij gebrek aan belang. Het is juist, zoals in de inleiding besproken, dat de maatstaf van ‘ernstige wanprestatie’ uit […]/[…] niet exact op één lijn is te stellen met een dringende reden voor ontslag op staande voet. Dit heeft het hof miskend door in rov. 3.7.3-3.7.4 tot uitgangspunt te nemen dat ernstige wanprestatie op een lijn wordt gesteld met een dringende reden. Dit neemt niet weg dat ook ernstige wanprestatie een strenge maatstaf is en terughoudend moet worden toegepast door de rechter, zoals ook in de inleiding is besproken. Ik meen dan ook dat als in deze zaak wordt getoetst aan de maatstaf van ernstige wanprestatie, die de ingrijpende gevolgen van de ontbinding rechtvaardigt, de motivering van het hof in rov. 3.7.4 eenzelfde afwijzend oordeel kan dragen. Van belang blijft immers dat Werknemer tijdens het derde gesprek niet alleen weigerde om op korte termijn voor langere tijd naar het buitenland te vertrekken, maar dat zijn weigering ook moet worden gezien tegen de achtergrond dat dit vertrek zou samenvallen met een eerder door Werkgever goedgekeurde verlofperiode waarin zijn huwelijk viel. De weigering van Werknemer om op dat moment voor langere tijd naar het buitenland te vertrekken levert dan geen ernstige wanprestatie op die de ingrijpende gevolgen van een ontbinding kunnen rechtvaardigen.
4.23
Ook subonderdeel 1.3 faalt in mijn ogen.
4.24
Volgens subonderdeel 1.4 had ook als wordt geoordeeld dat voor ontbinding de érnstige wanprestatie’-norm zou gelden, het hof ook in dat geval de stellingen i t/m vii uit subonderdeel 1.2 kenbaar bij zijn oordeel moeten betrekken. Door dat na te laten, getuigt dat van een onjuiste rechtsopvatting, althans is sprake van een ontoereikende motivering.
4.25
Ook deze klacht faalt, waartoe ik kortheidshalve verwijs naar de bespreking van subonderdeel 1.2. Daaruit blijkt dat het hof wel degelijk oog heeft gehad voor die stellingen, maar deze heeft verworpen.
Onderdeel 2: voortbouwklacht
4.26
De louter voortbouwende klacht van dit onderdeel behoeft geen nadere bespreking, nu de voorgaan de klachten geen doel treffen. Onderdeel 2 deelt het lot daarvan.
5. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑09‑2025
De feiten zijn ontleend aan de bestreden beschikking: Hof Den Bosch, ECLI:NL:GHSHE:2024:2481, AR Updates 2024/1219, rov. 3.2.1-3.2.30.
Ontleend aan de bestreden beschikking, al aangehaald, rov. 3.3.1-3.5.
Zie 1.3.
Zie 1.3.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 98 en Kamerstukken I 2013/14, 33 818, C (MvA), p. 56. Zie ook Conclusie A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2017:1256) vóór HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220, TRA 2018/41 m.nt. D.J. Buijs, JIN 2018/108 m.nt. M.A.H.M. van der Velden en C. van Puffelen, JAR 2018/73 m.nt. L.B. de Graaf, NJ 2018/395 m.nt. E. Verhulp (….), onder 3.3 e.v., waarin het systeem van de WWZ in de context van het vervallen Ontslagbesluit en de Beleidsregels ontslagtaak UWV wordt geplaatst.
Art. 5:1 lid 4 Ontslagbesluit gold tot 1 juli 2015 en luidde als volgt: ‘Indien de werkgever als grond voor opzegging van de arbeidsverhouding aanvoert, dat de relatie tussen de werknemer en de werkgever ernstig en duurzaam is verstoord, wordt de toestemming op die grond slechts verleend indien door de werkgever aannemelijk is gemaakt dat van zodanige verstoring inderdaad sprake is, en dat herstel van de relatie, al dan niet door middel van overplaatsing van de werknemer binnen de onderneming, niet mogelijk is’. (Cursivering A-G)
Kamerstukken II 2013/14, 33 318, nr. 3 (MvT), p. 46.
Idem.
A-G De Bock in haar conclusie van 9 november 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:1484) vóór HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203, TRA 2019/38 m.nt. D.J. Buijs, JAR 2019/73 m.nt. S. Said, JIN 2019/98 m.nt. M.S. van der Keur, NJ 2019/308 m.nt. E. Verhulp onder 3.7, onder verwijzing naar de annotatie van C.J. Frikkee in TRA 2014/89, onder 3. Anders: S.S.M. Peters, G-grond gegrond? De verstoorde arbeidsverhouding als ventiel van het nieuwe ontslagrecht, AR-Updates 2016-1004, par. 2.1 onder ‘wetsgeschiedenis’, die opmerkt dat onder de UWV Beleidsregels bij het Ontslagbesluit ook een minder duurzame verstoring al tot een ontslag kon leiden, bijv. als een recent voorval tussen werknemer en werkgever zo ernstig is dat niet valt te verwachten dat de arbeidsrelatie kan worden hersteld. De duurzaamheid van de verstoring wordt volgens Peters dan niet gebaseerd op de al voorliggende feiten, maar ook (‘ex ante’) op de gerede verwachting dat de ernstige verstoring blijvend zal zijn.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 44-45. Er is een parallellie te zien met de oude ontbindingsgrond uit art. 7:685 BW (oud) van veranderingen in omstandigheden van dien aard dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoorde te eindigen, waarin ook ruime beoordelingsbevoegdheid bestond voor de rechter.
D.J.B. de Wolff, Arbeidsovereenkomst, art. 7:669 BW, aant. 5.7.1.
Pennings & Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen (mon. Sociaal Recht nr. 72) 2020/4.3.5 onder verwijzing naar E. Knipschild en T. Ridder, Arbeidsrecht en Mediation, 2019/4.3.
D.J.B. de Wolff, Arbeidsovereenkomst, art. 7:669 BW, aant. 5.7.1.
De al aangehaalde […] – beschikking uit februari 2018, rov. 3.3.2.
Idem. Dit is herhaald in HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218, JAR 2019/15 m.nt. M.S.A. Vegter, NJ 2019/173 m.nt. E. Verhulp (ServiceNow), rov. 3.3.2. Zie hierover ook P. Kruit & W.J.J. Wetzels, Procesrecht in arbeidszaken (Monografieën Sociaal Recht nr. 88), 2024/8.2.6; W.H.A.C.M. Bouwens, M.S. Houwerzijl & W.L. Roozendaal, Schets van het Nederlandse arbeidsrecht 2023/3.5.3.1; Bouwens/Bij de Vaate, Arbidsovereenkomstenrecht, 2023/24.7; Asser/Heerma van Voss 7-V 2020/358; R.A.A. Duk, “Een zekere mate van beoordelingsruimte”, en het bewijsrecht bij de beoordeling van een “redelijke grond” voor ontslag, ArbeidsRecht 2018/42, par. 2, p. 3-4 en D. Maats, De schuldvraag bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding, ArbeidsRecht 2018/19, par. 3.1 en 4.
Conclusie A-G Hartlief van 14 september 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:1032) vóór HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2105, TRA 2019/18 m.nt. J.J.M. de Laat (Plano Plastics/X), onder 3.62 onder verwijzing in vn. 87 naar E. Knipschild en T. Ridder, Hoofdstuk 3 De ontbindingsprocedure, in F.J.L. Pennings & L.C.J. Sprengers (red.), De Wet werk en zekerheid (mon. Sociaal Recht, nr. 72), 2018, p. 48. In gelijke zin: Bouwens/Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht 2023/24.7, onder verwijzing naar de conclusie van A-G De Bock vóór de […] – beschikking (al aangehaald) (ECLI:NL:PHR:2017:1256); Rb. Amsterdam 14 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2115; Hof Arnhem-Leeuwarden 29 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9272 (niet gebleken van doelbewuste aansturing op verstoorde arbeidsverhouding) en D. Maats, a.w., Arbeidsrecht 2018/19.
Idem.
Handelingen I, 2013/14, 33 818, 32-14-10.
A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag, Arbeidsrechtelijke themata II, 2023, p. 73-74, met verdere verwijzingen.
Zie hierover de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2017:1256) vóór de al aangehaalde […] -beschikking onder 3.14.
S.F. Sagel, Werk en zekerheid: ontslagrecht doen in tijden van hard en fast rules (oratie Leiden), 2014, p. 11-12; A.R. Houweling (red.), C.J. Loonstra & W.A. Zondag, Arbeidsrechtelijke themata II, 2020, p. 229; J.M. van Slooten, I. Zaal & J.P.H. Zwemmer, Handboek Nieuw ontslagrecht, 2015, p. 138-139; J.M.E. Schunselaar, TAP 2017/2, Verhulp,T&C Arbeidsrecht, art. 7:669, aant. 10 (online, 26 augustus 2025); Hof Amsterdam 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4234 en minder terughoudend S.S.M. Peters, AR Updates Annotaties 2016-1004.
Bouwens/Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht 2023/24.7 met verdere verwijzingen (o.m. naar de conclusie van A-G De Bock vóór de …. – beschikking, al aangehaald) in vn 95 en 96.
Idem, onder verwijzing naar literatuur en lagere rechtspraak in vn 97.
De term is gemunt door D. Maats, a.w., ArbeidsRecht 2018/19, par. 2.5. Als de rechter oordeelt dat de mate waarin de verstoorde arbeidsverhouding aan de werkgever te verwijten is, zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst wél te laten voortduren, is er geen redelijke grond voor ontbinding op de g-grond en kan de werkgever niet aan de arbeidsovereenkomst met de werknemer ontsnappen via de Asscher-escape.
Bouwens/Bij de Vaate, a.w., 2023/24.7, onder verwijzing naar 3.24 van de al aangehaalde conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2017:1256) vóór de al aangehaalde ….-beschikking; Rb. Amsterdam 14 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2115, JAR 2019/104, m.nt. K. Wiersma; Hof Arnhem-Leeuwarden 29 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9272 en D. Maats, a.w., ArbeidsRecht 2018/19, par. 2.5 en 4.
Idem, onder verwijzing naar Rb. Rotterdam (ktr.) 12 februari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1222; Rb. Zeeland-West-Brabant (ktr.) 7 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1171; Hof Den Haag 3 augustus 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1420; Rb. Noord-Holland (ktr.) 13 februari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:1142.
De klacht is volgens de 2e alinea van subonderdeel I.1 in de PI gericht tegen rov. 3.8.5 en 3.8.6, maar inhoudelijk wordt alleen over rov. 3.8.5 geklaagd.
Onder verwijzing naar bs 17, 24-25 en 28 en plta HB Werknemer 10.
Onder verwijzing naar Asser/Sieburgh 6-III 2022/370-377.
Onder verwijzing naar bs 13-19 en plta HB Werknemer 10.
HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, TBR 2013/119 m.nt. M. Dadi-Tailleur & F.J. Vonck, JOR 2013/198 m.nt. P.S. Bakker en OR-Updates.nl 2013-0162 m.nt. M. Mussche (Lundiform/Mexx), rov. 3.4.4. en HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1940, NJ 2020/435 m.nt. J.L. Smeehuiijzen (Valerbosch), rov. 3.2.3. Zie ook H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, 2022/3.3.5 en A.M.M. Hendrikx, Methoden van contractsuitleg, 2023/40.
Hierbij merkt de Pi op dat dan de vraag moet worden beantwoord of de buitenlandclausule in samenhang met de standplaatsclausule moet worden beschouw als een beding in de zin van art. 7:613 BW, dat de werkgever de bevoegdheid geeft arbeidsvoorwaarden, waaronder de inhoud van de arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen).
Onder verwijzing naar bs 17.
Onder verwijzing naar bs 18.
Onder verwijzing naar bs 10 en 19.
Onder verwijzing naar bs 19.
Zie ook vws HB 19.
Onder verwijzing naar bs 13-14, 22, 25 en 29.
Zie 1.5-1.13.
Zie vzs 12-13 en ook 1.18.
Onder verwijzing naar bs 18.
H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, 2022/1.2.1.
Onder verwijzing naar bs 13-19, 21-22, 24-25, 28-29 en plta HB Werknemer 10.
Onder verwijzing naar bs 21.
Onder verwijzing naar bs, p. 17.
Zo ook P-V HB, p. 10.
Onder verwijzing naar bs 17.
Onder verwijzing naar bs 17.
Onder verwijzing naar HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847, NJ 2011/185 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss, SR 2008/54 m.nt. J.J.M. de Laat en Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2010, p. 47 e.v. m.nt. N. Gundt ([…] /Mammoet), HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1759, NJ 2024/336 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, JAR 2023/17 m.nt. A.F. van Bungener, PJ 2023/12 m.nt. C. Beltman en TRA 2023/21 m.nt. N. Hummel (International Flavors & Fraggrances) en bs 19.
Hierbij merkt de Pi op dat deze drie gesprekken plaatsvonden in een periode van minder dan een maand in tijd (11 mei, 23 mei en 6 juni 2023) en dat pas in het derde gesprek een vermeende verstoorde arbeidsrelatie vermeld werd maar Werkgever hier verder geen toelichting over wilde geven. En van de eerdere twee gesprekken werden gespreksverslagen gemaakt die niet overeenkwamen met de gesprekken.
Onder verwijzing naar P-V HB, p. 8: Dat had er volgens [CEO] mee te maken dat “Werknemer 15/10 jaar geleden overstapte naar de DEME groep en jarenlang prettig heeft samengewerkt in het verre buitenland. Meneer is niet goed in het lezen van contracten en procedures, maar hij is goed met de laarzen aan op een project. Op een gegeven moment wilde hij meer in Europa werken. Dat zien we wel meer. We proberen dan werknemers te faciliteren, zodat die periode overbrugd wordt. Je kan niet verwachten dat mensen in hetzelfde tempo werken jarenlang. Hetzelfde geldt voor vrouwen. Je kan niet verwachten dat een zwangere vrouw in Egypte bevalt. Dat proberen wij door middel van zo goed mogelijk werkgeverschap te accommoderen. Het probleem is dat Werknemer terugkomt en door ziekte getroffen wordt.”
Kennelijk doelt de klacht op het laatste deel van de opmerking van [CEO] waar de klacht naar verwijst: “Het probleem is dat Werknemer terugkomt en door ziekte getroffen wordt.”
Onder verwijzing naar bs 35.
Onder verwijzing naar bs 36.
Zo stond er in een conceptverslag dat Werknemer zou hebben gezegd dat hij niet naar het buitenland wilde, maar had hij gezegd best naar het buitenland te willen, maar niet structureel op 2-1 basis en niet in de reeds geplande en goedgekeurde verlofperiode waarin zijn bruiloft zou plaatsvinden (onder verwijzing naar vws inc hb 55).
Onder verwijzing naar bs 37.
Werknemer constateert op 00:27:59 dat Werkgever ‘gewoon op zoek is naar een reden om hem eruit te gooien’. [CEO] antwoordt daarop dat men het liefste een vaststellingsovereenkomst zou sluiten (onder verwijzing naar bs 39 en vws in inc HB 70-155).
Onder verwijzing naar bs 47-49.
Onder verwijzing naar bs 50.
Onder verwijzing naar bs 51.
Waar het in het eerste en tweede gesprek nog leek te gaan om de beste werkplek voor Werknemer te vinden, heeft [CEO] in het derde gesprek alle opties om bij Werkgever te blijven werken van tafel geveegd. Hij wist op dat moment dat Werknemer niet op zo'n korte termijn, in de periode voor zijn trouwen waarin hij goedgekeurd verlof voor afspraken had, naar het buitenland zou kunnen gaan (onder verwijzing naar bs 52).
Onder verwijzing naar bs 53 en vws inc HB 184.
Van de twee projecten die werden genoemd, was een nog niet gegund en het andere was een joint venture waarvoor het benodigde team al was samengesteld (onder verwijzing naar bs 54 en vws inc HB 19-155).
De vermeende wrijving tussen partijen, de verstoring die verder zou zijn versterkt en de houding die Werknemer wordt verweten, zou zich in de periode van 9-23 mei 2023 hebben afgespeeld. De drie opties zijn door Werkgever in een gesprek van 5 juni 2023 genoemd. Het ontbindingsverzoek is door Werkgever op 7 juli 2023 ingediend (onder verwijzing naar bs 55).
Onder verwijzing naar vws inc HB 17-69.
Onder verwijzing naar de transcripties in vws inc HB 19-155.
De Pi verwijst naar een onjuiste nummering met 3.8.8 en 3.8.9.
Werknemer was tot alles bereid, met uitzondering van het opgeven van zijn verlof voor zijn huwelijk.
Zie HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64, TRA 2019/49 m.nt. J.J.M. de Laat, JAR 2019/54 m.nt. H.H.M.A. Foesenek en JIN 2019/60 m.nt. J. Tersteeg (Expat/Shell), rov. 3.4.2.
Zie 1.20.
Zie 1.1.
Onder verwijzing naar Hof Den Bosch 27 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4808.
Onder verwijzing naar bs 13-19, 21-22, 24-25 en 28-29. Hierbij merkt de Pi op dat in deze zaak de eerdere opzegging van Werknemer was ingegeven doordat Werkgever toezeggingen niet nakwam. Volgens de klacht viel de opzegging om deze reden in de risicosfeer van Werkgever.
Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3 (MvT), p. 38 en HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, NJ 2022/301 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens (Nayak), rov. 3.3.6.
HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, NJ 2022/301 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens (Nayak), rov. 3.3.3 en HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:651, NJ 2019/69 m.nt. B. Barentsen, TRA 2018/60 m.nt. M.D. Ruizeveld, JIN 2018/124 m.nt. S.I. Evers en JAR 2018/129 m.nt. E.L.J. Bruyninckx (Stichting Diakonessenhuis), rov. 3.3.8.
Zie rov. 3.3.5 van de al aangehaalde Nayak-zaak: “Voor de ‘oudere werknemer’ bevatte art. 7:673a (oud) BW een overgangsregeling op grond waarvan deze werknemer in afwijking van het bepaalde in art. 7:673 (oud) BW recht heeft op een hogere transitievergoeding indien hij bij het einde van de arbeidsovereenkomst vijftig jaar of ouder is, de arbeidsovereenkomst ten minste 120 maanden heeft geduurd en hij (…) werkzaam is in een bedrijf met 25 of meer werknemers als bedoeld in art. 7:673a lid 2 (oud) BW. (…).”
HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, NJ 2022/301 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens (Nayak), rov. 3.3.7-3.3.9.
Zie bijv. Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3 (MvT), p. 38-39 en Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 7 (NnavV), p. 73-74. Zie ook de verwijzingen in de beschikking waar het hof in de bestreden beschikking rov. 3.10.4 naar heeft verwezen: Hof Den Bosch 27 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4808, rov. 3.13.
Zie bijv. Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3 (MvT), p. 41 onder ‘tijdelijke werknemers’ waarin het vooral om een beschrijvende opmerking gaat: “Van belang is voor werknemers met een tijdelijk contract dat voor het bepalen van de duur van de arbeidsrelatie elkaar opeenvolgende arbeidsovereenkomsten met tussenpozen van niet meer dan zes maanden bij dezelfde werkgever worden samengeteld. Dat geldt ook als de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die redelijkerwijze geacht moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkaars opvolger te zijn. Hiermee wordt aangesloten bij de regeling op grond waarvan bij elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat (de zogenoemde ketenbepaling).”
Zie bijv. Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 7 (NnavV), p. 73-74, Kamerstukken I 2013/14, 33818, C (MvA), p. 14-15 en 108-109 en Kamerstukken I 2013/14, 33818, E (NnavV), p. 12.
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr C (MvA), p. 105: “Van opvolgend werkgeverschap is uiteraard geen sprake als de werknemer op eigen initiatief dezelfde arbeid bij een nieuwe werkgever gaat verrichten. De aanleiding voor het overgaan naar een nieuwe werkgever is dan immers niet gelegen bij een van de werkgevers”.
Zie het eerdere citaat in voetnoot 79.
Rb Den Haag 30 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7342, rov. 2.5-2.7, Rb Gelderland 11 augustus 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:4159, rov. 4.1-4.8 en Rb Rotterdam 31 mei 2018, ECLI:NLRBROT:2018:4534, rov. 6.9-6.10.
Hierbij wordt het volgende voorbeeld gegeven: “de werknemer zegt na 25 jaar op omdat hij voor zichzelf wil gaan beginnen. Het blijkt dat er niet zo snel een opvolger gevonden kan worden en partijen sluiten direct na de opzegging door de werknemer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van drie maanden zodat de werkgever uit de brand geholpen is. Dan bedenkt de werknemer zich en vraagt nog een voortzetting van de arbeidsrelatie (hij heeft zich bedacht of wil de oprichting van zijn onderneming uitstellen). De werkgever weigert. De arbeidsovereenkomst wordt dan niet voortgezet op initiatief van de werkgever. Er is dus een transitievergoeding verschuldigd en nu zou de eerste 25 jaar van het dienstverband daarbij meetellen.” Zie J.M. van Slooten, I. Zaal & J.P.H. Zwemmer, Handboek nieuw ontslagrecht, 2015/8.2.3.5. Zie in gelijke zin J.A. Tersteeg in zijn annotatie bij Rb. Rotterdam 31 mei 2018, ECLI:NLRBROT:2018:4534.
Volgens Janssens was sprake van ‘een dode letter’, zie Janssens, Arbeidsovereenkomst, art. 7:686 BW, aant. 3.
Stenden en Kleijer hebben vastgesteld dat het aantal gepubliceerde uitspraken waarin een beroep is gedaan op art. 7:686 BW (zowel door werkgever als door werknemer) vanaf 2015 tot 2018 jaarlijks is toegenomen en vanaf 2021 redelijk constant is. In totaal hebben zij 107 uitspraken geanalyseerd. Afgezet tegen het aantal ontbindingsverzoeken door de werkgever op grond van art. 7:671b BW, is (op basis van een grove schatting) slechts in 4% van de uitspraken een beroep gedaan op art. 7:686 BW. Zie B.M.C. Stenden & S.W. Kleijer, Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever wegens ernstige wanprestatie: waar staan we?', TAP 2023/182, p. 6.
Asser/Sieburgh 6-III 2022/699.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, NJ 2019/446 m.nt. J. Hijma, JHV 2018/29 m.nt. Th. van Gardenbroek, JBPr 2018/61 m.nt. F.J.P. Lock, TBR 2018/197 m.nt. S. van Gulijk, Prg. 2019/68 m.nt. P.J.M. Ros, AA 2019/293 m.nt. H.N. Schelhaas en Jurisprudentie Grondzaken 2018/255 m.nt. F.M.A. van der Loo (Eigen Haard), rov. 3.5-3.8.4.
Idem, rov. 3.9.
K. Janssens, Ontbinding wegens een tekortkoming van de werknemer (artikel 7:686 BW), TVO 2024/2, p. 47.
HR 20 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1092, NJ 1990/702 m.nt. P.A. Stein, rov. 3.2.
Zie ook al eerder HR 12 december 1980, ECLI:NL:HR:1980:AG4120, NJ 1981/202 (LOH/ […]): wanprestatie moet ernstig genoeg zijn om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te rechtvaardigen en HR 18 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9045, NJ 1986/338 (Dohdoh/Orchidflower), rov. 3.2, idem.
K. Janssens, Ontbinding wegens een tekortkoming van de werknemer (artikel 7:686 BW), TVO 2024/2, p. 50-53. Het geen recht hebben op een transitievergoeding wordt in de literatuur bekritiseerd, zie bijv. A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 304 en K. Janssens, Ontbinding wegens een tekortkoming van de werknemer (artikel 7:686 BW), TVO 2024/2, p. 52.
K. Janssens, a.w. TVO 2024/2, p. 48: “De feitenrechtspraak ademt terughoudendheid bij de beoordeling van een werkgeversverzoek tot ontbinding wegens tekortkoming.” Zie voor een overzicht van feitenrechtspraak Janssens, Arbeidsovereenkomst, art. 7:686 BW, aant. 6.6.
Zo heeft ontbinding geen terugwerkende kracht meer maar ontstaan er ongedaanmakingsverbintenissen (art. 6:269 BW) en hoeft de tekortkoming voor ontbinding ook niet meer toerekenbaar te zijn. Zie hierover Janssens, Arbeidsovereenkomst, art. 7:686 BW, aant. 6.3.
Bouwens & Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2023/24.15; J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase & S.F.H. Jellinghaus, Individueel arbeidsrecht (deel 3) – Ontslagrecht, 2023, p. 394-395; J. van Drongelen, A. van Drongelen, S. Klingeman & A.D.M. van Rijs, Het ontslagrecht in de praktijk, 2021, p. 261-262; K. Janssens, a.w. TVO 2024/2, p. 48 en de door deze auteurs aangehaalde rechtspraak. Zie daarentegen kritisch C. van den Bor, Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:686 BW, TRA 2018/56.
Art. 7:678 lid 1 BW formuleert dit voor de werkgever als volgt: “Voor de werkgever worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.” Waarna in lid 2 een (niet-limitatieve) opsomming volgt van dringende redenen.
Janssens, Arbeidsovereenkomst, art. 7:686 BW, aant. 6.5.3 geeft een overzicht.
Zie bijv. Janssens, Arbeidsovereenkomst, art. 7:686 BW, aant. 6.2; B.M.C. Stenden & S.W. Kleijer, Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever wegens ernstige wanprestatie: waar staan we?', TAP 2023/182, p. 5; Verhulp, in: T&C BW art. 7: 686 BW, aant. 1: ‘De begrippen dringende reden en wanprestatie lijken identiek (HR 20 april 1990, NJ 1990/702), maar dringende reden is ruimer omdat die geen betrekking hoeft te hebben op nakoming.’ (geraadpleegd op 10 september 2025); T.D.E. Hoekstra & M.H. Stekelenburg, Art. 7:686 BW binnen de WWZ: een vreemde eend in de bijt of nieuw gemeengoed?, TAP 2015/270; J.M. van Slooten, Arbeid en Loon, diss. 1999, p. 322; C.J.H. Jansen & C.J. Loonstra, Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van wanprestatie, SR 2004/8, par. 3; en F.J.L. Pennings & L.C.J. Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen, 2020, p. 86.
Zo ook B.M.C. Stenden & S.W. Kleijer, a.w. TAP 2023/182, p. 5.
C.J.H. Jansen en C.J. Loonstra, ‘Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van wanprestatie, SR 2004, 8, paragraaf 2, A-G Haak vóór HR 12 december 1980, ECLI:NL:HR:1980:AG4120, NJ 1981/202: m.nt. P.A. Stein (LOH/ […]), 2 en P.A. Stein in zijn annotatie bij dit arrest. Dat niet iedere dringende reden een tekortkoming oplevert, is al uitgemaakt in HR 10 december 1915, ECLI:NL:HR:1915:139, NJ 1916, p. 246 ( /Havenlaan). Zie ook (recent) over de dringende reden van art. 7:678 BW Bouwens & Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2023/27.2: “Het is niet nodig dat de daad, eigenschap of gedraging wanprestatie van de werknemer oplevert.”
Bouwens & Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2023/27.1-27.2.
Onder verwijzing naar HR 27 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2789, (…] / [….), rov. 3.4 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, NJ 2019/446 m.nt. J. Hijma, JHV 2018/29 m.nt. Th. van Gardenbroek, JBPr 2018/61 m.nt. F.J.P. Lock, TBR 2018/197 m.nt. S. van Gulijk, Prg. 2019/68 m.nt. P.J.M. Ros, AA 2019/293 m.nt. H.N. Schelhaas en Jurisprudentie Grondzaken 2018/255 m.nt. F.M.A. van der Loo (Eigen Haard), rov. 3.8.2.
Vws cass & vw inc cb 5.5-5.14.
Vws cass 5.12 onder verwijzing naar HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:213 (vernietiging wegens bedrog), HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:723 (opschortingsrecht); HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278 en ECLI:NL:HR:2024:1281 (klachtplicht).
Vws cass & vw inc cb 5.9-5.14.
Zie bijv. Janssens, Arbeidsovereenkomst, art. 7:686 BW, aant. 6.5.1-6.5.2, Bouwens & Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2023/24.15 en eerder C.J.H. Jansen en C.J. Loonstra, ‘Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van wanprestatie, SR 2004, 8, paragraaf 3.
In gelijke zin K. Janssens, Ontbinding wegens een tekortkoming van de werknemer (artikel 7:686 BW), TVO 2024/2, p. 47-48.
Onder verwijzing naar vws hb 12 e.v.
Onder verwijzing naar vws hb 22.
Onder verwijzing naar vws hb 28.
Onder verwijzing naar vws hb 27.
Onder verwijzing naar vws hb 29 e.v. en slot rov. 3.8.5 van de bestreden beschikking.
Onder verwijzing naar vws hb 25.
Onder verwijzing naar vws hb 25.
Beroepschrift 15‑09‑2024
PROCESINLEIDING IN EEN REKESTPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Eiser tot cassatie is de heer [de werknemer], wonende te [woonplaats], hierna: [de werknemer], voor deze zaak domicilie kiezende te (2582 GM) Den Haag aan de Statenlaan 28, ten kantore van Alt Kam Boer advocaten van wie mr. H.J.W. Alt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door requirant als zodanig is aangewezen om hem te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure
Verweerster te dezen is:
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEME OFFSHORE NL B.V., gevestigd en zaakdoende te (4817 ZG) Breda aan het Minervum 7442, voor wie in hoger beroep als (proces)advocaat is opgetreden mw. mr. S. Wouters, kantoorhoudende te (5211 BL) 's‑Hertogenbosch aan de Koningsweg 42 (Committ Legal);
[de werknemer] stelt hierbij cassatieberoep in tegen de beschikking de beschikking van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 1 augustus 2024, gewezen onder zaaknummer 200.337.140/01, hierna: de beschikking;
[de werknemer] voert tegen de beschikking het volgende middel van cassatie aan:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het hof bij de aangevallen beschikking heeft overwogen en beslist gelijk in de beschikking vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen:
A. Feiten en stellingen waarop in de klachten een beroep op wordt gedaan
[de werknemer] heeft gesteld in hoger beroep (onderstreping door mij HJWA):
- 1.
De privésituatie vereiste in 2017 meer werk op kantoor in [a-plaats] hetgeen [de werknemer] herhaaldelijk heeft aangekaart (rnr. 13 appelschrift).
- 2.
Dhr. [HR Manager 1] (HR manager van de werkgever) heeft ook toegezegd dat ‘dit geregeld zou worden’ (rnr. 13 appelschrift).
- 3.
[de werknemer] en zijn echtgenote hebben daarop een woning in [a-plaats] gekocht (in 2017) en die echtgenote heeft een baan daar in de buurt gezocht (rnr. 13 appelschrift);
- 4.
Omdat de toezeggingen niet werden nagekomen heeft [de werknemer] een andere aanbieding bij een andere werkgever aanvaard waar dit werken in de buurt van [a-plaats] wel mogelijk was (rnr. 13 appelschrift)
- 5.
Toen hij 3 maanden bij die andere werkgever werkte is hij door DEME benaderd en teruggevraagd met de mogelijkheid om wel zijn functie vanuit [a-plaats] te vervullen (rnr. 14 appelschrift).
- 6.
Daar heeft [de werknemer] voor open gestaan en dat heeft hij ook geaccepteerd (rnr. 14 appelschrift).
- 7.
[de werknemer] is teruggekeerd bij DEME omdat het mogelijk was vanuit [a-plaats], dicht bij huis te werken en hij niet meer op de wijze zoals waarvan eerder wel sprake was, zou worden uitgezonden naar het buitenland (rnr 15 appelschrift).
- 8.
De eerste arbeidsovereenkomst vermeldde uitdrukkelijk de functie van Worksmanager op buitenlandse projecten (rnr. 16 appelschrift).
- 9.
De tweede arbeidsovereenkomst (d.d. 26 januari 2018) vermeldt in artikel 1: Project Manager met standplaats [a-plaats] (rnr. 17 appelschrift).
- 10.
[de werknemer] kreeg ook een auto van de zaak. Hij mocht die kiezen en bestellen bij de dealer, hetgeen alleen aan medewerkers op kantoor werd aangeboden, medewerkers die voornamelijk op projecten werken krijgen tijdens hun verlof een huurauto (pln. HB.rnr. 10)
- 11.
Ook is opgenomen de zinsnede ‘Werkgever behoudt zich het recht voor om na overleg met werknemer de standplaats te wijzigen’ (rnr. 17 appelschrift);
- 12.
In de arbeidsovereenkomst van 26 januari 2018 is artikel 5.2 blijven staan. Dat was niet de bedoeling van partijen. Dit is een algemene bepaling die in de meeste DEME-contracten tergkomt terwijl DEME voor de individuele werknemer maatwerk levert (rnr. 18 appelschrift)
- 13.
Het is een werkgever niet toegestaan om de standplaats (eenzijdig) te wijzigen, (rnr. 19 appelschrift)
- 14.
Tussen partijen is overeengekomen dat wijziging van de standplaats alleen in overleg mogelijk zou zijn. Van overleg tussen DEME en [de werknemer] is geen sprake geweest (rnr. 19 appelschrift).
- 15.
Daarnaast is er geen sprake van een (zwaarwegend) belang en/of reden op basis waarvan een wijziging van de werklocatie naar het buitenland gerechtvaardigd zou zijn (rnr. 19 appelschrift).
- 16.
[de werknemer] was nu juist bezig met projecten voor de BU Rock Placement die vanuit kantoor [a-plaats] gemanaged werden (rnr. 19 appelschrift).
- 17.
Binnen DEME zijn er verschillende vormen waarin personeel kan worden uitgezonden (rnr. 22 appelschrift).
- 18.
Enkel de vorm die niet past bij het gezinsleven van [de werknemer] is de vorm waarvan DEME (in mei-juni 2023) wilde dat hij in het buitenland zou gaan werken: 2 maanden op 1 maand af (rnr. 21 appelschrift).
- 19.
[de werknemer] betwist dat structureel op 2-1 in het buitenland werken een essentieel onderdeel van de arbeidsovereenkomst is: dat is tussen partijen ook niet zo afgesproken (rnr. 21 appelschrift).
- 20.
In eerste aanleg is als productie 19 door [de werknemer] reeds een lijst van collega's overgelegd bij wie wel rekening is gehouden met een gewijzigde privé situatie. [de werknemer] wordt door DEME ten onrechte anders behandeld dan zijn collega's in een vergelijkbare situatie. Als productie 30 is in hoger beroep een aangepaste lijst overgelegd aangezien [de werknemer] na de procedure in eerste aanleg nog met andere collega's heeft gesproken. Vreemd genoeg en om een voor [de werknemer] onbekende reden, is DEME echter niet bereid gebleken om rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden (rnr. 22 appelschrift).
- 21.
Als Project Manager (BU Rock Placement) heeft [de werknemer] zich in de periode vanaf 1 maart 2018 tot 1 juni 2018 op basis van de arbeidsovereenkomst d.d. 26 januari 2018 enkel beziggehouden met project management voor de BU Rock Placement vanuit kantoor [a-plaats] met incidentele korte dienstreizen naar het buitenland (rnr. 24 appelschrift)
- 22.
[de werknemer] is in juni 2018 als gevolg van arbeidsongeschiktheid uitgevallen voor zijn werk. Er was sprake van een burn-out. vanaf 16 oktober 2019 was [de werknemer] weer volledig aan het werk in zijn eigen werkzaamheden, echter DEME wilde [de werknemer] niet hersteld melden (rnr. 25 appelschrift).
- 23.
In de periode van 19 december 2019 tot 20 augustus 2020 heeft [de werknemer] zijn functie van Project Manager voor Rock Placement uitgevoerd vanuit [a-plaats] (rnr. 28 appelschrift).
- 24.
Op 20 augustus 2020 is [de werknemer] uitgevallen voor het werk met de diagnose kanker. 3 weken na de operatie heeft [de werknemer] het werk gedeeltelijk hervat en na 3 maanden was hij volledig aan het werk (rnr. 29 appelschrift).
- 25.
DEME heeft in verband met ouderschapsverlof aan [de werknemer] een andere functie opgedragen (rnr. 30) die hij gedurende negen maanden heeft uitgevoerd van 17 maart 2021 tot 8 december 2021. Dat hield in dat [de werknemer] zich als Project Engineer bezighield met het produceren van documentatie en rapportages voor de Rock Placement projecten vanuit het kantoor te [a-plaats] (rnrs. 30 en 31 appelschrift).
- 26.
Op 8 december 2021 is sprake van een ziekmelding vanwege Covid die heeft geleid tot long COVID. In februari 2022 is [de werknemer] op zijn verzoek teruggeplaatst in de bedongen arbeid, de functie van Project Manager Rock Placement (rnr. 32 appelschrift).
- 27.
Op 2 mei 2023 is sprake van een hersteld melding. Waar [de werknemer] er van uitging dat hij zich vanaf dat moment weer volledig kon gaan richten op het werk (rnr. 34 appelschrift) werkt DEME toe naar een exit-traject, onder meer door het inzetten op buitenlandtrajecten op 2-1 basis (rnrs. 35 t/ 44). [de werknemer] heeft in dat kader ook aangevoerd dat er op het moment dat hij werd gedwongen om zijn verlof ter zake van zijn voorgenomen bruiloft in te ruilen voor een ‘project in het buitenland’ er helemaal geen buitenlandprojecten waren waar [de werknemer] op zou moeten worden ingezet. De BU Rock placement had enkel lopende projecten in Europa, een schip was net terug uit Mexico, de BU Landfalls had een project dat werd uitgesteld en mensen vanaf werden gehaald, een ander project moest nog worden gegund en zou pas in Januari 2024 opstarten, (productie 50 DEME email [naam 1]) de mobilisatievoorbereidingen werden vanuit Nederland en in het najaar vanuit de Arabische Emiraten gedaan. (Productie 30 Beroepschrift berichtenwisseling met [naam 2] pagina 38). [de werknemer] kan dan ook geen andere conclusie trekken dan dat kennelijk [naam 3] de zaak op scherp wilde stellen in het kader van dat ingezette exit traject.
B. Klachten
I. Miskenning Haviltex, artt 3:33 en 3:35 BW; geen (voldragen) g-grond; herplaatsingsplicht
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 3.8.5, waarin het hof overweegt (zakelijk en met letters weergegeven door mij-HJWA):
- a.
deze buitenlandclausule is ‘niet voor tweeërlei uitleg vatbaar’ en
- b.
de bewijslast van de andersluidende stellingen van [de werknemer] over de afspraak met betrekking tot het reizen naar het buitenland rust op grond van artikel 284 lid 1 in samenhang met artikel 150 Rv. op [de werknemer]. [de werknemer] heeft die stellingen, gezien de gemotiveerde betwisting door DEME, in hoger beroep onvoldoende onderbouwd;
- c.
het hof heeft hem daarop tijdens de mondelinge behandeling indringend bevraagd, maar [de werknemer] kon niet zeggen met wie hij die afspraak zou hebben gemaakt en ook niet, al was het maar bij benadering, welke bewoordingen daarbij zouden zijn gebezigd.
- d.
het lijkt erop dat [de werknemer] zelf de aanname heeft gedaan dat hij na zijn terugkeer bij DEME minder zou hoeven reizen dan tijdens zijn eerste dienstverband;
- e.
nu [de werknemer] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan komt het hof niet toe aan een bewijsopdracht.
- f.
hier nog bij komt dat, omdat [de werknemer] ter zitting heeft verklaard dat hij zijn eerste dienstverband nu juist had beëindigd omdat DEME destijds in gebreke bleef om een toezegging over minder buitenlandreizen op schrift te stellen, het niet goed te begrijpen is dat hij (wederom) zonder een dergelijke ondubbelzinnige (schriftelijke) toezegging een arbeidsovereenkomst met daarin nota bene een buitenlandclausule ondertekende, als hij niet meer vaak en lang naar het buitenland wilde.
En tegen rov. 3.8.6 (letters door mij-HJWA):
- g.
Het hof passeert ook de stelling van [de werknemer] dat de functie project manager rock placement (ook zonder een daartoe strekkende afspraak) voornamelijk een kantoorfunctie was. [naam 3] heeft die stelling ter zitting gemotiveerd betwist door te betogen dat [de werknemer] een achterhaald beeld van de werkelijkheid had en dat de functie in de huidige tijd wel degelijk frequent en soms langdurig verblijf in het buitenland vereist.
- h.
[de werknemer] heeft daar vervolgens, zeker in het licht van de buitenlandclausule in de arbeidsovereenkomst, onvoldoende tegenover gesteld, zodat ook hier een bewijsopdracht niet aan de orde is.
alsmede tegen rovv. 3.8.7 t/m 3.9.5, waarin het hof hierop voortbouwt door uiteindelijk te komen tot het oordeel dat sprake is van een (voldragen) g-grond,1. er geen sprake is van een herplaatsingsplicht en er geen aanleiding is voor een billijke vergoeding.
Inleiding
I.0.1
Voor een succesvol beroep op de g-grond moet sprake zijn van een arbeidsverhouding die (1) ernstig en (2) duurzaam verstoord is. Het criterium ernstig en duurzaam verstoord, afkomstig uit het Ontslagbesluit, is in de wettekst opgenomen in de zinsnede ‘zodanig dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’ (Kamerstukken II, 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 46.) In deze formulering ligt ook besloten dat (als eis geldt dat) herstel van de verstoorde verhouding niet langer tot de mogelijkheden behoort. Van de werkgever wordt dan ook verwacht dat hij zich inzet voor het herstel van de verstoorde verhouding, bijvoorbeeld door inzet van mediation. Pas wanneer dat niet mogelijk blijkt te zijn of wanneer dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd, kan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op deze grond aan de orde zijn.
Uit de MvT (Kamerstukken II, 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 46) blijkt echter dat, anders dan de tekst van de wet doet vermoeden, de arbeidsovereenkomst ‘ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst opgezegd moet kunnen worden als de ernst daarvan zodanig is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd.’2.
Samenvatting van onderdeel I
I.0.2
Het hof miskent in rovv. 3.8.5 t/m 3.9.5 zoals hierboven in de aanhef omschreven dat (1) partijen al dan niet op grond van Haviltex toetsend zijn overeengekomen dat de standplaats [a-plaats] was, (2) dat partijen daaraan ook invulling hebben gegeven (3) dat die standplaats alleen in overleg kon worden gewijzigd en (4) dat [naam 3] [de werknemer] een warm hart toedraagt, hem waardeert, maar betreurt dat hij ziek geworden is en (5) er vervolgens vanwege een onredelijke powerplay is gespeeld zijdens DEME om naar een einde van het dienstverband toe te werken, waarbij bovendien mediation is geweigerd
Aldus gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van de g grond door die desalniettemin hier voldragen aanwezig te achten en er ook geen herplaatsingsplicht aanwezig te achten.
Immers, indien de verstoring komt omdat de werkgever opeens een arbeidsovereenkomst anders uitlegt en zeer onredelijke eisen stelt (direct vertrek naar het buitenland terwijl goedgekeurd verlof en huwelijk gepland staan), dan is niet alleen de verstoring de werkgever toe te rekenen. Een verstoring zoals genoemd als g grond kan immers niet als duurzaam verstoord worden gekwalificeerd indien die verstoring aan onredelijk gedrag van de werkgever te wijten is en/of het aan de werkgever te wijten is dat die verstoring niet, bijvoorbeeld door mediation, wordt opgelost. Een werkgever die immers een verstoring zelf veroorzaakt heeft het ook in de hand om die zelf weer op te lossen c.q. ongedaan te maken.
Overigens heeft DEME ook los van die uitleg, de verstoring zelf veroorzaakt door het de gesprekken en gespreksverslagen en het stellen van de onredelijke eis dat [de werknemer] zou afzien van al toegekend verlof in verband met zijn geplande bruiloft.
Bovendien geeft het hof dan een onjuist en onbegrijpelijk oordeel over de herplaatsingsplicht nu die gestelde verstoring is ontstaan door een niet-overeengekomen uitleg in de periode mei-juni 2023 terwijl mediation is geweigerd. Aldus heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste maatstaf met betrekking tot de duurzaamheid van de verstoring, hetzij is het oordeel, dat voortbouwt op een onjuiste aanname van een redelijke opdracht, onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
Een dergelijke werkgever heeft aldus ook zonder meer een herplaatsingsplicht: een werkgever die immers zelf een ‘verstoring’ veroorzaakt is niet alleen gehouden die ongedaan te maken, maar is ook gehouden tot herplaatsing.
Het hof heeft dit alles hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Ter toelichting en verdere uitwerking diene het navolgende.
Uitleg van de (tweede) arbeidsovereenkomst: bedoeling van partijen; Haviltex
I.1
Het hof oordeelt in rov. 3.8.5 in de overwegingen a t/m f dat de buitenlandclausule zelf niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is3. (sub a), dat er dus sprake moet zijn van een (nadere) afspraak waaromtrent [de werknemer] te weinig zou hebben gesteld (sub b en c) en dus niet tot bewijs wordt toegelaten (sub e), waarbij veeleer [de werknemer] zelf een aanname heeft gedaan (d) en hij als het zo belangrijk was niet te begrijpen is waarom hij dat niet schriftelijk heeft vastgelegd (sub f). In overwegingen sub g en h honoreert het hof een argument van DEME ex nunc.
Het hof miskent aldus oordelend in rov. 3.8.5 en 3.8.6 dat [de werknemer] met de in rov 3.8.2 geenszins een nadere afspraak c.q. overeenkomst naast de arbeidsovereenkomst heeft gesteld, maar juist heeft gesteld dat de tussen partijen gesloten overeenkomst zo moest worden begrepen en uitgelegd dat hij vanaf dat moment op en vanuit de locatie [a-plaats] mocht en kon werken en het reizen incidenteel zou plaatsvinden. Dat is dus de afspraak waar [de werknemer] over spreekt. Dit volgt uit de hierboven onder A sub 5 t/m 23 genoemde stellingen, waaronder zijn functieomschrijving (A sub 9), standplaats (A sub 9) en auto van de zaak (A sub 10), alsmede de wijze waarop partijen vervolgens invulling hebben gegeven aan die overeenkomst (A sub 21 t/m 23), waaruit geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat [de werknemer] zich met een beroep op de bedoeling van partijen (zie in het bijzonder de onderstreepte passages) heeft betoogd dat de (tweede) arbeidsovereenkomst, dus die van 26 januari 2018 zo moet worden uitgelegd dat is overeengekomen dat vanuit de standplaats [a-plaats] werd gewerkt. Het gaat dus om de (uitleg van) de arbeidsovereenkomst zelf en niet van een — daarvan losstaande — (nadere) overeenkomst of afspraak. Althans is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd. Waar over de afspraak wordt gesproken betreft het de arbeidsovereenkomst zelf.
I.2
Het hof oordeelt in rov. 3.8.5 sub a dat de overeenkomst ‘duidelijk’ is met zijn oordeel dat ‘deze clausule niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is’ (sub a), dat er dus sprake moet zijn van een nadere afspraak waaromtrent [de werknemer] te weinig zou hebben gesteld (sub b en c) en dus niet tot bewijs wordt toegelaten (sub e), waarbij veeleer [de werknemer] zelf een aanname heeft gedaan (d) en hij als het zo belangrijk was niet te begrijpen is waarom hij dat niet schriftelijk heeft vastgelegd (sub f). Vervolgens honoreert het hof in de overwegingen sub g en h een argument ex nunc (inmiddels zou de functie zijn veranderd).
Het hof miskent, aldus oordelend, dat ook ‘duidelijke’ overeenkomsten moeten worden uitgelegd en wel aan de hand van het Haviltexcriterium. Het gaat om de bedoeling van partijen.4. Zoals in het vorige subonderdeel al aangegeven blijkt onder meer uit de stellingen A 1 t/m 16 en dan in het bijzonder de onderstreepte passages dat [de werknemer] zich uitdrukkelijk beroept op de bedoeling van partijen. Niet alleen dient het hof ambtshalve het Haviltexcriterium toe te passen, maar ook dient het ex artikel 25 Rv ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. Uit de stellingen zoals hierboven onder A sub 1 t/m 16, volgt dat dit leidt tot een uitleg aan de hand van Haviltex, hetgeen het hof ex artikel 25 Rv de rechtsgronden aanvullend had moeten onderkennen.
I.3.
Bij de toepassing van het Haviltexcriterium en dus bij de uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst (en dus wat rechtens is afgesproken met betrekking tot de afspraak van de kantoorfunctie) is het bepalend wat partijen uit elkaars uitlatingen en gedragingen hebben mogen afleiden. Daarbij is, anders dan het hof rov. 3.8.6 sub g en h kennelijk voor ogen heeft bepalend wat bij het aangaan van de overeenkomst partijen voor ogen heeft gestaan en niet wat die functie thans (of in juni 2023) zou inhouden. Voor de uitleg is dus niet relevant de stelling van [naam 3] dat het zou gaan om een ‘achterhaald beeld van [de werknemer]’. Dat beeld is het beeld dat partijen bij het aangaan voor ogen heeft gestaan. Dat kan dus niet worden bestreden met een stelling dat dit beeld inmiddels verouderd is. Aldus getuigt het oordeel in rov 3.8.6. hetzij van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het oordeel niet toereikend gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk. Daarbij miskent het hof bovendien dat indien en voor zover die functie inderdaad inmiddels zou zijn gewijzigd en indien dat leidt tot een eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden (wijziging standplaats), dit dient te worden opgelost hetzij via de band van artikel 7:613 BW5. hetzij, bij het ontbreken van een 7:613 BW-beding via de Stoof/Mammoetdoctrine. Het hof heeft dit in rov. 3.8.5 en in rov. 3.8.6 hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel is het oordeel zonder toelichting onbegrijpelijk.
1.4
Het hof miskent bovendien, althans laat onbesproken in de oordelen in rov. 3.8.5 en 2.8.6 sub a t/m h en in het bijzonder bij zijn oordelen g en h dat [de werknemer] expliciet een beroep heeft gedaan op (1) het feit dat als standplaats [a-plaats] is overeengekomen (zie A 9), (2) het niet is toegestaan die standplaats eenzijdig te wijzigen (A 12) omdat dat alleen in overleg mogelijk is (A10 en 13), terwijl er ook geen zwaarwegend belang — hetgeen op een toepassing van art. 7:613 en/of de Stoof/Mammoet doctrine duidt) aanwezig is (A 14). Niet alleen heeft [de werknemer] dus geen nadere afspraak gesteld (zie onderdeel I.1), maar ook heeft [de werknemer] expliciet gesteld dat als standplaats [a-plaats] is overeengekomen in de vigerende arbeidsovereenkomst en ook dat die in beginsel alleen in overleg of via de band van art 7:613 BW dan wel via de Stoof/Mammoet doctrine eenzijdig kan worden gewijzigd. Niet alleen kon [de werknemer] daar dan ook verwachtingen aan ontlenen, maar ook mocht hij daar dus in redelijkheid op vertrouwen en behoefde er dus niet op beducht te zijn dat DEME na zijn hersteldmelding daar op zou terugkomen, Dat betekent dat DEME met de gesprekken in mei-juni 2023 de verhouding op scherp heeft gezet door opeens deze afspraken te negeren en zich onwrikbaar op het standpunt te stellen dat [de werknemer] tijdens zijn al verkregen verlof voor het huwelijk naar het buitenland moest voor: de 2-1 regeling.6.
I.5
Voor de toepassing van het Haviltexcriterium dienen alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen als het erom gaat wat partijen bij het aangaan voor ogen heeft gestaan. Uit de stellingen A 1 t/m 6 volgt reeds dat het beide partijen duidelijk was dat [de werknemer] expliciet bedoelde in te stemmen met de situatie die hij voordien had aangekaart, namelijk te werken vanuit het kantoor in [a-plaats]. Vervolgens blijkt uit stellingen A 20, A 22 en A 24 dat partijen daaraan ook daadwerkelijk invulling hebben gegeven, nu hij (zelfs in de periode dat hij verlof had om in het huwelijk te treden) zijn functie vanuit het hoofdkantoor in [a-plaats] heeft uitgevoerd en er slechts sprake was van incidentele reizen. Hier kwam pas verandering in tijdens het gesprek in mei 2023 toen tegen [de werknemer] werd gezegd dat hij op 2-1 basis naar het buitenland moest. Het hof miskent dat een aanwijzing van wat partijen bij aanvang voor ogen heeft gestaan ligt in de wijze waarop partijen vervolgens na het sluiten van die overeenkomst met elkaar aan de slag zijn gegaan, dus hoe partijen vervolgens invulling aan die overeenkomst hebben gegeven. Uit de stellingen onder A 20, A 22 en A 24 is ook aan de verwachting die al uit de stellingen A 1 t/m 16 volgt, invulling gegeven hij heeft sindsdien vanuit het hoofdkantoor in [a-plaats] gewerkt en pas in mei-juni 2023 is DEME in de bewuste gesprekken daar op teruggekomen, zodat de conclusie indien het Haviltexcriterium (juist) wordt toegepast, geen andere kan zijn dan dat partijen gewoon op 26 januari 2018 zijn overeengekomen dat ‘de standplaats’ voor [de werknemer] [a-plaats] was en dat zijn werkzaamheden grotendeels vanuit [a-plaats] op incidentele basis (en dus niet volgens het 2-1 systeem) zouden kunnen worden gedaan. Het andersluidende oordeel in rov. 3.8.5 en 3.8.6 sub a t/m h getuigt dan ook hetzij van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd.
I.6
Dit geldt dan mutatis mutandis ook voor het oordeel in rov. 3.8.5 sub d dat ‘het erop lijkt dat [de werknemer] zelf de aanname heeft gedaan dat hij na zijn terugkeer bij DEME minder zou hoeven reizen dan tijdens zijn eerste dienstverband.’ Immers uit de hierboven weergegeven subonderdelen en uit de stellingen A 1 t/m A 24, die in cassatie hypothetisch feitelijke grondslag hebben, omdat die door het hof niet als onjuist zijn verworpen, volgt dat [de werknemer] gerechtvaardigd mocht aannemen dat dat was overeengekomen, nu immers zijn ‘standplaats [a-plaats]’ was (A9), hij een bedrijfswagen mocht uitkiezen en bestellen, iets dat enkel voorkwam bij werknemers die voornamelijk vanuit kantoor [a-plaats] werkten(A10) en dat eerst na overleg die standplaats zou kunnen worden veranderd en dat het niet is toegestaan de standplaats eenzijdig te wijzigen (A13).
Het hof laat in dat verband ook onbesproken stelling A 12 dat artikel 5.2 aan de bedoeling van partijen niet afdoet omdat dit een standaardbepaling (algemene bepaling) is die in de meeste arbeidsovereenkomsten van DEME voorkomt, maar dat dit niet de bedoeling van partijen weergeeft.
Althans miskent het hof met die overweging in elk geval dat in het kader van de toetsing van het Haviltexcriterium is ten zeerste relevant of die aanname ook steunt op wat [de werknemer] heeft begrepen en mocht bereiken. Het hof heeft dan ook hetzij de Haviltexmaatstaf miskend, hetzij daaraan een verkeerde, want onjuiste invulling gegeven, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt en is dus zijn uitspraak niet toereikend gemotiveerd, althans onbegrijpelijk.
I.7
In samenhang met de Haviltexmaatstaf, maar ook los daarvan miskent het hof in rovv. 3.8.5 en 3.8.6 in het licht van de stellingen A 1 t/m 24 ook artt 3:33 en 3:35 BW dat het erom gaat voor wat tussen partijen is overeengekomen wat [de werknemer] redelijkerwijs uit de gedragingen en uitlatingen van DEME en haar rechtsvoorgangers heeft afgeleid en mocht afleiden. [de werknemer] heeft daartoe gesteld dat hij is teruggevraagd met de uitdrukkelijke toezegging dat hij in hoofdzaak vanuit het hoofdkantoor in [a-plaats] mocht werken. Ook hier is dus van belang dat het hof zelf oordeelt dat ‘het erop lijkt dat [de werknemer] zelf de aanname heeft gedaan dat hij na zijn terugkeer bij DEME minder zou hoeven reizen dan tijdens zijn eerste dienstverband’. Uit de stellingen A 1 t/m A 24 volgt immers dat [de werknemer] redelijkerwijs kon en mocht verwachten dat hij inderdaad minder zou hoeven reizen dan in zijn eerdere dienstverband en dat partijen overeen waren gekomen dat deze overeenkomst niet zonder zijn instemming zou (kunnen) worden gewijzigd: men wist dat hij had opgezegd omdat in zijn oude baan het reizen niet meer te combineren was met zijn gezin, men heeft hem teruggevraagd met de toezegging dat het werken vanuit het hoofdkantoor in [a-plaats] mogelijk was en heeft daar ook invulling aangegeven. DEME is daar pas in op 5 juni 2023 op teruggekomen7. toen men na zijn hersteld melding dit kennelijk als koevoet wilde gebruiken om hem te kunnen ontslaan.
I.8
Ook oordeel rov. 3.8.5 sub e in samenhang met oordelen sub b en c getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting. Niet alleen vitiëert het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten ook het oordeel dat [de werknemer] te weinig zou hebben gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten, maar ook overigens is dit oordeel rechtens onjuist en onbegrijpelijk, gelet op het bepaalde in artikel 284 lid 1 en 149 en 150 Rv en in het licht van de stellingen sub A 1 t/m 24. Het valt eenvoudig niet in te zien wat een werknemer in dit verband nog meer zou moeten stellen om tot bewijs van zijn stellingen te worden toegelaten.
Aldus getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting dat [de werknemer] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan ten aanzien van de wijze waarop de overeenkomst moet worden uitgelegd en begrepen. [de werknemer] heeft immers gesteld dat en waarom de door hem aangevoerde uitleg moet worden gevolgd. Ook heeft hij gesteld8. en te bewijzen aangeboden9. dat bij andere werknemers wel met de persoonlijke omstandigheden rekening wordt gehouden. Tenslotte heeft hij gesteld dat na de tweede indiensttreding er ook op een dergelijke wijze invulling aan de overeenkomst is gegeven.
I.9
Het hof vervolgens overweegt in rov. 3.8.7:
‘Naar het oordeel van het hof geven de verslagen van de gesprekken van 11 mei 2023, 23 mei 2023 en 5 juni 2023 blijk van een fundamenteel verschil van inzicht tussen [de werknemer] en DEME over de inhoud van [de werknemer]s functie met betrekking tot het reizen naar het buitenland. Daarbij constateert het hof overigens dat het commentaar van [de werknemer] op de verslagen van DEME er niet op wijst dat DEME de inhoud van de gesprekken al dan niet moedwillig onjuist heeft weergegeven. Partijen hebben over dat verschil van inzicht gesproken en daarbij heeft DEME aan [de werknemer] andere functies voorgesteld die geen veelvuldige buitenlandreizen vergen. [de werknemer] heeft die weliswaar niet categorisch afgewezen, maar hij heeft de mogelijkheid ook niet omarmd en in ieder geval niet een van die functies aanvaard. Hij had dus nog steeds de functie van project manager en zoals hiervoor in rov. 3.8.4. overwogen mocht DEME van [de werknemer] verwachten dat hij buitenlandreizen maakte. Het gesprek van 5 juni 2023 moet worden geplaatst in het kader van dat in de eerdere gesprekken gebleken fundamentele verschil van mening over hetgeen DEME als werkgever van [de werknemer] mocht verlangen ten aanzien van werkzaamheden in het buitenland. Uit de verslagen blijkt een aanhoudende discussie daarover, waarbij [de werknemer] de indruk gaf van mening te zijn dat hij en niet zijn werkgever de inhoud van de functie bepaalde, terwijl DEME zich bij herhaling terecht op het standpunt stelde dat langdurige werkzaamheden in het buitenland tot zijn functie behoorden. Dat rechtvaardigt de conclusie dat van DEME, indien [de werknemer] zijn standpunt niet zou verlaten, niet langer gevergd kon worden dat zij de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] zou voortzetten. Dat DEME er in het gesprek van 5 juni 2023 voor koos om duidelijkheid te krijgen over de bereidheid van [de werknemer] om op korte termijn naar het buitenland te reizen is alleszins begrijpelijk. DEME heeft ter zitting voldoende gemotiveerd betwist dat er op of kort na 5 juni 2023 helemaal geen project was dat reizen noodzakelijk maakte.
DEME gaf [de werknemer] dus een redelijke opdracht die hij in beginsel niet mocht weigeren. In dat gesprek van 5 juni 2023 kwam nogmaals tot uiting dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord was. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat DEME de verstoring wel heeft ‘uitgebouwd’ door [de werknemer] in dat gesprek voor het blok te zetten terwijl hij mede vanwege zijn huwelijk verlof zou hebben, maar dat is haar gezien de voorgeschiedenis niet ernstig te verwijten. Ook kon na de drie gesprekken niet meer van DEME worden gevergd dat zij nog meewerkte aan mediaton. Het hof voegt daar nog aan toe dat [de werknemer] zich ook in deze procedure ten onrechte op het standpunt blijft stellen dat de verplichtingen zoals weergegeven in de buitenlandclausule niet voor hem gelden.’
- a.
Het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten van dit onderdeel I vitiëert dan ook hetgeen het hof hier overweegt. Immers indien de overeenkomst moet worden uitgelegd zoals [de werknemer] heeft betoogd, dan is er geen sprake van een redelijke opdracht.
- b.
In samenhang, maar ook los daarvan volgt uit de stellingen A 1 t/m 24, die in cassatie hypothetisch feitelijke grondslag hebben, dat (i) de arbeidsovereenkomst tussen partijen zodanig worden uitgelegd dat zijn standplaats [a-plaats] was (zie in het bijzonder stelling A9) en (ii) dat die alleen na overleg kon worden gewijzigd (zie in het bijzonder stelling A11) en (iii) er dus sprake is van een eenzijdige wijziging zonder instemming van [de werknemer] als bedoeld in de zin van artikel 7:613 BW en van de Stoof/Mammoet doctrine10.. van de inhoud van die overeenkomst (zie in bijzonder stelling A14 en 15).
Aldus is het rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk dat:
- (1)
DEME zonder instemming van [de werknemer] mocht verwachten dat hij in het buitenland ging werken (dus op grond van de 2-1 regeling)
- (2)
dit dus een redelijke opdracht was en
- (3)
het dus [de werknemer] was die die ‘redelijke opdracht’ niet mocht weigeren en
- (4)
van DEME na drie gesprekken (die dus alle drie van een onjuiste uitleg van de arbeidsovereenkomst uitgaan11. en dus uitgaan van een onredelijke opdracht en die bovendien in de tijdspanne van minder dan een maand (11 mei tot 5 juni hebben plaatsgevonden12.) niet kon worden verwacht dat DEME meewerkte aan mediation.
Immers indien [de werknemer] heeft afgesproken dat hij nu wel vanuit de standplaats [a-plaats] mocht werken, daar ook invulling aan is gegeven en bovendien die standplaats alleen in overleg met [de werknemer] kon en mocht worden veranderd, dan mocht [de werknemer] dus gerechtvaardigd wijzen op die overeenkomst en kan dat dan ook niet als grondslag c.q. rechtsfeit dienen voor de door DEME gestelde duurzaam verstoorde arbeidsrelatie en had het veeleer in de rede gelegen om juist wel mediation te beproeven, zo er van de zijde van DEME daadwerkelijk van een verstoring sprake was.
- c.
Het hof miskent dat er van die duurzaamheid van de verstoring al helemaal geen sprake was gelet op de navolgende — vaststaande — feiten:
- —
het korte tijdsbestek waarin de drie gesprekken plaatsvonden,
- —
ter zitting in hoger beroep gaf de heer [naam 3] aan dat hij [de werknemer] ‘al heel lang kent en warme gevoelens bij hem had13.. Dat had er volgens [naam 3] mee te maken dat:
‘[de werknemer] 15/10 jaar geleden overstapte naar de DEME groep en jarenlang prettig heeft samengewerkt in het verre buitenland. Meneer is niet goed in het lezen van contracten en procedures, maar hij is goed met de laarzen aan op een project. Op een gegeven moment wilde hij meer in Europa werken. Dat zien we wel meer. We proberen dan werknemers te faciliteren, zodat die periode overbrugd wordt. Je kan niet verwachten dat mensen in hetzelfde tempo werken jarenlang. Hetzelfde geldt voor vrouwen. Je kan niet verwachten dat een zwangere vrouw in Egypte bevalt. Dat proberen wij door middel van zo goed mogelijk werkgeverschap te accommoderen. Het probleem is dat [de werknemer] terugkomt en door ziekte getroffen wordt.’
Niet alleen blijkt hier dus uit dat er van een duurzame verstoring geen sprake is of kan zijn, nu de directeur [de werknemer] al heel lang kent, goed met hem heeft samengewerkt, zijn kwaliteiten kent en waardeert en met zijn wensen rekening heeft gehouden (NB dat onderschrijft ook de stellingen zoals in de onderdelen I.1 t/m I.8 zijn aangehaald, dat gewoon is overeengekomen dat [de werknemer] vanuit [a-plaats] zou werken), maar ook waar werkelijk de schoen wrong bij DEME: [de werknemer] werd ziek. En niet één keer, maar in totaal drie keer: de eerste keer vanwege een burn-out, de tweede keer vanwege kanker en de derde keer vanwege long-covid. Kennelijk heeft DEME bij de laatste hersteldmelding gemeend dat [de werknemer] een risico was en daarom in een drietal gesprekken op een beëindiging aangestuurd, met als breekijzer een extreme en niet-overeengekomen uitleg van de arbeidsovereenkomst.
- d.
Het hof heeft miskend in samenhang met het voorgaande, maar ook los daarvan (dus ook los van de discussie over de uitleg van de overeenkomst), bij het aannemen van de g-grond dat het bij de beoordeling of daarvan sprake is, aankomt op een afweging van alle omstandigheden van het geval. Het hof laat daarom ten onrechte onbesproken de stellingen van [de werknemer] in het appelschrift, die erop neerkomen dat DEME bewust heeft aangestuurd op een situatie waarin die zij ten grondslag wilde leggen en heeft gelegd aan het verzoek tot ontbinding. Het gaat dan in het bijzonder om de navolgende stellingen die het hof onbesproken laat:
- i.
de stelling in het appelschrift rnr. 35 dat het ongebruikelijk was de drie bewuste gesprekken met dhr. [naam 3] werden gevoerd en
- ii.
in rnr. 36 van dat appelschrift de stelling dat het plan was van DEME om de samenwerking te beëindigen;
- iii.
dat [de werknemer] niet anders kon concluderen dan dat werd aangedrongen op gesprekken,
- iv.
dat er onjuiste verslagen werden gemaakt om zo een reactie van [de werknemer] uit te lokken, welke reactie vervolgens door DEME kon worden gebruikt om [de werknemer] een verstoring van de arbeidsrelatie in de schoenen te schuiven. Zo stond er in een concept verslag dat [de werknemer] zou hebben gezegd dat hij niet naar het buitenland wilde14., maar zoals in het appelschrift rnr 38 dat hij best naar het buitenland wilde maar niet structureel op 2-1 basis en niet in de reeds geplande en goedgekeurde verlofperiode waarin o.a. de bruiloft zou plaats vinden (appelschrift rnr 38).
- v.
De stelling in rnr. 37 van het appelschrift wordt gesteld dat het werkelijke doel van die gesprekken was omdat men van hem af wilde omdat men zijn afwezigheid wegens ziekte maar lastig vond.
- vi.
De stelling in rnr. 39 van het appelschrift waarin [de werknemer] expliciet onderbouwt aan de hand van een transcriptie van een gesprek dat en waarom het door DEME opgestelde verslag onjuist en onvolledig was. Daaruit volgt dat geenszins kan worden gesteld dat [de werknemer] zonder enige grond die aanvullingen en correcties heeft gedaan. Ook constateert [de werknemer] op 00:27:59 dat DEME ‘gewoon op zoek is naar een reden om [de werknemer] eruit te gooien’. [naam 3] antwoordt daarop dat men het liefste een vaststellingsovereenkomst zou sluiten Dit blijkt nog verder uit het verweerschrift in incidenteel appel rnrs 70 – 155.
- vii.
de stellingen in de toelichting van grief 1 in rnr 47 – 49 appelschrift, te weten dat [de werknemer] op uitnodiging van DEME zelf reageert, terwijl de schriftelijke vastlegging afwijkt van hetgeen is besproken (rnr.47), terwijl hij in rnr 48 appelschrift stelt:
- ‘48.
Daarnaast is de reactie van [de werknemer] op de wijze van verslaglegging terecht. DEME legt de gesprekken op zo'n manier vast dat [de werknemer] in een kwaad daglicht wordt gesteld. Mevrouw [HR businesspartner] (HR-businesspartner) heeft hem tijdens een gesprek op 8 juni 2023 verteld, dat haar voorgangster dit ook zo deed en dat dat gewoon onderdeel was van het werk. [de werknemer] stelt dat DEME steeds pogingen heeft gedaan om een voor haar zo goed mogelijk dossier op te bouwen.’
Dat kan moeilijk anders worden begrepen dan dat DEME in het kader van het voorgenomen exit traject bewust zo handelt, om dit later tegen [de werknemer] te kunnen inbrengen in de ontslagzaak.
- viii.
[de werknemer] stond wel degelijk open voor de door de heer [naam 3] geopperde functies van Tender manager of Tender engineer, (appelschrift rnr. 50)
- ix.
DEME heeft juist niet met [de werknemer] willen meedenken. DEME heeft aangestuurd op een verstoorde arbeidsrelatie en enkel DEME is daarin een doorslaggevende rol gehad. (appelschrift rnr 51)
- x.
[de werknemer] wilde gewoon aan het werk. Hij heeft nimmer gevraagd om gesprekken of het creëren van een andere functie. Waar het in het eerste en tweede gesprek nog leek te gaan om de beste werkplek voor [de werknemer] te vinden heeft de heer [naam 3] in het derde gesprek alle opties om binnen DEME te blijven werken van tafel geveegd. Hij wist op dat moment dat [de werknemer] niet op zo'n korte termijn, in de periode net voor zijn trouwen waarin hij goedgekeurd verlof voor allerlei afspraken had, naar het buitenland zou kunnen gaan. (appelschrift rnr 52)
- xi.
Het project overigens dat DEME voor [de werknemer] in gedachte had, was nog helemaal niet concreet. Van de 2 projecten die werden genoemd was een nog niet gegund. Het andere project is een joint venture en daarvoor was het benodigde team reeds samengesteld. Dit bevestigt wat [de werknemer] betreft dat het om een schijnvoorstel gaat met het enige doel om [de werknemer] onder druk te laten kiezen voor een vaststellingsovereenkomst, (appelschrift rnr 53).). Zie verder verweerschrift in incidenteel appel rnr. 184.
- xii.
DEME was namelijk helemaal niet uit op een duurzame, goede arbeidsrelatie met [de werknemer]. Haar doel was [de werknemer] het bedrijf uit te krijgen.(appelschrift rnr 54) Zie ook uitvoerig vws in incidenteel appel rnr 19 t/m 155 met verwijzing naar de transcripties van de gesprekken.
- xiii.
De vermeende wrijving tussen partijen, de verstoring die verder zou zijn versterkt en de houding die [de werknemer] wordt verweten, zou zich in de periode van 9 tot en 23 mei 2023 hebben afgespeeld. De 3 opties zijn door DEME in een gesprek van 5 juni 2023 genoemd. Het ontbindingsverzoek is door DEME op 7 juli 2023 ingediend. Zou al sprake zijn van een verstoorde arbeidsrelatie, dan gaat de kantonrechter gelet op het voornoemde korte tijdsbestek ten onrechte uit van een duurzame verstoring. (appelschrift rnr 55)
- xiv.
In het verweerschrift in incidenteel appel volgt bovendien uit de transcriptie van het gesprek van 5 juni 2023 rnrs 17 t/m 69 dat [de werknemer] in dat gesprek wel naar het buitenland wilde en dat ook heeft aangegeven (rnrs. 24–39), waarop [naam 3] blijft vasthouden aan een onmiddellijk vertrek (en dus het opgeven van het verkregen verlof waarin [de werknemer] ging trouwen), waarbij hij zich blijkens rnrs 41– 50 onredelijk opstelt, om dan vervolgens in rnr 53 te concluderen ‘dat het zo niet gaat’. Vervolgens beging [naam 3] over de verslagen, waarop [de werknemer] zich verdedigt met dat in het verslag stond dat hij gezegd zou hebben dat hij niet naar het buitenland wil, waarop hij nu letterlijk zegt dat hij dat wel wil (rnr. 55). In rnr. 68 constateert [de werknemer] dat uit de geluidsopname blijkt dat de bereidheid van [de werknemer] om naar het buitenland te gaan terughoudend wordt ontvangen en dat DEME enkel de focus heeft op een onmiddellijk vertrek naar het buitenland (rnr. 68)
De stellingen i t/m xiii komen er op neer dat DEME in werkelijkheid die stellingen heeft ingenomen en die maatregelen heeft genomen, met als oogmerk dat [de werknemer] daar, omwille van zijn rechtspositie, wel iets van moest vinden, waarop DEME dan beweerde dat er sprake was van een ‘verstoring’. Zo blijkt uit de transcripties, zoals opgenomen in het verweerschrift in incidenteel appel in rnrs 19 t/m 155 geenszins dat [de werknemer] reizen naar het buitenland zou hebben geweigerd, maar dat telkens [naam 3] eiste dat hij zijn reeds geplande trouwverlof zou opgeven (stelling xiii).
Onbegrijpelijk is dan ook in rov 3.8.7 dat uit de gespreksverslagen niet blijkt dat DEME de gespreksverslagen moedwillig onjuist heeft weergegeven. Het hof laat dan onbesproken stelling vi, waarin besloten ligt dat het de bedoeling was om een werknemer in een verslag in een kwaad daglicht te stellen, kennelijk met de bedoeling om zo ‘een dossier op te bouwen’. Daarin ligt ook besloten dat een werknemer dan — omwille van zijn eigen rechtspositie — niet anders kan dan daartegen ageren.
Uit stelling x volgt dat [de werknemer] heeft gesteld dat het project waarop hij zo acuut zou moeten vertrekken nog helemaal niet concreet was (en dus om het maar eens populair te zeggen ‘fake’ was). Uit stelling iii volgt dat er bewust onjuiste verslagen werden gemaakt, die vervolgens geenszins vrijblijvend waren, nu DEME kennelijk een exit traject had ingezet. Uit stelling vi volgt dat dit kennelijk bewust door DEME zo gebeurde teneinde daarop de g-grond te kunnen baseren. In dat kader is dus ook onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.8.7 overweegt dat sprake is van een redelijke opdracht die [de werknemer] in beginsel niet mocht weigeren en ook dat het hof oordeelt dat DEME op 5 juni 2023 duidelijkheid kon worden verlangd en dat DEME niet aan mediation behoefde mee te werken. Los van de uitleg van de arbeidsovereenkomst is hier — hoe dan ook sprake van een onredelijke opdracht. Het hof in rov. 3.8.7 de door [de werknemer] middels stellingen i t/m xii ingeroepen en onderbouwde onzuiverheid van oogmerk onbesproken, althans motiveert niet, althans niet voldoende kenbaar dat en waarom dat in casu niet aan de hand zou zijn.
De stellingen i t/m xiii volgend is er sprake van wat in oude BBA-terminologie wel werd aangeduid als een valse of voorgewende reden. In dat verband beroept [de werknemer] zich dan ook per saldo op het feit dat er geen sprake is van een zuiverheid van oogmerk van DEME bij het ontslagtraject. Het hof heeft miskend dat ook dat aan een geldig beroep op de g-grond voor DEME in de weg staat. Uit de stellingen i t/m xii volgt dat [de werknemer] zich op het standpunt heeft gesteld dat er — kort gezegd — bij DEME geen zuiverheid van oogmerk bestond, dat DEME er helemaal niet op uit was om de duurzame arbeidsrelatie met [de werknemer] te bestendigen, maar juist de intentie had de arbeidsverhouding op een zodanige wijze ‘op te blazen’ dat hetzij [de werknemer] zelf wegging, hetzij hij zich arbeidsrechtelijk zou verweren, op basis waarvan DEME zich dan zou kunnen beroepen als rechtsfeiten voor de g-grond. Het betreffen dus cruciale stellingen die het hof niet onbesproken had mogen laten, nu dit gedrag zonder meer als ernstig verwijtbaar aan de zijde van DEME kan worden geduid en dit [de werknemer] recht geeft op een billijke vergoeding bovenop de transitievergoeding.
- e.
De in dit onderdeel a t/m d aangevoerde gronden staan er ieder voor zich, maar zeker in combinatie eraan in de weg dat er sprake is van een voldragen g grond, nu daaruit volgt dat (1) [de werknemer] niet zonder grond of reden is opgekomen voor zijn rechtspositie (2) DEME bewust de verhoudingen op scherp heeft gezet door gesprekken over de rechtspositie te houden en [de werknemer] daar op onvolledige of zelfs onjuiste verslagen te laten reageren en (3) de conclusie hieruit geen andere kan zijn dat van een (echte) verstoring van de arbeidsrelatie geen sprake kan zijn, laat staan van een duurzame verstoring van de arbeidsrelatie. Het hof heeft dan ook hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn uitspraak niet toereikend gemotiveerd, dan wel is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
I.10
Het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten vitiëert dan ook het oordeel dat daarop volgt:
‘3.8.8
Ook het hof is van oordeel dat herplaatsing niet in de rede lag. DEME had in voorafgaande gesprekken al alternatieve functies aangedragen die [de werknemer] niet had geaccepteerd, terwijl de door [de werknemer] voorgestelde functie van business unit manager landfalls and umbilicals twee niveaus hoger (de leidinggevende van zijn leidinggevende) en daarmee niet passend was. Van andere in aanmerking komende functies is niet gebleken.
3.8.9
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht op de g-grond heeft ontbonden. De grieven falen. Het hof zal het primaire verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:683 lid 3 BW) onder I afwijzen. Dat lot treft ook de overige primaire verzoeken onder II tot en met V (die gelijkluidend zijn aan de hierna te behandelen subsidiaire verzoeken onder VIII tot en met XI).’
Ten aanzien van de herplaatsing is het oordeel bovendien onbegrijpelijk in het licht van het verweerschrift in incidenteel appel rnr 19 t/m 155 zoals hierboven onder xiii is omschreven: daaruit volgt dat, anders dan het hof overweegt in die gesprekken (en zeker in het gesprek van 5 juni 2023) [de werknemer] tot alles bereid was, met uitzondering van het opgeven van zijn verlof voor zijn huwelijk. Onjuist en onbegrijpelijk is dus dat herplaatsing niet in de rede zou hebben gelegen omdat [de werknemer] alternatieve functies niet zou hebben geaccepteerd. Er is sprake van een door DEME op valse of voorgewende redenen ingezet exit traject, waarbij aangestuurd wordt op een situatie waarin DEME zou kunnen stellen dat er een verstoorde arbeidsrelatie zou zijn. Het getuigt aldus van een onjuiste rechtsopvatting (want te lichte maatstaf ter zake van de herplaatsingsverplichting) althans van een onbegrijpelijk oordeel, waar [de werknemer] tot ongeveer alles bereid was (behoudens acuut vertrekken terwijl hij voornemens was om te gaan trouwen), de werkgever aanstuurt op een (niet duurzame) verstoring er dan geen herplaatsingsplicht zou zijn (al dan niet na mediation).
I.11
Het slagen van één of meer van de voormelde klachten vitiëert ook rovv. 3.9.1 t/m 3.9.5
Grief 3 en 4 van [de werknemer]
‘3.9.1
[de werknemer] komt met zijn grieven 3 en 4 op tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.14. dat de verstoorde arbeidsrelatie niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van DEME en dat daarom de proceduretijd in mindering zal worden gebracht op de opzegtermijn.
3.9.2.
Volgens [de werknemer] was er ten tijde van de gesprekken op 11 en 23 mei 2023 nog helemaal geen verstoorde arbeidsverhouding, maar veranderde dat op 5 juni 2023, toen [naam 3] aandrong op een verblijf van 2/3 jaar in het buitenland en daarmee namens DEME [de werknemer] voor het blok zette en zonder reden aanstuurde op beëindiging van het dienstverband, waarna de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op een valse grond heeft ontbonden. Dat is volgens [de werknemer] ernstig verwijtbaar.
3.9.3.
Het hof overweegt als volgt. [de werknemer] heeft niet kenbaar een grief gericht tegen het hierna geciteerde deel van rov. 4.14. van de beschikking:
‘(…) Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II.2013–2014. 33 818, nr. 3, pag. 34) (…)’
Ook het hof zal die maatstaf hanteren.
3.9.4
Het hof heeft hiervoor in rov. 3.8.8. overwogen dat de ernstig en duurzaam verstoorde verhouding al vóór het gesprek van 5 juni 2023 was ontstaan doordat DEME terecht van [de werknemer] verlangde dat hij bereid zou zijn (ook frequent en langdurig) naar het buitenland te reizen, maar [de werknemer] daartoe aanhoudend niet bereid was. Daarom is de arbeidsovereenkomst ontbonden. Gesteld noch gebleken is dat DEME de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst grovelijk niet is nagekomen. Daaruit volgt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van DEME. Ook het ‘voor het blok zetten’ van [de werknemer] door [naam 3] op 5 juni 2023 is, zoals hiervoor in rov. 3.8.8. overwogen, naar het oordeel van het hof niet fraai maar niet ernstig verwijtbaar.
3.9.5
Het hof komt tot de conclusie dat [de werknemer] ook op de subsidiaire grondslag van artikel 7:671 b lid 9 onder c BW geen recht heeft op een billijke vergoeding, dat de kantonrechter terecht de proceduretijd in mindering heeft gebracht op de opzegtermijn en dat [de werknemer] uit dien hoofde geen aanspraak heeft op een bedrag ter grootte van een bruto maandsalaris.
De grieven slagen niet. Het hof zal de verzoeken onder (VI en) VII en IX afwijzen.’
Immers, indien de klachten tegen rovv. 3.8.8 slagen omdat de verstoring ontstaan omdat DEME in strijd met de tussen partijen gesloten overeenkomst een onredelijke, althans niet overeengekomen opdracht gaf, dan levert het daar onverkort vasthouden en daarop een exit traject inclusief ontbinding wegens wanprestatie (sic!) weldegelijk ernstig verwijtbaar gedrag van DEME op. Althans dient bij een slagen van één of meer van de klachten ook een herbeoordeling van deze overwegingen plaats te vinden en zal alsnog moeten worden beoordeeld of en zo ja in welke mate een billijke vergoeding op zijn plaats is.
II. Berekening van de Transitievergoeding
Het hof overweegt ten aanzien van de berekening van de transitievergoeding in rovv. 3.10.3 t/m 3.10.5 als volgt:
‘3.10.3
Het hof overweegt als volgt. Artikel 7:673 lid 4 onder b BW bepaalt dat voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst een of meer voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, worden samengeteld. Naar de letter van de wet moet het standpunt van [de werknemer] dus worden gevolgd: de eerste arbeidsovereenkomst eindigde op 1 oktober 2017 en op 1 maart 2018. vijf maanden later trad [de werknemer] opnieuw bij DEME in dienst.
3.10.4
Echter, zoals het hof in zijn beschikking van 17 oktober 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:4808) heeft overwogen volgt zowel uit de tekst van de wet als uit de parlementaire geschiedenis dat uitgangspunt moet zijn dat een transitievergoeding (slechts) verschuldigd is wanneer het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitgaat van de werkgever. In deze zaak staat tussen partijen vast dat de eerste arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging daarvan door [de werknemer]. Op deze situatie heeft artikel 7:673 lid 4 BW geen betrekking. Het doel van die bepaling is om te voorkomen dat werknemers een transitievergoeding zouden mislopen als werkgevers constructies hanteren om verschuldigdheid daarvan te vermijden, zoals het telkens achter elkaar (met korte tussenpozen) aanbieden van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Dat is hier niet aan de orde. Een redelijke wetsuitleg brengt dan ook mee dat [de werknemer] niet nu alsnog aanspraak kan maken op een transitievergoeding die is berekend over de duur van een eerdere door hem opgezegde arbeidsovereenkomst. Het hof betrekt bij dat oordeel dat partijen in de tweede arbeidsovereenkomst expliciet als •‘historische datum in dienst’ 1 maart 2018 hebben opgenomen (zie rov. 3.2.3.).
De grief faalt in zoverre. Het hof zal het verzoek onder VIII om DEME te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van€ 31.395,27 afwijzen.
3.10.5
De grief slaagt wel waar [de werknemer] betoogt dat de kantonrechter de transitievergoeding over de periode van 11 maart 2018 tot 1 december 2023, met de bedragen die in rov. 4.18. tot uitgangspunt zijn genomen, onjuist heeft vastgesteld. Volgens [de werknemer] behoort de transitievergoeding € 14.346,37 bruto te bedragen. DEME heeft dat niet bestreden. Het hof zal de beschikking in zoverre vernietigen en de transitievergoeding bepalen op € 14.346,37 bruto.’
II.1
Het hof gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het vierde lid van artikel 7: 673 bepaalt immers:
‘Voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in lid 2, worden:
- a.
(…)
- b.
een of meer voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, samengeteld. De vorige zin is eveneens van toepassing indien de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.’
De bepaling bepaalt dwingend dat indien binnen zes maanden tussen dezelfde partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt gesloten, voor de berekening van de transitievergoeding dat oude dienstverband wordt meegeteld. Nog daargelaten dat in casu de opzegging van [de werknemer] was ingegeven doordat DEME de toezeggingen van haar HR manager uiteindelijk niet nakwam (zie A 1 t/m 4), en dus in de risicosfeer van DEME ligt en daarnaast die toezeggingen alsnog werden gedaan (zie A sub 5 t/m 24), bepaalt dit artikellid op geen enkele wijze dat deze bepaling uitsluitend zou gelden indien en voor zover de eerdere opzegging door de werkgever zou zijn gedaan. De parlementaire geschiedenis vermeldt dit voor dit artikellid evenmin. Daarbij komt dat de WWZ-werkgever nu juist uniformiteit heeft nagestreefd, zodat uit de wet zelf kan worden afgeleid of een werknemer recht heeft op een transitievergoeding en hoe die wordt berekend.
In de uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2016:4808 die het hof aanhaalt is onder meer overwogen:
‘3.13.
Uit de tekst van artikel 7:673 lid 1 BW blijkt dat van wezenlijk belang is op wiens initiatief een einde komt aan de arbeidsovereenkomst. De Minister heeft daar bij herhaling op gewezen. Het hof wijst op de volgende passages in de parlementaire geschiedenis:
‘(…) Als er geen sprake is van overgang van onderneming maar wel van opvolgend werkgeverschap, is in het voorgestelde artikel 7:673 BW geregeld dat voor het bepalen van de omvang van de transitievergoeding de duur van de arbeidsovereenkomsten bij de oude en nieuwe werkgever worden samengeteld. (…)
Het recht op deze vergoeding geldt als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is beëindigd door opzegging na toestemming van UWV of door ontbinding door de rechter of, in geval van een tijdelijk contract, op initiatief van de werkgever niet aansluitend wordt verlengd nadat dit van rechtswege is geëindigd. Als een werkgever bij het eindigen van een contract voor bepaalde tijd de werknemer wel een (gelijkwaardig of beter) nieuw contract aanbiedt maar de werknemer geen gebruik maakt van dat aanbod, is er dus geen recht op een transitiebudget. (…)’
(Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 39).
‘De leden van de VVD-fractie, de PVV-fractie en de D66-fractie stellen vragen over het recht op een transitievergoeding in relatie tot de uitzendonderneming. De leden van de VVD-fractie vragen of er ook een transitievergoeding is verschuldigd wanneer een uitzendbureau een baan vindt voor een werknemer nadat deze twee jaar in dienst is geweest bij een andere werkgever. Zij vragen of de regering dit wenselijk vindt in het licht van het feit dat de werknemer al een baan gevonden heeft. De leden van de PVV-fractie vragen naar de mening van de regering over het standpunt van de NBBU dat uitzendondernemingen vanwege de transitiefunctie die zij hebben uitgezonderd zouden moeten worden van de regeling inzake transitievergoeding. De leden van de D66-fractie vragen de regering te reageren op een casus uit een position paper van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU). Aldus de leden wordt hierin gesteld dat het zo kan zijn dat de uitzendonderneming een transitievergoeding moet betalen wanneer de inlenende organisatie een vast contract aanbiedt aan de uitzendkracht. Dit zou het geval zijn als het uitzendbureau dit aan de uitzendkracht meldt en de aanzegtermijn met het oog daarop niet wordt verlengd. Zij vragen of dit klopt en of dat ook het geval is als de werknemer ermee akkoord gaat dat de aanzegtermijn niet wordt verlengd.
Een uitzendonderneming is een transitievergoeding verschuldigd indien de werknemer 24 maanden of langer in dienst is van de uitzendonderneming en de werknemer op initiatief van de uitzendonderneming wordt ontslagen. In het door de leden van de VVD-fractie vermelde voorbeeld, is noch sprake van een arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de uitzendonderneming, noch sprake van ontslag door de uitzendonderneming, zodat de uitzendonderneming geen transitievergoeding verschuldigd is.
De regering gaat ervan uit dat de strekking van de vraag van de leden van de PVV-fractie zich beperkt tot die werknemers van een uitzendonderneming die aan een derde ter beschikking worden gesteld om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde. De regering deelt het standpunt van de NBBU niet. Immers, een transitievergoeding is pas verschuldigd bij ontslag, een moment waarop een uitzendonderneming een transitie-functie ten aanzien van deze werknemer niet langer vervult. In het voorbeeld dat de leden van de D66-fractie beschrijven, geldt dat een transitievergoeding verschuldigd is zodra de arbeidsovereenkomst tussen de uitzendonderneming en de werknemer op initiatief van de werkgever is beëindigd. De werknemer zal in een dergelijk geval zelf bepalen of hij al dan niet in dienst treedt van de inlenende organisatie, zodat de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met de uitzendonderneming in dit geval geacht moet worden te zijn verricht op initiatief van de werknemer. Indien het initiatief voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij de werknemer ligt, is de uitzendonderneming geen transitievergoeding verschuldigd. (…)’
(Kamerstukken II 2013/14, 33818, 7, p. 73–74).
‘De leden van de fractie van de VVD vragen of de beëindiging van een arbeidsovereenkomst ook geacht wordt te zijn verricht op initiatief van de werknemer indien een onderneming, niet zijnde een uitzendonderneming, (anders dan bij beantwoording van de vragen in de nota naar aanleiding van het verslag pagina 74 bovenaan) een bestaande opdracht na een nieuwe aanbestedingsprocedure betreffende diezelfde opdracht verliest, waarna de medewerker in kwestie een dienstverband aanvaardt bij de onderneming die de betreffende opdracht na de aanbestedingsprocedure verkrijgt. Zij vragen of met andere woorden de vorige concessiehouder/werkgever geen transitievergoeding verschuldigd is indien de concessie overgaat naar een nieuwe werkgever omdat sprake is van opvolgend werkgeverschap waarbij opgebouwde rechten meegaan naar de nieuwe werkgever en de werknemer dit dienstverband aanvaardt daarmee het initiatief nemend voor beëindiging van het dienstverband met de vorige werkgever.
In een geval als geschetst door de leden van de fractie van de VVD geldt dat de vorige concessiehouder/werkgever geen transitievergoeding verschuldigd is als de concessie wordt verleend aan een nieuwe werkgever en de werknemer deze concessie volgt en aldus een arbeidsovereenkomst sluit met de nieuwe werkgever. In dat geval geldt, net als in het op pagina 73 van de nota naar aanleiding van het verslag opgenomen voorbeeld ten aanzien van de uitzendkracht, dat de werknemer in een dergelijk geval zelf zal bepalen of hij al dan niet in dienst treedt van de inlenende organisatie. De beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met de vorige concessiehouder wordt in dit geval geacht te zijn verricht op initiatief van de werknemer. Op basis van artikel 7:673, vierde lid, onderdeel b, BW geldt dat de opbouw van de transitievergoeding doorloopt bij de nieuwe werkgever. Als bij een overgang naar de opvolgende werkgever niettemin reeds een transitievergoeding is betaald, dan kan deze, op grond van het voorgestelde artikel 7:673, vijfde lid, BW overigens wel in mindering gebracht worden op een eventueel op enig moment door de opvolgend werkgever te betalen transitievergoeding.’
(Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 14–15).
‘Als een werknemer na een overgang van onderneming die een aanzienlijke verslechtering van de arbeidsvoorwaarden van de werknemer tot gevolg heeft, besluit om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, of niet voort te zetten na een einde van rechtswege, heeft de werknemer geen recht op een transitievergoeding. Op grond van artikel 7:673, eerste lid, BW is de transitievergoeding immers alleen verschuldigd als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd of niet is voortgezet. Artikel 7:665 BW regelt daarom dat de arbeidsovereenkomst in die situatie geacht wordt op initiatief van de werkgever te zijn geëindigd, of niet te zijn voortgezet. Daardoor heeft de werknemer die zelf het initiatief nam om de arbeidsovereenkomst te beëindigen of niet voort te zetten, in deze specifieke situatie, en als aan de overige voorwaarden is voldaan, toch recht op een transitievergoeding. In artikel 7:665 BW is niet geregeld dat ook recht bestaat op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd of niet wordt voortgezet. Dat is niet nodig, aangezien reeds uit artikel 7:673, eerste lid, BW voortvloeit dat dan, als aan de overige voorwaarden is voldaan, een transitievergoeding verschuldigd is. (…)’
(Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 108–109).
‘De VAAN benoemt dat het antwoord van de regering op de vraag naar de transitievergoeding bij opvolgend werkgeverschap op pagina 15 van de memorie van antwoord suggereert dat bij een nieuwe concessie de oude arbeidsovereenkomst steeds op initiatief van de werknemer beëindigd wordt en dus door de oude concessiehouder geen transitievergoeding verschuldigd is. Het komt volgens de VAAN echter regelmatig voor dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van de concessie (zoals bijvoorbeeld in de zaak die leidde tot het arrest [X.] / [Y.]). De VAAN vraagt wat voormelde situatie betekent voor de door de oude en nieuwe werkgever verschuldigde vergoeding.
De regering heeft op pagina 15 van de memorie van antwoord inderdaad aangegeven ervan uit te gaan dat bij een nieuwe concessie de oude arbeidsovereenkomst steeds op initiatief van de werknemer wordt beëindigd. Onderkend is dat de situatie zich kan voordoen dat daar waar een werknemer de concessie volgt maar zelf niet de arbeidsovereenkomst opzegt, en om die reden de arbeidsovereenkomst door de oude werkgever wordt opgezegd, die opzegging tot gevolg zou hebben dat de oude werkgever een transitievergoeding verschuldigd is. Dat is ongewenst. Vandaar dat de regering heeft aangegeven dat in een situatie als deze voor de toepassing van artikel 7:673 BW de opzegging van de arbeidsovereenkomst geacht wordt te zijn gedaan op initiatief van de werknemer. Hierbij is tevens de vergelijking getrokken met de in de nota naar aanleiding van het verslag genoemde situatie van het beëindigen van een arbeidsovereenkomst door een uitzendwerkgever als gevolg van het feit dat een uitzendkracht in dienst treedt bij een inlener. Ook in dat geval geldt dat de arbeidsovereenkomst geacht moet worden te zijn beëindigd op initiatief van de werknemer. Naar aanleiding hiervan vraagt de VAAN wat geldt in een situatie waar een arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wegens het vervallen van een concessie en indiensttreding van een werknemer bij de nieuwe concessiehouder. In het verlengde van hetgeen hiervoor is opgemerkt, meent de regering dat in een situatie als deze de oude werkgever evenmin een transitievergoeding verschuldigd is nu de arbeidsovereenkomst geacht kan worden niet op zijn initiatief niet te worden voortgezet, maar op initiatief van de werknemer die een baan aanvaardt bij de nieuwe concessiehouder.
Voorts vraagt de VAAN of de regering de analyse onderschrijft dat de bij de oude werkgever doorgebrachte periode ook meetelt bij de berekening van een door de nieuwe concessiehouder verschuldigde transitievergoeding indien de werknemer de eerste overeenkomst wel zelf heeft beëindigd.
In reactie op de tweede vraag van de VAAN geldt dat de analyse van de VAAN klopt en dit volgt uit hetgeen in artikel 7:673 BW is geregeld als het gaat om elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten, al dan niet bij elkaar opvolgende werkgevers.’
(Kamerstukken I 2013/14, 33818, E, p. 12).
3.14.
Het hof laat uitdrukkelijk in het midden of in alle geschetste voorbeelden de uitleg van de Minister over de vraag op wiens initiatief een einde komt aan de arbeidsovereenkomst, moet worden gevolgd. Voor het onderhavige geschil is slechts van belang dat uitgangspunt dient te zijn dat een transitievergoeding verschuldigd is wanneer het initiatief uitgaat van de werkgever, zoals zowel uit de tekst van de wet als uit de parlementaire geschiedenis volgt. Het hof is dus van oordeel dat ‘opvolgend werkgeverschap’ op zichzelf niet leidend is voor de vraag of de transitievergoeding verschuldigd is. Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat het erom gaat op wiens initiatief de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Daarbij kan ‘opvolgend werkgeverschap’ een belangrijke aanwijzing zijn.’
Uit de in de ze uitspraak aangehaalde parlementaire geschiedenis volgt niet de conclusie die het hof in de aangevallen beschikking daaruit trekt. Het is daarbij de vraag of voldoende zou zijn indien in de toelichting van artikel 7:673 BW vierde lid met zoveel woorden de uitzondering was opgenomen op de ongeclausuleerde wettekst. Dat is echter niet het geval, zodat — zeker nu de WWZ ervoor heeft gekozen voor een wettelijke gefixeerde ontslagvergoeding — de wettekst bepalend is. Nu die eenvoudig recht geeft op cumulatie in het onderhavige geval getuigt het andersluidende oordeel van het hof op een onjuiste rechtsopvatting.
Indien ten aanzien van sommige artikelen de wetgever heeft bedacht dat de transitievergoeding alleen verschuldigd is indien er sprake is van een beëindiging door de werkgever of door tijdsverloop, dan nog steeds geldt dat een dergelijke eis niet is opgenomen ter zake van het bewuste vierde lid van artikel 7:673 BW. In dat geval kan de parallel worden getrokken met de Care 4 Care15. uitspraak. Daar was wel sprake van een eis in de parlementaire geschiedenis dat het zou moeten gaan om een ‘allocatiefunctie’, zodat in de literatuur wel werd betoogd dat dit een extra eis zou zijn voor het aannemen van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW. De Hoge Raad oordeelde echter dat nu het niet in de wet zelf staat, het aan de wetgever is om dat alsnog te doen. Bij gebreke daarvan telde de ‘allocatiefunctie’ niet mee:
‘3.4.2
Het onderdeel faalt omdat het oordeel van het hof juist is. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:690 BW kan niet worden afgeleid dat voor het aannemen van een uitzendovereenkomst andere vereisten gelden dan vermeld in deze bepaling. De tekst van art. 7:690 BW eist niet dat de bij de derde te verrichten arbeid tijdelijk is, noch impliceert deze een beperkende ‘allocatiefunctie’ als door het onderdeel wordt bepleit. Uit de toelichting op het artikel blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat ook andere driehoeksrelaties dan de — kort gezegd — ‘klassieke uitzendrelatie’ onder de reikwijdte van de bepaling zouden vallen, mits aan de begripsomschrijving wordt voldaan (Kamerstukken II 1996–1997, 25 263, nr. 3, p. 9–10).
3.4.3
Opmerking verdient dat hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen over de uitleg van art. 7:690 BW, ook gevolgen heeft voor de uitleg van art. 7:691 BW. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de wetgever in art. 7:691 BW aan het begrip ‘uitzendovereenkomst’ een andere betekenis heeft willen geven dan in art. 7:690 BW. Gelet op de plaatsing van beide artikelen in een afzonderlijke afdeling in de wet, waarbij art. 7:690 BW de begripsomschrijving en art. 7:691 BW enkele regels geeft, ligt zo'n andere betekenis ook niet voor de hand.
Voor zover de toepassing van de regels van art. 7:691 BW in nieuwe driehoeksrelaties als payrolling zou leiden tot resultaten die zich niet laten verenigen met hetgeen de wetgever bij de regeling van de art. 7:690–7:691 BW voor ogen heeft gestaan, is het in de eerste plaats aan de wetgever om hier grenzen te stellen. Dat neemt niet weg dat de rechter bij de toepassing de mogelijkheid heeft de regels van art. 7:691 BW zo uit te leggen dat strijd met de ratio van die regels wordt voorkomen, dan wel dat hij een beroep op die regels naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan oordelen. In het onderhavige geval is een en ander echter niet aan de orde.’
Toegepast op artikel 7:673 lid 4 BW: wil het oordeel van het hof rechtens juist zijn dan zou minimaal uit de totstandkomingsgeschiedenis dus moeten blijken dat artikel 7:673 lid 4 BW uitsluitend zou gelden voor de situatie dat het eerste dienstverband door opzegging zijdens de werkgever is gedaan. Dat blijkt echter niet uit de parlementaire geschiedenis en wordt ook door geen enkele auteur betoogd.. De Asser-Heerma van Voss zegt er niets over, Arbeidsrecht Thematisch ook niet. T&C (Verhulp) zegt erover:
‘b. Voortgezette arbeidsovereenkomst (lid 4 onderdeel b)
De vraag is of indien de arbeidsovereenkomst bij een andere werkgever wordt voortgezet, en deze opvolgende werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt, hij aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is die wordt berekend met inachtneming van de diensttijd bij de eerste werkgever. Hoewel daarover discussie was, heeft de Hoge Raad overwogen dat indien de overgang voor 1 juli 2015 plaatsvond, voor de berekening van de transitievergoeding de beantwoording van de vraag of in het kader van de berekening van de transitievergoeding van een voortgezet dienstverband sprake is, naar het toen geldende recht moet worden beantwoord (HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2905 (Constar)). De Rb. Noord-Holland (2 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:2114) overweegt dat de wetgever heeft beoogd alleen opvolgend werkgeverschap aan te nemen als de aanleiding voor het overgaan naar een nieuwe werkgever is gelegen bij de werkgever. Zie hierover ook de Inleidende opmerkingen bij Titel 10 afdeling 9, aant. 8.
Als sprake is van opvolgend werkgeverschap betekent dat niet dat de eerste werkgever, die de arbeidsovereenkomst overdraagt, deswege geen transitievergoeding verschuldigd zal zijn. Die verschuldigdheid hangt af van het antwoord op de vraag wie het initiatief tot beëindiging van de (eerste) arbeidsovereenkomst nam, Hof 's‑Hertogenbosch 27 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:480’16.
In de inleidende opmerkingen aantekening 8 van Verhulp bij titel 9 staat:
‘8. Invoering en overgangsrecht WAB
De WAB is 1 januari 2020 in werking getreden. Hiervoor geldt als hoofdregel directe werking. Voor de ketenregeling betekent dat dat voor iedere tijdelijke arbeidsovereenkomst die eindigt op of na 1 januari 2020 het nieuwe recht geldt. Nu de ketenregeling wordt verruimd (van 24 naar 36 maanden) zal dat niet tot onverwachte uitkomsten leiden. Voor de transitievergoeding geldt dat het moment waarop de procedure tot beëindiging is gestart, bepalend is voor de vraag of het oude of het nieuwe recht van toepassing is (MvT, Kamerstukken II 35074, nr. 3, p. 70 e.v. en 155). Dit geldt ook voor de toepassing van art. 7:673a BW, de overgangsregeling voor oudere werknemers. Voor de Regeling compensatie transitievergoeding, die per 1 april 2020 is ingevoerd (art. 7:673e BW) is bepaald dat de compensatie pas kan worden verstrekt als de arbeidsovereenkomst eindigt nadat de werknemer ten minste 104 weken arbeidsongeschikt is geweest (art. XIII lid 1 WAB). Het art. XIII lid 2 WAB stelt in het kader van het vervallen van de overgangsregeling voor oudere werknemers buiten twijfel dat alleen het bedrag aan transitievergoeding dat op het moment van beëindigen van de arbeidsovereenkomst (als dat na 1 januari 2020 ligt) verschuldigd is, gecompenseerd kan worden en niet het bedrag aan transitievergoeding dat op het moment dat de 104 weken verstrijken (als dat voor 1 januari 2020 ligt), verschuldigd zou zijn.’
Op grond van het vorenstaande gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting terzake van artikel 7:673 lid 4 BW, nu de wetsgeschiedenis ter zake van de totstandkoming geen aanknopingspunten biedt voor de opvatting dat dit artikel alleen toepassing vindt indien de werkgever de eerste keer heeft opgezegd.
III
Het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten vitiëert ook rovv. 3.12.1 t/m 4 (het dictum).
Weshalve:
[de werknemer] op grond van dit middel de vernietiging van de beschikking vordert met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, met veroordeling van verweerder in cassatie in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na het te deze te wijzen beschikking van de Hoge Raad.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑09‑2024
Bedoeld wordt hiermee de toepassing van artikel 7:669 derde lid sub g: een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren;
Arbeidsovereenkomst, art. 7:669 BW, aant. 5.7.1 (D.J.B. de Wolft).
Terwijl die zeer breed is geformuleerd.
Zie bijvoorbeeld: Asser/Sieburgh 6-III 2022/370 t/m 377.
Dan dient de vraag te worden beantwoord of de buitenlandclausule in samenhang met de standplaatsclausule (zie A 10, 12en 14) ) moet worden beschouw als een beding in de zin van artikel 7:613 BW, dat de werkgever de bevoegdheid geeft arbeidsvoorwaarden, waaronder de inhoud van de arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen),
Waarmee wordt bedoeld dat hij telkens twee maanden in het buitenland zou verblijven en één in Nederland. Zie appelschrift rnr. 21 en A sub 18 en 19.
In het gesprek op 11 mei 2023 heeft [de werknemer] aangegeven dat hij wel naar het project in Mexico wilde, dat was, zoals gebruikelijk binnen rock placement, een project met een relatief korte uitvoeringsduur van een paar weken en zou geen conflict geven met zijn verlof- en trouwplannen. De keus om hem direct naar het buitenland te sturen of het bedrijf te verlaten kwam pas op 5 juni omdat DEME wist dat [de werknemer] daar niet mee kon instemmen vanwege zijn aankomend verlof. Het was van DEME nooit de bedoeling dat [de werknemer] daadwerkelijk naar het buitenland zou gaan, maar dat hij het bedrijf zou verlaten. Zie verweerschrift in incidenteel appel rnrs 19 t/m 156.
Zie A 19
Het bewijsaanbod op p. 17 van het appelschrift.
De Hoge Raad heeft in HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847, (Stoof/Mammoet) bepaald voor de situatie dat er geen beding ex artikel 7:613 BW is overeengekomen, dat de werknemer in beginsel niet gehouden is om in te stemmen met voorstellen van de werkgever tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Daarover moet tussen hen overeenstemming worden bereikt, in welk verband de voor de werkgever en de werknemer over en weer uit art. 7:611 BW voortvloeiende verplichtingen van belang zijn. Op grond van de daarin opgenomen verplichting om zich als goed werknemer te gedragen, kan van de werknemer onder omstandigheden toch worden gevergd met een voorstel tot wijziging in te stemmen. De Stoof/Mammoet-toets komt hierop neer: (1) heeft de werkgever als goed werkgever aanleiding kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van arbeidsvoorwaarden? (2) is het door de werkgever gedane voorstel redelijk? (3) kan aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijk voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer worden gevergd? Zie ook: HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1759
De 3 gesprekken vonden plaats in een periode van minder dan een maand in tijd, 11 mei, 23 mei en 6 juni, pas in het derde gesprek werd een vermeende verstoorde arbeidsrelatie vermeld maar DEME wilde hier verder geen toelichting over geven. Van de eerdere 2 gesprekken werden gespreksverslagen gemaakt die niet overeenkwamen met de gesprekken.
Vindplaats
P-v HB p. 8
Zie verweerschrift in incidenteel appel rnr 55.
HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2356, NJ 2017/370 met annotatie van E. Verhulp
Dat is de uitspraak waar het hof in de onderhavige zaak naar verwijst.