Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/2.4.2
2.4.2 Keuze voor een communautair instrument
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS378231:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 249 EG.
Idem. Voor de voor- en nadelen van een verordening dan wel een richtlijn wordt verwezen naar K. Lenaerts, P. Van Nuffel, Europees recht in hoofdlijnen, 2003, nrs. 723 t/m 742.
In geval van het Verdrag van San Sebastian/Donostia betreffende de toetreding van Spanje en Portugal tot het EEX-Verdrag (Trb. 1989, 142) heeft het, door toedoen van België, bijna zes jaar geduurd (of acht en half, indien gerekend vanaf de dag van de totstandkoming van het verdrag), voordat het EEX-Verdrag tussen alle lidstaten in werking is getreden.
Mijns inziens moet men bij een maatregel, gebaseerd op Titel IV EG, van een beperkt voordeel spreken, aangezien er in dat geval sprake is van een achteruitgang in de mogelijkheid om een prejudiciële vraag aan het HvJ EG te stellen (zie paragraaf 2.3).
Bijna alle bevoegdheden van de Gemeenschap zijn niet-exclusief. Zie hierover K. Lenaerts, P. Van Nuffel, Europees recht in hoofdlijnen, 2003, nr. 84.
Art. 5, 2e alinea EG.
COM (1999) 348 def., p. 6, onder 3. Zie over het begrip 'evenredigheidsbeginsel' K. Lenaerts, P. Van Nuffel, Europees recht in hoofdlijnen, 2003, nr. 98 e.v.
COM (1999) 348 def., p. 6, onder 3.
Dit in verband met de beperkte geografische gelding van een dergelijke maatregel. Een maatregel gebaseerd op Titel IV EG geldt niet voor Denemarken en onder omstandigheden ook niet voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Aldus dringt zich de vraag op, waarom de Gemeenschap een dergelijke maatregel wil invoeren, als daardoor niet in de gehele Gemeenschap de 'ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid' gecreëerd kan worden.
De Commissie heeft haar voorstel voor de vereenvoudiging van de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de vorm van een verordening gegoten. De Commissie had ook voor een richtlijn kunnen kiezen. De materie van erkenning en tenuitvoerlegging is echter van zodanig belang dat er aan de lidstaten van de EU een minimale vrijheid geboden moet worden bij de uitwerking van deze materie. Een verordening heeft algemene strekking en is verbindend in al haar onderdelen. Zij is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.1 Een richtlijn is slechts verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat; aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid voor de keuze van de vorm en middelen overgelaten.2 Aangezien de Europese Unie door het creëren van een 'ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid' de regels van het internationaal privaatrecht wenst te unificeren, verdient een verordening de voorkeur boven een richtlijn. De keuze voor een richtlijn kan ertoe leiden dat door de verschillende nationale uitwerkingen de justitiabelen ongelijk behandeld worden. De toelichting bij het verordeningsvoorstel noemt twee argumenten voor de keuze voor een verordening. Ten eerste de rechtszekerheid, omdat door middel van een verordening de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen gelijkelijk bewerkstelligd wordt. Ten tweede de doorzichtigheid, want door de inwerkingtreding van een verordening is direct duidelijk welke regels toepasselijk zijn.
Een belangrijk voordeel van het communautaire instrument van de verordening boven bijvoorbeeld een verdrag is de inwerkingtreding ineens. Voor de inwerkingtreding van een verordening behoeft de weg van de nationale ratificatieprocedures niet meer te worden bewandeld. De verschillende ratificatieprocedures kunnen tot gevolg hebben dat de inwerkingtreding van de diverse toetredingsverdragen voor alle verdragsluitende staten enige tijd op zich laat wachten.3
Het voordeel van een communautair instrument, in welke vorm dan ook, is dat het niet meer nodig is om een uitleggingsprotocol aan het instrument toe te voegen. Doordat het instrument een onderdeel van het acquis communautaire uitmaakt, is het HvJ EG op basis van het EG-Verdrag bevoegd om de bepalingen van het gekozen instrument te interpreteren.4 Eveneens heeft een verordening tot gevolg dat er geen aanpassingsverdragen bij de toetreding van een staat tot de EU gesloten moeten worden. Door de enkele toetreding tot de EU wordt de verordening automatisch in die staat van toepassing.
Indien de Gemeenschap op basis van een niet-exclusieve bevoegdheid optreedt, dient zij overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel te handelen.5 Dit betekent dat de Gemeenschap slechts optreedt, indien en voorzover de doelstellingen van de Gemeenschap niet voldoende door de lidstaten zelf verwezenlijkt kunnen worden.6 De Commissie is in haar toelichting bij het verordeningsvoorstel van mening dat de lidstaten afzonderlijk het beoogde doel van deze maatregel, namelijk het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken, niet kunnen verwezenlijken. Eveneens is de Commissie van mening dat de materie met name door het grensoverschrijdende karakter zich voor een communautaire regeling leent. Reeds het EEX-Verdrag heeft, zoals al meermaals benadrukt, tot doel de regels met betrekking tot de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te vereenvoudigen. Het verdrag heeft, wat de erkenning van een rechterlijke beslissing betreft, al een vrij verkeer daarvan bewerkstelligd en de tenuitvoerlegging aanzienlijk vereenvoudigd. Met het subsidiariteitsbeginsel hangt ook het beginsel van evenredigheid samen. De maatregel moet zich beperken tot het minimum dat nodig is om de doelstellingen te bereiken.7
De vraag die men zich in het algemeen moet stellen, is waarom de Gemeenschap de materie die onder het EEX-Verdrag valt, door een communautair instrument wil regelen. Volgens de Commissie is het voor de justitiabelen nodig dat de laatstgenoemden in de gehele Gemeenschap dezelfde rechten op dezelfde manier kunnen doen gelden. Deze gedachte past in de geleidelijke verwezenlijking van een 'ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid'. Ter verwezenlijking hiervan neemt de Gemeenschap maatregelen aan die nodig zijn voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt.8 Het primaire doel van de Europese Gemeenschap is de economische samenwerking die zich geleidelijk ook in een partiële politieke samenwerking heeft ontwikkeld. Elke maatregel die door de Gemeenschap wordt aangenomen, heeft betrekking op de interne markt. In geval van een maatregel die op Titel IV EG is gebaseerd, zal echter altijd sprake zijn van een 'hinkende' maatregel.9