Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/6.3.3.1:6.3.3.1 Overduidelijke onevenredig ongelijke behandeling
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/6.3.3.1
6.3.3.1 Overduidelijke onevenredig ongelijke behandeling
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS412609:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
O.a. Van der Linde 2002a, p. 20.
Van Dijk en Van Hoof 1998, p. 719.
HR 21 oktober 1992, nr. 28 548, BNB 1993/29 (m.nt. Zwemmer).
HR 19 mei 1993, nr. 28 273, BNB 1993/242 (concl. A-G Van Soest; m.nt. Brunt).
HR 4 oktober 2002, nr. 37 439, BNB 2002/406.
Kamerstukken II 1999-2000, 26 728, nr. 6, p. 3.
Zie bijv. Lubbers 2004, p. 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dikwijls wordt ervan uitgegaan dat zonder ongelijke behandeling van gelijke gevallen geen schending van art. 26 IVBPR of art. 14 EVRM kan ontstaan.1 Van Dijk en Van Hoof stellen echter dat art. 14 EVRM ook betrekking heeft op de ongelijke behandeling van ongelijke gevallen.2 Ook de Hoge Raad hanteert deze zienswijze als het gaat om de toepassing van art. 26 IVBPR. Voor het eerst in 1992 oordeelde de Hoge Raad als volgt:3
‘Discriminatie op de grond dat ongelijke gevallen onevenredig ongelijk worden behandeld, doet zich slechts voor bij een overduidelijke onevenredigheid.’
De vraag rijst aldus wanneer sprake is van een ‘overduidelijke onevenredigheid’. In de jurisprudentie wordt ter beantwoording van deze vraag zowel een kwantitatief als een kwalitatief criterium aangetroffen. De jurisprudentie is evenwel zeer casuïstisch van aard, waardoor geen algemene richtlijnen kunnen worden geformuleerd. In HR 19 mei 1993, nr. 28 273 oordeelde de Hoge Raad bijvoorbeeld inzake de waardering van koffiemaaltijden, dat van een verschil in waardering van gedurende een jaar door werknemers genoten koffiemaaltijden ten bedrage van ƒ 246 niet kan worden gezegd dat het leidt tot een overduidelijke onevenredigheid.4 In HR 4 oktober 2002, nr. 37 439 oordeelde de Hoge Raad dat van een overduidelijke onevenredigheid geen sprake is indien verschillende termijnen voor enerzijds de verrekening van investeringsbijdragen en anderzijds de verrekening van verliezen worden gehanteerd.5 Deze jurisprudentie laat zich moeilijk vertalen naar overgangssituaties. In de parlementaire geschiedenis is met betrekking tot overgangssituaties wel eens gesteld dat bij het bepalen van de mate van ongelijke behandeling ook rekening moet worden gehouden met de voordelen die het nieuwe regime biedt, omdat ook bestaande toestanden hiervan profiteren.6 Bij toepassing van de compensatietheorie acht ik het terecht dat bij het bepalen van de omvang van het nadeel ook rekening wordt gehouden met de voordelen van het nieuwe regime die de betrokken belastingplichtige toekomen (par. 5.2.4.4). Bij toetsing aan het gelijkheidsbeginsel is dit uitgangspunt naar mijn mening evenwel niet terecht. Ook nieuwe toestanden profiteren immers van de voordelen van het nieuwe regime, waardoor de voordelen die zowel bestaande als nieuwe toestanden toekomen niet bepalend zijn voor de mate van ongelijke behandeling.
Bij verandering van wetgeving is naar mijn mening in beginsel van een overduidelijke onevenredigheid sprake indien:
de wetgever zonder overgangsmaatregel een nieuwe regel invoert, waardoor oude en nieuwe toestanden ongelijk worden behandeld (par. 6.3.3.2); en
voor verschillende groepen belastingplichtigen verschillende overgangsregimes treft die geen recht doen aan de mate van ongelijkheid tussen die belastingplichtigen (par. 6.3.3.3).7