Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/2.5.3
2.5.3 Belanghebbenden
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196936:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook 2.5.1.
In de derde titel van Boek 1 Rv.
HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149, m.nt. J.M.M. Maeijer (Leonhard WoltjerStichting).
Kamerstukken II 1963/64, 7753, 3, p. 7 (MvT).
Josephus Jitta merkt op dat de Ondernemingskamer met die bevoegdheid ruimhartig omgaat (Josephus Jitta, in T&C Burgerlijk Wetboek, aant. 4 (online bijgewerkt t/m 1 juli 2019). Jager stelt – mijns inziens terecht – dat de Ondernemingskamer partijen, van wie in redelijkheid kan worden vermoed dat ze belanghebbende zijn, op de voet van art. 279 lid 1 Rv moet oproepen voor de behandeling (Jager 2019/11.7).
HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, ARO 2003/97 (Scheipar), ro 3.3.2: “Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen”.
OK 13 december 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU7820, ARO 2012/4 (Leidsestraat Apotheek).
OK 29 augustus 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AG8178, ARO 2002/151 (Case Packing).
De dochtervennootschap was een samenwerkingsverband aangegaan met een partij die tevens concurrent was. Tussen de samenwerkingspartijen was een hooglopend conflict ontstaan. In de enquêteprocedure wees de rechtspersoon op het conflict en voerde aan dat de wederpartij/concurrent op onbehoorlijke wijze probeerde de zeggenschap in haar te krijgen (OK 29 augustus 2002, r.o. 3.6).
OK 29 augustus 2002, r.o. 3.7: “In het licht van de doeleinden van het enquêterecht en de mogelijkerwijze te treffen voorzieningen en gelet op belangen ter behartiging waarvan de enquêteprocedure in de wet is opgenomen, valt niet in te zien op welke grond (de contractuele wederpartij, AF) zou moeten worden aangemerkt als belanghebbende bij een onderzoek en de uitkomst daarvan”.
Storm 2018, 2.3.2.8.
OK 27 mei 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AD3062 (Gucci). Ten tijde van de beschikking vigeerde een oudere versie van art. 2:346 BW.
[67] In het enquêterecht worden de betrokkenen, die niet de verzoeker of de rechtspersoon-verweerder zijn, belanghebbenden genoemd.1 Voor de positie van die belanghebbenden is in de eerste plaats de regeling voor de verzoekschriftprocedure van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering relevant.2 Uit die regeling blijkt dat in een verzoekschrift belanghebbenden kunnen worden genoemd, dat belanghebbenden in de procedure kunnen verschijnen, en dat belanghebbenden een verweerschrift kunnen indienen dat bovendien een zelfstandig verzoek mag bevatten.3 Wie belanghebbende kunnen zijn is daarmee nog niet duidelijk; de bepalingen bieden geen omschrijving van het begrip belanghebbende. In het algemeen geldt dat uit de aard van de procedure moet worden afgeleid wie tot de belanghebbenden zijn te rekenen.4 In geval van twijfel heeft de rechter daarover het laatste woord.5 Dat is in het enquêterecht niet anders.6
[68] De Hoge Raad heeft in de zaak Scheipar voor het enquêterecht lijnen uitgezet waarlangs beslist moet worden.7 Wie bij de uitkomst van de enquêteprocedure een belang heeft dat hij moet kunnen beschermen, kan belanghebbende zijn. Ook wie anderszins nauw betrokken is bij ‘het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld’ kan belanghebbende zijn.
Het gebeurt niet vaak dat de Ondernemingskamer oordeelt dat iemand niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. In een geval waarin om een enquête was verzocht bij een vennootschap die een apotheek exploiteerde, knoopte de Ondernemingskamer aan bij het criterium van de Scheipar-zaak.8 Een persoon die als waarnemer van de beherend apotheker was opgetreden, maar niet op enige wijze betrokken was geweest bij het beleid of de vennootschapsrechtelijke verhoudingen, werd niet als belanghebbende in de procedure toegelaten. De zaak Case Packing speelde voordat de Hoge Raad zich in de zaak Scheipar had uitgesproken.9 Een contractuele wederpartij van een dochtervennootschap van de rechtspersoon werd niet aangemerkt als belanghebbende.10 De doeleinden van het enquêterecht en de belangen met het oog waarop de enquêteprocedure de wet is opgenomen, boden geen grond om hem te beschouwen als belanghebbende bij de procedure.11 Uit deze uitspraak kan mijns inziens niet worden afgeleid dat een contractuele wederpartij in een enquêteprocedure nooit als belanghebbende kan optreden. Als hij, bijvoorbeeld door een dreigende onmiddellijke voorziening, ‘in een eigen belang kan worden getroffen’ is er mogelijk ruimte om hem als belanghebbende tot de procedure toe te laten. Ook Storm ziet ruimte om een crediteur als belanghebbende te beschouwen, omdat diens belang geraakt kan worden door slecht beleid van de rechtspersoon.12
[69] Tot de belanghebbenden in een enquêteprocedure worden in elk geval gerekend: de bestuurders, de commissarissen, de ondernemingsraad en de aandeelhouders, ook die aandeelhouders die niet enquêtebevoegd zijn omdat zij niet voldoen aan de kapitaaleis van artikel 2:346 BW.13