ECLI:NL:GHAMS:2024:1276 (parketnummer 23-002349-20).
HR, 04-11-2025, nr. 24/02069
ECLI:NL:HR:2025:1625
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-11-2025
- Zaaknummer
24/02069
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1625, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:795
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:1276
ECLI:NL:PHR:2025:795, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1625
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑03‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0342
PFR-Updates.nl 2025-0228
NJ 2026/36 met annotatie van P.A.M. Mevis
Uitspraak 04‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Kinderontvoering naar India. Uitlokking medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr) en (medeplegen) onttrekking van minderjarige aan wettig gezag (art. 279.2 Sr) door in 2016 in Amsterdam zijn 2-jarige dochter met geweld te laten weghalen bij haar moeder en haar naar India te laten brengen. Had hof ambtshalve niet-verschenen verdachte in de gelegenheid moeten stellen via videoconferentie a.b.i. art. 131a Sv aan onderzoek ttz. in hoger beroep deel te nemen? V.zv. middel is gericht tegen het uitblijven van beslissing van voorzitter hof om verdachte op zitting te horen per videoconferentie a.b.i. art. 131a Sv, moet middel onbesproken blijven. Eventueel gebruik van videoconferentie betreft beslissing die voorzitter i.h.k.v. orde op zitting kan nemen. Tegen (het uitblijven van) deze beslissing staat geen h.b. of cassatieberoep open (vgl. HR:2024:1771). Opvatting dat art. 6 EVRM in geval als dit (waarin (i) verdachte in het buitenland verblijft en (ii) tegen hem bevel tot gevangenneming is gegeven) eraan in de weg staat dat onderzoek ttz. wordt voortgezet, als niet-verschenen verdachte niet ambtshalve in de gelegenheid wordt gesteld via videoconferentie aan dat onderzoek deel te nemen, is niet juist. Onder omstandigheden kan door gebruik van videoconferentie a.b.i. art. 131a Sv recht van fysiek op zitting afwezige verdachte op “a fair and public hearing” worden gerealiseerd (vgl. EHRM nr. 66580/12 (Bivolaru/Roemenië (2)) en HR:2019:709). Uit rechtspraak EHRM volgt echter niet dat die gelegenheid van videoconferentie zonder meer moet worden geboden als verdachte vrijwillig afstand doet van zijn aanwezigheidsrecht of door afwezigheid probeert aan zijn berechting te ontkomen. Eventuele vrees van verdachte voor gevangenneming als hij proces in Nederland zou bijwonen, maakt dit niet anders. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01916, 24/01953, 24/02019 en 24/02184. Vervolg op HR:2022:1765.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02069
Datum 4 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024, nummer 23-002349-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten G. Spong en C.G. Peerik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de [benadeelde] heeft de advocaat J.P. Plasman een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Namens de verdachte heeft de advocaat G. Spong daarop schriftelijk gereageerd.
2. Korte weergave van de zaak
Het gaat in deze zaak en de zaken van de mededaders om het volgende, zoals samengevat in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 en 2.2. Op 29 september 2016 is de destijds tweejarige [benadeelde] ontvoerd uit de woning van haar oma in [plaats] . De ontvoering was zorgvuldig voorbereid door de in India woonachtige verdachte. Hij had daartoe de hulp ingeroepen van een groot aantal personen, onder wie de mededaders [medeverdachte 1] (24/02019), [medeverdachte 2] (24/01916), [medeverdachte 3] (24/01953) en [medeverdachte 4] (24/02184).
Kort nadat in de ochtend van 29 september 2016 door [medeverdachte 4] werd gemeld dat de moeder van [benadeelde] de betreffende woning had verlaten, is [medeverdachte 1] met twee andere mededaders de woning binnengetreden. [medeverdachte 1] had tie-wraps en een stroomstootwapen bij zich. [medeverdachte 1] is met de in de woning aanwezige familieleden in een worsteling geraakt en is ter plaatse aangehouden. De andere twee mededaders hebben [benadeelde] vanuit de woning meegenomen naar een ophaalpunt in [plaats] , waar de verdachte met mededaders op hen stond te wachten. Vanaf dat ophaalpunt heeft [medeverdachte 3] [benadeelde] en de verdachte naar Duitsland gereden, waarna de verdachte haar naar India heeft gebracht.
3. Beoordeling van het achtste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof ten onrechte niet ambtshalve de niet-verschenen verdachte in de gelegenheid heeft gesteld via een videoconferentie als bedoeld in artikel 131a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep deel te nemen.
3.2
De procesgang in deze zaak is samengevat in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.2.
3.3
Voor zover het cassatiemiddel is gericht tegen het uitblijven van een beslissing van de voorzitter van het hof om de verdachte op de zitting te horen per videoconferentie als bedoeld in artikel 131a Sv, moet het cassatiemiddel onbesproken blijven. Het eventuele gebruik van videoconferentie betreft een beslissing die de voorzitter in het kader van de orde op de zitting kan nemen. Tegen (het uitblijven van) deze beslissing staat geen hoger beroep of cassatieberoep open. (Vgl. HR 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1771.)
3.4
Het cassatiemiddel steunt verder op de opvatting dat artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in een geval als dit – waarin (i) de verdachte in het buitenland verblijft en (ii) tegen de verdachte een bevel tot gevangenneming is gegeven – eraan in de weg staat dat het onderzoek op de terechtzitting wordt voortgezet, als de niet-verschenen verdachte niet ambtshalve in de gelegenheid wordt gesteld via videoconferentie aan dat onderzoek deel te nemen. Die opvatting is niet juist. Onder omstandigheden kan door het gebruik van videoconferentie als bedoeld in artikel 131a Sv het recht van de fysiek op de zitting afwezige verdachte op ‘a fair and public hearing’ worden gerealiseerd (vgl. EHRM 2 oktober 2018, nr. 66580/12 (Bivolaru/Roemenië (2)), overweging 138 en, in enigszins ander verband, HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:709, rechtsoverweging 2.3.4). Uit de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens volgt echter niet dat die gelegenheid van videoconferentie zonder meer moet worden geboden als een verdachte vrijwillig afstand doet van zijn aanwezigheidsrecht of door afwezigheid probeert aan zijn berechting te ontkomen. De eventuele vrees van de verdachte voor gevangenneming als hij het proces in Nederland zou bijwonen, maakt dit niet anders.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2025.
Conclusie 15‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Uitlokken van medeplegen van ontvoering en medeplegen onttrekken aan het gezag van 2-jarig meisje door haar mee te nemen naar India (art. 47, 279 en 282 Sr). De verdachte is de vader van het meisje. Middelen hebben betrekking op de geldigheid van de kennisgevingen van de inleidende dagvaarding (1 en 2), rechtsmacht van de Nederlandse rechter (3), psychische overmacht (4), de strafmotviering (5, 7 en 9), achterwege laten van een videoconferentie met de verdachte (8) en de immateriële schade die is toegewezen aan het meisje. Alle middelen falen en de conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO, behalve middel 8). Samenhang met 24/01916, 24/01953, 24/02019 en 24/02184.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02069
Zitting 15 juli 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep – met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam – de verdachte bij arrest van 13 mei 20241.wegens:
1. “uitlokking van medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”
en
2. “de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld is gebezigd en de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is” en “opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Onder meer heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 10.000,- en ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/01916, 24/01953, 24/02019 en 24/02184. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en G. Spong en C.G. Peerik, beiden advocaat in Amsterdam, hebben negen middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [benadeelde] is een verweerschrift ingediend.
De zaak in het kort
2.1 Uit de vaststellingen van het hof komt het volgende naar voren. Op 29 september 2016 is de destijds tweejarige [het kind] (hierna: [het kind] ) ontvoerd uit de woning van haar oma in Amsterdam . De ontvoering was zorgvuldig voorbereid door de (reeds toen) in India woonachtige verdachte. Hij had daartoe de hulp ingeroepen van een groot aantal personen, waaronder medeverdachten [medeverdachte 1] (24/01916) en [medeverdachte 2] (24/01953). [medeverdachte 2] heeft op zijn beurt onder andere een observatie-opdracht aan medeverdachte [medeverdachte 3] (24/02184) verstrekt. Van de resultaten van de observaties werd aan [medeverdachte 2] verslag gedaan en deze resultaten werden – tezamen met het verdere plan van aanpak – besproken tijdens daartoe georganiseerde bijeenkomsten.
2.2 Kort nadat op de ochtend van 29 september 2016 door [medeverdachte 3] aan de verdachte werd gemeld dat de moeder van [het kind] de betreffende woning had verlaten, zijn medeverdachte [medeverdachte 4] (24/02019) en twee andere medeverdachten de woning binnengetreden. [medeverdachte 4] had tie-wraps en een stroomstootwapen bij zich en is in een worsteling geraakt met daar aanwezige familieleden van [het kind] . De andere twee medeverdachten hebben [het kind] vanuit de woning meegenomen naar een ophaalpunt in Eemnes, waar de verdachte haar stond op te wachten. Vanaf dat ophaalpunt heeft [medeverdachte 2] [het kind] en de verdachte naar zijn woning in Duitsland gereden, waarna de verdachte haar naar India heeft gebracht. Ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest verbleef [het kind] daar nog altijd.
De middelen en de bespreking daarvan samengevat
2.3 De klachten in de schriftuur hebben in de eerste plaats betrekking op de inleidende dagvaarding bij de rechtbank. Het hof zou hebben nagelaten te onderzoeken of daarvan een afschrift aan de raadsman was toegezonden (middel 1). Het hof zou daarnaast hebben verzuimd te reageren op het verweer dat die dagvaarding nietig is (middel 2). Het eerste middel faalt naar ik meen, omdat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat de verdachte toen niet door een raadsman werd bijgestaan (zie hierna onder 3.1 – 3.3). Het tweede middel ontbeert feitelijke grondslag (zie hierna onder 4.1 – 4.7).
2.4 In de schriftuur wordt verder geklaagd (middel 8) dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de verdachte te horen door middel van een videoconferentie. Hierna onder 5.1 – 5.19 licht ik toe dat de daartoe door de verdediging aangehaalde vrees voor detentie mijns inziens niet een omstandigheid oplevert die het hof ertoe verplichtte ambtshalve een dergelijk alternatief te overwegen.
2.5 In de schriftuur wordt ook geklaagd over schending van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv (middel 3). Het hof zou niet toereikend hebben gerespondeerd op het verweer van de verdediging dat Nederland geen rechtsmacht heeft en het openbaar ministerie daarom nietontvankelijk moet worden verklaard. De soevereiniteit van India zou volgens de verdediging aan die rechtsmacht in de weg staan. Ook dit middel faalt naar ik meen, nu aan de verdachte enkel gedragingen in Nederland en Duitsland ten laste zijn gelegd en het hof gemotiveerd uiteen heeft gezet dat Nederland rechtsmacht heeft op grond van art. 2 Sr (zie hierna onder 6.1 – 6.5).
2.6 Door de stellers van het middel wordt verder geklaagd dat het hof het verweer van de verdediging dat de verdachte heeft gehandeld in psychische overmacht heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen (middel 4). Dat middel faalt, omdat het hof mijns inziens toereikend heeft gemotiveerd dat de door verdediging aangehaalde omstandigheden naar zijn oordeel een beroep op psychische overmacht niet rechtvaardigen. Het heeft daarbij terecht acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte gedurende ruime tijd planmatig, professioneel en op gecontroleerde wijze te werk is gegaan, terwijl geen specifiek, (enigszins) acuut moment van (voldoende) psychische druk valt aan te wijzen (zie hierna onder 7.1 – 7.10).
2.7 In de schriftuur wordt verder geklaagd over de strafmotivering, waarbij de stellers van het middel hun pijlen richten op een drietal overwegingen van het hof (middel 5, 7 en 9). Het vijfde en negende middel falen omdat zij – kort gezegd – berusten op een verkeerde lezing van het arrest (zie hierna onder 8.3 – 8.6 respectievelijk 8.12 – 8.15). Het zevende middel faalt reeds omdat geen sprake is van een omstandigheid waarop het hof bij de strafoplegging in strafverzwarende zin acht heeft geslagen (zie hierna onder 8.7 – 8.11).
2.8 Over de toewijzing van de namens [het kind] ingediende vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt eveneens geklaagd (middel 6). Die klacht slaagt mijns inziens niet, nu deze berust op de onjuiste opvatting dat het hof de aanspraak op vergoeding van immateriële schade heeft gegrond op het bestaan van geestelijk letsel (zie hierna onder 9.1 – 9.4).
Het eerste middel
3.1 Het middel klaagt dat het hof heeft nagelaten te onderzoeken of overeenkomstig art. 48 Sv een afschrift van de dagvaarding in eerste aanleg aan de raadsman van de verdachte is toegezonden.
3.2 Het middel faalt. Zoals ook door de stellers van het middel wordt aangehaald, houdt het procesverbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 23 september 2020 onder meer in dat de “verdachte niet [wordt] bijgestaan door een (gemachtigde) advocaat”. Nu in hoger beroep niet is aangevoerd dat en waarom het hof niet van de juistheid daarvan heeft kunnen of mogen uitgaan, zie ik niet in waarom het hof het in het middel bedoelde onderzoek had moeten verrichten.
3.3 Dat in de schriftuur nog wordt gewezen op de blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 januari 2020 door het OM gedane mededeling dat “zich geen advocaat heeft gesteld in de zaak van de verdachte: mr. Spong, die verdachte eerder heeft bijgestaan, is benaderd, maar heeft aangegeven dat hij verdachte niet langer bijstaat” maakt dat niet anders. Voor zover de stellers van het middel het standpunt hebben willen innemen dat die informatie “ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding c.q. oproeping en ter behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg” niet meer actueel was, merk ik op dat daarop niet voor het eerst in cassatie met vrucht een beroep kan worden gedaan. Bovendien wijst een zich bij de stukken bevindende, door een medewerker van de rechtbank Amsterdam op 16 september 2020 aan mr. Spong verzonden e-mail op het tegendeel. Die e-mail houdt immers in:
“(…)
Verzonden: woensdag 16 september 2020 08:49
Aan: mr G Spong (Spong Advocaten)
Onderwerp: Telefoongesprek 15 september 2020
Geachte mr. Spong,
Op 15 september 2020 heb ik u gesproken over de mega 13Plumeau. Ik heb u verteld dat uit het dossier niet is gebleken dat u zich als raadsman van verdachte [verdachte] heeft gesteld en heb u gevraagd of dit klopt (en of de rechtbank dus van die informatie mag uitgaan). U heeft toen bevestigd dat dit klopt en dat de rechtbank van die informatie mag uitgaan. Op uw verzoek stuur ik deze mail met daarin een weergave van ons gesprek.
Met vriendelijke groet,
mr. K.P. (Kavita) Jit
Senior juridisch medewerker”.
Het tweede middel
4.1 Het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het verweer inhoudende dat de inleidende dagvaarding nietig is.
4.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2023 heeft de raadsman aldaar bij wijze van preliminair verweer als bedoeld in art. 283 lid 1 Sv het woord gevoerd conform zijn overgelegde pleitnota, getiteld: ‘Nietigheid inleidende dagvaarding’. Die pleitnota komt er in de kern op neer dat sprake is van een nietige dagvaarding in eerste aanleg, omdat – kort gezegd – bij de betekening een onjuist adres is gebruikt en dat is nagelaten betekening door elektronische overdracht te doen plaatsvinden.
4.3 Het proces-verbaal houdt verder het volgende in:
“Het onderzoek wordt onderbroken voor beraad.
Het onderzoek wordt hervat.
(…)
De voorzitter deelt als overwegingen en beslissingen van het hof ten aanzien van het preliminaire verweer van de verdediging (betreffende de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep) en het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam (verband houdend met het standpunt dat de inleidende dagvaarding en de oproeping voor de nadere zitting in eerste aanleg nietig zijn) het volgende mede.
(…)
De voorzitter deelt daarbij als vaststellingen en overwegingen ten aanzien van de dagvaarding en oproeping(en) van de verdachte in eerste aanleg mede dat:
- voor de uitreiking van de inleidende dagvaarding en de oproeping voor de nadere terechtzitting in eerste aanleg alleen gebruik is gemaakt van het adres [a-straat] ;
- de toepasselijke voorschriften voor de uitreiking van de inleidende dagvaarding voor de zitting van 20 januari 2020, waren opgenomen in artikel 588, tweede lid, Sv en voor de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting van 23 september 2020 waren opgenomen in artikel 36e, lid 3, Sv, dat op 1 januari 2020 in werking is getreden. Deze wetswijziging hield geen inhoudelijke wijziging van voorschriften voor de uitreiking in voor zover het gaat om de situatie van de, in het buitenland verblijvende, verdachte.
In lijn met hetgeen ten aanzien van de appeldagvaarding werd overwogen, wordt overwogen dat:
- er geen verwarring kan ontstaan over de vraag of [a-straat] en [b-straat] één en hetzelfde adres betreffen. Immers, de adresgegevens bevatten meer aanduidingen, waaronder een uitgebreidere straatnaam, voorzien van een huisnummer, en de naam van een wijk dan wel stadsdeel waardoor de verschillende schrijfwijzen geen significant verschil inhouden;
- de wet geen verplichting inhoudt of inhield om de dagvaarding of oproeping voor de nadere terechtzitting elektronisch te betekenen. Artikel 36b, tweede lid, Sv, dat sinds 1 januari 2020 van kracht is, kan niet zo worden gelezen dat daarin een algemene, voorkeur van de wetgever, ongeacht de woon- of verblijfplaats van de verdachte, voor elektronische betekening tot uitdrukking is gebracht;
- indien en voor zover het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad al van toepassing moet worden geacht, hieruit geen aanvullende voorschriften kunnen worden afgeleid voor de uitreiking van de dagvaarding of oproeping. De raadsman heeft in zijn betoog ook geen voorschriften aangeduid die voor het OM aanleiding moeten zijn geweest tot een andere handelwijze bij de uitreiking van de inleidende dagvaarding en oproeping.
Het hof stelt vast dat de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting van heden uiteenlopende aanknopingspunten bieden voor de woon- of verblijfplaats van de verdachte in India. Daarbij gaat het onder meer om de volgende, aan diverse bronnen te ontlenen adressen:
- een e-mailbericht van Interpol India van 22 november 2019 waarin is vermeld het adres [a-straat] ;
- een beëdigde verklaring van de verdachte van 15 december 2022 waarin is vermeld het adres [b-straat] ;
- de appelschriftuur van 5 november 2020 waarin is vermeld het adres [c-straat] ;
- de mededeling van de raadsman van 8 juli 2022 inhoudend het adres [c-straat] ;
- diverse stukken betreffende civiele procedures waarin de verdachte partij was waarbij het adres [c-straat] is gebruikt;
- de mededeling van de gemachtigd raadsman ter terechtzitting in hoger beroep dat de verdachte als hoofdverblijfplaats [c-straat] heeft maar ook woont op [d-straat] en [b-straat] .
Bij de beoordeling van het standpunt van de raadsman komt voorts, wat betreft de aan te leggen maatstaf, betekenis toe aan het volgende:
- voor de beantwoording van de vraag of de uitreiking van de dagvaarding en de oproeping in eerste aanleg rechtsgeldig zijn, moet ervan worden uitgegaan dat een correcte uitreiking op één van de bekende adressen voldoende is;
- het hof kan in dit verband informatie betrekken die pas na die uitreiking bekend is geworden.
Deze vaststellingen en overwegingen leiden het hof tot de slotsom dat de uitreiking van de inleidende dagvaarding en de oproeping voor de nadere terechtzitting van de rechtbank op rechtsgeldige wijze zijn geschied. Dit brengt met zich dat een situatie als bedoeld in artikel 422a, eerste lid, Sv zich niet voordoet. Evenmin is voldaan aan één van de cumulatieve voorwaarden als geformuleerd in de zogeheten kernrollenjurisprudentie met betrekking tot de toepassing van artikel 423, tweede lid, Sv van de Hoge Raad. Het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam wordt daarom afgewezen.”
4.4 Uit het voorgaande volgt dat het hof – op de voet van art. 283 lid 4 Sv, dat in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is – aanstonds omtrent het gevoerde verweer heeft beraadslaagd en beslist.2.Het middel ontbeert dan ook feitelijke grondslag.
4.5 Voor zover de stellers van het middel hebben willen betogen dat het betreffende verweer op een later tijdstip is herhaald en de einduitspraak daarom een beslissing op het verweer had moeten inhouden, geldt dat van een dergelijke herhaling niet is gebleken. Integendeel, het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 9, 11, 16 en 18 april 2024 en 2 mei 2024 houdt in dat mr. Spong aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota en dat hij deze heeft aangevuld met de mededeling dat hij “het nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding [laat] vallen, nu daarop reeds is beslist.”
4.6 Daarnaast geldt nog het volgende. Het is juist dat in de appelschriftuur wordt betoogd dat de inleidende dagvaarding nietig is en dat – daarop wordt in de toelichting op het middel kennelijk gedoeld – de door de raadsman op de terechtzitting van 16 april 2024 overgelegde pleitnota onder meer inhoudt dat “wordt verzocht de inhoud van de appelschriftuur hier als herhaald en ingelast te beschouwen”. Uit het proces-verbaal blijkt echter niet dat het hof met dat verzoek heeft ingestemd. Bovendien vangt die pleitnota aan met de zinsnede dat “mocht uw hof ondanks het nietigheidsverweer ten aanzien van de inleidende dagvaarding tóch over die betekeningsperikelen heenstappen, dan geldt het volgende”, waarna wordt overgegaan op de bespreking van andere verweren. Dat het hof voornoemde verwijzing naar de appelschriftuur onder die omstandigheden kennelijk niet als een herhaling van het betreffende nietigheidsverweer heeft opgevat, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat verweer was immers reeds in preliminaire vorm gevoerd op de terechtzitting van 5 juni 2023, terwijl voornoemde pleitnota expliciet zag op de situatie dat het hof dat verweer zou verwerpen (hetgeen ook was gebeurd).
4.7 Het middel faalt.
Het achtste middel
5.1 In het middel wordt geklaagd dat zowel de rechtbank als het hof ambtshalve had moeten beslissen de verdachte te horen via een videoconferentie. Daarmee had kunnen worden gecompenseerd dat de verdachte redelijkerwijs geen gebruik kon maken van zijn recht aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak vanwege de dreiging in Nederland te worden gedetineerd.
5.2 Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang.
(i) De inleidende dagvaarding bij de rechtbank is betekend op het van de verdachte bekende adres in India (zie mijn bespreking van het tweede middel). Bij de behandeling van de zaak door de rechtbank heeft de verdachte zich niet laten vertegenwoordigen door een gemachtigde raadsman. Bij vonnis van 12 oktober 2020 heeft de rechtbank Amsterdam beide tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren.
(ii) Door de verdachte is tegen het vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.
(iii) Op 7 september 2021 heeft het hof de gevangenneming van de verdachte bevolen.
(iv) Een eerste zitting bij het hof heeft plaatsgevonden op 15 juli 2022. Bij die gelegenheid heeft de verdachte zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigd raadsman. Het hof heeft bij arrest van dezelfde dag de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaard.3.
(v) Op de zitting van het hof van 5 juni 2023 is de verdachte vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman. Deze heeft medegedeeld dat de verdachte op de hoogte is van de zitting en vervolgens verweer gevoerd tegen de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep en de dagvaarding en oproeping in eerste aanleg.
(vi) Het openbaar ministerie heeft gereageerd op dit verweer. In het kader van het verweer over de geldigheid van de dagvaarding en oproeping in eerste aanleg heeft de advocaat-generaal onder andere naar voren gebracht:
“Dat [verdachte] zelf niet aanwezig wilde zijn, ligt bovendien voor de hand nu hij direct zou zijn aangehouden. Dat is nog steeds zo overigens. Te meer nu er een bevel gevangenneming van uw Hof van 7 september 2021 tegen hem ligt. Maar ook los daarvan is artikel 279 Sr een voortdurend delict op grond waarvan hij ook aangehouden kon en kan worden. (…)Conclusie: gelet op het voorgaande kan naar mijn oordeel worden aangenomen dat [verdachte] op de hoogte was van de beschuldiging tegen hem en van de zittingen en het karakter daarvan. Op basis van diezelfde aanwijzingen kan naar mijn oordeel ook worden aangenomen dat hij vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht door niet te verschijnen of een advocaat te machtigen voor hem het woord te voeren. En dat betekent dat de rechtbank bij beide zittingen dan ook terecht verstek heeft verleend en dat dit verweer dient te worden verworpen.”4.
(vii) De raadsman heeft in het kader van zijn repliek onder andere gesteld:
“Uit de omstandigheden die het OM heeft aangevoerd kan ik niet afleiden dat mijn cliënt in India goed geïnformeerd en weloverwogen afstand van zijn aanwezigheidsrecht heeft gedaan. Hem is wel bekend dat hij wordt aangehouden als hij in Nederland komt, maar er zijn ook mogelijkheden om wel aanwezig te zijn zonder op zitting te komen, bijvoorbeeld door middel van een videoverhoor, zijnde een wettelijk equivalent voor een gewoon verhoor op de zitting.”
(viii) Vervolgens heeft de advocaat-generaal gedupliceerd:
“Tot slot heeft de raadsman betoogd dat er andere mogelijkheden waren voor de verdachte om op de zitting aanwezig te zijn, zoals een videoverhoor. In Nederland is dat echter niet mogelijk, omdat het berechten via een videoverhoor wettelijk is uitgesloten. Het horen van getuigen kan eventueel wel via een videoverbinding. In aanloop naar de zitting op 15 juli 2022 heb ik geen verzoek voor een videoverbinding gezien.”
(ix) Het hof heeft ter zitting van 5 juni 2023 de verweren over de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep en de dagvaarding en oproepingen in eerste aanleg verworpen (zie wederom de bespreking van het tweede middel). Het hof is niet ingegaan op de vraag of de verdachte afstand had gedaan van zijn recht om ter zitting in eerste aanleg aanwezig te zijn en heeft zich evenmin uitgelaten over videoconferenties.
(x) Nadat het hof vervolgens het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd had geschorst, is het onderzoek op 9 april 2024 hervat in de stand waarin het zich op 5 juni 2023 bevond.5.Het onderzoek is opnieuw aangevangen. Ook toen (en op de daaropvolgende zittingsdagen) was de verdachte vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman. Deze heeft medegedeeld dat de verdachte op de hoogte is van de zitting.
(xi) De raadsman heeft ter zitting geen verzoeken gedaan tot aanhouding van de behandeling ter zitting om de verdachte in staat te stellen persoonlijk ter zitting aanwezig te zijn. Ook heeft hij geen verzoek gedaan tot het horen van de verdachte via een videoconferentie. Tot slot heeft de verdediging niet op enig moment gesteld dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden.
5.3 Het hof dan wel de voorzitter van het hof heeft kennelijk de opmerking van de raadsman op de zitting van 5 juni 2023 over de mogelijkheid tot het horen van de verdachte per videoconferentie niet opgevat als een verzoek daartoe over te gaan in de appelprocedure. Deze uitleg wordt in cassatie niet betwist en is overigens ook niet onbegrijpelijk aangezien de opmerking is gemaakt als verweer tegen de stelling van het openbaar ministerie dat de verdachte afstand had gedaan van zijn recht om in eerste aanleg aanwezig te zijn bij het proces.
5.4 Het cassatiemiddel stelt dat het hof desondanks ambtshalve tot een dergelijke videoconferentie had moeten overgaan. Dit zou voortvloeien uit het recht op een eerlijk proces dat onder andere is vastgelegd in art. 6 EVRM.
5.5 Vanuit het perspectief van dit verdragsartikel kan het inderdaad problematisch zijn dat de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet aanwezig was bij zijn proces, terwijl hij in beide gevallen is veroordeeld tot een lange gevangenisstraf. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM vloeit uit art. 6 EVRM voort dat de verdachte het recht heeft bij zijn proces aanwezig te zijn. Desalniettemin is een veroordeling bij verstek in eerste instantie mogelijk zolang de verdachte het recht toekomt alsnog een oordeel te verkrijgen, over zowel de feiten als het recht, door een gerecht dat de verdachte heeft gehoord.6.In Nederland bestaat een dergelijke mogelijkheid tot een hernieuwde beoordeling doordat na een verstekveroordeling hoger beroep kan worden ingesteld. Ook in de rechtspraak van de Hoge Raad is het bestaan deze mogelijkheid mede ten grondslag gelegd aan de rechtvaardiging van een procedure bij verstek in eerste aanleg.7.
5.6 Het is naar Nederlands recht mogelijk dat een verdachte via een videoconferentie deelneemt aan zijn proces.8.Art. 131a Sv biedt daarvoor de algemene grondslag. In art. 2 lid 1 onder b van het Besluit videoconferentie is daarbij de aanvullende eis gesteld dat de verdachte met een videoconferentie moet instemmen als het gaat om de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting van de meervoudige kamer.9.De beslissing over toepassing van dit middel ligt dan in handen van de voorzitter van de meervoudige kamer.10.
5.7 Op zichzelf kan volgens de rechtspraak het gebruik van een videoconferentie compenseren voor het ontbreken van de mogelijkheid om in persoon aanwezig te zijn. In Hoge Raad 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:658 was een beslissing van het hof aan de orde om de zaak tegen een verdachte die in Marokko verbleef en geen visum kon krijgen voor Nederland, niet meer aan te houden maar zonder diens aanwezigheid af te doen. Het hof achtte daarvoor mede van belang dat de mogelijkheid van een videoconferentie was onderzocht. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt verder de videoconferentie uitdrukkelijk gezien als alternatief voor de persoonlijke verschijning in het geval van verdachten die in het buitenland zijn gedetineerd.11.Ook het EHRM merkt de videoconferentie aan als een dergelijke compensatie. In EHRM 2 oktober 2018 (Bivolaru t. Roemenië nr. 2)12.ging het om een Roemeen die in Zweden de vluchtelingenstatus had verkregen vanwege het gevaar dat hij in Roemenië zou worden vervolgd vanwege zijn overtuigingen. EHRM 8 juni 2021 (Dijkuizen t. Nederland)13.betrof een zaak van een verdachte die gedetineerd was in Peru en niet (tijdelijk) kon worden uitgeleverd.
5.8 Het feit dat een videoconferentie als alternatief bestaat, zegt echter op zich niets over de omstandigheden waaronder het houden daarvan verplicht is. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en rechtspraak betoogt AG Paridaens in haar conclusie voorafgaand aan HR 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:177:
“dat de verdachte slechts dan (in enige mate) aanspraak kan maken op deelname aan zijn berechting via een videoconferentie indien hij recht heeft op aanhouding van de zaak vanwege het in art. 6 lid 3 sub c EVRM besloten liggende belang van de verdachte (fysiek) aanwezig te zijn bij zijn berechting. In alle andere gevallen staat het de voorzitter geheel vrij een verzoek van de verdachte tot deelname aan het onderzoek ter terechtzitting via videoconferentie af te wijzen, dan wel een beslissing daarop achterwege te laten.”14.
5.9 Ik sluit mij hier graag bij aan. Daarbij wijs ik erop dat in de hiervoor onder 5.7 besproken rechtspraak steeds hetzij aan de verdachte wordt tegengeworpen dat die niet met een videoconferentie instemde, hetzij aan de autoriteiten wordt tegengeworpen dat zij daarvan geen gebruik hebben gemaakt (althans de mogelijkheden daartoe niet hebben onderzocht). Hieruit kan een vorm van een verplichting worden afgeleid.
5.10 Tegelijkertijd is in deze rechtspraak steeds sprake van een in beginsel gerechtvaardigde belemmering voor de verdachte om uit eigen beweging aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak: detentie in het buitenland, het ontbreken van een visum of het gevaar vervolgd te worden om zijn overtuigingen. Het is deze belemmering die het nodig maakt om te kijken naar alternatieven, zoals een videoconferentie.
5.11 Volgens de toelichting op het middel bestaat ook voor de verdachte een dergelijke gerechtvaardigde belemmering, namelijk de vrees voor aanhouding en detentie als hij in Nederland zijn proces zou bijwonen. Ik volg de stellers van het middel daarin niet.
5.12 Het EHRM heeft zich verschillende keren uitgelaten over de verhouding tussen enerzijds de mogelijkheid na een verstekveroordeling een nieuwe beoordeling door een rechter te verkrijgen en de detentie die daarmee is verbonden. Kort gezegd komt deze rechtspraak erop neer dat het niet in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als deze detentie de voorwaarde is voor het verkrijgen van een dergelijke nieuwe beoordeling. Het evenwicht tussen het belang om de tenuitvoerlegging van een straf te verzekeren en het recht op toegang tot een rechter en het uitoefenen van verdedigingsrechten zou dan zijn verstoord.15.
5.13 Daarvan is in deze zaak echter geen sprake. De nieuwe beoordeling van een zaak die bij verstek is afgedaan door de rechtbank, kan worden bereikt door het enkele instellen van hoger beroep. Daaraan zijn geen verdere voorwaarden verbonden, met name hoeft de verdachte dit niet in persoon te doen.
5.14 Dat later een bevel gevangenneming is afgegeven, maakt dit niet anders. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de autoriteiten op zich bevoegd zijn maatregelen te nemen om de fysieke aanwezigheid van de verdachte tijdens het proces te verzekeren. Dit belang weegt dan zwaarder dan de angst voor detentie.16.In het Nederlandse stelsel kan voorlopige hechtenis tijdens de appelprocedure ook worden bevolen op andere gronden dan de veroordeling in eerste aanleg, zoals vluchtgevaar. Bovendien is het mogelijk de voorlopige hechtenis op te heffen of te schorsen.17.
5.15 Gelet hierop hoefde het hof de vrees voor detentie, die het gevolg zou kunnen zijn van de persoonlijke verschijning van de verdachte, niet als reden te zien om ambtshalve een videoconferentie te overwegen.
5.16 Voor zover aan het middel tevens de klacht ten grondslag ligt dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden doordat hij in twee instanties is veroordeeld tot lange gevangenisstraffen zonder dat hij daarbij ten minste bij één instantie persoonlijk aanwezig is geweest, zou ik nog het volgende naar voren willen brengen.
5.17 Volgens constante rechtspraak staat het een verdachte vrij afstand te doen van zijn verdedigingsrechten, waaronder het recht op persoonlijke aanwezigheid. Dit kan zowel expliciet gebeuren als volgen uit het gedrag van de verdachte. Voorwaarde is wel dat duidelijk is dat de verdachte de gevolgen van zijn gedrag heeft kunnen overzien.18.
5.18 Het hof heeft de zaak tegen de verdachte behandeld en daarin ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, gelet op het feit dat de verdachte op de hoogte was van de zitting en hij niet zelf is verschenen, maar zich heeft laten vertegenwoordigen door een raadsman. In de context van deze zaak neem ik daarbij mede in aanmerking dat deze raadsman geen aanhoudingsverzoek heeft gedaan om de verdachte alsnog aanwezig te laten zijn, geen verzoek heeft gedaan tot het houden van een videoconferentie, niet heeft verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen of te schorsen en evenmin verweer heeft gevoerd over het aanwezigheidsrecht. Gelet op de betrokkenheid van de raadsman, hoefde het hof ook niet te betwijfelen dat de verdachte de gevolgen van zijn gedrag heeft kunnen overzien.
5.19 Het middel faalt.
Het derde middel
6.1 Het middel klaagt over schending van art. 359 lid 2 Sv. Het hof zou hebben verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die ertoe hebben geleid dat het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het OM nietontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de soevereiniteit van India aan het uitoefenen van Nederlandse rechtsmacht in de weg staat.
6.2 Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“1.[medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [medeverdachte 2] en/of [betrokkene 3] op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 29 september 2016 tot en met 30 september 2016 in Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met elkaar, opzettelijk een minderjarige (beneden de twaalf jaar oud), te weten [het kind] , geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 2014, wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers hebben zij met dat opzet
- zich met een stroomstootwapen (taser) en/of een of meerdere tie wrap(s), naar de/een woning begeven alwaar [het kind] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] zich bevond(en) en/of
- zich (vervolgens) toegang verschaft tot de woning en/of
- (met kracht) [het kind] uit de armen van [betrokkene 4] getrokken en/of gehaald en/of
- (vervolgens) gedreigd met voornoemd stroomstootwapen (taser) door dit stroomstootwapen (taser) in de richting te houden van [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of een of meer andere perso(o)n(en) aanwezig in die woning en/of
- (vervolgens) (met kracht) [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] vastgepakt en/of vastgehouden en/of (met dat stroomstootwapen (taser)) geslagen en/of bedreigd en/of
- dat stroomstootwapen (taser) tegen het lichaam van die [betrokkene 5] gehouden en/of
- (vervolgens) toen en daar voornoemde [het kind] meegenomen uit de woning en/of
- dat stroomstootwapen (taser) tegen het lichaam van [betrokkene 6] gezet en/of gehouden en/of
- (vervolgens) voornoemde [het kind] in de auto geplaatst en/of
- (vervolgens) voornoemde [het kind] naar de woning van [betrokkene 3] , althans naar een andere locatie (in het buitenland) overgebracht/vervoerd;
welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 september 2016 tot en met 30 september 2016 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland en/of in Duitsland, al dan niet door tussenkomst van (een) ander(en), door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, opzettelijk heeft uitgelokt,
immers heeft hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) (door tussenkomst van (een) ander(en)
- een of meerdere (telefonische) gesprekken gevoerd (via Skype) met die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [betrokkene 2] over de ontvoering van [het kind] en/of
- die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [betrokkene 2] en/of die [betrokkene 1] gedurende een van die gesprekken (conference call) (via Skype) voorzien van diverse informatie (op papier) zoals (onder meer) eerder opgemaakte observatieverslagen en/of
- voornoemde [medeverdachte 1] en/of die [betrokkene 2] verzocht een begroting op te stellen ten behoeve van de uitvoering van de ontvoering van [het kind] (document genaamd: 'Stellar') en/of
- [medeverdachte 3] (een) observatieopdracht(en) gegeven ten aanzien van [betrokkene 7] en/of [het kind] en/of (een) ander(en) in de omgeving van die [betrokkene 7] en/of die [het kind] waarin specifiek van belang werd geacht te bezien waar die [betrokkene 7] zich ‘s ochtends mee bezig hield en/of
- die [medeverdachte 4] en/of die [medeverdachte 1] en/of die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [betrokkene 3] geïnstrueerd dat de missie is om twee locaties van de familie van [het kind] vast te stellen en de beste tijd en plaats uit te zoeken teneinde [het kind] bij hem, verdachte, te krijgen en/of
- diverse geldbedragen uit te keren aan voornoemde [medeverdachte 4] en/of die [medeverdachte 1] en/of die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [betrokkene 3]
- instructies gegeven over de wijze waarop de ontvoering van [het kind] moest worden uitgevoerd en/of
- een schets aangeleverd van de straat waar de oma van [het kind] woont en/of
- vier hotelkamers geboekt en betaald bij het Hyatt hotel in Hoofddorp ten behoeve van een bespreking betreffende de ontvoering en/of
- auto's gehuurd ten behoeve van de ontvoering van [het kind] ;
2.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 29 september 2016 tot en met 15 juli 2019 in Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een minderjarige die de leeftijd van 12 jaren nog niet heeft bereikt, te weten [het kind] geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 2014, heeft/hebben onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, te weten [betrokkene 7] (de moeder), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of toestemming van [betrokkene 7] ), toen en daar, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen die minderjarige meegenomen naar Duitsland en/of India (en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die [betrokkene 7] gebracht en/of gehouden en heeft/hebben hij/zij daarbij geweld en/of bedreiging met geweld gebezigd, immers heeft/hebben hij/zij, verdachte en/of zijn mededader(s):
- zich toegang verschaft tot de woning waar die [het kind] [betrokkene 5] verbleef en/of
- [het kind] uit de armen van [betrokkene 4] getrokken en/of gehaald en/of
- (vervolgens) heeft/hebben gedreigd met een stroomstootwapen (taser) door dat stroomstootwapen (taser) in de richting te houden van [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of
- (vervolgens) [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] vastgepakt en/of geslagen (met dat stroomstootwapen) en/of
- dat stroomstootwapen (taser) tegen het lichaam van die [betrokkene 5] gehouden en/of
- dat stroomstootwapen (taser) tegen het lichaam van [betrokkene 6] gehouden en/of
- met de minderjarige de woning verlaten.”
6.3 Het bestreden arrest houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:
“5. Verweren met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
(…)
Rechtsmacht
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er in deze zaak geen Nederlandse rechtsmacht bestaat en dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.
Het hof overweegt als volgt. In de tenlastelegging zijn - onder meer - pleegplaatsen in Nederland opgenomen.
Art. 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt:”
Op grond van het in artikel 2 Sr neergelegde territorialiteitsbeginsel kan door Nederland rechtsmacht worden uitgeoefend ten aanzien van een ieder die zich in Nederland schuldig maakt aan een strafbaar feit. Wat de plaats van het delict is (de locus delicti), kan worden vastgesteld door te kijken naar de plaats van de delictsgedraging, de plaats van de werking van het instrument en de plaats van het intreden van het gevolg. Er kunnen meerdere plaatsen gelden als locus delicti.
Voorts is van belang dat er, naast in Nederland gelegen plaatsen, ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd. Ook dan is vervolging wegens dat strafbare feit in Nederland mogelijk op grond van artikel 2 Sr, ook ten aanzien van de gedragingen die deel uitmaken van dat strafbare feit en die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.
Gelet op artikel 2 Sr bestaat derhalve Nederlandse rechtsmacht en kan de verdachte worden vervolgd door het Openbaar Ministerie. Wat betreft feit 1 wordt in aanvulling overwogen dat de locus delicti van het uitgelokte feit in de beoordeling wordt betrokken en dat dit leidt tot hetzelfde oordeel, te weten dat sprake is van rechtsmacht op basis van artikel 2 Sr.
De raadsman heeft beschouwingen gewijd aan de vraag of Nederlandse rechtsmacht al dan niet kan worden gebaseerd op andere bepalingen van titel 1 van boek 1 Sr (in het bijzonder artikel 5 Sr) dan wel daardoor wordt beperkt (in het bijzonder artikel 8d Sr). Deze beschouwingen hebben onder meer betrekking op de Grondwet, internationale verdragen en de uitleg daarvan, alsmede op gewoonterecht. Gelet op de vaststelling en de overwegingen zoals hiervoor gegeven behoeft dit geen bespreking.
De verweren strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging worden verworpen.”
6.4
Het hof heeft in reactie op het in het middel bedoelde verweer van de verdediging tot uitdrukking gebracht dat in de tenlastelegging – onder meer – pleegplaatsen in Nederland zijn opgenomen en dat Nederland mede daarom op grond van art. 2 Sr rechtsmacht kan uitoefenen. Het oordeel van het hof dat de beschouwingen van de raadsman over de beperking van de Nederlandse rechtsmacht om die reden geen bespreking behoeven, acht ik niet onbegrijpelijk. Die beschouwingen hebben immers hoofdzakelijk betrekking op het standpunt dat de uitoefening van extraterritoriale rechtsmacht een schending van de soevereiniteit van India zou opleveren, terwijl aan de verdachte enkel gedragingen in Nederland en Duitsland ten laste zijn gelegd.
6.5
Het middel faalt.
Het vierde middel
7.1
Het middel klaagt dat het hof het verweer van de verdediging dat de verdachte heeft gehandeld in psychische overmacht heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
7.2
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 9, 11, 16 en 18 april 2024 en 2 mei 2024 heeft de raadsman op 16 april 2024 het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
“Psychische overmacht
54. [betrokkene 5] heeft het gezagsrecht van [verdachte] doelbewust ondermijnd door op 7 december 2014 [het kind] onrechtmatig over te brengen naar Nederland. Bij beschikking d.d. 19 augustus 2015 - die hierna nog wordt weergegeven - sprak het Haagse gerechtshof zich over deze onrechtmatige overbrenging klip en klaar uit. Daarmee heeft ze inbreuk gemaakt op [verdachte] ’s recht op "family-life" als bedoeld in art. 8 EVRM door hiermee de omgang van [verdachte] met zijn dochter [het kind] te ontzeggen en te frustreren. In wezen deed zij precies hetzelfde als datgene wat [verdachte] verweten wordt: een pure onttrekking van Insya aan het gezag van [verdachte] . En dat het haar bittere ernst was om hem de omgang met zijn dochter inderdaad te ontzeggen en te frustreren, moge blijken uit haar e-mail d.d. 25 februari 2015 luidend:
"You can go screw yourself or maybe you can’t do that properly too. I am in Netherlands and you like it or not [het kind] is with me and you can’t do anything to get her back and have few options. Think wisely before you write unless you want go to the launders for the money you have. It’s your daughter I have now.
Poor [verdachte] I feel so sorry you can’t even see your daughter because I won’t let you come near her. I will drag you to a dutch court and you know what, l am dutch and better don’t forget that. Put your foot in my country and I will show you. You are a loner and all you have is your money which will soon be gone, such a lovely daughter we have baby who is lucky to have a rich father like you and yes; you like it or not, it's all about the money, honey.”
Ontmaskering [betrokkene 5] c.q. financiële motieven
55. Zie hier hoe kristalhelder en in klare taal de werkelijke motieven van [betrokkene 5] zijn: "It's all about the money, honey''. Wat hier verder ook van zij, haar financiële mantra plaatst de wederrechtelijkheid van cliënt wel in een ander daglicht in die zin dat het wat minder wederrechtelijk lijkt dan het door geld verblinde [betrokkene 5] gepresenteerd wordt. De context van dit "it's all about the money, honey" brengt subsidiair mee dat in het voetspoor van Bronkhorst sprake is van psychische overmacht als "poort tot concrete gerechtigheid”. De geldzucht van [betrokkene 5] behelst immers een van buiten [verdachte] komende drang waaraan hij als liefhebbende vader redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. Ook naijlen van de overmachtsituatie in de beleving van de verdachte is mogelijk. Gelet op de onttrekkingshandeling van [betrokkene 5] met dat rare vaccinatieverhaal - alsof ze in India niet kunnen vaccineren - is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldaan. In gewoon Nederlands heet dat “een koekje van eigen deeg”. In het Hindoeïsme schijnt dit “karma” te worden genoemd (Wat gij zaait zult gij oogsten).
56. De kern van (psychische) overmacht is toch dat de naleving van een wettelijk voorschrift door de betrokken persoon redelijkerwijze niet te vergen is. Het gaat bij overmacht niet om een optimale keuze die de burger bij een dilemma in drukkende omstandigheden heeft gemaakt, maar vooral om een alleszins verantwoorde of begrijpelijke keuze. Anders gezegd: de verdachte heeft in prangende omstandigheden een niet onbegrijpelijke keuze gemaakt.
"I won’t let you come near her": keiharde blokkade van de vader.
57. Daarvan is in casu sprake in een situatie waarin een moeder op voorhand aankondigt contact tussen vader en kind te bruuskeren (I won ‘t let you come near her") en vervolgens zonder blikken of blozen meedeelt dat geldzucht haar drijft. Tegen deze achtergrond moet gezegd worden dat hiermee het bloed onder de nagels van [verdachte] werd gehaald en hij door haar toedoen in een toestand van psychische overmacht kwam te verkeren. Geconfronteerd met de ontvoering van [betrokkene 5] , haar onverbloemde weigering van contact tussen [verdachte] en zijn dochter en haar geldzucht was [verdachte] ten einde raad. Hij meent dan ook dat zijn keuze begrijpelijk was. Zijn psychische overmacht is immers verstrengeld met ook zijn recht op een privéleven met zijn dochter, waarop geen inbreuk mag worden gemaakt door financiële motieven van een vrouw die hem inpepert "It’s your daughter I have now".
58. Het aan [verdachte] in India toegekende gezag en zijn recht op een privéleven ex art. 8 EVRM verlenen hem dus in beginsel een “eigen Indiaas recht” op grond waarvan hij [het kind] mocht doen verwijderen uit de betrokken woning en mee te nemen naar India. Ten tijde van de verwijdering uit de woning was [betrokkene 5] - de andere gezaghebbende ouder - niet thuis. Nu de overige aanwezigen ( [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ) geen gezagsrecht hadden, kan niet bewezen worden dat het meenemen van [het kind] op dat specifieke moment wederrechtelijk was. Van een wederrechtelijke vrijheidsberoving is dan ook geen sprake, zodat hij van feit 1 moet worden vrijgesproken subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht.”
7.3
Het hof heeft het dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
“10. Strafbaarheid van de verdachte
10.1
Psychische overmacht
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de geldzucht van de moeder van [het kind] en het feit dat zij contact tussen de verdachte en [het kind] frustreerde een van buiten komende drang creëerden waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. De verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.
Het hof overweegt het volgende.
Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Bij psychische overmacht ligt het accent op de persoon van de dader en de specifieke omstandigheden waaronder hij in een conflictsituatie tot een keuze moest komen. Bij de vaststelling daarvan zijn de aanwezigheid van een op aannemelijkheid te toetsen verklaring van de verdachte over zijn gemoed in het kader van zijn handelen en de drijfveer die heeft geleid tot zijn keuzes vrijwel onontbeerlijk. De verdachte heeft in deze zaak echter geen enkele verklaring afgelegd, zodat het hof in de beoordeling van de aannemelijkheid van de feiten die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, ernstig wordt belemmerd en deze derhalve zal moeten toetsen aan de hand van de zich wel in het dossier bevindende processtukken.
Uit het dossier valt af te leiden dat sprake was van een fors conflict tussen de verdachte en de moeder van [het kind] met meningsverschillen over onder andere het gezag over [het kind] en dat daarbij ferme woorden zijn gevallen. In het licht van de processtukken acht het hof evenwel geen indicatie aanwezig dat de moeder het contact tussen de verdachte en [het kind] daadwerkelijk wilde frustreren. Duidelijk is dat sprake is geweest van zogeheten character shaming, mogelijk ook publiekelijk en van beide zijden. Op zichzelf zijn deze feiten en omstandigheden, ook als daarvan wordt uitgegaan, onvoldoende voor een geslaagd beroep op psychische overmacht.
Ook uit de verklaringen van de medeverdachten, in het bijzonder [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , kan het hof niet afleiden dat aan de strenge eis die uit de hiervoor vermelde maatstaf voortvloeit, is voldaan. De door de verdachte gevolgde werkwijze, die zich laat typeren als een gedurende geruime tijd planmatig, professioneel en op gecontroleerde wijze verrichte uitvoering, wijst evenmin in die richting. Integendeel.
Alles afwegende wordt het beroep op psychische overmacht verworpen. Het is op feitelijke gronden niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Voor zover wordt uitgegaan van de feitelijke situatie die uit de processtukken kan blijken, deels aan de hand van de onderbouwing van het verweer, deels op basis van een ambtshalve beoordeling van hetgeen zich in het dossier ten aanzien van een mogelijke feitelijke grondslag bevindt, is deze onvoldoende om te oordelen dat deze de in de maatstaf bedoelde externe drang oplevert.”
Het juridisch kader
7.4
Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter op grond van dat verweer moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.19.Verwerpt de rechter het beroep, dan mag hij niet in het midden laten of hij de door de verdediging aan het beroep ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden acht dan wel dat die feiten en omstandigheden naar zijn oordeel een beroep op psychische overmacht niet rechtvaardigen.20.
7.5
Bij psychische overmacht gaat het om een gedraging die is verricht in een ongewone psychische toestand (zoals bewustzijnsvernauwing of doodsangst), veroorzaakt door een extreme en acute vorm van een stresssituatie.21.Volgens De Hullu en Van Kempen zijn “zeer prangende omstandigheden” vereist. Naarmate de noodsituatie ten tijde van de delictsgedraging minder acuut is, zo schrijven zij verder, wordt het beroep minder kansrijk.22.Ter illustratie wijzen zij op een zaak van al enige tijd geleden: HR 26 mei 1992, ECLI:NL:1992:AD1686 (NJ 1992/681). In die zaak ging het om een vrouw die haar partner had doodgeschoten. Aangevoerd werd dat deze partner haar jarenlang stelselmatig had bedreigd, mishandeld en vernederd. Op de avond van de doodslag had hij haar verkracht en gedreigd haar de volgende dag te zullen doden en ook haar dochtertje te zullen verkrachten. Het hof verwierp het beroep op psychische overmacht en achtte het onvoldoende aannemelijk dat de verdachte “op het moment van het begaan van het feit geestelijk in een zodanige toestand verkeerde dat zij niet anders kon of behoorde te handelen dan zij toen heeft gedaan”. Daarbij nam het hof onder meer in aanmerking dat de verdachte “het slachtoffer op doordachte wijze uren na afloop van de ruzie in zijn slaap [heeft] gedood.” De Hoge Raad liet deze verwerping in stand.
7.6
Gewezen kan ook worden op het meer recente HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:521. In die zaak was de verdachte onder bedreiging van zijn mededaders naar een woning gegaan, waar hij geconfronteerd werd met het zwaar toegetakelde – toen nog levende – vastgebonden slachtoffer. De verdachte kreeg van zijn mededader(s) de opdracht het slachtoffer te bewaken en werd ook tijdens de uitvoering van die taak door (een van) hen bedreigd. Die mededader(s) verliet(en) op enig moment de woning. De verdachte werd veroordeeld voor het medeplegen van het van zijn vrijheid beroofd houden van het slachtoffer, als gevolg waarvan het slachtoffer was overleden. Het hof verwierp het beroep op psychische overmacht en achtte het aannemelijk dat aanvankelijk een overmachtssituatie bestond, maar dat die situatie was geëindigd toen de verdachte alleen met het slachtoffer in de woning was. Toenmalig AG Vegter overwoog in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest dat het hof daarmee kennelijk en niet onbegrijpelijk tot uiting had gebracht dat op dat moment geen personen meer in zijn aanwezigheid waren die acute drang bij hem veroorzaakten.23.De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
De bespreking van het middel
7.7
Aan het beroep op psychische overmacht heeft de verdediging – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat de door geldzucht gedreven moeder van het slachtoffer het contact tussen de verdachte en zijn dochter wilde frustreren. Die omstandigheid zou een van buiten komende drang hebben opgeleverd waartegen de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden.
7.8
Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe tot uitdrukking gebracht dat het – kennelijk ondanks het door de verdediging aangehaalde e-mailbericht van 25 februari 2015 – niet aannemelijk geworden acht dat de moeder van het slachtoffer het contact tussen de verdachte en zijn dochter “daadwerkelijk” wilde frustreren. Wel volgt uit de processtukken, zo overweegt het hof, dat sprake was van een “fors conflict (…) over onder andere het gezag over [het kind] ”, waarbij “ferme woorden zijn gevallen” en dat sprake is geweest van “zogeheten character shaming, mogelijk ook publiekelijk en van beide zijden.” Die omstandigheden heeft het hof op zichzelf echter onvoldoende geacht voor een geslaagd beroep op psychische overmacht. Aan het slagen van het beroep stond naar het oordeel van het hof voorts in de weg dat de verdachte gedurende geruime tijd planmatig, professioneel en op gecontroleerde wijze te werk is gegaan. Met die overwegingen tezamen heeft het hof het beroep op psychische overmacht, gelet op hetgeen onder 7.4 – 7.6 uiteen is gezet, toereikend gemotiveerd verworpen. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof met voornoemde overwegingen ook tot uitdrukking heeft gebracht dat, anders dan in het onder 7.6 besproken arrest, geen specifiek, (enigszins) acuut moment van (voldoende) psychische druk valt aan te wijzen.
7.9
Voor zover in de toelichting op het middel met een beroep op het emailbericht van 25 februari 2015 nog wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het “in het licht van de processtukken evenwel geen indicatie aanwezig [acht] dat de moeder het contact tussen de verdachte en [het kind] daadwerkelijk wilde frustreren”, merk ik op dat dit een beoordeling van factoren van louter feitelijke aard vergt. Voor een dergelijke beoordeling is in cassatie geen ruimte.
7.10
Het middel faalt.
Het vijfde, zevende en negende middel
8.1
Het vijfde, zevende en negende middel komen op tegen de strafmotivering. Elk middel richt zich daarbij tegen een ander(e) oordeel en/of overweging van het hof. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
8.2
Het hof heeft de verdachte ter zake van de onder 1.1 genoemde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden. De strafoplegging is door het hof als volgt gemotiveerd:
“11. Oplegging van straf
Inleidend
De advocaat-generaal heeft, uitgaand van een bewezenverklaring van beide feiten, een gevangenisstraf geëist voor de duur van negen jaren. Namens de verdachte is betoogd dat, in het geval van bewezenverklaring, een aanzienlijk lagere straf dient te worden opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
De verdachte was in 2016 in een ernstig en hoogoplopend conflict verwikkeld met zijn toenmalige echtgenote [betrokkene 7] . Terwijl dat conflict zich nog in volle omvang manifesteerde heeft hij hun gezamenlijke dochter, [het kind] , op 29 september 2016 ontvoerd en overgebracht naar India waar zij tot op de dag van vandaag verblijft. [het kind] was ten tijde van de overbrenging ongeveer tweeënhalf jaar oud. De verdachte heeft er in de eerste jaren na de ontvoering slechts een enkele keer aan meegewerkt dat [het kind] via Skype met haar moeder kon spreken. Maar het is al vele jaren geleden dat [het kind] en haar moeder voor het laatst via het beeldscherm contact hebben gehad.
De gevolgen voor [het kind]
is als gevolg van de ontvoering en van de abrupte wijze waarop deze is uitgevoerd geheel onverwachts uit haar vertrouwde omgeving weggerukt. Die omgeving bestond uit personen, aan wie [het kind] , naar mag worden aangenomen, gehecht was en die haar dagelijks verzorgden. Het lijdt geen enkele twijfel dat deze gebeurtenis, als gevolg waarvan elk betekenisvol contact met haar moeder en overige dierbaren in Nederland onmogelijk is gemaakt, zeer ingrijpend is geweest voor [het kind] . Ook kan zonder terughoudendheid worden aangenomen dat deze ontwikkeling haar beleving van veiligheid en geborgenheid in nadelige zin moet hebben beïnvloed. Ook de Raad voor de Kinderbescherming heeft, op basis van een onderzoek in 2018 en wetenschappelijke inzichten over veilige hechting, zijn zorgen geuit over de emotionele ontwikkeling en mentale gezondheid van [het kind] .
De raadsman heeft tijdens zijn pleidooi op enig moment gezegd: “als er iets schadelijk is voor een kind, dan is het toch wel elkaar bestrijdende ouders.’' Een waarheid als een koe. Volgens de raadsman zou dit aanleiding moeten zijn voor terughoudendheid bij de straftoemeting omdat een zware straf in het algemeen mogelijk bijdraagt aan polarisatie. Wat er zij van de juistheid van dit oorzakelijk verband in de onderhavige strafzaak, in elk geval kan worden vastgesteld dat deze opmerking van de raadsman het enige aanknopingspunt biedt voor de veronderstelling dat de verdachte zich realiseert wat een kind nodig heeft. De verdachte heeft, ter illustratie van het welbevinden van [het kind] , zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman mededelingen laten doen en/of documenten laten presenteren met betrekking tot haar schoolprestaties, taalbeheersing en zwemvaardigheden alsmede over de op haar naam opgebouwde spaartegoeden en gedane investeringen. Over inbedding in een sociale omgeving of familie, die [het kind] zou kunnen omhullen en geborgenheid zou kunnen bieden, geeft de verdachte geen enkele informatie.
De houding van de verdachte
Voorafgaand aan en na de ontvoering zijn zowel in Nederland als in India vele gerechtelijke procedures gevoerd tussen de ouders, onder meer over de echtscheiding, over de teruggeleiding van [het kind] in het kader van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) en over omgang en gezag. In het oog springend is het, voor de afdoening van deze strafzaak in het bijzonder van belang zijnde gegeven, dat sinds 2019 sprake is van een onherroepelijk bevel van de Nederlandse rechter om [het kind] terug te brengen naar haar moeder in Nederland en het feit dat de verdachte door de Indiase rechter reeds op 30 oktober 2018 en vervolgens nog enkele malen is bevolen om meermalen per week contact tussen moeder en kind via Skype te faciliteren. Het heeft, als gevolg van weigerachtigheid van de verdachte, niet geleid tot enig tastbaar resultaat. De halsstarrige wijze waarop de verdachte hieraan uiting heeft gegeven op de momenten dat de Raad voor de Kinderbescherming of andere instellingen om een toelichting of uitleg vroegen is ronduit stuitend. Het pleidooi van de raadsman bevat evenmin enige handreiking van de zijde van de verdachte om te zoeken naar manieren voor herstel van het contact. Integendeel, op vragen van het hof, ingegeven door de eenzijdige oriëntatie op juridische aspecten en door de vormgeving van het betoog langs de lijnen van het toernooimodel, kon de raadsman slechts antwoorden dat de ervaring leert dat kinderen in het algemeen later op zoek gaan naar hun wortels. Met andere woorden, de verdachte heeft zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman, op geen enkele wijze ook maar enige opening laten bieden voor hernieuwd contact tussen moeder en kind.
De door de raadsman bij dupliek geponeerde stelling - als reactie op de vraag van het hof hoe de toekomst tussen moeder en kind er volgens de verdachte uitziet - dat een lange, gevangenisstraf niet bevorderlijk zal zijn voor een toekomstig contact tussen het kind en haar moeder, geeft in dat kader de manipulatieve wijze waarop de verdachte niet alleen zijn verantwoordelijkheid richting de moeder van [het kind] , maar ook zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wil ontlopen, meer dan treffend weer. Overigens is ook de mededeling van de raadsman dat de nu tienjarige [het kind] het haar moeder verwijt dat deze de publiciteit zoekt, veelzeggend en symptomatisch. Het is bepaald geen indicatie van een attitude die is gericht op de-escalatie. [het kind] wordt kennelijk niet geholpen om op zelfstandige wijze een weg te vinden in dit voortdurende conflict en niet begeleid of ondersteund om zich op liefdevolle wijze te verhouden tot haar moeder die zij onder de druk van de omstandigheden niet meer ziet.
Gevolgen voor de familie
Voor de personen die na de ontvoering zijn achtergebleven zijn de gevolgen ook zeer ingrijpend. [betrokkene 7] , de moeder van [het kind] , moet al bijna acht jaar verder leven met dit enorme verlies. Zij heeft tijdens haar slachtofferverklaring ter terechtzitting van het hof verteld hoezeer zij ernaar verlangt om haar dochter zelfs maar even te zien op een beeldscherm. Zij strijdt onvermoeibaar voor een hereniging met haar dochter. Daar komt bij dat zij op geen enkele wijze invulling kan geven aan haar rol als (sinds 2019 enig) gezaghebbend ouder. Ook voor de andere familieleden, in het bijzonder de oma en tante van [het kind] , is het gemis groot. Zij waren op dagelijkse basis betrokken bij de verzorging en opvoeding van de peuter. Het is volstrekt invoelbaar dat het verdriet van de familie groot is.
Het hof wil wel aannemen, zoals meermalen benadrukt door de raadsman, dat de verdachte een culturele achtergrond heeft waarin andere waarden leidend zijn voor de relaties tussen partners en tussen ouders en kinderen. In het midden kan in dit verband blijven het antwoord op de vraag wat moreel en juridisch aanvaardbaar is in de Indiase samenleving waar het gaat om de posities van respectievelijk vaders en moeders ten opzichte van hun wettige kinderen. Maar het ongeclausuleerde cultuurrelativisme dat aan het namens de verdachte gevoerde pleidooi ten grondslag ligt heeft tot consequentie dat het handelen van de verdachte, waarvan een volledige verbreking van contact tussen de moeder en haar kind het resultaat is, wordt gerechtvaardigd. Die claim kan binnen de Nederlandse rechtsorde onmogelijk worden aanvaard. Dat geldt eveneens voor het standpunt van de raadsman dat de status quo te rechtvaardigen zou zijn omdat deze het gevolg is van, zo begrijpt het hof, de door de verdachte gemaakte keuzes in een conflict van rechtsplichten. Ook enkele beslissingen en bevelen van Indiase rechters, gegeven naar aanleiding van door de verdachte of [betrokkene 7] aangespannen procedures, bieden geen ondersteuning voor dat standpunt. [het kind] is voor de verdachte, zo moet helaas worden geconcludeerd, een trofee, verkregen in een intensieve strijd met haar moeder, die is gevoerd met niet toegestane middelen.
De uitvoering als project
De verdachte heeft de ontvoering laten uitvoeren door een groep personen. Zelf is hij bij de voorbereiding betrokken geweest en heeft hij samen met enkele mededaders [het kind] naar Duitsland en vervolgens India overgebracht. Eén van de mededaders, [betrokkene 3] , was een contact uit zijn zakelijk netwerk. De verdachte en [medeverdachte 2] hebben nog enkele andere personen in de voorbereiding en uitvoering betrokken. Ze werden samengebracht in een specifiek voor dit doel in het leven geroepen projectorganisatie, opgezet op basis van kennis van en inzichten in projectmanagement. De verdachte heeft de projectopzet en het daarmee samenhangende budget tijdens de hieraan gewijde overleggen telkens onder ogen gekregen en, naar het hof aanneemt, geaccordeerd. Of het nu ging om de onderlinge rolverdeling bij de voorbereiding en uitvoering, de inzet en de aanschaf van hulp- en vervoermiddelen of communicatie en uitwisseling van informatie, aan alles was gedacht. Een aantal deelnemers had zelfs een politiële en/of militaire achtergrond. Van deze kennis en kunde heeft de verdachte gebruik gemaakt, om zijn misdadig plan te laten slagen.
Bij de ontvoering is op de locatie waar [het kind] werd opgehaald misleiding toegepast om de woning te betreden en is gebruik gemaakt van geweld. Dit laatste maakte deel uit van de plannen, in die zin dat enige geweldshandelingen op voorhand mogelijk en toelaatbaar waren geacht. Met het oog daarop was in een laat stadium nog een persoon, [medeverdachte 4] , de "deurstopper", toegevoegd aan de organisatie.
Dit planmatige en projectmatige karakter draagt naast de eerder genoemde feiten en omstandigheden aanzienlijk bij aan de ernst en de strafwaardigheid van de feiten: de ontvoering van een weerloze peuter, steriel opgezet en uitgevoerd als een project met een duidelijke missie, waarin door een internationaal gezelschap van maar liefst acht personen met elk hun specialisme, taak en/of verantwoordelijkheid in meer of mindere mate op professionele wijze werd samengewerkt.
Dit alles maakt de bewezenverklaarde feiten tot een kinderontvoering van de buitencategorie. De reactie van de strafrechter zal met dat karakter overeen dienen te stemmen.
(…)
Slotsom
Het hof stelt vast dat de verdachte in Nederland geen strafblad heeft. Dat betekent dat in zoverre geen sprake is van feiten en omstandigheden die in het nadeel van de verdachte dienen te worden uitgelegd of toegepast.
Al het voorgaande in ogenschouw nemend, is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal opnieuw gevorderde gevangenisstraf voor de duur van negen jaren bij wijze van uitgangspunt passend en geboden is.
Redelijke termijn
(…)
Aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden.”
Het vijfde middel
8.3
Het vijfde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat “zonder terughoudendheid [kan] worden aangenomen dat deze ontwikkeling haar beleving van veiligheid en geborgenheid in nadelige zin moet hebben beïnvloed” onbegrijpelijk is. Daartoe wordt gewezen op een tweetal studies die – kort gezegd – uitwijzen dat de ontwikkeling van kinderen die opgroeien in eenoudergezinnen respectievelijk “single-father families formed by surrogacy” op bepaalde gebieden (juist) positief kan zijn.
8.4
Het middel berust op een verkeerde lezing van het arrest. Anders dan in de toelichting op het middel kennelijk tot uitgangspunt wordt genomen, hebben de door het hof omschreven gevolgen betrekking op de wijze waarop [het kind] door de verdachte uit haar vertrouwde omgeving is “weggerukt” en niet op de op zichzelf beschouwde omstandigheid dat zij thans opgroeit in een eenoudergezin dan wel wordt opgevoed door een alleenstaande vader.
8.5
De toelichting op het middel houdt verder nog in dat “ook opmerking [verdient]” dat het gewraakte oordeel een schending van art. 8 EVRM oplevert. Daarbij wordt gewezen op een uitspraak van het EHRM van 6 juli 2010 (Neulingen en Shuruk t. Zwitserland)24., waaruit zou volgen dat “het kind zeer wel in goede handen [kan] zijn bij de ouder die het kind vanuit het ouderlijk gezag heeft onttrokken”. Voor zover de stellers van het middel hiermee een tweede deelklacht hebben willen formuleren, faalt deze eveneens. De in de toelichting geciteerde overwegingen van het EHRM komen erop neer dat art. 8 EVRM met zich brengt dat de terugkeer van een ontvoerd kind niet “automatically or mechanically” kan worden bevolen, omdat de beste oplossing voor het kind afhangt van een veelheid van factoren die zorgvuldig tegen elkaar afgewogen dienen te worden. Dat het onder 8.2 weergegeven oordeel van het hof over de gevolgen van de abrupte wijze waarop de ontvoering is uitgevoerd daarmee een schending van art. 8 EVRM zou opleveren, kan ik geenszins volgen.
8.6
Het middel faalt.
Het zevende middel
8.7
Het zevende middel klaagt dat het hof in het kader van de strafoplegging ten onrechte heeft aangenomen dat door de verdediging een “ongeclausuleerd cultuurrelativisme” is bepleit, zodat de door het hof getrokken conclusie dat [het kind] voor de verdachte “een trofee” is, op onbegrijpelijke gronden zou berusten.
8.8
Blijkens de toelichting doelen de stellers van het middel op de volgende overweging van het hof:
“Het hof wil wel aannemen, zoals meermalen benadrukt door de raadsman, dat de verdachte een culturele achtergrond heeft waarin andere waarden leidend zijn voor de relaties tussen partners en tussen ouders en kinderen. In het midden kan in dit verband blijven het antwoord op de vraag wat moreel en juridisch aanvaardbaar is in de Indiase samenleving waar het gaat om de posities van respectievelijk vaders en moeders ten opzichte van hun wettige kinderen. Maar het ongeclausuleerde cultuurrelativisme dat aan het namens de verdachte gevoerde pleidooi ten grondslag ligt heeft tot consequentie dat het handelen van de verdachte, waarvan een volledige verbreking van contact tussen de moeder en haar kind het resultaat is, wordt gerechtvaardigd. Die claim kan binnen de Nederlandse rechtsorde onmogelijk worden aanvaard. Dat geldt eveneens voor het standpunt van de raadsman dat de status quo te rechtvaardigen zou zijn omdat deze het gevolg is van, zo begrijpt het hof, de door de verdachte gemaakte keuzes in een conflict van rechtsplichten. Ook enkele beslissingen en bevelen van Indiase rechters, gegeven naar aanleiding van door de verdachte of [betrokkene 7] aangespannen procedures, bieden geen ondersteuning voor dat standpunt. [het kind] is voor de verdachte, zo moet helaas worden geconcludeerd, een trofee, verkregen in een intensieve strijd met haar moeder, die is gevoerd met niet toegestane middelen.”
8.9
De ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota houdt onder het kopje “Strafmaat” onder meer het volgende in:
“128. Deze zaak heeft, zoveel is duidelijk, een sterke culturele dimensie. In de literatuur, die helaas niet overvloedig aanwezig is, is aan deze culturele dimensie wel eens aandacht besteed. Verwezen zij naar Nellesteijn, Achtergronden van Turkse ontvoeringszaken, in: Algemeen Politieblad, 130 (1981) p. 51-56. Een auteur uit onverdachte hoek, te weten Yücel Yesilgöz beschrijft in zijn boek “Allah, Satan en het recht” dergelijke ontvoeringen als passend binnen de culturele achtergrond van Turken. Aangezien de rechter in iedere zaak een op maat van het individu toegesneden eindoordeel moet geven, is het zijn taak de culturele nuance te zoeken en te verdisconteren in de door hem te maken vertaalslag van het feitelijke naar het juridische (vgl. H.C. Wiersinga, Nuance in benadering, Culturele factoren in het strafproces XVI). Deze vertaalslag zal ertoe moeten leiden dat het vonnis van de rechtbank, dat vooral uitblinkt door eenzijdigheid, in zoverre vernietigd moet worden.”
8.10
Met de onder 8.8 weergegeven overweging heeft het hof – wat er ook zij van de term(en) die het daarbij heeft gebezigd – tot uitdrukking gebracht dat de door de verdediging aangehaalde “culturele dimensie” van de zaak naar zijn oordeel niet een zodanige invloed heeft op de verwijtbaarheid of strafwaardigheid van de hem verweten gedragingen dat daarmee in strafverminderende zin rekening wordt gehouden. Van een omstandigheid waarop het hof bij de strafoplegging in strafverzwarende zin acht heeft geslagen, is in dit verband geen sprake. Deze overweging is verder, gelet op de daarbij door het hof gegeven uitleg, niet onbegrijpelijk. Zij kan daarom, samen met de andere door het hof in aanmerkingen genomen omstandigheden, de door het hof getrokken conclusie dragen.
8.11
Het middel faalt.
Het negende middel
8.12
Het middel klaagt dat het hof een mededeling van de raadsman ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging heeft betrokken. Het hof zou onder meer naar aanleiding van die mededeling hebben overwogen dat de verdachte zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wil ontlopen.
8.13
Blijkens de toelichting doelen de stellers van het middel op de volgende overweging van het hof:
“De houding van de verdachte
(…)De door de raadsman bij dupliek geponeerde stelling - als reactie op de vraag van het hof hoe de toekomst tussen moeder en kind er volgens de verdachte uitziet - dat een lange, gevangenisstraf niet bevorderlijk zal zijn voor een toekomstig contact tussen het kind en haar moeder, geeft in dat kader de manipulatieve wijze waarop de verdachte niet alleen zijn verantwoordelijkheid richting de moeder van [het kind] , maar ook zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wil ontlopen, meer dan treffend weer. Overigens is ook de mededeling van de raadsman dat de nu tienjarige [het kind] het haar moeder verwijt dat deze de publiciteit zoekt, veelzeggend en symptomatisch. Het is bepaald geen indicatie van een attitude die is gericht op de-escalatie. [het kind] wordt kennelijk niet geholpen om op zelfstandige wijze een weg te vinden in dit voortdurende conflict en niet begeleid of ondersteund om zich op liefdevolle wijze te verhouden tot haar moeder die zij onder de druk van de omstandigheden niet meer ziet.”
8.14
Het hof heeft in zijn strafmotivering onder het kopje “De houding van de verdachte” in de kern tot uitdrukking gebracht dat het de verdachte zeer kwalijk neemt dat hij een situatie heeft gecreëerd en in stand houdt waarin zijn dochter elke vorm van contact met haar moeder wordt onthouden en dat hij zich daarin (zelfs) niet laat tegenhouden door onherroepelijke rechterlijke bevelen en confrontaties door (andere) gezaghebbende instanties. De houding van de verdachte wordt daarin door het hof aangeduid als “weigerachtig”, “halsstarrig” en niet “bepaald (…) gericht op deescalatie”. De verdachte – die zelf “geen enkele [verklaring] heeft afgelegd” – heeft zijn raadsman “op geen enkele wijze ook maar enige opening laten bieden voor hernieuwd contact tussen moeder en kind”, aldus het hof. De gewraakte overweging van het hof moet dan ook zo worden uitgelegd dat het de houding van de verdachte is geweest die het hof tot de conclusie heeft gebracht dat de verdachte zijn verantwoordelijkheden wil ontlopen. De betreffende mededeling van de raadsman wordt door het hof – wat daar ook van zij – slechts gebruikt als middel om die conclusie te illustreren.
8.15
Het middel faalt.
Het zesde middel
9.1
Het middel klaagt dat de toewijzing van de vordering van [het kind] als benadeelde partij ontoereikend is gemotiveerd, omdat “geen geestelijk letsel adequaat is vastgesteld en/of anderszins is gebleken dat zij (geestelijk) letsel heeft ondervonden tengevolge van de bewezenverklaarde feiten.”
9.2
Het hof heeft de toewijzing van de in het middel genoemde vordering als volgt gemotiveerd:
“12.1 Vordering van benadeelde partij [het kind]
heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.000,00 aan immateriële schade. Tevens is verzocht om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Ten aanzien van deze gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat het, nu bij de benadeelde partij geen sprake is van lichamelijk letsel of schade in de eer en goede naam, de vraag is of de benadeelde partij ‘op andere wijze' in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
In de onderhavige zaak is ten aanzien van de verdachte bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de uitlokking van de ontvoering en aan het medeplegen respectievelijk plegen van het onttrekken aan het wettig gezag van zijn destijds tweejarige dochter [het kind] , de benadeelde partij, door haar uit het huis van haar oma weg te halen en naar India te brengen. Gelet op het voorgaande en zoals ook tot uitdrukking gebracht in de strafmotivering is naar het oordeel van het hof sprake van een normschending die naar haar aard en ernst meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor [het kind] zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op het gevorderde bedrag, te weten € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de financiële situatie van de benadeelde partij is voor beoordeling van de vordering niet relevant en kan buiten beschouwing blijven.”
9.3
Het middel berust op de opvatting dat het hof heeft geoordeeld dat [het kind] geestelijk letsel heeft opgelopen en dat om die reden sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 BW. Die opvatting is onjuist. Het hof heeft – na daartoe het juiste juridische kader uiteen te hebben gezet – overwogen dat “sprake [is] van een normschending die naar haar aard en ernst meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor [het kind] zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.” Het hof heeft de hiervoor genoemde aantasting in de persoon dan ook aangenomen op grond van de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde en niet – zoals de stellers van het middel kennelijk tot uitgangspunt hebben genomen – op de grond dat bij de benadeelde partij sprake zou zijn van (objectief) geestelijk letsel.
9.4
Het middel faalt.
Afronding
10.1
Alle middelen falen en de middelen 1 tot en met 7 en 9 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
10.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑07‑2025
Vgl. HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4829.
Hiertegen is cassatie ingesteld door de verdachte. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep op 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1765 niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van art. 80a RO.
De ter zitting door de advocaat-generaal voorgedragen “Reactie preliminaire verweren (3)”, p. 5 en 7.
Het proces-verbaal vermeldt als datum van de eerdere zitting 15 juni 2023, maar dit is een kennelijke verschrijving.
Bijvoorbeeld EHRM 1 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0301JUD005658100, § 81 en 82 (Sejdovic t. Italië) en EHRM12 februari 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:0212JUD006640812, § 67 en 78 (Sanader t. Kroatië).
HR 12 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:AD5163, rov. 3.33.
Omdat het aanwezigheidsrecht hier naar mijn mening centraal staat, laat ik de, op zichzelf niet onbelangrijke, vraag rusten in hoeverre de regels van internationale rechtshulp toestaan dat de verdachte niet alleen in het buitenland via een videoconferentie in het kader van de vervolging wordt gehoord, maar ook op die manier rechtstreeks deelneemt aan de behandeling ter zitting. Zie voor de twijfels daarover S. Salverda, ‘Het gebruik van een videoconferentie bij de berechting van een in het buitenland verblijvende verdachte’, DD 2024/35.
Zie ook HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2037, rov. 5.3.2 en 5.3.3.
Tegen de beslissing van de voorzitter staat geen rechtsmiddel open, aldus art. 131a lid 3 Sv. Bovendien gaat het daarbij om een beslissing in het kader van de orde op de terechtzitting waartegen hoe dan ook geen hoger beroep of beroep in cassatie mogelijk is. Zie HR 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1771.
HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:709, rov. 2.3.4.
ECLI:CE:ECHR:2018:1002JUD006658012, § 138.
ECLI:CE:ECHR:2021:0608JUD006159116, § 53 en 56.
ECLI:NL:PHR: 2024:765, randnrs. 10-13.
EHRM 23 juli 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0723JUD003736815 (Chong Coronado t.. Andorra), § 29 en Sanader t. Kroatië, §70.
Chong Coronado t. Andorra, § 38 en 39 en Sanader t. Kroatië, 88.
Dit achtte het EHRM van belang in Chong Coronado t. Andorra, § 40.
Sejdovic t. Italië, § 86-88 en Sanader t. Kroatië, § 72-74.
HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2067.
HR 10 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC1666, NJ 1982/161.
J.M. ten Voorde, T&C Strafrecht, commentaar op art. 40 Sr (actueel tot en met 1 oktober 2024), aant. 10b.
J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2024, p. 335.
PHR 14 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:191, randnr. 24.
ECLI:CE:ECHR:2010:0706JUD004161507, § 138-139.
Beroepschrift 06‑03‑2025
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
griffienummer: 24/02069
SCHRIFTUUR: houdende middelen van cassatie in de zaak van [verdachte], verzoeker tot cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof te Amsterdam uitgesproken op 13 mei 2024.
Middel 1
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 6 EVRM, 14 IVBPR, 48 Sv geschonden doordien de rechtbank heeft verzuimd vast te stellen dat art. 48 Sv (51 Sv oud) is nageleefd en/of het hof verzuimd heeft blijk te geven onderzoek hiernaar te hebben ingesteld en te hebben onderzocht of een afschrift van de dagvaarding in eerste aanleg ook aan de raadsman van verzoeker is toegezonden, is het impliciete oordeel dat art. 48 tweede volzin (art. 51 Sv oud) is nageleefd onbegrijpelijk.
Toelichting
1.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 23 september 2024 heeft de rechtbank aan deze kwestie geen overwegingen gewijd. Wel heeft de rechtbank vastgesteld dat verzoeker, die niet verschenen is, niet wordt bijgestaan door een (gemachtigde) advocaat en dat de rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker correct is opgeroepen, waarna verstek is verleend en de behandeling van de zaak buiten zijn aanwezigheid is voortgezet. Nu echter niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of een afschrift van de dagvaarding ook aan de raadsman is verzonden is het impliciete oordeel dat art. 51 Sv (oud) is nageleefd onbegrijpelijk. (vgl. HR 12 februari 2002 NJ 2002/285).
2.
Aan het voorafgaande kan hetgeen ter toelichting in eerste aanleg d.d. 20 januari 2020 niet worden tegengeworpen. Voor zover hier van belang luidt het proces-verbaal van deze zitting zakelijk weergegeven:
‘De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven:
Ik verzoek uw rechtbank de behandeling vna de zaak aan te houden voor onbepaalde tijd. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak kan worden gepland. Het onderzoek is wat het Openbaar Ministerie betreft voltooid. De zitting van vandaag was bedoeld als regiezitting, om te kijken of er onderzoekswensen zijn aan de kant van de verdediging. Er heeft zich geen advocaat gesteld in de zaak van verdachte: mr. Spong, die verdachte eerder heeft bijgestaan, is benaderd, maar heeft aangegeven dat hij verdachte niet langer bijstaat. Desgevraagd geven de oudste rechter en de jongste rechter geen vragen te hebben.’
3.
Zowel de rechtsbank als het hof hebben verzuimd vast te stellen wanneer de vorenbedoelde informatie van de raadsman is bekomen en of deze ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding c.q. oproeping en ter behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg nog steeds actueel was. Het onderzoek in eerste aanleg lijdt hierdoor aan nietigheid, nu ongeacht de vraag of het Openbaar Ministerie zoals toegezegd in een later stadium de tenlastelegging aan de raadsman heeft doen toekomen, de zitting van 20 januari zoals volgens de officier van justitie bedoeld was als regiezitting en aldus voor de verdediging wezenlijk van belang was.
Middel 2
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 6 EVRM, 14 lid 5 IVBPR, 348, 349 Sv geschonden doordien het hof verzuimd heef te beslissing op het nietigheidsverweer inhoudend dat de inleidende dagvaarding aan nietigheid lijdt, ten gevolge waarvan verzoekers recht op berechting in twee feitelijke instanties is geschonden doordien de dagvaarding aan het onjuiste adres te Mumbai is verzonden en/of niet c.q. niet voldoende in een taal die verzoeker machtig is is vertaald.
Toelichting
1.
In de appelschriftuur als bedoeld in art. 410 Sv, waarnaar in de pleitnotitie in hoger beroep is verwezen is voor zover hier van belang aangevoerd:
‘Appellant is bij verstekvonnis van de rechtbank Amsterdam d.d. 12 oktober 2020 in de zaak met parketnummer 13/728205-16 wegens uitlokken van het mede-plegen van de ontvoering van zijn kind en het medeplegen van de onttrekking aan het ouderlijk gezag van zijn kind veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaar met toewijzing van de schadevergoedingsvordering van de moeder tot € 26.266,12, de schadevergoedingsvordering van hun beider kind tot € 10.000,- en de schadevergoedingsvordering van een tante tot € 1.500,-.
Nietige inleidende dagvaarding
Appellant heeft tegen voormeld vonnis op 22 oktober 2020 hoger beroep doen instellen. Ten onrechte heeft de rechtbank allereerst verstek verleend, nu uit de stukken van het geding, voorzover thans ter kennis van appellant, niet kan volgen dat een in de Engelse taal of in het Hindi en Marathi gestelde dagvaarding op de voet van het bepaalde in art. 588 Sv hetzij rechtstreeks aan het laatst bekende woonadres of verblijfplaats, te weten [naam gebouw 1] [a-straat], [stad], [a-plaats] [postcode], [staat], India, hetzij door tussenkomst van de bevoegde Indiase autoriteit of instantie is toegezonden . De centrale instantie in India voor het ontvangen van dagvaardingen en dagvaardingen in strafzaken van internationale landen is het ministerie van Binnenlandse Zaken, IS-II Division, Juridische cel, New-Delhi. Het onderzoek ter zitting lijdt hierdoor aan nietigheid.’
2.
Op voormeld verweer heeft het hof in zijn arrest ten onrechte niet beslist. Verder blijkt uit de processtukken niet dat de oproeping voor de terechtzitting d.d. 15 juli 2015 aan verzoeker in persoon is gedaan. Evenmin kan blijken dat bij de inleidende dagvaarding in eerste aanleg de ‘bijsluiter’ is vertaald in het Engels danwel in het Hindi, terwijl voorts niet kan blijken dat een integrale vertaling van de inleidende dagvaarding aan verzoeker is verstrekt. De verplichting daartoe is mitsdien verzaakt. (Vgl. art. 8 lid 2 Richtlijn 2016/343; art. 3 Richtlijn 2010/64 en HR 21 april 2020 Ecli:NL:HR:2024:771).
3.
De omstandigheid dat van een verdachte een actieve proceshouding mag worden verwacht brengt in casu niet mee dat verzoeker in het ongewisse mag worden gelaten over voormelde essentialia in zijn strafproces. Per slot van rekening hoeft een verdachte niet aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Nemo tenetur.
4.
Uit de processtukken volgt in dit verband dat via Interpol en het Internationale Rechtshulp Centrum van het openbaar ministerie desgevraagd als adres van verzoeker is binnen gekomen: [naam gebouw 2] [b-straat 01], [stad], [postcode] India. De raadsman heeft echter bij brief d.d. 8 januari 2018 aan de rechter-commissaris als adres opgegeven:
[naam gebouw 2] [b-straat 01] [stad] [postcode], [staat] India.
Tussen [naam gebouw 2] [huisnummer 1] en [naam gebouw 2] [huisnummer 2] bestaat ontegenzeggelijk een verschil.
5.
Het is in beginsel geen taak van de cassatierechter om al dan niet met behulp van Google of enig ander tech-bedrijf in de VS naspeuringen te doen naar de afstand tussen beide adressen en/of überhaupt sprake zou zijn van hetzelfde adres.
Daarmee staat vast dat minst genomen twijfel bestaat of voldaan is aan het bepaalde in art. 588 lid 2 Sv(oud) en/of art. 36b Sv tweede lid, dat sinds 1 januari 2020 van kracht is. Deze twijfel brengt mee dat niet gezegd kan worden dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend. Evenmin kan gezegd worden dat deze dagvaarding wegens de hiervoor aangehaalde vertalingsmankementen rechtsgeldig te achten is. Verzoeker die op grond hiervan een instantie heeft verloren heeft mitsdien geen eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM jo 14 lid 5 IVBPR gehad.
6.
Wat betreft het standpunt dat de Hoge Raad niet zelf zal moeten gaan googelen moet opgemerkt worden dat Google zelf al de mogelijkheid van een foutief opgegeven adres erkent. ‘Fix a missing address or wrong pin location’ laat Google weten met de geruststellende tekst ‘Need more help’. Aan deze schriftuur is bij wijze van voorbeeld de vergelijkbare wederwaardigheden van een persoon uit ‘Ho-Chi-Minh’ City Vietnam weergegeven.
7.
In HR 12 maart 2002 ECLI:NL:HR:2002:AD5163 overwoog de Hoge Raad verder dat wanneer de betekening van de inleidende dagvaarding niet op wettige wijze is geschied en de verdachte noch zijn raadsman is verschenen op terechtzitting in eerste aanleg — hetgeen in casu het geval is — de appelrechter deze dagvaarding in beginsel nietig dient te verklaren, behoudens indien hij op de voet van art. 422a Sv de zaak aan zich houdt. Dit laatste heeft het hof niet gedaan. Het hof heeft immers de oproeping nietig verklaard (zie ook HR 17 februari 2004 Ecli:NL:HR:2004:AO1716).
8.
Voor zover het hof blijkens het proces-verbaal van de zitting d.d. 5 juni 2023 heeft geoordeeld dat de wet geen verplichting inhoudt of inhield om de dagvaarding of oproeping voor de nadere terechtzitting elektronisch te betekenen en de wetgever geen algemene voorkeur van de wetgever voor elektronische betekening tot uitdrukking heeft gebracht, geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het bepaalde in art. 36b tweede lid Sv luidt immers als volgt:
‘Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is, geschiedt betekening door uitreiking.’
9.
Uit deze tweede zinsnede in de betrokken wettelijke bepaling valt af te leiden dat de wetgever een voorkeur heeft geëtaleerd voor elektronische betekening. Pas als die niet of niet binnen redelijke termijn mogelijk is kan teruggevallen worden op de klassieke betekening door uitreiking. In zoverre gaat de wetgever met de digitale tijd mee. Eerst digitaal een poging wagen en als dat niet lukt dan betekening uit de oude doos door middel van uitreiking (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82 — i.w.tr. 1 januari 2020). Digitale procesvoering is overigens ook in cassatie via het portaal in zwang geraakt. Met ingang van 1 januari 2023 is het verplicht digitaal in strafzaken waarvan de strafkamer van de Hoge Raad kennis neemt te procederen, zulks met uitzondering van Caribische zaken. Digitaal procederen in dagvaardings- en ontnemingszaken is verder in cassatie op vrijwillige basis sinds 17 december 2018 mogelijk. Deze digitale procesvoerings- voorkeur van de wetgever geeft — anders dan het hof meent — wel degelijk een algemene voorkeur van de wetgever voor digitale betekening weer. Want het zou een anomalie in het strafrecht opleveren om digitaal procederen in cassatie verplicht te stellen, maar in feitelijke aanleg op ouderwetse manier bezig te blijven.
10.
Het is aan de lidstaten van de EU om te regelen op welke wijze de informatie omtrent de terechtzitting wordt verstrekt. Volgens de Hoge Raad mag het nationale recht echter niet afdoen aan de doelstelling van (o.a.) artikel 6 lid 3 Richtlijn 2012/12/EU, namelijk de verdachte in staat stellen zijn verdediging voor te bereiden en een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen.1. De uitreiking van de dagvaarding aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie, en voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag.
11.
Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal (artikel 36e lid 3 Sv). Bij de vraag of aan de voorwaarden van artikel 8 lid 2 Richtlijn (EU) 2016/343 is voldaan, kan de rechter zich baseren op de wijze waarop iemand volgens het nationale recht wordt opgeroepen voor de terechtzitting. Dergelijke regels van nationaal recht mogen echter niet afdoen aan de doelstelling van de richtlijn, namelijk het eerlijke verloop van de procedure waarborgen en de verdachte in staat te stellen om bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn2. zo nodig door grensoverschrijdend gebruik van een videoconferentie ter berechting van een verdachte mogelijk te maken. Zie S. Salverda, Het gebruik van een videoconferentie bij de berechting van een in het buitenland verblijvende verdachte, D.D. 2024/35 pg. 516.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 juni 2023 heeft de raadsman van verzoeker in dit kader aangevoerd dat er mogelijkheden aanwezig zijn om van het aanwezigheidsrecht gebruik te maken bijvoorbeeld door middel van een videoverhoor, zijnde een wettelijk equivalent voor een gewoon verhoor op de zitting. Nu de inleidende dagvaarding en/of oproeping in eerste aanleg en het hoger beroep geen melding maken van deze mogelijkheid lijdt het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep aan nietigheid. Althans dient de inleidende dagvaarding en oproeping in eerste aanleg nietig te worden geacht, nu essentiële informatie met betrekking tot een eerlijk proces aldus aan verzoeker is onthouden. Onder ‘to conduct his defense’ dient immers mede begrepen te worden het weloverwogen afstand doen van een aanwezigheidsrecht inclusief het al of niet doen van een verzoek tot een videoconferentie-behandeling.
12.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de enkele verzending van (een afschrift van de) dagvaarding met vertaling rechtstreeks naar het bij het openbaar ministerie bekende woon- of verblijfadres van verzoeker in India, niet voldoende is om objectief vast te stellen of hij de informatie over het tijdstip en de plaats van zijn strafproces ook daadwerkelijk heeft ontvangen.
13.
De autoriteiten moeten verder beoordelen of de taalvaardigheid van de persoon in een specifieke taal voldoende is om de eerlijkheid van de procedure te waarborgen, met andere woorden, of de persoon in staat is om zijn verdediging effectief in die taal te voeren. In Vizgirda t. Slovenië oordeelde het EHRM dat: (… .) the Court cannot find any indication that the applicant was ever consulted as to whether he understood the interpreting and written translation into Russian well enough to conduct his defense effectively in that language. (…) the few rather basic statements the applicant made during the hearing (…) cannot be regarded as sufficient to show that he was in fact able to conduct his defense effectively in that language.
14.
Hoewel verzoeker in bovengenoemde zaak blijkbaar in staat was om enig Russisch te spreken en te begrijpen — een feit dat hij niet heeft ontkend — acht het Hof niet bewezen dat zijn vaardigheid in die taal voldoende was om de eerlijkheid van de procedure te waarborgen. Met andere woorden, als een persoon niet in staat is om de strafrechtelijke procedure tegen hem 'volledig' te begrijpen en te volgen en zijn verdedigingsrechten uit te oefenen, moet er taalkundige bijstand worden verleend. Om te bepalen of een persoon in staat is om zijn verdediging effectief te voeren in de taal van de procedure, heeft het EHRM herhaaldelijk geoordeeld dat de autoriteiten de taalkundige vaardigheid van de persoon moeten beoordelen in het licht van de specifieke omstandigheden van de zaak, en in het bijzonder de complexiteit van zowel het delict als de communicatie gericht aan de persoon:
‘(…) the issue of the defendant's linguistic knowledge is vital and that [the Court] must also examine the nature of the offence with which the defendant is charged and any communications addressed to him by the domestic authorities, in order to assess whether they are sufficiently complex to require a detailed knowledge of the language used in court'.
15.
De jurisprudentie van het EHRM biedt nog verdere verduidelijking:
‘The fact that the defendant has a basic command of the language of the proceedings or, as may be the case, a third language into which interpreting is readily available, should not by itself bar that individual from benefiting from interpreting into a language he or she understands well enough to fully exercise his or her defense rights'
(Vizgirda v. Slovenia, 2018).
16.
Als wordt aangetoond, of als er redenen zijn om te geloven dat de beklaagde onvoldoende kennis heeft van de taal waarin de informatie wordt verstrekt, moeten de autoriteiten hem een vertaling verschaffen (Brozicek t. Italië, 1989, § 41; Tabaï t. Frankrijk 2004). Hoewel artikel 6 § 3 (a) niet specificeert dat de relevante informatie schriftelijk of vertaald in schriftelijke vorm aan een buitenlandse beklaagde moet worden verstrekt, kan een beklaagde die niet bekend is met de taal die door de rechtbank wordt gebruikt, in een praktisch nadeel verkeren als hij niet ook een schriftelijke vertaling van de aanklacht in een voor hem begrijpelijke taal ontvangt (Hermi tegen Italië [GC], 2006, § 68; Kamasinski tegen Oostenrijk, 1989, § 79).
17.
In verband met een discongruentie tussen de bijzondere volmacht zoals bedoeld in art. 450 eerste lid Sv worden hierna nog enkele kanttekeningen gemaakt. In de betrokken bijzondere volmacht is opgenomen dat het cassatieberoep wordt ingesteld tegen het arrest d.d. 13 mei 2024 alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen. De griffier heeft in de akte echter alleen opgenomen dat het beroep is gericht tegen het arrest met weglating van alle ter terechtzitting genomen beslissingen. Het behoeft gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad te dezer zake geen verder betoog dat de inhoud van de volmacht prevaleert. Naderhand heeft de griffier één en ander in een nieuwe akte gecorrigeerd. Wat hiervan ook zij onder het motto ‘superfluum non nocet’ wordt nog het navolgende opgemerkt. Tot slot moet nog worden opgemerkt dat de motivering van het hof vervat in het proces-verbaal van de zitting d.d. 5 juni 2023, welke beslissingen zijn aan te merken als tussenuitspraken, in cassatie toetsbaar is. De mededeling van de raadsman in hoger beroep d.d. 16 april 2024 dat hij het nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding laat vallen nu daarop reeds is beslist, dient mitsdien aldus verstaan te worden dat het nietigheidsverweer niet opnieuw ter zitting van 16 april 2024 herhaald wordt, nu de beslissingen op dit verweer gelet op het bepaalde in art. 322 lid 4 Sv in stand blijven en derhalve in cassatie aan de orde kunnen worden gesteld omdat sprake is van een verband tussen de einduitspraak en de tussenuitspraak. (Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken pg. 17 en 18, 9e dr.) Zie ook HR 26 november 1985, NJ 1986 en HR 28 juni, NJ 1983, 798 waarin beslist is dat tegen interlocutoire beslissingen die doorwerken niet apart beroep behoeft te worden ingesteld.
18.
Hoe zwaar Straatsburg tilt aan een correcte betekening blijkt tot slot onder meer uit E.C.R.M. d.d. 9 april 1997 in de zaak Ilhan tegen Oostenrijk, application no. 22961/930 hierin werd overwogen:
- ‘35.
The commission recalls that it is of crucial importance for the fairness of the criminal justice system that the accused be adequately defended, whereby this interest prevails over the interest that the accused should appear at his trial. Thus, the fact that the defendant, in spite of having been properly summoned, does not appear, cannot — even in the absence of an excuse — justify depriving him of his right under Article 6 para. 3 (Art. 6-3) of the Convention to be defended by counsel (Lala judgement, loc. Cit., p. 13, para 33; Pelladoah judgement, loc cit., p. 34, para. 40).
- 36.
In the present case, the Feldkirch District Court convicted the applicant in absentia on 26 January 1993. In these proceedings he was not represented by counsel. Upon the applicant's objection, 18 may 1993 was fixed for rehearing the case. At the trial counsel for the defence appeared, but not the applicant summoned, decided in accordance with S. 478 para. 3 of the Austrian Code of Criminal Procedure that the applicant's objection was to be considered void and that the judgement in absentia of 26 January 1993 become final. Given this legal situation, there was no room for the applicant's counsel to conduct his defence. Moreover, the Commission notes that the rehearing, under domestic law, was the last instance where the case could be fully examined as to questions of fact and law.
- 37.
For these reasons, the Commission finds that the applicant did not have a fair hearing in the criminal proceedings against him, in particular as, at the trial for rehearing his case after his conviction in absentia, he was deprived of his right to be defended by counsel.’
Middel 3
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid met zich meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 358 lid 3 Sr en art. 359 lid 2 Sv geschonden, doordat het gerechtshof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ex. art. 359 lid 2 Sv en doordat hof's arrest geen beslissing bevat omtrent een uitdrukkelijk voorgedragen verweer ex. art. 358 lid 3 Sv. Voormeld standpunt en verweer houden in dat het OM niet ontvankelijk is in de vervolging nu deze vervolging in strijd is met art. 2 lid 1 VN Handvest jo. art. 94 Grondwet en artikel 8 EVRM, zodat het hof niet had mogen verzuimen dienaangaande te responderen. In zoverre is het arrest niet voldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.
In hoger beroep is bij schriftelijk overlegde en mondeling voorgedragen pleitnotitie het hieronder geciteerde aangevoerd. Dit betoog uit de pleitnotitie strekt tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging van verzoeker, aangezien een bewezenverklaring c.q. strafoplegging leidt tot een schending van de soevereiniteit van India. Daarbij wordt meer specfiek een beroep gedaan op art. 2 lid 1 van het VN-Handvest jo. art. 94 Gw. In art. 2 lid 1 VN-Handvest is de soevereiniteit van staten vastgelegd.
- 3.
‘Het ontbreken van rechtsmacht over in India verrichte handelingen te weten het in de periode van 29 september 2016 tot en met 15 juli 2019 onttrokken houden, brengt mee dat het openbaar ministerie in zoverre niet ontvankelijk is nu voor het misdrijf van art. 279 Sr geen universele rechtsmacht geldt.
- 4.
Terecht merkt de Hullu dan ook op dat erkenning van de soevereiniteit van staten een terughoudende opstelling impliceert bij het creëren en toepassen van extraterritoriale rechtsmacht. Dat speelt, aldus De Hullu, in het bijzonder wanneer een staat weloverwogen besluit bepaald gedrag niet onder de werking van de eigen strafwet te brengen. Er ontstaat dan spanning wanneer een staat wél tot strafrechtelijke aansprakelijkheid zou komen op grond van extraterritoriale toepassing van eigen strafrecht3.. Welnu in casu hebben we gezien dat India de handelingen van [verdachte] weloverwogen niet strafbaar acht en daarom consequent uitlevering weigert terwijl ook de rechtshulp nogal stroef verloopt. Meer concreet wordt door de Indiase autoriteiten overwogen dat aan cliënt, ‘[het kind]'s vader en natuurlijke voogd, naar Indiaas recht geen ontvoering van zijn eigen dochter [het kind] ten laste kan worden gelegd’, waardoor niet wordt voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid.4. Het door de A.G. toegezonden art. 361 Penal Code of India inzake ‘kidnapping from lawful guardianship’ doet hier niet aan af. Met name niet nu de uitzonderingsbepaling op hem van toepassing lijkt. Deze houdt in dat onder dit artikel niet valt degene die te goeder trouw meent dat hij het recht heeft op het wettig gezag over het kind en van een immoreel of onwettig doel geen sprake is. Daarom heeft het Hof van Justitie van Bombay c.q. het Hof van Beroep voor strafzaken in zijn beslissing d.d. 13 juni 2017 overwogen dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken middels een brief van 5 mei 2017 een uitleveringsverzoek betreffende [verdachte] heeft afgewezen onder meer ‘omdat de betrokkene de vader en de natuurlijke voogd van het kind [het kind] is en hem de ontvoering van [het kind] derhalve niet ten laste kan worden gelegd. Aan het criterium van dubbele strafbaarheid wordt dientengevolge niet voldaan’.5. Zie hierover verder nr. 36. Ondertussen, nu we het toch over het Indiase strafrecht hebben, mag niet onvermeld blijven dat op 26 oktober 2017 het Metropolitan Magistrate Court, Mumbai een ‘non-bailable arrest warrant’ tegen [betrokkene 5] uitvaardigde terzake onder meer het ontvoerings- misdrijf ex art. 387, 363 IPC.6. Ziehier hoe diametraal de Nederlandse en Indiase strafrechtelijke organen tegenover elkaar staan, gevolgd door een ‘red corner’ arrestatiebevel van Interpol ten behoeve van een strafrechtelijke vervolging in India.7.
Indiase soevereiniteit wordt dan ook geschonden door naar Indiaas recht niet strafbare gepleegde handelingen in ons land zwaar te bestraffen.
Soevereiniteit en cultuur
- 5.
‘De door De Hullu gesignaleerde spanning door deze soevereiniteitsschending heeft uiteraard ook iets wederkerigs. Want omgekeerd kan India n'en d’éplaise de populaire ‘Hare Krishna’ beweging haar rechtscultuur niet opdringen aan ons. Ons normstelsel duwen wij echter door de strot van een natie met meer dan 1,35 miljard inwoners waarvan ± 200 miljoen moslims, met de tamelijk arrogante filosofie dat hun Indiaas rechtsnormensysteem bij ons bij het vuilnis kan worden gezet terwijl we anderzijds pretenderen hun rechtsorde te eerbiedigen. In wezen is het een soort Gordiaanse knoop, omdat India ons rechtsnormensysteem op dit vlak niet accepteert. We krijgen hierdoor, zoals Samuel Huntington het omschreef, een ‘clash of civilizations’ ofwel een botsing der beschavingen. De culturele en religieuze identiteit van de mens vormt, aldus Huntington, immers de primaire bron van conflict. Verwezen zij verder naar hetgeen verder hierover in de appelschriftuur is opgemerkt onder de nummers 10 tot en met 25, dat hier — zoals reeds gesteld — als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. In nr. 25 is voor zover feit 2 betreft primair geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en subsidiair tot vrijspraak. Maar ook valt te denken aan een uiterst gematigde strafoplegging. In eenvoudig Nederlands heet dat bij de strafoplegging de kool en de geit sparen. Zo wordt voorkomen dat de dominantie van een rechtssysteem vanwege het territorialiteitsbeginsel al te onredelijke elementen krijgt. Voorkomen moet worden dat bij zo'n strafmacht-conflict gebaseerd op religie en cultuur de dominantie van de ene cultuur ten opzichte van de andere té zwaarwegend wordt.’
- 6.
‘Met betrekking tot de rechtsvraag of de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie een passend rechtsgevolg zou kunnen en dienen te zijn, geldt het volgende. Het koppelen van de sanctie van niet-ontvankelijkheid aan het ontbreken van rechtsmacht is geen unicum. Zo raakt ten gevolge van verjaring het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht kwijt. In de onderhavige zaak kan op grond van art. 5 Sr in beginsel rechtsmacht worden aangenomen, nu [het kind] en haar moeder de Nederlandse nationaliteit bezitten. Ingevolge deze wettelijke bepaling is immers de Nederlandse strafwet toepasselijk op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf tegen een Nederlander onder de voorwaarden dat dit misdrijf met tenminste een gevangenisstraf van 8 jaar wordt bedreigd en daarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. Indien uw hof echter de redenering van de verdediging volgt dat art. 282 Sr niet tot een bewezenverklaring van feit 1 kan leiden, resteert het misdrijf van 279 Sr. Op dit misdrijf staat evenwel een maximale gevangenisstraf van 6 jaar, hetgeen medebrengt dat in zoverre geen rechtsmacht ex art. 5 Sr voor feit 2 aangenomen kan worden. Mocht uw hof ondanks het ontbreken van voormelde voorwaarden, althans één daarvan, toch rechtsmacht gebaseerd op art. 5 en/of 2 Sr aannemen dan rijst de vraag of de nationale wet moet prevaleren boven de erkenning van het soevereiniteitsbeginsel c.q. de internationale rechtsorde. Wat de verdediging betreft is dit vanuit diverse invalshoeken een klemmende vraag. Die invalshoeken gaat de verdediging nu belichten.’
Wankele rechtsbasis van art. 2 Sr
- 7.
‘Toepassing van art. 2 Sr is op grond van het navolgende uiterst discutabel en geen vanzelfsprekende zaak. Allereerst valt in dit verband op te merken dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad de — ruime — extraterritoriale rechtsmacht veel en uitbundig te gebruiken.8. Zelfs als extraterritoriale rechtsmacht in beginsel op zijn plaats wordt geacht omdat de zogeheten ‘locusstaat’ niet in staat of onwillig is om zelf op te treden, blijft het creëren van een rechtsmacht-conflict gebaseerd op fundamenteel religieus en strafrechtelijk verschillende normen, een heikele affaire in die zin dat in zo'n geval een overspanning van de strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat. Aangezien zowel het recht op een persoonlijke levenssfeer als het recht op vrijheid van godsdienst diep gewortelde universele mensenrechten betreffen, zullen deze mensenrechten die voor [verdachte] in het geding zijn, moeten prevaleren. Van deze prachtige garanties blijft helaas niet veel over als we met een grote spanwijdte van art. 2 of 5 Sr strafrechtelijke aansprakelijkheid aannemen en het strafrecht van India terzijde schuiven ter wille van de handhaving van ons strafrecht in een religieus beladen kwestie.’
- 8.
‘In zoverre verschilt deze zaak met de Egyptische onttrekkingszaak die geleid heeft tot het arrest van uw hof d.d. 13 juni 2013 Ecli:NL:PHR:2023:413. Het ging in die zaak om een onttrekking aan het ouderlijk gezag van de moeder ex art. 279 Sr, waarbij de verdachte zijn twee minderjarige kinderen gedurende maar liefst 15 jaren mee heeft genomen naar Egypte en ze aldaar bij zich heeft gehouden. Uit het arrest van uw hof waarbij een arrest van het gerechtshof in Caĩro werd aangehaald valt af te leiden dat voldaan was aan de eis van dubbele strafbaarheid. Van dubbele strafbaarheid is evenwel in casu anders dan het O.M. meent mede gelet op de Indiase houding bestaande uit het niet uitleveren, de stroeve rechtshulpverlening, en de thans onherroepelijke uitspraak van het Bombay Highcourt d.d. 13 juni 2017, geen sprake. In deze uitspraak werd het ontbreken van dubbele strafbaarheid bevestigd.9. Voor zover hier van belang overwoog het Bombay High Court:
‘By a letter dated 05/05/2017 the said request was rejected, inter alia, on the ground that the subject being the father and the natural guardian of child [het kind], could not be charged with the offences of kidnapping of [het kind] and hence held that the dual criminality is not satisfied in this case. The statement is accepted.’
Niet onvermeld mag ook nog blijven dat de onderhavige zaak op belangrijke onderdelen verschilt van de zaak HR 13 juni 2023 Ecli:NL:HR:2023:855. Het betrof een 15 jaar durende onttrekking naar Egypte. Voor het vestigen van rechtsmacht op basis van art. 2 Sr achtte de Hoge Raad het van belang dat de afspraken door de verdachte telkens in Nederland waren gemaakt. In casu maakte [verdachte] de afspraken in of vanuit India. Verder valt uit het arrest van het hof in deze zaak af te leiden dat zoals al opgemerkt — anders dan ten aanzien van India — sprake was van dubbele strafbaarheid. Het hof overweegt in zijn strafmotivering dat ook Egyptische rechters de verdachte er niet toe hebben kunnen bewegen de kinderen onder het gezag van de moeder te plaatsen en naar Nederland te brengen. Juist het ontbreken van dubbele strafbaarheid ten aanzien van India levert in casu een onoverkomelijk scharnierpunt voor de rechtsmacht op. Want het ontbreken van dubbele strafbaarheid in de visie van het Bombay High Court maakt de soevereiniteitsschending zo klemmend, nu in alle zaken waar tot dusverre art. 2 Sr is toegepast en waarnaar het OM verwijst, wél sprake was van dubbele strafbaarheid.’
Soevereine gelijkheid: art. 2 Handvest V.N.
- 9.
‘Voor de beoordeling van de soevereiniteit van India als beletsel voor rechts-machtuitoefening van Nederland is dit ontbreken van dubbele strafbaarheid een essentiële factor. Dit volgt in het bijzonder uit art. 2 van het VN Handvest. Deze bepaling bevestigt de ‘soevereine gelijkheid’ en de ‘territoriale integriteit’ van de leden van de Verenigde Naties10.. In het licht van deze principes wordt een verbod verwoord voor een inmenging in aangelegenheden die onder de nationale rechtsmacht van vreemde staten vallen (lid 7). Deze elementen maken deel uit van het algemeen aanvaarde soevereiniteitsconcept en behoren tot het algemene volkenrecht.’11.
- 10.
‘Dat het hier niet gaat om louter aanvullende beginselen, maar integendeel om een dwingend normengeheel is evident en trouwens ook uitgemaakt in rechtspraak van het Internationaal Gerechtshof inzake het Noordzee-Continentaal Plateau. Kort samengevat als de ‘Visserij-rechtspraak’.
De ‘Grundnorm’-allure van het soevereiniteitsbeginsel werd goed omschreven door het Internationaal Gerechtshof, toen dit, in het kader van een geschil omtrent de soevereine rechten van een kuststaat over diens continentaal plat, het volgende over het begrip soevereiniteit te vertellen had:
‘In short, there is here an inherent right. In order to exercise it, no special legal process has to be gone through, nor have any special legal acts to be performed. Its existence […] does not need to be constituted. Furthermore, the right does not depend on its being exercised. [It] is ‘exclusive’ ’.’12.
Jus cogens en hypocriete jurisdictie
- 11.
‘Vanuit het oogpunt van de Statenpraktijk heeft het soevereiniteitsbeginsel als hierbedoeld gewoonterechtelijke status. De plicht tot eerbiediging van de soevereiniteit van vreemde Staten behoort dan ook tot het jus cogens. Dat betekent dat staten op geen enkele wijze de soevereiniteit van een derde staat kunnen opheffen. En daarom claimt ons land bijvoorbeeld met betrekking tot de visserij soevereiniteit op delen van de Noordzee. Onze visserij-industrie en het lot van vele vissers zou geen stuiver meer waard zijn als ons land zijn soevereiniteit niet zou claimen. De wereld is te klein en de rapen zijn gaar als een Engelse visser ook maar één garnaal uit ons visterritorium ophengelt. Want dan schreeuwen we moord en brand dat onze soevereiniteit met een visvangst geschonden wordt terwijl we er geen moeite mee hebben hetzelfde te doen. Hypocriete jurisdictie heet dat. Hetzelfde geldt voor binnenwateren, de territoriale zee en het luchtruim boven het staatsgebied.13.
Of, zoals het Internationaal Gerechtshof het uitdrukt (met betrekking tot het continentaal plat),
‘the related principle of non-encroachment by one party on the natural prolongation of the other, which is no more than the negative expression of the positive rule that the coastal State enjoys sovereign rights over the continental shelf off its coast to the full extent authoritzed by international law […]’
(arrest van 3 juni 1985, Continental Shelf, Libyan Arab Jamahiriya v. Malta, ICJ Reports 1985, p. 13 par. 46).
- 12.
De soevereine rechtsmacht van een staat strekt zich echter zowel uit tot handelingen van personen die op het eigen territorium tot stand komen als de handelingen die elders worden gesteld, maar er gevolgen teweegbrengen. Dit is de zogeheten ‘gevolgentheorie’ die deel uitmaakt van het territorialiteitsbeginsel. Ook de Hoge Raad past deze theorie met betrekking tot art. 2 toe. Maar daar zitten nog wel een paar principiële haken en ogen aan vast. En daar wil de verdediging toch kort bij stilstaan.’
Lotus-zaak
- 13.
‘Het is duidelijk dat zich hier een botsing of conflict kan voordoen. Hoe daarmee om te gaan?
Het onderscheid tussen toelaatbaar territoriaal soevereiniteitsgebruik en ontoelaatbare extraterritoriale uitoefening van rechtsmacht werd verwoord door het Permanent Hof van Internationale Justitie in de befaamde Lotus-zaak (zie arrest Permanent Hof van Internationale Justitie van 7 september 1927, The care of the S.S. Lotus, Frankrijk tegen Turkije, Collection of Judgments 1927 p. 3). Het hof overwoog ondermeer:
‘[f]ar from laying down a general prohibition to the effect that States may not extend the application of their laws and the jurisdiction of their courts to persons, property and acts outside their territory, it leaves them in this respect a wide measure of discretion which is only limited in certain cases by prohibitive rules’.
Zie hiervoor art. 2 VN Handvest, welk handvest in wezen de opvolger is van het Lotus arrest. Dit Handvest is op 24 oktober 1945 in werking getreden.’
- 14.
‘Van het verbod tot uitoefening van rechtsmacht in het territorium van een vreemde Staat vindt men ook sporen terug in de VN Zeerechtconventie. Zo bepaalt artikel III, lid 3, van de Conventie dat, hoewel een kuststaat een achtervolging gestart in de eigen territoriale wateren of aansluitende zone tegen een vreemd schip mag verderzetten in de volle zee, het verplicht is deze achtervolging stop te zetten zodra het schip de territoriale zee van een andere Staat heeft bereikt.’
Geopolitieke invloed op art. 2 Sr
- 15.
‘De ruime uitleg van art. 2 Sr lijkt dan ook geïnspireerd te zijn door het Lotus-arrest. Maar ook dit arrest kent zeker vandaag de dag beperkingen op een al te royaal bereik van art. 2 Sr dat zich als een soort octopus dreigt te ontwikkelen. Opmerking verdient verder dat door de oorlog in Oekraïne, Gaza en de situatie in Jemen inzake de Houthi-rebellen, de soevereiniteitsidee een nieuwe, sterk nationalistische en strikte dimensie heeft gekregen. Geen meter van het betrokken (rechts)gebied kan straffeloos betreden of geschonden worden. Rechtsmachtuitoefening door een soevereiniteitsschending van een vreemde staat is inmiddels een echo uit het verre verleden. De onderschepping van twee Russische bommenwerpers boven Denemarken door twee Nederlandse F-16's in augustus 2023, het kat en muis-spel tussen Russische afstandsbommenwerpers die vanuit het Noorden het Navo-luchtruim naderden (augustus 2023), de recente schending in maart 2024 van het Poolse luchtruim door Russische vliegtuigen en/of raketten, die een aanval op de Oekraïne uitvoerden en de Nato activeerde, en het feit dat de Oekraïne en Rusland elke meter in de Zwarte zee als oorlogsgebied beschouwen tonen aan dat wij ons concept over rechtsmacht en soevereiniteit zullen moeten herijken. De hier genoemde voorbeelden hebben ons, zoveel is zeker, in ieder geval wreed uit onze dromen doen ontwaken dat rechtsmachtuitoefening via een soevereiniteitsschending een acceptabel verschijnsel zou zijn. Art 2 Handvest met zijn soevereine gelijkheids-premisse maakt klip en klaar duidelijk dat inbreuken op de soevereiniteit absoluut niet meer kan. Immers waarom zou de soevereiniteit van India in casu moeten wijken voor die van Nederland? Een ruime uitleg van art. 2 Sr is door deze rechtsontwikkeling obsoleet geworden.’
Goede rechtsbedeling vereist
- 16.
‘Met betrekking tot de uitbreiding van extraterritoriale rechtsmacht valt nog te noteren dat dit wel eens tot jurisprudentiële botsingen heeft geleid. Zo'n botsing deed zich voor in de Boutersezaak.’14.
Voor zover het universele karakter van de strafbaarstelling minder apert is, moet de voorwaarde van dubbele strafbaarheid gesteld worden, waardoor problemen met de kenbaarheid in belangrijke mate worden ondervangen.15. In voormelde annotatie merken de annotatoren treffend op dat het volkenrecht in toenemende mate de nationale rechtsorde doordrenkt met beginselen en regels die uitdrukking geven aan gemeenschappelijke waarden en normen op het terrein van onder meer rechten van de mens en internationale misdrijven. Maar als gemeenschappelijke normen en waarden met betrekking tot familierechtelijke issues ontbreken, zoals in casu anders dan het OM meent het geval is, wordt in het volkenrecht met beperkende voorwaarden opgekomen tegen universele rechtsmacht. Dit laatste is aan de orde bij een extensieve toepassing van art. 2 Sr. Ook moet bedacht worden dat het concept van de ‘goede rechtsbedeling’ een belangrijke rol speelt bij de vestiging van rechtsmacht. Bij die ‘goede rechtsbedeling’ moet gedacht worden aan o.a. de kenbaarheid van de strafbaarstelling.16. Dit nu is in de onderhavige zaak zeer problematisch. Want met droge ogen valt niet vol te houden dat een mannelijke ouder in India, die zijn naar Indiaas recht erkende ‘guardian-recht’ uitoefent, daarmee tegelijkertijd via Indiase bodem het Nederlandse misdrijf van art. 279 Sr pleegt. Van een gemeenschappelijke norm of waarde in India en Nederland is anders dan het O.M. met een beroep op art. 360 Sr India meent in het geheel volgens het High Cout of Bombay geen sprake, vandaar dat Nederland in deze zaak al vele jaren lang op een muur van onwil bij de Indiase autoriteiten stuit voor zover het strafrechtelijke rechtshulp betreft. India is doodeenvoudig niet van zins zijn eigen waarden en normen op dit gebied prijs te geven en in te ruilen voor Nederlandse.
- 17.
‘Het O.M. heeft in beginsel wel gelijk dat de ratio decidendi van het CCF niet was dat het gezag alleen aan [verdachte] was toegewezen, maar dat Interpol niet de aangewezen instantie is om een keuze te maken wanneer rechterlijke organen van zijn lidstaten tegenstrijdige vonnissen wijzen. Echter, niet over het hoofd mag worden gezien dat die overweging berust op artikel 3 van de Statuten van Interpol welke de politieke neutraliteit van de organisatie waarborgt. Aldus kan geen kern van juistheid zitten in de bewering dat de CCF de toekenning van gezag aan [verdachte] in India heeft laten meewegen in haar oordeel.’17.
Samenvattend
- 18.
"Er zijn grenzen gesteld aan de strafrechtsmacht van staten. Het volkenrecht eist, dat de staten elkaars soevereiniteit respecteren, wat betekent dat het een staat niet vrijstaat, de werking van zijn eigen strafwet zonder enige beperking over het grondgebied van vreemde staten of zelfs de gehele wereld uit te breiden. Art. 8d Sr verklaart de volkenrechtelijke beperkingen op de strafrechtsmacht van Nederland uitdrukkelijk van toepassing. Zij luidt immers:
‘De toepasselijkheid van de artikelen 2 tot en met 8c wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend.’
Dit wettelijk voorschrift is relatief nieuw. Zij is namelijk ingevoerd bij wet van 27 november 2013, Stb. 484 (i.w.tr. 1 juli 2014). Het respect voor de soevereiniteit van India c.q. het Indiase recht heeft dus een Nederlandse wettelijke basis. Het in ar. 2 Sr neergelegde territorialiteitsbeginsel zal hierin dan ook zijn begrenzing vinden in die zin dat de uitlokking als tenlastegelegd onder 1 niet tot een veroordeling kan leiden. Voor zover sprake zou zijn van conflicterende bepalingen in die zin dat art. 279 Sr en art. 2 Handvest VN met elkaar botsen, prevaleert art. 2 Handvest VN omdat op grond van art. 94 Grondwet een verdrag boven de wet gaat. Art. 94 luidt immers dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en besluitend van volkenrechtelijke organisaties. Art. 2 Handvest waar het hier om gaat is aan te merken als een ieder verbindende bepalingen, aangezien dit voorschrift van algemene aard is en iedere burger raakt.'
Soevereiniteit en rechtsmacht nader beschouwd vanuit mensenrechten
- 19.
‘Het komt de verdediging voor dat teneinde binnen de grenzen van het jus cogens te handelen staten gehouden zijn bij het uitoefenen van hun soevereine rechtsmacht de grondrechten c.q. mensenrechten van hun justitiabelen te eerbiedigen. In de considerans van het IVBPR komt dit tot uitdrukking in de woorden ‘to promote universal respect for, and observance of human rights and freedom’.’
- 20.
‘Te denken valt hierbij aan de mensenrechten in zowel het EVRM en het IVBPR. In art. 18 IVBPR en art. 9 EVRM is de godsdienstvrijheid erkend. Bij het IVBPR zijn momenteel 147 staten partij. Dat de godsdienstvrijheid zwaar weegt is te zien aan het gegeven dat traditionele moslimlanden zoals Indonesië, Egypte, Iran en Soedan het IVBPR hebben geratificeerd, ook al hebben zij inhoudelijk een strengere visie op de godsdienstvrijheid dan vele andere landen. Gelet op het feit dat we in casu te maken hebben met de Hindoe- en Moslim godsdienst van ruim 1,3 miljard mensen waarvan 200 miljoen in India moet uit eerbied voor hun godsdienstvrijheid in casu het soevereiniteitsbeginsel het zwaarst wegen. De uitlokkingsdaden van cliënt voor zover in India telefonisch verricht zijn daarom in ons land niet strafbaar, althans niet vervolgbaar. Van een veroordeling voor feit 1 kan dus geen sprake zijn. Ter nadere toelichting moet nog één enkele opmerking gemaakt worden.’
- 21.
‘De mensenrechten als weergegeven in het IVBPR en het EVRM zijn van recente datum. Zij weerspiegelen een rechtsorde van vandaag de dag. In het bijzonder in de mensenrechtenpraktijk van hier en nu wordt geïllustreerd hoe belangrijk het is de godsdienstvrijheid van de ander te respecteren en te eerbiedigen. Dat alleen al zou een hoop oorlogsgeweld in de wereld schelen. In het Westen ligt dan ook een taak om te voorkomen dat door middel van rechts-machtuitoefening dit mensenrecht wordt uitgehold ten faveure van een Westers cultuurpatroon.’
- 22.
‘De rechtsontwikkeling in de afgelopen 100 jaar heeft onmiskenbaar aangetoond dat de mensenrechten in het kader van de soevereiniteits-gelding een dominante rol spelen. We zien dat terug in het verbod van contra-interpretatie (art. 5 IVBPR) en het verbod van misbruik van rechten (art. 17 EVRM).18. Art. 18 voegt daaraan toe dat de beperkingen welke volgens het EVRM op de betrokken genoemde mensenrechten en vrijheden zijn toegestaan, slechts mogen worden toegepast met het voor ogen gestelde doel.’
- 23.
‘De combinatie van deze dwingende verdragsbepalingen met het soevereiniteitsbeginsel houdt dan ook — zoals al opgemerkt — in dat staten gehouden zijn bij het uitoefenen van hun soevereine rechtsmacht niet alleen de mensenrechten c.q. grondrechten van hun justitiabelen te eerbiedigen, maar ook de grondrechten van burgers in andere staten. De rechtspraak (zie o.a. de Visserij rechtspraak) is hiervan een helder uitvloeisel. Eén en ander betekent dat Nederland bij het ontbreken van dubbele strafbaarheid inzake art. 279 Sr onder de gegeven omstandigheden zich dient te onthouden van inbreuken te dezer zake op de soevereiniteit van India. De mensenrechten van burgers van India mogen dan ook niet verkwanseld worden om de rechtsmacht van ons land uit te breiden. De sub 1 ten laste gelegde uitlokking valt dus niet onder de rechtsmacht van Nederland.’
- 24.
‘Daarbij komt paradoxaal genoeg dat de dubbele strafbaarheid juist in art. 5 Sr is opgenomen om rechtsmacht-conflicten te vermijden. Een ruime uitleg van art. 2 Sr biedt dus in casu onder de gegeven omstandigheden geen soelaas.
Erkenning van de soevereiniteit van staten impliceert zoals reeds opgemerkt een terughoudende opstelling bij het creëren van extraterritoriale rechtsmacht. Deze erkenning kan in casu plaats vinden via het leerstuk van hetzij het niet bewezen achten van opzet op de wederrechtelijkheid, hetzij via de dwaling, hetzij via de niet-ontvankelijkheid. Ter toelichting diene het navolgende, waarbij aan enige abstractie helaas niet valt te ontkomen.’
Grenzen aan de soevereiniteit: rechtspraak
- 25.
‘De soevereiniteit van een staat houdt in dat hij bepaalt welke gedragingen die op zijn grondgebied zijn begaan strafbaar zijn en welke niet. Volkenrechtelijk is dan ook aanvaard dat een Staat zijn eigen recht niet kan uitstrekken over alle ongewenste gedragingen waar of door wie ook gepleegd. Want dan zou men zoals hiervoor al gesignaleerd de rechtsorde van een andere Staat kunnen binnendringen. In koloniale tijden was dat de gewoonste zaak van de wereld. Concordante wetgeving heette dat toen.19. Gelukkig is dit verleden tijd. Er zijn dus grenzen. Maar de vraag rijst nu hoever een Staat zijn rechtsmacht kan uitbreiden Hoe groot is, anders gezegd, de bevoegdheid om rechtsmacht te scheppen? We spreken in dit verband over de term ‘Kompetenz-Kompetenz’. Hierover bestaan verschillende redeneringen. Maar in literatuur én rechtspraak lijkt een terughoudende benadering ten aanzien van het vestigen van extraterritoriale rechtsmacht te worden voorgestaan. Dit brengt in casu mee dat geen rechtsmacht aangenomen kan worden met betrekking tot de in India gepleegde uitlokking als bedoeld in feit 1. Aangezien de steller van de tenlastelegging India niet als pleegplaats heeft opgenomen in de dagvaarding is het rechtsmachts-conflict voor feit 1 in beginsel bewijsrechtelijk op te lossen met een partiële vrijspraak vanwege de locus delicti.’
- 26.
‘Over deze terughoudende opstelling merkte Fitzmaurice in zijn annotatie bij de JGH-uitspraak uit 1970 in de Barcelona Traction zaak op dat internationaal recht voor iedere staat de verplichting meebrengt om matigheid en terughoudendheid in acht te nemen bij het vestigen van rechtsmacht ten aanzien van feiten met een buitenlands element.20.
‘International law (…) does (…) involve for every State an obligation to exercise moderation and restraint as to the extend of the jurisdiction assumed by its courts in cases having a foreign element, and to avoid undue encroachment on a jurisdiction more properly appertaining to, or more appropriately exercisable by, another State’. Wijnholt, voormalig raadsheer in de Hoge Raad, wijst er overigens terecht op dat de onwettige stille receptie van westers strafrecht juridisch een onverkwikkelijke zaak behelst (o.c. p. 51). En hij pleit ervoor dat de beslissing van de strafrechter wordt afgestemd op het bevattings- en voorstellingsvermogen van de niet-westerse mens (o.c. p. 62).’
- 27.
‘Deze benadering en zienswijze weerklinkt ook in de Duits rechtspraak van het Duitse Bundesverfassungsgericht en het Bundesgerichtshof.21.
Bij deze stand van zaken rijst de vraag of art. 2 Sr voldoende grondslag biedt voor het uitoefenen van rechtsmacht over in India gepleegde uitlokkings- en/of onttrekkingsgedragingen? Te denken valt met name aan een conference-call tussen [verdachte] en zijn medeverdachten en/of het in India opstellen van een draaiboek.’
- 28.
‘De Hoge Raad legt art. 2 Sr als volgt uit:
‘Ingevolge art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijks op ieder die zich in Nederland schuldig maakt aan enig strafbaar feit.’
‘Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van art. 2 Sr vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk , ook ten aanzien van de dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.’22.
- 29.
‘Van Elst wijst erop dat bij de voorbereiding van de Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken, terughoudendheid betracht is door een evenwicht te zoeken tussen de ernst van het feit en de band met het feit zoals die tot uitdrukking komt in de grondslag voor rechtsmacht. Bij het vestigen van extraterritoriale rechtsmacht moet telkens sprake zijn van een ‘juist evenwicht tussen de band met het feit en de ernst van het feit’.23. Die terughoudendheid en/of dat juiste evenwicht kon in deze zaak worden betracht door het ontbreken van de dubbele strafbaarheid c.q. de culturele component zwaar te laten meewegen.’
Opoffering mensenrechten geen goede zaak
- 30.
"Al hetgeen over dit item is aangevoerd geldt uiteraard in welhaast versterkte mate voor de ten laste gelegde periode en plaats inzake feit 2. Volgens het vonnis ziet deze periode op het tijdvak van 29 september 2016 tot en met 15 juli 2019 in Nederland. De onttrekking heeft dus voor het overgrote deel betrekking op de periode dat [verdachte] en [het kind] hoog en droog in India verkeerden en aldus onder de rechtsmacht van India vielen.'
2.
Dat sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met het voorgaande uitvoerige citaat uit de pleitnotitie blijkt uit onderstaande toelichting. Weliswaar is sprake van een uitvoerig betoog, maar de betreffende paragrafen hebben een duidelijk te onderscheiden functie met het oog op het niet ontvankelijkheid verweer. Aldus heeft het hof met zijn overweging omtrent ‘ontrafeling'24. miskend dat sprake is van een uitvoerig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dat van een dergelijk standpunt sprake is blijkt uit de volgende toelichting bij de betrokken paragrafen uit de pleitnotitie.
3.
Paragraaf 3 is de inleidende paragraaf waarin met zoveel woorden wordt gesteld dat aan Nederland geen rechtsmacht toekomt gelet op de Indiase soevereiniteit hetgeen tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden. Daarbij wordt expliciet verwezen naar de paragraaf 11 — 25 in van de appelschriftuur.
Paragraaf 4 preciseert het soevereiniteitsvraagstuk door te wijzen op het ontbreken van dubbele strafbaarheid en het standpunt hieromtrent van het Indiase Hof van Justitie te Bombay en het Hof van Beroep voor strafzaken.
Paragraaf 5 duidt het soevereiniteitsvraagstuk nader bezien vanuit de culturele verschillen tussen Nederland en India. Wederom wordt in deze paragraaf verwezen naar de nummers 10 -25 van de appelschriftuur waarin de niet ontvankelijkheid van het OM is bepleit.
Paragraaf 6 gaat nader in op de sanctie van de niet-ontvankelijkheid. Daarin wordt aan het slot met zoveel worden de (retorische) vraag opgeworpen of de nationale wet moet prevaleren boven de erkenning van het soevereiniteitsbeginsel c.q. de internationale rechtsorde. Daarbij wordt tot slot opgemerkt dat dit vanuit diverse invalshoeken een klemmende vraag is. Die invalshoeken worden in de navolgende paragrafen nader belicht zoals uitdrukkelijk is vermeld.
Paragraaf 7 vermeldt aan het begin met zoveel woorden dat toepassing van art. 2 Sr uiterst discutabel is. Dit bouwt dus voort op de eerder bepleite niet ontvankelijkheid. Daarbij gaat paragraaf 7 nader in op de persoonlijke levenssfeer als één van de eerder genoemde invalshoeken.
Paragraaf 8 betreft een andere in paragraaf 6 gesignaleerde invalshoek, namelijk de Egyptische onttrekkingszaak d.d. 13 juni 2013 (ECLI:NL:PHR:2023:413). Deze paragraaf maakt het verschil duidelijk tussen de zaak van verzoeker en de Egyptische zaak, namelijk dat in de zaak van verzoeker wél dubbele strafbaarheid ontbreekt anders dan in de Egyptische zaak. In het kader van de soevereiniteit is dat een belangrijke constatering. Paragraaf 8 besluit wederom dat toepassing van art. 2 Sr bezien vanuit de soevereiniteit een brug te ver is.
Paragraaf 9 heeft als kop ‘Soevereine gelijkheid: art. 2 Handvest V.N.’ Deze paragraaf maakt de koppeling tussen eerder genoemde soevereiniteit en art. 2 van het VN Handvest.
Paragraaf 10 onderstreept dat in dat kader sprake is van dwingendrechtelijke normen. De paragrafen 11, 12 en 13 bouwen hier op voort.
Paragraaf 13 in het bijzonder benadrukt het belang van soevereiniteit door te verwijzen naar de zogeheten Lotus zaak. Daarbij wordt aan het slot van paragraaf 13 art. 2 VN-Handvest (wederom) geciteerd omdat dit artikel voort is gekomen uit de Lotus zaak.
Paragraaf 15 benadrukt dat art. 2 Sr verband houdt met de eerder genoemde Lotus zaak. Deze paragraaf besluit wederom met een beroep op art. 2 VN Handvest en de daaruit voortvloeiende soevereiniteit van staten. Daarin wordt expliciet de (retorische) vraag gesteld waarom soevereiniteit van India zou moeten wijken voor die van Nederland. Daarbij wordt aanvullend gesteld dat ruime toepassing van art. 2 Sr niet aan de orde kan zijn. Uiteraard geldt hetgeen in paragraaf 15 wordt bepleit logischerwijs ook ten aanzien van de niet ontvankelijkheid waar hiervoor meermaals op is gehamerd.
Paragraaf 16 scherpt het soevereiniteitsvraagstuk aan door nogmaals te wijzen op het ontbreken van een gemeenschappelijk familierechtelijk normenkader tussen Nederland en India. Daarbij wordt wederom benoemd dat extensieve toepassing van art. 2 Sr niet aan orde is. De paragraaf besluit dat toepassing van art. 2 Sr wegens het voorgaande achterhaald is. Dat hangt vanzelfsprekend allemaal nog steeds samen met de soevereiniteitsschending en art. 2 VN Handvest nu in het voorgaande tussen die twee duidelijk een verband is gelegd. Dat soevereiniteitsprobleem doet zich nu juist voor wegens een verschillend inzicht omtrent rechtsnormen. Aan dat verschil van inzicht is ook aandacht besteed in voorgaande paragrafen.
Paragraaf 18 betreft een samenvatting waarin wederom naar art. 2 VN Handvest wordt verwezen. Hier wordt ook expliciet art. 94 Gw genoemd. In het voorgaande is dit artikel in wezen al genoemd nu is bepleit tot het buiten toepassing laten van art. 2 Sr en dat de nationale wet dient te wijken voor het internationaal recht. De staatsrechtelijke basiskennis leert de jurist dat dit enkel kan via art. 94 Gw. Aanvullend wordt in paragraaf 18 genoemd dat betrokken strafbepalingen evengoed buiten toepassing kunnen worden gelaten. Het betreft hier een aanvullend argument op hetgeen in het voorgaande steevast is betoogd: de niet-ontvankelijkheid van het OM wegens de soevereiniteit van India. Hetzij door art. 2 Sr buiten toepassing te laten op grond van art. 2 VN Handvest, dan wel door art. 2 Sr niet extensief te interpreteren.
Uitdrukkelijk voorgedragen verweer c.q. standpunt: vervolg.
4.
Het zij toegegeven dat met voorgaande paragrafen de nodige pagina's zijn gewijd aan het soevereiniteitsstandpunt. Dat is echter niet meer dan logisch. Immers, het is een waarheid als een (heilige) koe dat India en Nederland andere rechtsnormen te dezer zake hebben.25. Dat in dát kader soevereiniteitsvraagstukken worden opgeworpen is niet meer dan logisch. Het is door dit verschil van inzicht naar het verzoeker voorkomt ook een enigszins gecompliceerde materie. Hierboven is duidelijk gemaakt dat de onderscheiden paragrafen ieder een eigen functie hebben met betrekking tot het niet ontvankelijkheidsverweer.26. Zoals is gebleken heeft het hof dit miskend.
De kern van het soevereiniteitsverweer
5.
In hoger beroep is blijkens voorgaande paragrafen bepleit dat sprake is van een schending van de soevereiniteit van India ex. art. 2 lid 1 VN Handvest waaraan verzoeker als Indiaas staatsburger individuele rechtsbescherming ontleent. De schending van de Indiase soevereiniteit vindt plaats doordat de Nederlandse staat met de vervolging van verzoeker zijn strafrechtelijke rechtsmacht naar gemotiveerd is betoogd uitbreidt naar Indiaas grondgebied ter zake van handelen dat niet strafbaar is op Indiaas grondgebied.27. Bijgevolg worden daarbij de Nederlandse familierechtelijke normen boven de familierechtelijke normen van India gesteld, wier rechtsnormen (eveneens) de familierechtelijke gezagsverhouding beheersen tussen verzoeker en zijn dochter [het kind]. Dit terwijl deze Nederlandse rechtsnormen van toepassing worden verklaard op handelen van verzoeker dat deels op Indiaas grondgebied heeft plaatsgevonden, ten aanzien van materie die sterk cultureel is bepaald en afwijkt van de huidige sinds HR 11 februari 2014, NJ2014/132 verruimde uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid.
6.
‘Immers, zoals bepleit in hoger beroep heeft verzoeker volgens het recht van India niet strafbaar of onrechtmatig gehandeld met de overbrenging van zijn dochter [het kind] naar India omdat hij nu eenmaal ‘the guardian’ van [het kind] was en is.28. Er is dus ook geen sprake van dubbele strafbaarheid ten aanzien van de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten. Desalniettemin wordt verzoeker vervolgd voor handelen begaan op het grondgebied van India terwijl hij mocht menen niet in strijd te handelen met Indiaas recht. In het kort is daarom ten overstaan van het hof bepleit, dat op grond van art. 2 lid 1 VN Handvest jo. art. 94 Gw art. 2 Sr buiten toepassing dient te worden gelaten hetgeen resulteert in de niet ontvankelijkheid van het OM. Het hof heeft verzuimd te responderen op dit verweer en/ of het arrest bevat daaromtrent geen beslissing.’
7.
Dit blijkt bovendien expliciet uit de volgende overweging van het gerechtshof:
‘Zoals zal blijken is van zulk verdwalen geen sprake omdat het hof geen aanleiding ziet om zich in de sleutel van art. 94 Gw rechtsvragen te stellen.’
8.
Hiermee geeft het hof weloverwogen toe niet te responderen op het soevereiniteits-verweer van de verdediging. De verdediging heeft het hof in dupliek enkele gezichtspunten aangereikt over de interpretatie van art. 94 Gw voor het geval het hof mocht menen dat geen sprake kan zijn van rechtstreekse werking. Dat alles laat echter onverlet dat het niet-ontvankelijkheidsverweer bij pleidooi wel een responsieplichtig verweer is.
9.
En niet alleen dat. Door de boven geciteerde overweging van het hof heeft het hof ook over het hoofd gezien dat sprake was van een uitdrukkelijk voorgedragen verweer ex. art 358 lid 3 Sv. Het betreft namelijk een verweer strekkende tot de niet ontvankelijkheid van het OM op grond van art. 2 lid 1 VN Handvest jo. art. 94 Gw waardoor art. 2 Sr buiten toepassing moet worden gelaten.29.
10.
In de paragrafen 2 — 18 van de pleitnotitie is bepleit dat de vervolging van verzoeker een schending oplevert van de soevereiniteit van India. Er is meermaals in voormelde paragrafen betoogd dat dit dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het OM. Verzoeker ontleent immers op zijn beurt individuele rechtsbescherming aan die soevereiniteit hetgeen in deze schriftuur nader zal worden toegelicht.
Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt nadere opmerkingen op basis van rechtspraak
11.
In paragraaf 18 is samenvattend geconcludeerd dat die soevereiniteitgeschending neerkomt op een schending van art. 2 lid 1 VN Handvest, waar verzoeker ex. art. 94 Gw een beroep op kan doen. Tevens is bepleit dat dit dient te leiden tot het buiten toepassing laten van art. 2 Sr, dan wel art. 279 Sr. Er is inderdaad — zoals het hof terecht opmerkt — sprake van onderlinge verwevenheid van deze te onderscheiden verweren c.q. rechtsgevolgen. Immers, zij hangen allemaal samen met het soevereiniteitsvraagstuk.
12.
Het hof was echter gehouden om een beslissing te nemen omtrent het beroep op art. 2 VN Handvest jo. art. 94 Gw. Dat geldt zowel voor zover dit verweer dient te leiden tot het buiten toepassing laten van art. 2 Sr hetgeen leidt tot de niet ontvankelijkheid van het OM, dan wel voor zover dit beroep leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens het buiten toepassing laten van de betrokken strafbepaling(en).
13.
Naar vaste rechtspraak wordt onder een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt verstaan dat voor de omvang van de motiveringsplicht geldt dat deze afhankelijk is van de aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt. Evenwel hoeft zoals eerder is opgemerkt niet op ieder detail van de argumentatie te worden ingegaan. Maar het onderhavige soevereiniteitsstandpunt behelst allesbehalve een detail. De nadere motivering dient voorts in te houden dat het naar voren gebrachte door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd (vgl. HR 11 april 2006, NJ 2006 313 m.nt Buruma) Ook kan in casu niet gesteld worden dat de nadere motivering besloten ligt in de bewijsmotivering nu de bewijsmotivering geen betrekking heeft op de soevereiniteitskwestie. Klaarblijkelijk is het hof door voormelde uitvoerigheid het overzicht verloren. Dat doet echter niets af aan het feit dat meermaals duidelijk is bepleit dat wegens de soevereiniteitsschending het OM niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging doordat art. 2 Sr buiten toepassing dient te worden gelaten. Dat buiten toepassing laten kan vanzelfsprekend alleen met een beroep op art. 94 Gw via de route van art. 2 lid 1 VN Handvest. In paragraaf 9 en 18 wordt dit artikel dan ook met zoveel woorden genoemd. Het houdt ontegenzeggelijk verband met de daaraan voorafgaande paragrafen over soevereniteit. Art. 2 lid 1 VN Handvest spreekt namelijk uitdrukkelijk over de ‘soevereine’ gelijkheid van haar leden.
14.
Meer specifiek met betrekking tot paragraaf 18 geldt dat art. 2 lid 1 VN Handvest jo. art. 94 Gw als daar genoemd logischerwijs betrekking heeft op de voorgaande paragrafen waarin uitvoerig over de soevereiniteit van India is gesproken. Als bovendien in die voorgaande paragrafen meermaals is bepleit dat het OM wegens die soevereiniteitschending niet ontvankelijk is, ziet de niet-ontvankelijkheid wegens art. 2 lid 1 VN Handvest jo. art. 94 Gw zoals vermeld in paragraaf 18 uiteraard (ook) op het buiten toepassing laten van art. 2 Sr met de niet ontvankelijkheid als gevolg. Het pleidooi, in het bijzonder paragraaf 18 kan bezwaarlijk anders worden begrepen.
Materiële schending soevereiniteit India en afgeleide individuele aanspraak op rechtsbescherming van verzoeker.
15.
In het voorgaande is betoogd dat er sprake is van een uitdrukkelijk voorgedragen verweer alsmede een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met hetzij niet ontvankelijkheid dan wel ontslag van alle rechtsvervolging als gevolg. In het vervolg zal worden betoogd dat verzoeker aan die soevereiniteit een individuele aanspraak op rechtsbescherming ontleent die Nederland gelet op art. 2 Handvest dient te eerbiedigen.
Overzicht
In dit kader zullen achtereenvolgens een aantal onderwerpen aan de orde worden gesteld:
- —
Het verschil tussen de rechtsnormen van India en Nederland, blijkend uit gerechtelijke procedures die tussen verzoeker en zijn ex-partner zijn gevoerd, dan wel op één van hen betrekking hebben;
- —
De interpretatie van art. 94 Gw en rechtsontwikkeling van deze bepaling zoals volgt uit rechtspraak van de Hoge Raad;
- —
De interpretatie van art. 2 lid 1 VN Handvest mede in relatie tot art. 94 Gw. Daarbij is specifiek aandacht voor internationaal recht aangaande de volgende onderwerpen:
- a)
De statenpraktijk betreffende hun reacties inzake (potentiële) schendingen van hun soevereiniteit samenhangend met inbreuk op grondrechten van individuen op hun grondgebied;
- b)
Rechtshistorie van het begrip soevereiniteit en de totstandkoming van art 2. VN Handvest.
- c)
Beginselen uit het uitleveringsrecht c.q. overleveringsrecht;
Indiaas recht en gerechtelijke uitspraken
16.
Eerst dient te worden stilgestaan bij hetgeen is overwogen door Indiase gerechtelijke instanties omtrent de gezagsverhouding tussen [het kind] en verzoeker. In paragraaf 37 van de pleitnota in hoger beroep is stil gestaan bij de uitspraak van de Bombay High Court d.d. 13 juni 2017. Deze Indiase rechtspraak is ook in paragraaf 4 van de pleitnota in het kader van de soevereiniteit ter sprake gekomen.
17.
Daarin werd overwogen — zoals tevens geciteerd in de pleitnota — dat verzoeker naar Indiaas recht niet schuldig is aan het Indiase misdrijf van kind-ontvoering.30. De Bombay High Court verenigde zich met het standpunt van het ministerie van buitenlandse zaken van India dat zulks het geval was nu verzoeker de ‘natural guardian’ was van [het kind].31. Verzoeker is zoals betoogd nimmer vervolgd in India wegens (het laten) overbrengen van [het kind] naar India. Wel is — zoals bepleit32. — op 26 oktober 2017 een Indiaas arrestatiebevel tegen de moeder van [het kind] uitgevaardigd.
18.
Alleen al hieruit blijkt hoe diametraal anders Nederland en India naar de onderhavige casus kijken. Eveneens is in paragraaf 38 e.v. de gang van zaken uiteen gezet met betrekking tot de in India gevoerde familierechtelijke procedures. De slotsom daarvan is dat de in paragraaf 38 genoemde beslissing van de familierechtbank in Bandra d.d. 18 juli 2017 waarin aan verzoeker de voorlopige voogdij over [het kind] is toegekend nog steeds zoals betoogd rechtskracht heeft.33. De materie betreffende de Indiase gerechtelijke procedures, en hoe de Indiase autoriteiten hun te dezer zake geldende rechtsnormen toepassen is ook uiteen gezet in paragraaf 4, 16, en later ook in paragraaf 36 e.v. alsmede paragraaf 38 e.v. Met andere woorden: India kijkt fundamenteel anders naar deze zaak dan Nederland en verzoeker heeft tot op de dag van vandaag naar Indiaas recht het wettig gezag over [het kind]. Dit aspect is dan ook duidelijk aan de orde gekomen in het kader van het soevereiniteitsverweer.34.Van belang is dat India geen situatie kent als bedoeld in HR 11 februari 2014, NJ 2014 / 132. Opmerking verdient dat ex art. 79 RO dit Indiase recht niet op juistheid, maar wel op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Bezwaarlijk kan in casu worden aanvaard dat voormeld oordeel van de Bombay High Court onbegrijpelijk is. De Nederlandse strafrechter is dus aan deze uitspraak gebonden. Deze gebondenheid staat in verband met de ‘margin of appreciation’ die een staat bij het uitleggen van verdragsteksten toekomt.
19.
Zowel Nederland als India — zoals ook is toegeven in paragraaf 5 van de pleitnota — beroepen zich in wezen op hun eigen rechtsnormen en daarmee op hun eigen soevereiniteit. Het neemt allemaal niet weg dat sprake is van een spiegelbeeldige situatie voor hoe beide landen omgaan met deze kwestie. In Nederland is de zaak tegen de moeder geseponeerd wegens redenen van algemeen belang. In de pleitnota is hieromtrent in paragraaf 2 aangevoerd dat deze wijze van seponeren als een impliciete erkenning van haar schuld dient te worden opgevat.
20.
In India heerst zoals aangevoerd de opvatting dat de moeder [het kind] heeft onttrokken van het wettig gezag van verzoeker.35. De vraag die in de pleitnota is opgeworpen is dan ook hoe dit rechtsconflict gestalte dient te krijgen in een in Nederland aangespannen strafrechtelijke procedure. Want dat die culturele en juridische botsing zich voordoet is nu eenmaal zoals betoogd een voldongen feit.36. Ofwel, Nederland heeft zijn strafrechtelijke rechtsmacht uitgebreid naar het handelen van verzoeker in India. India weigert thans de uitlevering van verzoeker omdat hij nu eenmaal naar Indiaas recht niets strafbaars heeft gedaan. Zie hier hoe India haar soevereine aanspraken opwerpt als schild teneinde verzoeker bescherming te bieden tegen extraterritoriaal handelen van Nederland. Dat verzoeker gedurende zijn strafrechtelijke vervolging te Nederland een beroep doet op de soevereiniteit van India mag dus niet verbazen.
Rechtsontwikkeling art. 94 Grondwet
21.
De inroepbaarheid van art. 2 VN Handvest door een individu betreft enerzijds een vraagstuk van internationaal recht, anderzijds dient ook te worden stil gestaan bij art. 94 Gw. Om bij de basis te beginnen zal eerst worden stil gestaan bij art. 94 Gw. Zoals in dupliek ten overstaan van het gerechtshof is aangevoerd hanteert de Hoge Raad een contextuele interpretatie.37. Niet enkel de tekst is bepalend, maar ook de context waarin een bepaling wordt ingeroepen. Naar aanleiding van het arrest d.d. 10 oktober 201438. is in de literatuur gesproken over een contextuele in plaats van tekstuele interpretatie die nu wordt gehanteerd.39. De Hoge Raad overwoog het volgende:
‘Of van die werking sprake is, hangt af van het antwoord op de vraag of de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren.’41.
22.
Een goed hanteerbaar handvat met betrekking tot de vraag of de bepaling aan art. 94 Grondwet voldoet, is zo werd geopperd, het motto dat vaststelling van een schending het beste bewijs vormt voor rechtstreekse werking.42. Afhankelijk van de voorliggende zaak kan een bepaling in deze benadering rechtstreekse werking hebben. Het geldend recht lijkt gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2014 als hiervoor genoemd uit te gaan van een contextuele interpretatie, en dus niet meer van een abstracte toetsing. Nu niet meer enkel naar de tekst wordt gekeken in het kader van art. 94 Gw kunnen dus alle casuïstische aspecten van de zaak van verzoeker, en daarmee dus ook internationaalrechtelijke vraagstukken worden betrokken teneinde te bepalen of art. 2 lid 1 VN Handvest in zijn geval rechtstreekse werking heeft. Daarom moet nu meer nadrukkelijk worden stilgestaan bij art. 2 lid 1 VN Handvest.
Art. 2 lid 1 VN Handvest, jo. art. 94 Gw, individuele aanspraak verzoeker.
23.
24.
Uit de moderne rechtsontwikkeling volgt dat de individuele burger steeds meer erkend wordt als subject van internationaal recht.43. Dat is ook nogal voor de hand liggend, want het recht dient de mens en niet omgekeerd. Er is een sterke verwevenheid tussen staatssoevereiniteit en individuele rechtsbescherming.44. Zodanig zelfs dat staatsoevereiniteit sinds de oprichting van de VN niet enkel meer de belangen van staten beschermt. Sinds WO II en de oprichting van de VN en de daarop volgende decennia is het denken over de vraag ten dienste van wie staatssoevereiniteit komt wezenlijk veranderd.45. De oprichting van de VN en de ontwikkelingen nadien maken duidelijk dat soevereiniteit in het teken staat van bescherming individuele grondrechten. De slotsom is dat een natuurlijk persoon in dit kader aanspraak kan maken op rechtsbescherming die uiteindelijk afgeleid is van de soevereiniteit van de staat. Zo zal worden toegelicht dat het hier gaat om een norm die enerzijds het recht toekent aan een staat om de rechtsorde op zijn grondgebied in te richten. Ieder aldaar moet zich aan dat recht houden.46. Echter die soevereiniteit brengt niet mee dat de staat naar believen kan handelen nu hij deze sinds de oprichting van de VN ten dienste moet stellen aan het individu.47. Soevereiniteit is dus niet meer louter een staatsbelang. Zowel de staat als individuen op haar grondgebied ontlenen rechten en plichten aan de soevereiniteitsgedachte die in at. 2 lid 1 VN Handvest is verwoord en zijn hier aldus aan gebonden. Met andere woorden art. 2 lid 1 VN Handvest is in de meest ruime zin van het woord een bepaling die één ieder verbindt en kan dus worden ingeroepen via ar.t 94 Gw. Het is tegelijk een beschermende bepaling. Zo wordt daarmee bescherming tegen antisemitisme geboden. In het conflict tussen Israël en Gaza blijkt dit zelfs de kern van het conflict op te leveren.
25.
Soevereiniteit als onderdeel van de ‘proces of decolonization’, zoals Glanville betoogt, is uiteraard voor Westerse mogendheden die een bepaald koloniaal verleden hebben een historische bezegeling van naar hedendaagse normen oud en vervlogen onrecht. Zo betoogt Wijnholt, oud-raadsheer in de Hoge Raad, dat de strafwetgeving van de West-Indische koloniën door een K.B. van 28 september 1922 no. 98, G.B. 101 definitief ondergeschikt is gemaakt aan belangen van het moederland, en dat in de nieuwe verhoudingen binnen het koninkrijk de rechtsfiguur van welhaast onbeperkte rechtsmacht van het moederland als niet passend dient te verdwijnen. Hij haalt ook nog een kernachtige uitspraak van een Indiër over de Surinaamse (koloniale) wet aan luidend ‘wetten zijn alleen gemaakt om onrechtvaardigheid en geweld rechtvaardig te doen schijnen. Voor ons bestaan zie niet.48.
Interpretatie art. 2 VN Handvest
26.
In de eerste plaats moet worden benadrukt dat er geen eenduidige entiteit is aangewezen die gaat over de interpretatie van het VN Handvest.49. In de praktijk wordt dit vaak om praktische redenen over gelaten aan de organen van de VN die uitvoering dienen te geven aan de doelstellingen en taken zoals neergelegd in het Handvest.50. Tegelijkertijd geldt het primaat van de staten — lees hun soevereiniteit — onverkort.51. De VN en haar organen hebben als het ware geen carte blanche.52.Dat roept uiteraard de vraag op hoe een individuele staat — in dit geval Nederland — dient om te gaan met het interpreteren van het Handvest wanneer daar — zoals hier — door een individu een beroep op wordt gedaan in de nationale rechtsorde.
27.
Voor wat betreft het interpreteren van art. 2 lid 1 VN Handvest zal volgens internationaal recht eerst gekeken dienen te worden naar de tekst.53. De tekst van art. 2 lid 1 VN Handvest spreekt over de soevereine gelijkheid van al haar leden. Die tekst is echter summier en betrekkelijk vaag, want wat houdt ‘soevereine gelijkheid van haar leden’ in? Kort samengevat valt dit in de trefwoorden vrede, respect en erkenning van een eigen rechtsorde te vatten. In de eerste plaats sluit de tekst niet uit dat individuen rechtsbeschermende aanspraken ontlenen aan het artikel. De considerans van het VN Handvest wijst er namelijk op dat de VN (ook) in het leven is geroepen om individuen rechtsbescherming te bieden.54. Ofwel, de internationale rechtsorde staat uiteindelijk ten dienste van het waarborgen van individuele grondrechten. De statenpraktijk van de afgelopen decennia illustreert dat de norm van art. 2 lid 1 VN Handvest niet enkel belangen van staten beschermt.55.
28.
De context van de totstandkoming van art. 2 lid 1 VN is verder van groot belang. Die context is de oprichting van de VN als direct gevolg op de verschrikkingen van de Tweede Wereld Oorlog. Een tijdperk waarin gelijk vandaag de dag soevereine grenzen en individuele rechten met voeten werden getreden. Uit de eerder geciteerde considerans bij het Handvest blijkt duidelijk dat de raison d’être van de VN tweeledig is. Namelijk het bewerkstelligen van internationale vrede en de bescherming van universele rechten van de mens. Vrede dient hun rechten hetgeen met name blijkt uit latere vredesmissies. Eerbiediging van soevereiniteit moet vanuit die gedachte worden beschouwd.
Reacties van staten / statenpraktijk met betrekking tot inbreuk op hun soevereiniteit
29.
Diverse zaken waarin de territoriale soevereniteit van een staat is geschonden — door (onrechtmatige) acties jegens een onderdaan van hen of individu op hun grondgebied — wijzen op een onlosmakelijk verband tussen staatssoevereiniteit en aanspraken van een individu op rechtsbescherming. Zie de reacties van Iran en Libanon op vergeldingsacties van Israël op hun grondgebied. Zie ook de noodkreten uit Gaza.
30.
De zogeheten (en beruchte) Amerikaanse Patriot-Act claimt extraterritoriale werking. In een artikel van de Correspondent d.d. 23 januari 2014 wordt treffend het volgende hierover gezegd56.:
‘De al eerder genoemde extra-territoriale werking van de PATRIOT Act is in principe in strijd met het internationale recht. Je mag als land niet zomaar jouw regels opdringen aan een ander.’
31.
In een brief aan de Tweede Kamer d.d. 14 juni 2012 schreef de Minister van Binnenlandse zaken — kort samengevat — dat vastgesteld kan worden dat de Patriot Act in zijn toepassing extraterritoriale werking heeft, :57. Dat betekent echter niet dat jurisdictie van de Amerikaanse autoriteiten tot het vorderen van die Nederlandse persoonsgegevens bestaat.58.
32.
Duidelijk is dat hier de individuele rechten van Europeanen in het geding zijn, namelijk de persoonlijke levenssfeer (lees: art. 8 EVRM) van miljoenen burgers. Iets preciezer: +/- 500 miljoen. Hun rechten werden geschonden langs de route van een soevereiniteitsinbreuk. Dit illustreert dat grondrechten en soevereiniteit hand in hand gaan. Die samenhang kan ook worden afgeleid uit de (diverse) Russische vergiftigingszaken op het grondgebied van andere staten. Deze acties hebben tot felle reacties geleid van regeringsleiders. Uit dergelijke reacties kan eveneens worden opgemaakt dat er een verband is tussen soevereiniteit en individuele grondrechten.59.
33.
Zie omtrent dit verband uitvoerig Luke Glanville over de geschiedenis van soevereiniteit.60. Glanville beschrijft dat mensenrechten (uiteindelijk) een prominente rol innamen bij de oprichting van de VN.61. Art 2. lid 1 van het VN Handvest kan niet los worden gezien van deze context waarbinnen — op een schaal tot dan uniek in de geschiedenis — uitvoerig werd stilgestaan bij bescherming van grondrechten op universeel niveau?62.
34.
Overigens is ook op cynische wijze kolonialisme gerechtvaardigd vanuit de soevereiniteitsgedachte, zogenaamd in het belang van de gekoloniseerde bevolking, lees: individuen. Ook dit, zij het cynische voorbeeld, illustreert dat soevereiniteit en individuele belangen met elkaar zijn verbonden?63.
35.
In het verlengde daarvan en in meer positieve zin is het dienstig te wijzen op de preambule van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gesloten te New York op 19 december 1966. Daarin wordt immers een beroep gedaan op het VN-Handvest teneinde de bescherming van individuele mensenrechten te waarborgen.64. Glanville merkt over het Handvest op:
‘The UN Charter reaffirmed the responsibilities of sovereign states to protect the interests and well-being of subject peoples over whom they exercised a trust’65.
36.
Indien deze geschiedenis betrokken wordt op de in de preambule van het IVBPR genoemde ‘cultural rights’ en onder ogen wordt gezien dat de uitleg van het Hof te Bombay van art. 361 Wetboek van Strafrecht India inhoudende dat verzoeker als ‘natural guardian’ geen enkel strafbaar feit met betrekking tot [het kind] heeft begaan, moet de conclusie zijn dat sprake is van een cultureel recht als bedoeld in voormeld verdrag. Soevereine onafhankelijkheid verdraagt zich bijgevolg niet met aanvaarding van strafbaarheid in casu over in India gepleegde handelingen. Één en ander wordt natuurlijk nog krasser indien in aanmerking wordt genomen dat India — zoals in de pleitnota in hoger beroep is aangevoerd — Nederland nadrukkelijk heeft laten weten verzoeken te dezer zake niet strafbaar te achten.
37.
Samenvattend kan het navolgende in de lijn van Glanville gezegd worden. Het aanvaarden van een locus delicti in casu India, terwijl de dubbele strafbaarheid ontbreekt, behelst in wezen een prevaleren van Nederlandse rechtsstatelijke belangen, boven soortgelijke belangen van India. Daarmee wordt een daad van neo-kolonialisme gepleegd. De beschaving van India wordt hierdoor immers achtergesteld op die van Nederland, dat lange tijd een koloniale natie is geweest. Om deze neo-koloniale daad goed te doorzien is het van belang in te zien dat een oude Indiase beschaving door een neo-koloniale daad wordt vernietigd. De in casu door het hof toegepaste locus delicti leer etaleert hiermee een minachting voor de Indiase rechtscultuur. Het behelst een deciviliserend proces van de Nederlandse neo-kolonisator, die een oude samenleving als de Indiase de prijs laat betalen voor zijn eigen rechtsbelangen en een Indiaas staatsburger aldus in strijd met de Universele Verklaring van de rechten van de Mens dehumaniseert.66. De Frans-Martiniquaanse dichter, essayist en politicus [dichter] spreekt in dit kader over een ‘zogenaamde Europese of westerse beschaving’, die andere beschavingen vernietigt. Het zijn rauwe en schokkende teksten van [dichter], maar niet minder toepasselijk. Althans niet minder toepasselijk voor diegene die de fatale impact van het Europese kolonisatieproces onder ogen durft te zien en bevattelijk is voor de zienswijze van [dichter] die o.a. opmerkt: ‘I make a systematic defense of the non-European civilizations’.67. Het hof heeft dan ook miskend dat art. 2 Sr zijn begrenzing vindt in het afwezig zijn van dubbele strafbaarheid en de afwijzing van een neokolonialistisch aandoende export van rechtsmacht.
38.
Jurisdictie of rechtsmacht moet in dit concept dan ook gezien worden als een instrument van macht of, zo men wil, van de overheersend sterke staat, ‘universal jurisdiction is, albeit notionally available to all, in practice a tool of the powerful’68. In een zogeheten separate opinion in de zaak van het Internationaal Gerechtshof d.d. 14 februari 2022 in de casus ‘Case concerning the Arrest Warrant of 11 april 2000/ Democratic Republic of Congo v. Belgium sloot [toenmalige president], de toenmalige president van het hof zich aan bij deze gedachte. [toenmalige president] is van mening dat de acceptatie van universele rechtsmacht neerkomt op het aanmoedigen van willekeur ten gunste van de machtigen, die zogenaamd optreden als agent voor een slecht gedefinieerde internationale gemeenschap.69.
39.
[toenmalige president] wijst er voorts op dat totale juridische chaos ontstaat als we welk land de mogelijkheid bieden om bepaalde delicten naar eigen goeddunken te vervolgen, ongeacht de plaats delict dan wel de nationaliteit van de verdachte. En dat [toenmalige president] enige profetische gaven te dezer zake niet kan worden ontzegd volgt uit de situatie van vandaag de dag. Met behulp van een bewierookte bepaling als art. 2 Sr kan sinds kort een homoseksuele Oegandees op basis van huidig Oegandees strafrecht wegens in ons land gepleegde homoseksuele handelingen met behulp van een soortgelijke Oegandese bepaling als art. 2 Sr tot de doodstraf worden veroordeeld. Jede Konsequenz führt zum Teufel. Maar dit is wel de uiterste consequentie van het ontoereikend gemotiveerde oordeel van het hof in deze zaak.
40.
Sprekend over art. 2 Sr en Oeganda verdient nog onder ogen te worden gezien dat een Oegandees die zich in Oeganda in kwetsende bewoordingen druk maakt over het in zijn ogen verfoeilijke Nederlandse LHBTI-beleid en die bevindingen al dan niet via social media vanuit Oeganda in ons land wereldkundig maakt, op basis van het misdrijf als bedoeld in art. 137c Sr strafrechtelijk vervolgd zou kunnen worden. Wij doen dat niet omdat we de soevereiniteit van Oeganda hoe weerzinwekkend ook respecteren.
Samenvatting en tussenconclusie art. 2 VN Handvest en art. 94 Gw tot dusver
41.
Verzoeker effectueerde zijn familierechtelijke aanspraken op Indiaas grondgebied naar Indiaas recht. De Nederlandse staat maakt hier inbreuk op door middel van een strafrechtelijke vervolging ten aanzien van handelen dat niet strafbaar is in India. Gelet op de soevereine gelijkheid van staten kan Nederland niet eenzijdig zijn rechtsmacht opdringen aan India. Het voorbeeld van de Patriot Act laat zien dat wij dit ook niet dulden.
42.
Tevens is gebleken dat mettertijd soevereiniteit zowel een staatsbelang als een belang van het individu dient. Mits soevereiniteit het individu dient, moet hij zich aan de regels van de staat houden. Het individu kan op zijn beurt aan die soevereiniteit individuele rechtsbescherming ontlenen. Dat maakt dat sprake is van een eenieder verbindende bepaling ex. art. 94 Gw. Verzoeker kan zich dus beroepen op art. 2 lid 1 VN Handvest.
Aanvullende opmerking omtrent internationaal gewoonterecht
43.
Art. 2 lid 1 VN Handvest is zo beschouwd in wezen de codificatie een gewoonterechtelijke praktijk als sluitstuk van WO II. Het gewoonterecht omtrent de soevereiniteit van staten heeft zich blijkens het verloop van de 20ste en 21ste eeuw ontwikkeld in de richting van rechtsbescherming van individuen die ressorteren op het grondgebied van een staat. Het VN Handvest mede gelet op zijn considerans kan worden gezien als verdragsrechtelijke vastlegging hiervan. De statenpraktijk nadien onderstreept dit. De protesten tegen de Israëlische gewelddadigheden in Gaza onderstrepen zulks eveneens.
44.
Art. 2 lid 1 VN Handvest is zo beschouwd in wezen de codificatie van een gewoonterechtelijke praktijk als sluitstuk van WO II, en heeft verdere aansporing aan staten gegeven hun soevereiniteit ten dienste te stellen aan mensenrechtenbescherming. Het VN Handvest kan mede gelet op zijn considerans worden gezien als verdragsrechtelijke vastlegging hiervan. De statenpraktijk nadien onderstreept dit.
Relevante beginselen uit het overleveringsrecht
45.
Hetgeen hierboven is bepleit omtrent de verwevenheid van soevereiniteit en individuele grondrechten wordt versterkt door beginselen uit het uit c.q. overleveringsrecht. Zo moet worden gewezen op hetgeen V.H. Glerum opmerkt in zijn proefschrift ‘De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering’.70.
‘Afgezien van volkenrechtelijke en Unierechtelijke verplichtingen, bepaalt een lidstaat soeverein welke gedragingen op zijn grondgebied strafbaar zijn en welke niet. Van de opgeëiste persoon mag worden verwacht dat hij zich gedraagt naar de wetten van de lidstaat waar hij zich bevindt, ook indien hij onderdaan is van een andere lidstaat en de wetten van zijn eigen lidstaat zijn gedraging niet strafbaar stellen. Anders is het, indien het feit — geheel of gedeeltelijk — op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat is begaan. In dat geval raakt de gedraging (mede) de territoriale soevereiniteit van de uitvoerende lidstaat en heeft deze uitvoerende lidstaat dus wel belang bij weigering van de overlevering, indien hij de gedraging waarop het EAB betrekking heeft niet of in een meer beperkte vorm strafbaar heeft gesteld. Bovendien zijn in een dergelijk geval ook de belangen van de opgeëiste persoon in het geding. Ten tijde van de gedraging kon hij immers aan de wetgeving van de uitvoerende lidstaat het vertrouwen ontlenen dat zijn handelen of nalaten niet strafbaar was.’71.
46.
Ook in dit citaat wordt met zoveel worden gezegd dat soevereiniteit en individuele belangen met elkaar verweven zijn. Uit deze uiteenzetting blijkt bovendien dat hetgeen is bepleit omtrent de botsing van de juridische visie van Nederland en India het gerechtshof wel degelijk aanleiding had moeten geven zich uit te laten over het niet ontvankelijkheidsverweer ex. art. 94 Gw. jo. art. 2 VN-Handvest. Dit citaat onderstreept temeer dat het hof zich er lichtvaardig van af heeft gemaakt. De bewoordingen omtrent soevereiniteit van deze passage zijn nagenoeg één op één toepasselijk op de zaak van verzoeker. Het gaat zoals blijkt om een reële problematiek waaromtrent het gerechtshof heeft verzuimd zich over uit te laten. Zulks terwijl het daar wel toe was gehouden op grond van art. 358 lid 3 en art. 359 lid 2 WvSv.
47.
De stellers van deze toelichting en verzoeker realiseren zich terdege dat met het voorgaande een verfijning ofwel nuancering van de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot art. 2 Sr wordt voorgesteld. Om tal van redenen is dat een goede zaak. Dynamisch strafrecht kenmerkt zich immers door evolutie. En last but not least heeft de Hoge Raad wel eens ferme evolutionaire stappen gezet. Zie hierover HR 20 november 2001, NJ 2003, 643 mnt. P. Mevis, R. de Lange in het mensenroofarrest.
Eindconclusie en ongelijke behandeling van soevereine aanspraken door Nederland
48.
Nederland dient de soevereine aanspraken van India gelet op het internationaal recht te eerbiedigen. Dat geldt ook omgekeerd voor India. Staten behoren dit respect voor elkaar en elkaars burgers in acht te nemen. Dat is de kern van soevereiniteit sinds de oprichting van de VN. Nu er geen sprake is van dubbele strafbaarheid moet worden geconcludeerd dat Nederland met de onderhavige veroordeling via art. 2 Sr zijn rechtsmacht heeft uitgebreid naar handelen van verzoeker, een Indiaas staatsburger, op Indiaas grondgebied dat aldaar niet strafbaar wordt bevonden. Er is daarmee sprake van een schending van de Indiase soevereiniteit waaraan verzoeker zoals hierboven uiteen gezet rechtsbescherming kan ontlenen. Een rechtsbescherming die zich verzet tegen onverkorte toepassing van art. 2 Sr. Dientengevolge had het gerechtshof het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moeten verklaren en art. 2 Sr buiten toepassing te laten, dan wel verzoeker te ontslaan van alle rechtsvervolging door de ten laste gelegde strafbepalingen en de daarmee verbonden feitelijke delictsgedragingen voor zover in India gepleegd buiten toepassing te laten. Het arrest van het gerechtshof bevat hieromtrent echter geen beslissing, zulks terwijl sprake is van minst genomen een uitdrukkelijk voorgedragen verweer, maar ook van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
49.
Tot slot moet worden gewezen op de in hoger beroep overlegde en geciteerde e-mail van [betrokkene 5] aan verzoeker:
‘You can go screw yourself or maybe you can't do that properly too. I am in the Netherlands and you like it or not [het kind] is with me and you can't do anything to get her back and have few options. Think wisely before you write unless you want to go to the launders for the money you have. It's your daughter I have now. Poor [verdachte] I feel so sorry you can't even see your daughter because I won't let you come near her. I will drag you to a dutch court you know that, I am dutch and better don't forget that. Put your foot in my country and I will show you. You are a loner and all you have is your money which will soon be gone. Such a lovely daughter we have baby who is lucky to have a rich father like you and yes; you like it or ot, it's all about the money, honey.’
50.
Met deze opmerking dat verzoeker maar beter geen voet op Nederlands grondgebied kan zetten, en dat [betrokkene 5] Nederlandse is, wordt door haar in wezen ook een beroep gedaan op de soevereiniteit van Nederland waaraan zij op haar beurt als individu rechtsbescherming ontleent. Rechtsbescherming die zij getuige het ‘algemeen belang sepot’ in volle omvang heeft verkregen. Het is tegenstrijdig om haar in wezen het beroep op Nederlandse soevereiniteit en rechtsbescherming wel toe te staan, en verzoeker die hetzelfde delict pleegt in dezelfde aangelegenheid dat te weigeren.
Slotsom:
Het hof heeft het verweer inzake de rechtsmacht op ontoereikende gronden verworpen.
Middel 4
Het recht is geschonden en /of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid mede brengt. In het bijzonder zijn de art. 40 Sr, 359, 415 Sv geschonden doordien het hof het verweer dat verzoeker heeft gehandeld in psychische overmacht heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. ‘s-hofs arrest is in zoverre niet voldoende nar de eisen van de wet met redenen omkleed en kan dus niet in stand blijven.
Toelichting
1.
Het hof heeft te dezer zake, zakelijk weergegeven het volgende overwogen:
‘De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de geldzucht van de moeder van [het kind] en het feit dat zij contact tussen de verdachte en [het kind] frustreerde een van buiten komende drang creëerden waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weestand kon en behoefde te bieden. De verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.
Het hof overweegt het volgende:
Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Bij psychische overmacht ligt het accent op de persoon van de dader en de specifieke omstandigheden waaronder hij in een conflictsituatie tot een keuze moest komen. Bij de vaststelling daarvan zijn de aanwezigheid van een op aannemelijkheid te toetsen verklaring van de verdachte over zijn gemoed in het kader van zijn handelen en de drijfveer die heeft geleid tot zijn keuzes vrijwel onontbeerlijk. De verdachte heeft in deze zaak echter geen enkele verklaring afgelegd, zodat het hot in de beoordeling van de aannemelijkheid van de feiten die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, ernstig wordt belemmerd en deze derhalve zal moeten toetsen aan de hand van de zich wel in het dossier bevindende processtukken.
Uit het dossier valt af te leiden dat sprake was van een fors conflict tussen de verdachte en de moeder van [het kind] met meningsverschillen over onder andere het gezag over [het kind] en dat daarbij ferme woorden zijn gevallen. In het licht van de processtukken acht het hof evenwel geen indicatie aanwezig dat de moeder het contact tussen de verdachte en [het kind] daadwerkelijk wilde frustreren. Duidelijk is dat sprake is geweest van zogeheten character shaming, mogelijk ook publiekelijk en van beide zijden. Op zichzelf zijn deze feiten en omstandigheden, ook als daarvan wordt uitgegaan, onvoldoende voor een geslaagd beroep op psychische overmacht.
Ook uit de verklaringen van de medeverdachten, in het bijzonder [betrokkene 3] en [betrokkene 2], kan het hof niet afleiden dat aan de strenge eis die uit de hiervoor vermelde maatstaf voortvloeit, is voldaan. De door de verdachte gevolgde werkwijze, die zich laat typeren als een gedurende geruime tijd planmatig, professioneel en op gecontroleerde wijze verrichte uitvoering, wijst evenmin in die richting. Integendeel. Alles afwegende wordt het beroep op psychische overmacht verworpen. Het is op feitelijke gronden niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Voor zover wordt uitgegaan van de feitelijke situatie die uit de processtukken kan blijken, deels aan de hand van de onderbouwing van het verweer, deels op basis van een ambtshalve beoordeling van hetgeen zich in het dossier ten aanzien van een mogelijke feitelijke grondslag bevindt, is deze onvoldoende om te oordelen dat deze de in de maatstaf bedoelde externe drang oplevert.’
2.
's‑Hofs oordeel dat in het licht van de processtukken geen indirecte aanwijzing is dat de moeder het contact tussen verzoeker en [het kind] daadwerkelijk wilde frustreren is, gelet op hetgeen daaromtrent blijkens de in hoger beroep overlegde pleitnotitie is aangevoerd, onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk. Kort samengevat is aangevoerd dat de moeder onder misleiding van verzoeker [het kind] uit India naar Nederland heeft overgebracht en onder het motto ‘it is all about the money, honey’ via e-mail berichten verzoeker duidelijk heeft gemaakt dat hij geen contact met zijn dochter zou kunnen krijgen. Zie de e-mail d.d. 25 februari 2015 op p. 35 van de pleitnotitie, luidend:.
‘You can go screw yourself or maybe you can't do that properly too. I am in the Netherlands and you like it or not [het kind] is with me and you can't do anything to get her back and have few options. Think wisely before you write unless you want to go to the launders for the money you have. It's your daughter I have now. Poor [verdachte] I feel so sorry you can't even see your daughter because I won't let you come near her. I will drag you to a dutch court you know that, I am dutch and better don't forget that. Put your foot in my country and I will show you. You are a loser and all you have is your money which will soon be gone. Such a lovely daughter we have baby who is lucky to have a rich father like you and yes; you like it or ot, it’s all about the money, honey.’
3.
In de pleitnotitie, die in hoger beroep is overlegd is verder onder de nrs. 55 t/m 58 hierover het volgende aangevoerd:
‘Zie hier hoe kristalhelder en in klare taal de werkelijke motieven van [betrokkene 5] zijn: ‘It's all about the money, honey‘. Wat hier verder ook van zij, haar financiële mantra plaatst de wederrechtelijkheid van cliënt wel in een ander daglicht in die zin dat het wat minder wederrechtelijk lijkt dan het door geld verblinde [betrokkene 5] gepresenteerd wordt. De context van dit ‘it’s all about the money, honey’ brengt subsidiair mee dat in het voetspoor van Bronkhorst sprake is van psychische overmacht als ‘poort tot concrete gerechtigheid’.72. De geldzucht van [betrokkene 5] behelst immers een van buiten [verdachte] komende drang waaraan hij als liefhebbende vader redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. Ook na-ijlen van de overmachtsituatie in de beleving van de verdachte is mogelijk.73. Gelet op de onttrekkingshandeling van [betrokkene 5] met dat rare vaccinatieverhaal — alsof ze in India niet kunnen vaccineren — is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldaan. In gewoon Nederlands heet dat ‘een koekje van eigen deeg’. In het Hindoeïsme schijnt dit ‘karma’ te worden genoemd (Wat gij zaait zult gij oogsten).’
‘De kern van (psychische) overmacht is toch dat de naleving van een wettelijk voorschrift door de betrokken persoon redelijkerwijze niet te vergen is. Het gaat bij overmacht niet om een optimale keuze die de burger bij een dilemma in drukkende omstandigheden heeft gemaakt, maar vooral om een alleszins verantwoorde of begrijpelijke keuze.74. Anders gezegd: de verdachte heeft in prangende omstandigheden een niet onbegrijpelijke keuze gemaakt.’
‘I won't let you come near her’: keiharde blokkade van de vader.
4.
Daarvan is in casu sprake in een situatie waarin een moeder op voorhand aankondigt contact tussen vader en kind te bruuskeren (I won't let you come near her‘) en vervolgens zonder blikken of blozen meedeelt dat geldzucht haar drijft. Tegen deze achtergrond moet gezegd worden dat hiermee het bloed onder de nagels van [verdachte] werd gehaald en hij door haar toedoen in een toestand van psychische overmacht kwam te verkeren. Geconfronteerd met de ontvoering van [betrokkene 5], haar onverbloemde weigering van contact tussen [verdachte] en zijn dochter en haar geldzucht was [verdachte] ten einde raad. Hij meent dan ook dat zijn keuze begrijpelijk was. Zijn psychische overmacht is immers verstrengeld met ook zíjn recht op een privéleven met zijn dochter, waarop geen inbreuk mag worden gemaakt door financiële motieven van een vrouw die hem inpepert ‘It's your daughter I have now’.
Het aan [verdachte] in India toegekende gezag en zijn recht op een privéleven ex art. 8 EVRM verlenen hem dus in beginsel een ‘eigen Indiaas recht’ op grond waarvan hij [het kind] mocht doen verwijderen uit de betrokken woning en mee te nemen naar India. Ten tijde van de verwijdering uit de woning was [betrokkene 5] — de andere gezaghebbende ouder — niet thuis. Nu de overige aanwezigen ([betrokkene 4] en [betrokkene 5]) geen gezagsrecht hadden, kan niet bewezen worden dat het meenemen van [het kind] op dat specifieke moment wederrechtelijk was. Van een wederrechtelijke vrijheidsberoving is dan ook geen sprake, zodat hij van feit 1 moet worden vrijgesproken subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht.’
5.
Het moet ook nog worden opgemerkt dat een pleitnotitie als een ‘processtuk’ dient te worden aangemerkt. Door overlegging ter terechtzitting en aan het Openbaar Ministerie wordt het immers aan het dossier toegevoegd en fungeert het als kenbron voor de toepassing van de art. 358 en 359 Sv.
Voor zover dan ook het hof de aannemelijkheid van de feiten heeft getoetst aan de hand van de zich (wel) in het dossier bevindende stukken, heeft het naar moet worden aangenomen deze toetsing verricht aan de hand van de overgelegde pleitnotitie als hiervoor weergegeven. De inhoud hiervan en de gelegde nadruk op ‘it is all about the money, honey’ en ‘I won't let you come near her’ impliceren een voor verzoeker van buiten komende drang en een stevige conflictsituatie. ’s-Hofs oordeel is op grond hiervan onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk.
Middel 5
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 359, 415 Sv, 8 EVRM, 23 IVBPR geschonden doordien het hof zijn strafmotivering mede heeft doen berusten op een onjuist en/of onbegrijpelijk (voor)oordeel met betrekking tot de gevolgen van de bewezenverklaarde feiten. ’s-Hofs arrest is op grond hiervan niet naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.
Het hof heeft met betrekking tot de gevolgen voor [het kind], zakelijk weergegeven, overwogen:
‘[het kind] is als gevolg van de ontvoering en van de abrupte wijze waarop deze is uitgevoerd geheel onverwachts uit haar vertrouwde omgeving weggerukt. Die omgeving bestond uit personen, aan wie [het kind], naar mag worden aangenomen, gehecht was en die haar dagelijks verzorgden. Het lijdt geen enkele twijfel dat deze gebeurtenis, als gevolg waarvan elk betekenisvol contact met haar moeder en overige dierbaren in Nederland onmogelijk is gemaakt, zeer ingrijpend is geweest voor [het kind]. Ook kan zonder terughoudendheid worden aangenomen dat deze ontwikkeling haar beleving van veiligheid en geborgenheid in nadelige zin moet hebben beïnvloed. Ook de Raad voor de Kinderbescherming heeft, op basis van een onderzoek in 2018 en wetenschappelijke inzichten over veilige hechting, zijn zorgen geuit over de emotionele ontwikkeling en mentale gezondheid van [het kind]. De raadsman heeft tijdens zijn pleidooi op enig moment gezegd: ‘als er iets schadelijk is voor een kind, dan is het toch wel elkaar bestrijdende ouders.’ Een waarheid als een koe. Volgens de raadsman zou dit aanleiding moeten zijn voor terughoudendheid bij de straftoemeting omdat een zware straf in het algemeen mogelijk bijdraagt aan polarisatie. Wat er zij van de juistheid van dit oorzakelijk verband in de onderhavige strafzaak, in elk geval kan worden vastgesteld dat deze opmerking van de raadsman het enige aanknopingspunt biedt voor de veronderstelling dat de verdachte zich realiseert wat een kind nodig heeft. De verdachte heeft, ter illustratie van het welbevinden van [het kind], zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman mededelingen laten doen en/of documenten laten presenteren met betrekking tot haar schoolprestaties, taalbeheersing en zwemvaardigheden alsmede over de op haar naam opgebouwde spaartegoeden en gedane investeringen. Over inbedding in een sociale omgeving of familie, die [het kind] zou kunnen omhullen en geborgenheid zou kunnen bieden, geeft de verdachte geen enkele informatie.’
2.
’s-Hofs oordeel dat zonder terughoudendheid kan worden aangenomen dat de geschetste ontwikkeling [het kind]’s beleving van veiligheid en geborgenheid in nadelige zin moet hebben beïnvloed berust op een vooroordeel en is onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk en wel op grond van het navolgende.
3.
Het traditionele gezin bestaande uit een gehuwde vader, moeder en eigen genetische kinderen, kende zijn hoogtepunt in de vorige eeuw. De opkomst van andere samenlevingsvormen heeft deze situatie niet onaanzienlijk veranderd. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw is het aantal traditionele gezinnen afgenomen als gevolg van sociaal-demografische ontwikkelingen, zoals een toename van het aantal echtscheidingen en opkomst van ongehuwd samenwonen. Ten gevolge hiervan is het aantal éénouder-gezinnen toegenomen. Tussen 1995 en 2010 steeg deze éénoudergezinsvorm met ongeveer 37% (vgl. A. de Graaf, Gezinnen in beweging. Bevolkingstrends, 59, 82–96 (2011)). Meer dan de helft van éénoudergezinnen is ontstaan na een echtscheiding.
4.
Wereldwijd leven er + 320 miljoen kinderen onder 17 jaar in een éénoudergezin. In India wordt dit kinderaantal geschat op 2,3 miljoen, (vgl. Omisha Sangeet, Shyodan Singh, Experiences of single-parent children in the current Indian context, in Journal of Family Medicine and Primary Care, Wolters Kluwer 2022. Zie ook Nasir Ahamd Bhat, R.R. Patil, Single Parenthood Families and their impact on children in India. Eerstgenoemde auteurs zijn verbonden aan de ‘department of Psychology, Universiteit New Delhi, India en de laatste twee aan de ‘department of Psychology and Social work, Jamia Millialslamia, New-Delhi-110025. Hun bijdrage is gepubliceerd in Delhi Psychiatry Journal 2019; 22: (1) © Delhi Psychiatric Society.)
5.
Sangeet en Singh wijzen erop dat studies aangetoond hebben dat 75% van de éénouder kinderen, zowel binnen als buiten India, ‘were found to be well adjusted as individual entities’, terwijl zij psychologische kracht ontwikkelen in hun kindertijd.
‘Some conclusions that can be drawn from the research are that single-parent families usually require a period of 1–2 years to adapt, children are able to adjust with diverse custody arrangements, and success of the family cannot be attributed to just one single factor’.
Hoewel zij onder ogen zien dat echtscheiding emotioneel en traumatisch voor kinderen in een éénoudergezin kunnen zijn merken zij op:
‘Acknowledging their parents’ struggles, single-parent children develop elevated emotional regulation and problem-solving abilities. They also tend to develop the ability to manage their expectations and disappointments better and feel motivated to share their burden.’
6.
In oktober 2022 publiceerde de Portugese psycholoog Henrique Pereira een bijdrage getiteld:
‘Children of Singel Fathers created by Surrogacy: Psychosocial Adjustment Consideratiosn and Implications for Research and Practice’
(in: Children 2022, 9, 1644. https://doi.org/10.3390/children9111644
7.
De inhoud hiervan wordt, zakelijk weergegeven, als volgt samengevat:
‘Abstract: The existence of single-father families formed by surrogacy is becoming a more visible reality, even though this type of family organization is still perceived with stigma and negative attitudes by more traditional sectors of society, because it raises some concerns regarding the psychosocial well-being of children who are born into single-fathers families via surrogacy, and in many cases, to gay single men who wish to become fathers. On the other hand, available research on the psychosocial well-being of these children is still very scarce and limited to a handful of Western countries. Hence, it is of utmost importance to examine studies that explore the psychosocial adjustment of these children. In this mini review, I show that all the studies revised demonstrate the good psychosocial adjustment of these children, and that they are as likely to flourish as children born into traditional families, even if they may find themselves exposed to prejudice and stigma. In conclusion, single fatherhood and surrogacy do not contribute to any adverse consequences to the children’s psychosocial development and adjustment, and there is no observed evidence to why single men, irrespective of their sexual orientation, should not be fathers via surrogacy. Finally, implications for future research and interventions are also discussed.’
8.
Pereira's conclusie dat gebleken is dat de betrokken éénouderkinderen een normaal niveau van psychologische aanpassing en veilige ontwikkeling op positieve relaties met hun vaders ten toon spreiden is, bezien in samenhang met de overige hiervoor genoemde kinder-psychologische literatuur onverenigbaar met 's‑hofs (voor)oordeel als hierbedoeld, dat veel weg heeft van natte vingerwerk. Temeer daar de conclusie van de Indiase psychologen luidt:
‘Experiences of single-parents children can be both positive and negative. Strengths such as an increased sense of responsibility decision-making, and resilience can be considered while dealing with the unique challenges faced by them’.
9.
Minst genomen dient op grond van het voorgaande ‘s-hofs oordeel in het bijzonder dat zonder terughoudendheid de door het hof bedoelde beïnvloeding in nadelige zin kan worden aangenomen als onbegrijpelijk, althans als niet zonder meer begrijpelijk van de hand te worden gewezen.
10.
Ook verdient opmerking dat de door het hof zonder terughoudendheid gebezigde vooronderstelling een schending van het recht op een privé en familieleven als bedoeld in art. 8 EVRM en 23 IVBPR inhoudt. De ontoereikend gemotiveerde strafmaat als hiervoor bedoeld, maakt immers via zijn doorwerking in de strafmaat inbreuk op het aan voormelde verdragsbepalingen ontleende recht van verzoeker op een ongestoord familieleven met zijn dochter [het kind]. Daarbij moet worden gewezen op de zaak Neulinger en Shuruk v. Zwitserland.75. In die zaak had moeder haar kind zonder toestemming van de vader vanuit Israël meegenomen. Er was aldus sprake van een ontvoering c.q. onttrekking aan het ouderlijk gezag waarop tevens het Haags Kinderontvoeringsverdrag van toepassing was. De rechter gelaste dat het kind terug moest worden gebracht naar Israël. Maar ook in een dergelijke onttrekkingssituatie vond het EHRM het nog niet vanzelfsprekendheid dat er dan geen sprake kon zijn van een schending van art. 8 EVRM.
‘It follows from Article 8 that a child's return cannot be ordered automatically or mechanically when the Hague Convention is applicable. The child’s best interests, from a personal development perspective, will depend on a variety of individual circumstances, in particular his age and level of maturity, the presence or absence of his parents and his environment and experiences (see the UNHCR Guidelines, paragraph 52 above). […].’
‘In addition, the Court must ensure that the decision-making process leading to the adoption of the impugned measures by the domestic court was fair and allowed those concerned to present their case fully (see Tiemann, cited above, and Eskinazi and Chelouche v. Turkey (dec.), no. 14600/05, ECHR 2005-XIII). To that end the Court must ascertain whether the domestic courts conducted an in-depth examination of the entire family situation and of a whole series of factors, in particular of a factual, emotional, psychological, material and medical nature, and made a balanced and reasonable assessment of the respective interests of each person, with a constant concern for determining what the best solution would be for the abducted child in the context of an application for his return to his country of origin (see Maumousseau and Washington, cited above, § 74).’
11.
Ofwel, volgens het EHRM kan het kind zeer wel in goede handen zijn bij de ouder die het kind vanuit het ouderlijk gezag heeft onttrokken. De overwegingen van het gerechtshof in het kader van de strafmaat waarin tot uitdrukking komt dat [het kind] zonder meer ernstig is beschadigd door verzoeker en /of het haar aan geborgenheid ontbreekt zijn mede gelet op de geciteerde studies en voormelde rechtspraak onbegrijpelijk.
12.
Voor zover het hof heeft overwogen dat verzoeker geen enkele informatie heeft verschaft over inbedding in een sociale omgeving of familie, die [het kind] zou kunnen omhullen en geborgenheid zou kunnen bieden mag niet onvermeld blijven dat deze overweging onbegrijpelijk is, nu het hof heeft aangenomen dat verzoeker zijn dochter [het kind] heeft overgebracht naar India waar zij — aldus het hof — tot op vandaag verblijft, te weten onder de hoede van haar vader.76. Dit blijkt immers uit het door het gerechts-hof gebezigde bewijsmiddel 30 waarvan de bijlage luidt ‘Insi is with her father right now, where she belongs. He can give her a better future. She is doing well and appears to be very happy’.
Middel 6
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 359, 415 Sv geschonden doordien de motivering van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [het kind], de dochter van verzoeker, ontoereikend is, nu bij haar geen geestelijk letsel adequaat is vastgesteld en/of anderszins is gebleken dat zij (geestelijk) letsel heeft ondervonden tengevolge van de bewezenverklaarde feiten. ’s-Hofs arrest is in zoverre niet voldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.
Vooreerst wordt verzocht de toelichting op het voorgaande cassatiemiddel 3 hier als herhaald en geïnsereerd te beschouwen. Anders dan in geval van materiële schade komt immateriële schade slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft (art. 6:95 lid 1 BW). Dat is alleen het geval — voor zover hier van belang -
- a)
indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen
- b)
indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast (art. 6:106 BW).
2.
Door het hof is niet vastgesteld dat verzoeker het oogmerk had het hier bedoelde nadeel toe te brengen, noch dat een der gevallen als bedoeld in art. 6:95 lid 1 BW zich voordoet. Op grond van art. 6:106 BW is sprake van een limitatieve opsomming van gevallen waarin een schadevergoeding kan plaatsvinden, te weten vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen.
Verwezen zij naar HR 15 maart 2019 Ecli:NL:HR:2019:376 NJ 2019/162 m.nt. Lindenbergh. Deze annotator merkt op dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld hetgeen in de praktijk betekent ‘dat het bestaan van geestelijk letsel zal moeten worden onderbouwd met psychiatrische of psychologische expertise.’ Een meer of minder sterk psychisch onbehagen volstaat niet voor de vaststelling dat sprake is van geestelijk letsel dat recht geeft op vergoeding. Het bestaan en adequaat aantonen van geestelijk letsel is dus belangrijk. Voorzover het hof uit één van de bijlagen bij de vordering benadeelde partij van [het kind] heeft vastgesteld dat de Raad voor de Kinderbescherming zorgen heeft geuit over de emotionele ontwikkeling en mentale gezondheid van [het kind] kan niet zonder meer, en al helemaal niet zonder terughoudendheid in rechte worden aangenomen dat bij [het kind] nu of in de toekomst sprake is c.q. zal zijn van geestelijk letsel, die een immateriële schadevergoeding rechtvaardigt. De betrokken overweging van het hof behelst mitsdien een ontoereikende weerlegging van de betwisting van de vordering van [het kind] tot een bedrag van € 10.000,- vooral ook nu door verzoeker is aangevoerd dat zij in blakende gezondheid verkeert, terwijl haar schoolprestaties zeer goed zijn. Dit verweer kan gelet op al het voorgaande en in het bijzonder de aangehaalde Indiase en Portugese wetenschappelijke literatuur niet geacht worden toereikend te zijn weerlegd met de ‘zonder terughoudendheid’-overweging van het hof.
Zie ook HR 27 februari 2024 Ecli:NL:HR:2024:263, m.nt. Vellinga. De Hoge Raad herhaalt in dit arrest zijn overwegingen uit NJ 2019/379 m.nt. Vellinga — overzichtsarrest vordering benadeelde partij — dat art. 6:106 BW een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin deze bepaling recht heeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Een enkele verwijzing naar de billijkheid volstaat niet, ook al heeft de rechter een ruime armslag.
3.
De overweging van het hof dat de ‘nadelige gevolgen voor [het kind] voor de hand liggen’ levert dan ook geen toereikende motivering op. Het hof had mitsdien deze vordering niet-ontvankelijk moeten verklaren wegens het ontbreken van een voldoende onderbouwing. Het veronderstellen van nadelige gevolgen is dus net als het gemiddelde weerbericht onvoldoende.77.
4.
Het voorgaande vindt verder steun in een recente uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in een zeer vergelijkbare zaak uit 2022. In deze zaak had de verdachte twee minderjarige kinderen vanuit Nederland naar Egypte meegenomen en ze aldaar voor een periode van vijftien jaar onttrokken gehouden aan het gezag van hun moeder. Namens haar twee dochters, die ten tijde van het beginmoment van de onttrekking de leeftijd van twee en zes jaar hadden, vorderde de moeder immateriële schadevergoeding. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde hierover het volgende:
‘Voor de toewijsbaarheid van een vordering, gericht op de vergoeding van het op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast, dient te worden vastgesteld dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Dat bij de benadeelden (de dochters) sprake is van geestelijk letsel als gevolg van het bewezenverklaarde onttrekken aan het gezag van hun moeder, kan het hof niet vaststellen op grond van de stukken die de benadeelde partijen ter ondersteuning van hun vorderingen in het geding hebben gebracht. Sterker nog, geestelijk letsel is noch gesteld noch onderbouwd. Het hof is van oordeel dat de beoordeling van de ingediende vorderingen zich lenen voor nader onderzoek door (bijvoorbeeld) een deskundige.’
5.
Wat in het oog springt, is dat het hof in deze aangehaalde zaak er niet zonder meer vanuit is gegaan dat de nadelige gevolgen voor de minderjarigen — waarvan één precies dezelfde leeftijd had als [het kind] tijdens het beginmoment van de onttrekking — zo voor de hand lagen dat een aantasting in persoon kon worden aangenomen. Daarentegen bepaalde het hof dat de beoordeling van de vordering zich leent voor nader onderzoek door (bijvoorbeeld) een deskundige. Dat de Raad voor Kinder-bescherming zijn zorgen heeft geuit over de emotionele ontwikkeling en mentale gezondheid van [het kind], kan niet gelijkgesteld worden aan zulk een (deskundige) onderbouwing, nu deze zorgen aannames behelzen die niet zijn getoetst aan de daadwerkelijke psychologische gesteldheid van [het kind]. Het oordeel van het hof is dan ook niet alleen op basis van al het hiervoor aangevoerde, maar ook op basis van zijn jurisprudentie, ontoereikend gemotiveerd.
Middel 7
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 359, 415 Sv geschonden doordien het hof zich blijkens zijn strafmotivering onder meer heeft laten leiden tot een beweerdelijk door de verdediging bepleit ‘ongeclausuleerd cultuurrelativisme’, zulks ten onrechte, nu een zodanig cultuurrelativisme oftewel een ongeclausuleerd cultuur relativisme niet uit de in hoger beroep overgelegde pleitnotitie kan worden afgeleid, zodat het hof op onbegrijpelijke gronden heeft geconcludeerd dat zijn dochter [het kind] voor verzoeker een trofee verkregen in een intensieve strijd met haar moeder zou zijn. ’s-Hofs motivering van de opgelegde straf is in zoverre niet naar de eis van de wet vereist voldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.
Voor zover hier van belang heeft het hof, zakelijk weergegeven overwogen:
‘Het hof wil wel aannemen, zoals meermalen benadrukt door de raadsman, dat de verdachte een culturele achtergrond heeft waarin andere waarden leidend zijn voor de relaties tussen partners en tussen ouders en kinderen. In het midden kan in dit verband blijven het antwoord op de vraag wat moreel en juridisch aanvaardbaar is in de Indiase samenleving waar het gaat om de posities van respectievelijk vaders en moeders ten opzichte van hun wettige kinderen. Maar het ongeclausuleerde cultuurrelativisme dat aan het namens de verdachte gevoerde pleidooi ten grondslag ligt heeft tot consequentie dat het handelen van de verdachte, waarvan een volledige verbreking van contact tussen de moeder en haar kind het resultaat is, wordt gerechtvaardigd. Die claim kan binnen de Nederlandse rechtsorde onmogelijk worden aanvaard. Dat geldt eveneens voor het standpunt van de raadsman dat de status quo te rechtvaardigen zou zijn omdat deze het gevolg is van, zo begrijpt het hof, de door de verdachte gemaakte keuzes in een conflict van rechtsplichten. Ook enkele beslissingen en bevelen van Indiase rechters, gegeven naar aanleiding van door de verdachte of [betrokkene 5] aangespannen procedures, bieden geen ondersteuning voor dat standpunt. [het kind] is voor de verdachte, zo moet helaas worden geconcludeerd, een trofee, verkregen in een intensieve strijd met haar moeder, die is gevoerd met niet toegestane middelen.’
2.
Blijkens de in hoge beroep overgelegde pleitnotitie heeft de raadsman van verzoeker het navolgende aangevoerd:
- ‘127.
Sprekend over het welzijn van [het kind] moet als tegenwicht tegen de nogal eenzijdige schets van de rechtbank onder ogen worden gezien dat een zware vrijheidsbenemende straf van haar vader, indien sprake is van tenuitvoerlegging, een straf voor haar impliceert. Want zij zal bij zo'n straf van haar vader haar mooie prinsessenleven niet kunnen voortzetten. Weg vader, weg Amerikaanse school, weg aldaar gemaakte vriendinnen en vrienden en ook weg van haar familie in Mumbai. Voor haar is dan zonder twijfel sprake van een ‘chilling effect’ van de straf. Zij wordt dan evident het kind van de rekening. De verdediging wil graag erkennen dat bestraffing in dit soort onttrekkingszaken de rechter voor dit soort dilemma's plaatst. Maar dat is geen excuus voor het opleggen van een maximum straf, zoals de rechtbank deed en de AG eiste. Hoe moeilijk het ook is, de rechter doet er volgens de ‘eminence grise’ in het recht, G.E. Langemeijer goed aan bij de straftoemeting te zoeken haar evenredigheid tussen straf en schuld. Deze evenredigheid is volgens Langemeijer zeker moeilijk vast te stellen, maar toch wel in redelijke mate te benaderen.78. Over die redelijke benadering komt Langemeijer echter niet verder dan te melden dat we op gegist bestek moeten koersen. Welnu dat gegist bestek houdt in een zaak als deze in dat terughoudendheid in, straftoemeting het meeste recht doet aan de positie van [het kind], omdat voorkomen dient te worden dat zij als het ware vermalen wordt door de rechtsstrijd die over haar hoofd wordt uitgevochten. Volkomen terecht merkt Langmeijer dan ook op dat de polarisatie, die zich rondom het strafrecht in zo sterke mate vertoont gevaarlijk is.98 In casu betekent dit — gewoon gezegd — dat we het kind niet met het badwater moeten weggooien door een draconische straf op te leggen. Als er iets schadelijk is voor een kind, dan is het toch wel elkaar bestrijdende ouders.
- 128.
Deze zaak heeft, zoveel is duidelijk, een sterke culturele dimensie. In de literatuur, die helaas niet overvloedig aanwezig is, is aan deze culturele dimensie wel eens aandacht besteed. Verwezen zij naar Nellesteijn, Achtergronden van Turkse ontvoeringszaken, in: Algemeen Politieblad, 130 (1981) p. 51–56. Een auteur uit onverdachte hoek, te weten Yücèl Yesilgöz beschrijft in zijn boek ‘Allah, Satan en het recht‘ dergelijke ontvoeringen als passend binnen de culturele achtergrond van Turken. Aangezien de rechter in iedere zaak een op maat van het individu toegesneden eindoordeel moet geven, is het zijn taak de culturele nuance te zoeken en te verdisconteren in de door hem te maken vertaalslag van het feitelijke naar het juridische (vgl. H.C. Wiersinga, Nuance in benadering, Culturele factoren in het strafproces XVI). Deze vertaalslag zal ertoe | moeten leiden dat het vonnis van de rechtbank, dat vooral uitblinkt door eenzijdigheid, in zoverre vernietigd moet worden.’
3.
Onder cultuurrelativisme pleegt te worden verstaan het besef dat de waarden van de eigen cultuur betrekkelijk zijn. (Van Dale Groot Woordenboek). Ook wordt hiermee gedoeld op het vermogen om een cultuur op zijn eigen voorwaarden te begrijpen en geen oordelen te vellen op basis van normen van iemands eigen cultuur. Het doel hiervan is om begrip te bevorderen voor culturele praktijken die doorgaans geen deel uitmaken van iemands eigen cultuur.
4.
Het ministerie van Justitie en Veiligheid, waar naar men aanneemt mede door toedoen van de vreemdelingenpraktijk veel know how over diverse culturen voorhanden is, omschrijft cultuurrelativisme als het besef dat iedere samenleving met haar eigen cultuur een unieke geschiedenis heeft en in die eigen context begrepen moet worden. Met een cultuurrelativisme bril leer je de andere culturen beter begrijpen, aldus het Ministerie (vgl. Rijksopleidingsinstituut tegengaan radicalisering, Vergroot jouw impact www.tegengaan.radicalisering.nl). Afgezien van het populaire ‘ge-jij’ en ‘ge-jou’, wordt hiermee een passende omschrijving van het fenomeen cultuurrelativisme gegeven.
5.
Met de verwijzing naar G.E. Langemeijer kan bezwaarlijk worden gesteld dat de verdediging een ongeclausuleerd cultuurrelativisme heeft bepleit, temeer nu Langemeijer heeft verdedigd om bij een verantwoorde straftoemeting op gegist bestek te koersen. Hij merkt hierover op:
‘Maar vraagt men, wat hier en nu een verantwoorde straftoemeting is, dan staan we meen ik weer tegenover een even harde waarheid als toen we vroegen naar de bereikbaarheid van de doeleinden die men met het strafrecht kan nastreven: we moeten op gegist bestek koersen. Ik geloof we komen hier niet verder dan na zo nauwkeurig mogelijk bepaald te hebben, welke graad de schuld van de verdachte ergens tussen de hoogste en de laagste die wij ons kunnen denken bereikt, en na ons vervolgens nog zo goed mogelijk te hebben voorgesteld wat de straf, of haar uitblijven, voor deze verdachte individueel voor gevolgen zal hebben, dit weer in verband met de omstandigheden die op zijn verdere lotgevallen van invloed kunnen zijn, de strafmaat die ons spontaan invalt te onderwerpen aan de kritische werking van ons medelijden met de verdachte aan de ene kant en onze bekommerdheid om de nadelen voor anderen en voor de gehele maatschappij die wij van een te lage straf zouden vrezen aan de andere kant. Waar beide elkaar in evenwicht houden ligt de naar ons beste inzicht juiste straf.’ (Vgl. G.E. Langemeijer, Strafrecht of onrecht p. 5 en 69).
6.
Het in het pleidooi aan de orde stellen van de culturele nuance de valt toch geenszins een ongeclausuleerd cultuurrelativisme te ontwaren. Integendeel zelfs. Het beroep op een culturele nuance valt veeleer te kwalificeren als het vaststellen van het door Langemeijer bedoelde evenwicht. Het staat haaks op ongeclausuleerdheid.
7.
Opmerking verdient nog dat de raadsman van verzoeker ook een lagere straf dan die welke door de rechtbank was opgelegd, bepleit heeft. Blijkens de overgelegde pleitnotitie in hoger beroep heeft hij te dezer zake immers tevens bepleit dat het vonnis van de rechtbank, dat volgens hem vooral uitblonk door eenzijdigheid, in zoverre vernietigd moet worden. Reeds in de appelschriftuur is onder meer aangevoerd dat de rechtbank een te hoge straf heeft opgelegd. Het bepleiten van een lagere straf heeft, zoveel is duidelijk, met een ongeclausuleerd cultuurrelativisme niets van doen. In de strafmaat wordt immers de cultuur van ons land erkend. Ook dit getuigt niet van een ongeclausuleerd cultuurrelativisme.
8.
De conclusie luidt dan ook dat ’s-Hofs arrest met betrekking tot de motivering van de opgelegde straf ontoereikend is gemotiveerd.
Middel 8
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 6 EVRM, 14 IVBPR en 131a Sv geschonden doordien de rechtbank en het hof verzuimd hebben verzoeker ter terechtzitting via een videoconferentie te horen. Het onderzoek ter terechtzitting lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting
1.
Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank en van het hof is verzoeker niet verschenen. De rechtbank heeft op 12 oktober 2020 een verstekvonnis gewezen. Het hof heeft vanwege de toepasselijkheid van art. 279 Sv op 12 oktober 2020 arrest op tegenspraak gewezen.
2.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 juni 2023 heeft de raadsman van verzoeker, zakelijk weergegeven, betoogd:
‘Uit de omstandigheden die het OM heeft aangevoerd kan ik niet afleiden dat mijn cliënt in India goed geïnformeerd en weloverwogen afstand van zijn aanwezigheidsrecht heeft gedaan. Hem is wel bekend dat hij wordt aangehouden als hij in Nederland komt, maar er zijn ook mogelijkheden om wel aanwezig te zijn zonder op zitting te komen, bijvoorbeeld door middel van een videoverhoor, zijnde een wettelijk equivalent voor een gewoon verhoor op de zitting.’
3.
Gelet op het bepaalde in art. 131a Sv jo art. 2 Besluit Videoconferentie voorziet ons recht in de mogelijkheid althans verzet het zich niet ertegen een verdachte, indien hij daarmee instemt, via een videoconferentie ter berechting aan de terechtzitting deel te nemen. Indien de verdachte in het buitenland verblijft zou zulks met behulp van een rechtshulpverzoek kunnen plaatsvinden. Zowel het EHRM als de Hoge Raad lijken berechting in lijfelijke afwezigheid van een in het buitenland gedetineerde verdachte via een videoconferentie mogelijk te achten. (Vgl. EHRM 8 juni 2021 Ecli:CE:ECHN:2021:0608JHD 006159116 NJ 2022/125 en HR 14 mei 2019 Ecli:NL:HR:2019:709 NJ 2019/290).
4.
De kwestie van een videoconferentie met betrekking tot het horen van de afwezige verdachte kwam aan de orde in HR 3 december 2024 Ecli:NL:HR:2024:1771 NJ 2w025/24. In de daaraan voorafgaande zeer informatieve conclusie van A.G. D.J.M.W. Paridaens is alle relevante rechtsspraak en literatuur de revue gepasseerd. Vandaar dat hier wordt volstaan daarnaar te verwijzen, zij het dat de steller van dit middel een enkele aanvullende opkomende reflectie als een soort toetje de revue laat passeren.
Opvallend in dit arrest is dat de Hoge Raad in rov. 2.4 refereert aan het horen, verhoren of ondervragen van personen, gevolgd door te verwijzen naar ondermeer de verdachte die niet in de zittingszaal aanwezig is, maar door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding deelneemt aan een zitting. Een ter zitting afwezige verdachte kan dus deelnemen aan een zitting. Deze ontwikkeling is enigszins vergelijkbaar met de ontwikkeling van art. 279 Sv inzake de verdediging door een aanwezige gemachtigde advocaat van een ter zitting afwezige verdachte. Vóór de wetswijziging van 15 januari 1998 Stb. 1998, 33 (i.w.tr. 1 februari 1998) gold nog de verlaten regeling inhoudende dat één en ander slechts mogelijk was bij ‘klemmende redenen’ van afwezigheid. Die ‘klemmende redenen’ van toen zullen ook voor wat betreft de video-conferentie niet via de zijdeur opnieuw in ons strafproces ingevoerd mogen worden als het gaat om de toepassing van een videoconferentie op de voet van het bepaalde in art. 131a Sv. En de Hoge Raad heeft in laatstgenoemd arrest ook niet doen blijken die richting op te willen.
5.
De vrees voor een aanhouding dient gelet op de buitenlandse status van verzoeker en de aangevoerde niet-strafbaarheid naar Indiaas recht van de ten laste gelegde feiten, gezien te worden als een legitieme wens om op alternatieve wijze het aanwezigheidsrecht te effectueren. De zogeheten rechtsgrondslag voor het creëren van een compenserende mogelijkheid via een videoconferentie is immers gelegen in het ‘fair trial’ vereiste ex art. 6 EVRM en 14 IVBPR. Door zulks niet te gelasten lijdt het onderzoek ter terechtzitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan nietigheid. Voor wat betreft de arrestatiedreiging wordt verwezen naar de reactie op de preliminaire verweren van de Advocaten-generaal d.d. 5 juni 2023 voor zover daarin is opgemerkt:
‘Dat [verdachte] zelf niet aanwezig wilde zijn, ligt bovendien voor de hand nu hij direct zou zijn aangehouden. Dat is nog steeds zo overigens. Te meer nu er een bevel gevangenneming van uw hof van 7 september 2021 tegen hem ligt.’
6.
Het redelijkerwijs niet kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht, vanwege de arrestatie-dreiging, kan immers met een videoconferentie worden gecompenseerd. Een zodanige compensatie dient niet afhankelijk te worden gesteld van een verzoek daartoe van de verdachte en/of zijn raadsman. Indien immers aanvaard wordt dat een videoconferentie als compensatie geldt voor het niet uitoefenen van het fysieke aanwezigheidsrecht en dat een zodanige compensatie uit oogpunt van een ‘fair trial’ ex art. 6 EVRM en 14 IVBPR wenselijk is, dan is een ambtshalve voorziening daarin aan de orde. De strafrechter moet ook ambtshalve borg staan voor een eerlijk proces. Via een rechtshulpverzoek is zulks te realiseren ten aanzien van een in het buitenland verblijvende verdachte. Dit klemt in casu temeer nu (in eerste aanleg) met behulp van rechtshulpverzoeken gepoogd is de inleidende dagvaarding aan verzoeker te betekenen. Het bezorgen van een rechtshulpverzoek in deze zaak is dus geen onbekend verschijnsel.
7.
Ambtshalve toepassing van bevoegdheden teneinde een eerlijk proces te garanderen is in de wetgeving op verschillende plaatsen tot uitdrukking gebracht. Zie onder meer de artt 286 lid 3 Sv, art. 297 lid 1 Sv de artt 315, 316 Sv. Ambtshalve toepassing van art. 131a Sv past prima in dit rijtje. Temeer nu de zaak veel mediaaandacht heeft gegenereerd en de rechtsorde danig heeft geschokt. Daar komt bij dat het Hof verzoeker verwijt dat hij zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wil ontlopen.
Middel 9
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 14 IVBPR, 6 EVRM, 359, 415 Sv geschonden doordien de motivering van de aan verzoeker opgelegde straf een schending van het nemo tenetur beginsel inhoudt en/of onbegrijpelijk is doordien het hof in zijn strafmotivering onder meer naar aanleiding van een mededeling van zijn raadsman heeft overwogen dat verzoeker zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wil ontlopen. ’s-Hofs arrest is in zoverre niet naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.
Voor zover hier van belang heeft het hof ter motivering van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaar, zakelijk weergegeven, overwogen:
‘De door de raadsman bij dupliek geponeerde stelling — als reactie op de vraag van het hof hoe de toekomst tussen moeder en kind er volgens de verdachte uitziet — dat een lange, gevangenisstraf niet bevorderlijk zal zijn voor een toekomstig contact tussen het kind en haar moeder, geeft in dat kader de manipulatieve wijze waarop de verdachte niet alleen zijn verantwoordelijkheid richting de moeder van [het kind], maar ook zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wil ontlopen, meer dan treffend weer. Overigens is ook de mededeling van de raadsman dat de nu tienjarige [het kind] het haar moeder verwijt dat deze de publiciteit zoekt, veelzeggend en symptomatisch. Het is bepaald geen indicatie van een attitude die is gericht op de-escalatie. [het kind] wordt kennelijk niet geholpen om op zelfstandige wijze een weg te vinden in dit voortdurende conflict en niet begeleid of ondersteund om zich op liefdevolle wijze te verhouden tot haar moeder die zij onder de druk van de omstandigheden niet meer ziet.’
2.
Het bepaalde in art. 14 lid 3 onder g IVBPR luidt dat een verdachte het recht heeft:
‘Not to be compelled to testify against himself or to confess guilt.’
3.
's‑Hofs overweging dat verzoeker zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wil ontlopen komt allereerst in strijd met deze verdragsbepaling, die de neerslag vormt van het nemo tenetur beginsel. In de (jurisprudentie op) de in het middel genoemde internationale mensenrechtenverdragen is neergelegd dat een verdachte niet mag worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.79.
Egbert Myjer merkt hierover op dat als men bedenkt dat het nog niet zo lang geleden ook in Nederland was toegestaan om — zij het onder strikte voorwaarden — een verdachte de duimschroeven aan te draaien of het vuur na aan de schenen te leggen teneinde hem aan het spreken te krijgen en zich aldus de ‘koningin van de bewijsmiddelen’ te verschaffen, het duidelijk is dat de thans als extra fundamenteel aangemerkte mensenrechten die status echt niet altijd hebben gehad, (vgl. B.E.P. Myjer, Een beetje tortuur voor het goede doel — bespiegelingen over het tortuurverhoor, nemo tenetur en vermeende lekkende bommen. Zie ook Egbert Myjer, Van duimschroef naar bloedproef. Beschouwingen over de regel dat niemand gedwongen mag worden zichzelf te belasten, (preadvies Nederlandse Vereniging voor rechtsvergelijking, 1978).
4.
In HR 11 december 2012 LJN BY5672 rolnr. 11/04642 stelde het hof vast dat de verdachte gekozen heeft voor een nagenoeg volledig ontkennende opstelling en dat hij noch ter terechtzitting in eerste aanleg noch in hoger beroep is verschenen. Het hof maakte daaruit op dat de verdachte de verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen afwijst. Deze redenering kan in casu geen stand houden nu de raadsman van verzoeker ter zitting in hoger beroep de bereidheid van verzoeker mee te werken aan een videoconferentie tot uitdrukking heeft gebracht.
5.
Medewerking verlenen aan een videoconferentie wordt ook wel omschreven als ‘to participate in the proceedings by videoconference.’ (vgl. EHvJ 6 januari 2024, Sia Avva .a. tegen Letland, zaken C-255/23 en C-285/23 par. 38). Vandaar dat aangenomen wordt dat de videoconferentie een ‘mooie aanvulling […] kan zijn op de mogelijkheden tot het verkrijgen van alle relevante informatie van een zaak.’ Ook bij een videoconferentie is de verdachte aanwezig op de zitting, zij het niet lijfelijk. De verdachte heeft het recht om actief deel te kunnen nemen aan de zitting. Per videoconferentie is hij daartoe in staat (vgl. , A.J.E.C. Jordaans, Gedachten over de videoconferentie in: Praktisch Strafrecht, liber amicorum J.M. Reijntjes, p. 285 — 300).
6.
Aanvaard is voorts dat mededelingen van een raadsman in een pleitnota geen wettig bewijsmiddel behelzen. Zie HR 31 oktober 2006 LJN AX9180. Ook mededelingen van een raadsman ter zitting kunnen ex art. 339 lid 1 Sv niet als wettig bewijsmiddel worden aangemerkt. (Zie HR 22 november 2016 NJ 2017/197 m.nt. Rozemond).
7.
In eerste aanleg heeft verzoeker in het voorbereidend onderzoek te kennen gegeven dat hij een verklaring wenst af te leggen. Dit was dan ook de reden voor de rechtbank de zaak terug te wijzen naar de rechter-commissaris om het getuigenverhoor van verzoeker — ondanks mogelijke technische problemen — te laten plaatsvinden. De rechtbank overwoog in dit verband dat het gelet op de e-mail van van 19 oktober 2018 niet langer onaannemelijk is dat verzoeker binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. De rechtbank liet hierbij in het midden hoe dat verhoor zou moeten plaatsvinden en of sprake zou zijn van een video-conferentie dan wel een klassiek verhoor.
8.
Deze lijn dient doorgetrokken te worden tot mededelingen van de raadsman in zijn algemeenheid en gebezigd in de strafmotivering. Het is immers strijdig met het recht op verdediging ex art. 6 lid 3 sub c EVRM en 1e lid sub d IVBPR om de inhoud van de verdediging ten bezware van de verdedigde verdachte te doen uitstrekken. Naast het nemo tenetur beginsel ex art. 14 lid 3 sub g IVBPR is dan ook het recht op verdediging ex art 14 lid 3 sub d IVBPR en art. 6 EVRM geschonden.
De ontoelaatbaarheid in casu een mededeling van de raadsman in het nadeel van verzoeker uit te leggen is verder des te kwalijker nu de geponeerde mededelingen in antwoord op een vraag van het hof zijn gegeven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr G. Spong en mr C.G. Peerik, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam, aan de Keizersgracht 278, die bij dezen verklaart tot ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Amsterdam, 6 maart 2025
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 06‑03‑2025
HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469, NJ 2023/65, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 3.4.3 en HvJ EU 23 november 2021, nr. C-564/19, ECLI:EU:C:2021:949, r.o. 128.
HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469, NJ 2023/65, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 3.5.3 en HvJ EU 13 januari 2022, nr. C-569/20, ECLI:EU:C:2022:401, r.o. 43.
Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, pag. 140, 8e dr.
Brief d.d. 5 mei 2017 Ministerie van Buitenlandse Zaken New Delhi (nr. T-413/113/2016).
Zie bijlage 1.
Zie bijlage 2.
Zie bijlage 3.
Vgl. Kamerstukken II 2012/13, 33 572 nr. 3, pag. 6, 7, 16 en nr. 6 p. 16 en 19.
Zie bijlage 1
vgl. arrest van het Internationaal Gerechtshof d.d. 27 juni 1986, Military and Paramilitary activities in and against Nicaragua, Nicaragua v. United States of America, ICJ Reports 1986, p. 14, par. 251 en par. 212).
Arrest van het Internationaal Gerechtshof van 20 februari 1969. North Sea Continental Shelf, Federal Republic of Germany v. Denmark; Federal Republic of Germany v. Netherlands, ICJ Reports 1969, p. 3 par. 19). Vandaar ook het inherente recht van individuele of collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende aanval tegen de staatssoevereiniteit (artikel 51 VN Handvest; beklemtoond door het Internationaal Gerechtshof in het arrest van 27 juni 986. Military and Paramilitary activities in and against Nicaragua, Nicaragua v. United States of America, ICJ Reports 1986, par. 14, par. 176.
Zie: staatsgebied, het arrest van het Internationaal Gerechtshof van 27 juni 1986, Military and Paramilitary Activities in and against Nicaragua, Nicaragua v. United States of America, ICJ Reports 1986, p. 14, par 212, en inzake het recht van kuststaten exclusieve visserijrechten te doen gelden, het arrest van het Internationaal Gerechtshof van 25 juli 1974, Fisheries Jurisdiction, United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland v. Iceland, ICJ Reports 1974, p. 3 par. 52. Met betrekking tot het continentaal plat en de exclusieve economische zone, zie het arrest van 3 juni 1985, Continental Shelf, Libyan Arab Jamahiriya v. Malta, ICJ Reports 1985, p. 13, par. 33 juncto par. 27 en 77.
Vgl. HR 18 september 2001 NJ 2002, 559 m.nt. Reijntjes en Schrijver. Deze annotatoren merken ondermeer op: ‘Aarzelend tekent zich de opvatting af, dat ernstige ‘internationale’ misdrijven door buitenlanders in den vreemde begaan, ook al zijn zij binnen de nationale rechtsorde van een derde staat strafbaar, daar niet altijd mogen worden vervolgd.’
Vgl. Y.G.M. Baayens-Van Geloven, Aantekeningen bij recente uitbreidingen van rechtsmacht in het Wetboek van Strafrecht in: Glijdende schalen, liber amicorum J. de Hullu pgs. 12 en 13.
Zie: A.H.J. Swart, Internationalisering van de strafrechtspleging, in: C.Kelk e.a., Grenzen en mogelijkheden, Opstellen over en rondom de strafrechtspleging, Nijmegen, Ars Aequi Libri, 1984, p. 112–129.
Over de politiek neutraliteit van Interpol zie: R.S.J. Martha c.s. The Legal Foundations of Interpol, 2e editie, 2022, pg. 215–228.
1.Het verbod van contra-interpretatie in art. 5 IVBPR luidt:‘- 1. Nothing in the present Covenant may be interpreted as implying for any State, group or person any right to engage in any activity or perform any act aimed at the destruction of any of the rights and freedoms recognized herein or at their limitation to a greater extent than is provided for in the present Covenant.- 2. There shall be no restriction upon or derogation from any of the fundamental human rights recognized or existing in any State Party to the present Covenant pursuant to law, conventions regulations or custom on the pretext that the present Covenant does not recognize such rights or that it recognizes them to a lesser extend’.En art. 17 EVRM luidt:‘Nothing in this Convention may be interpreted as implying for any State, group or person any right to engage in any activity or performs any act aimed at the destruction of any of the rights and freedom set forth herein or at their limitation to a greater extend than is provided for in the Convention’.
Vgl. M.R. Wijnholt, Strafrecht in Suriname, p. 42, 60 e.v.
Vgl. Barcelona Traction, Light and Power Company, Limited, Judgment, J.C.J. Reports 1970, p. 3, p. 105 par. 70 G.G. Fitzmaurice.
Zie Bundesverfassungsgericht Beschluß, 22 maart 1983, Entscheidungen des Bundesverfahrungsgericht 63, 343, 769 en Bundesverfassungsgericht, Beschluss 12 december 2000, Junstenzeitung 2001, 975, 979.
Vgl. HR 30 september 1997 NJ 1998, 117, HR 27 oktober 1998 NJ 1999, 201. Zie ook: HR NJ 2020/89 r.o. 2.4, HR NJ 1998/799 r.o. 12.2, HR NJ 1998/117 r.o. 5.5.
Vgl. Kamerstukken II 2012/13, 33572, 3, p.22.
Arrest gerechtshof d.d. 13 mei 2024, pagina 2 ‘Na ontrafeling van de verweren zal het hof deze bespreken in de daarvoor bestemde rubrieken.’
Pleitnotitie hoger beroep paragraf 5 e.v.
En ontslag van alle rechtsvervolging.
Pleitnotitie hoger beroep paragraaf 4.
Pleitnotitie hoger beroep paragraaf 4.
Pleitnotitie hoger beroep paragraaf 2 e.v.
Pleitnotitie hoger beroep paragraaf 4.
Pleitnotitie hoger beroep paragraaf 4.
Pleitnotitie hoger beroep paragraaf 37
Pleitnotitie hoger beroep paragraaf 38.
Pleitnotitie hoger beroep paragraaf 16.
Pleitnotitie hoger beroep paragraf 55, 66
Pleitnotitie hoger beroep paragraf 4, 5, 98.
Hoge Raad d.d. 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2928)
Hoge Raad d.d. 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2928)
Uitleg van de Grondwet, onder redactie van E.H.M. Hirsch Ballin , E.J. Janse de Jonge en G. Leenknegt, Boom Juridisch, Den Haag 2021.
Uitleg van de Grondwet, onder redactie van E.H.M. Hirsch Ballin , E.J. Janse de Jonge en G. Leenknegt, Boom Juridisch, Den Haag 2021, p. 939 en 940.
Samantha Besson, ‘Sovereignty’ in Oxford Public International Law, paragraaf 83 ‘The increasing division of sovereignty has been made possible by the shift in the subject of sovereignty post-1945: peoples have become the subjects of modern international sovereignty.’ Zie ook paragr aaf 143, ‘According to modern sovereignty, the sovereign subjects behind international law are peoples within States, and no longer States only. And those peoples organize and constrain their sovereignty through both the international and domestic legal orders.’ ‘e n tot slot paragraaf 125, ‘States are no longer the only subjects of international law, however, and other subjects, such as IOs and individuals, are increasingly vested with direct duties under international law, duties that cannot be explained through the prism of State sovereignty but may be through the modern conception of popular sovereignty.’
Idem, paragraaf 98 ‘This approach is misleading in modern international law, however. To start with consent does not provide a sound justification for the authority of law tout court and even less for that of international law due to inequalities between States. Moreover, many international law norms can no longer be drawn back to State consent in their law-making process anyway. Finally, they can actually bind other international subjects than States consenting to them and a consent-based justification would leave a large part of international law unaccounted for.’
Luke glanville, ‘sovereignty and the responsibility to protect, A New History’, Copyright 2014 by The University of Chicago ‘Such a reading of history offers a correction to the conventional narrative of sovereignty in the field of international relations. In doing so, it serves to reframe present-day ethical debate about the rights and responsibilities of sovereign states, which too often proceeds from a flawed understanding of the past. And it also clarifies the real significance of recent developments in international consensus on the notion that sovereigns have a ‘responsibility to protect’ their populations.’
Luke glanville, ‘sovereignty and the responsibility to protect, A New History, pagina 171 e.v.
Luke Glanville, p. 8, ‘The supposed ‘traditional’ rights of sovereign peoples to self-government and freedom from external interference were only for the first time firmly and unambiguously established in international law in the UN Charter in 1945 and were subsequently universalized over the next two decades through the process of decolonization.As I explain in chapter 5, from the moment they were established in the UN Charter, these sovereign rights were held in some tension with an emergent international human-rights regime. However, through the course of the Cold War, the notion of international enforcement of responsibilities for the defense and promotion of human rights for the most part made little headway against a firmly noninterventionist conception of sovereignty. Nevertheless, the individual-rights dimension of popular sovereignty would not be forever held at bay. The sovereignty of ‘the people’ was justified on individual-rights grounds by eighteenth-century revolutionaries and twentieth-century anticolonialists alike.The development of the idea that sovereignty entails a ‘responsibility to protect’ in the years since the end of the Cold War represents an attempt to enforce the protection of these individual rights; it is an attempt to resolve the inherent contradictions in the idea of sovereignty. This most recent conceptualization of sovereign responsibilities, whose development I examine in chapter 6, suggests that, while peoples have a right to govern themselves free from outside interference, this should be conditional on their protection of human rights.
M.R. Wijnholt, strafrecht in Suriname, Deventer Kluwer 1965, p. 77 en 78.
Benedetto Conforti, The Law and Practice of the United Nations, Kluwer Law International, , Den Haag, 1996, p. 14.
Benedetto Conforti, The Law and Practice of the United Nations, Kluwer Law International, Den Haag, 1996, p. 15.
Benedetto Conforti, The Law and Practice of the United Nations, Kluwer Law International, Den Haag, 1996, p. 16 e.v.
Idem.
M. Bossuyt en J. Wouters, Grondlijnen van internationaal recht, Insersentia, Antwerpen-Oxford, 2005, p. 78 — 79.
‘We the peoples of the United Nations determinedto save succeeding generations from the scourge of war, which twice in our lifetime has brought untold sorrow to mankind, andto reaffirm faith in fundamental human rights, in the dignity and worth of the human person, in the equal rights of men and women and of nations large and small’
Zie paragraaf 29 en verder.
Idem.
Nr. 8 Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 4 juni 2012.
Pas onder bepaalde voorwaarden als genoemd in deze brief kan dit wel. Die voorwaarden komen er simpel gezeg op neer dat deze bedrijven activiteiten op Amerikaans grondgebied moeten ontplooien. Ofwel op hun territorium. De minister gaf verder nog het volgende interessante antwoord: ‘Als Amerikaanse autoriteiten direct of indirect persoonsgegevens die zich onder Morpho bevinden, opvragen staat het niet vast dat de Amerikaanse rechter aan wie toestemming gevraagd moet worden om een dergelijke opdracht te geven, een daartoe strekkend verzoek zal honoreren. Dit verzoek zal door de Amerikaanse rechter getoetst worden aan beginselen van wederkerigheid en soevereiniteit, mede met inachtneming van Europese en Nederlandse regelgeving gericht op bescherming van persoonsgegevens.’ Deze waarborgen laten zien dat eenzijdige uitbreiding van rechtsmacht niet lichtzinnig wordt geaccepteerd door soevereine staten.
Bericht op de website van CNN d.d. 28 maart 2018 ‘These are all the countries that are expelling Russian diplomats’ https://edition.cnn.com/2018/03/26/europe/full-list-of-russian-diplomats-expelled-over-s-intl/index.html, zie in het bijzonder de reactive van Polen ‘land's Ministry of Foreign Affairs said it would expel four diplomats and said the attack showed how ‘a similar immediate threat to the territory and citizens of EU and NATO member states can happen anywhere.’
Luke Glanville, p. 171 ‘In 2011, the Security Council appealed to the concept and for the first time authorized the use of force against a functioning sovereign state, Libya, without its consent, for the purpose of protecting civilians from the threat of mass atrocities. These developments reflect a dramatic departure from the Cold War understanding of sovereignty. Indeed, they are in certain senses unprecedented in the long history of sovereignty. Never before had the principle of international enforcement of sovereign responsibilities been so clearly endorsed by international society as it was in the 2005 summit agreement. And never before had the society of states agreed to authorize military intervention to protect the population of a functioning and nonconsenting member of the family of nations as it did with respect to Libya in’
Luke Glanville, p. 138 e.v., ‘This document was notably different from that proposed at Dumbarton Oaks. Both human rights and the principles of self-government and noninterference were more firmly established as central to the purposes and principles of the new international organization. The causal explanation for the increased provisions for human rights particularly remains a matter of some debate. It seems reasonable to say that it was the demands and desires of quite a large number of actors that led to the strengthening of the provisions for the rights of individuals in the charter.’
Uiteindelijk beschrijft hij een zeer complexe en genuanceerde geschiedenis van het begrip soevereiniteit. Hij noemt meerdere voorbeelden waaruit zou volgen dat soevereiniteit ook voor de oprichting van de VN gepaard ging met bescherming van mensenrechten, althans individuele belangen. Zie onder meer Glanville pagina 170, 186, 192, 193 en p. 205.
Luke Glanville, p. 199 in het hoofdstuk Colonialism: ‘In the nineteenth century, the distinction between civilized and uncivilized peoples provided the grounds for Europeans to determine which peoples were able to carry out the responsibilities of sovereign self-government and which could be legitimately subject to colonization. This idea that the enjoyment of sovereignty should be conditional upon peoples having developed a capacity to govern themselves responsibly was central to justifications for colonialism until as late as the 1940s and 1950s. However, while the distinction between civilized and uncivilized peoples may have been understood to justify colonialism, it was not perceived to justify domination and exploitation. Those uncivilized peoples that did not have the capacity to govern themselves, it was argued, ought to be governed for their benefit. Colonialism had been portrayed as a civilizing mission since the Spanish encounter with the Americas in the fifteenth and sixteenth centuries. Juan Ginés de Sepúlveda, a firm defender of Spanish imperialism, had argued for ‘a right to conquer in order to civilize.’
‘The States Parties to the present Covenant,Considering that, in accordance with the principles proclaimed in the Charter of the United Nations, recognition of the inherent dignity and of the equal and inalienable rights of all members of the human family is the foundation of freedom, justice and peace in the world, Recognizing that these rights derive from the inherent dignity of the human person,Recognizing that, in accordance with the Universal Declaration of Human Rights, the ideal of free human beings enjoying civil and political freedom and freedom from fear and want can only be achieved if conditions are created whereby everyone may enjoy his civil and political rights, as well as his economic, social and cultural rights,Considering the obligation of States under the Charter of the United Nations to promote universal respect for, and observance of, human rights and freedoms,Realizing that the individual, having duties to other individuals and to the community to which he belongs, is under a responsibility to strive for the promotion and observance of the rights recognized in the present Covenant,Agree upon the following articles:’
Luke Glanville, p. 152.
vgl. [dichter], Discourse on Colonialism, pp 41, 41 e.v. Zie ook Gloria Wekker, Witte onschuld, paradoxen van kolonialisme en ras. Zij spreekt over ‘paradoxale eigenschappen van de dominante Nederlandse zelf-representatie’ pg. 11 t/m 13.
o.c. pg. 44
(Zie R. Cryen, International Criminal Law vs. State Sovereignity, Another Round?, The European Journal of International Law (EJIL) 2005 vol. 16 no.5 pg. 979–1000) zie pagina 987.
ICI 14 februari 2002 inzake Democratie Republic of Congo v. Belgium
V.H. Glerum, ‘De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning’ WLP 2013, Nijmegen, promotor: prof. mr. dr. M.J. Borgers, copromotor: mr. dr. N. Rozemond.
Idem, zie pagina 326.
Vgl. C. Bronkhorst, Overmacht in het strafrecht, poort tot concrete gerechtigheid, HR 1985, p. 663–667.
Zie Rb. Utrecht NJ 1996, 45
Vgl. J. de Hullu, Materieelstrafrecht p. 305, 8e dr en G.J. Knoops, Psychische overmacht en rechtsvinding.
EHRM, Neulinger en Shuruk v. Zwitserland, d.d. 6 juli 2010 (41615/07), paragraaf 138 — 139.
Arrest gerechtshof Amsterdam, d.d. 13 mei 2024, pagina 40, bewijsmiddel 30, en bijbehorende bijlage, ‘Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016211226 met documentcode 7652496, met bijlage, van 24 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-749, ZD 14 doorgenummerde pag. 115–116 (inclusief bijlagen).‘
Vgl. Rb. Amsterdam 17 januari 2024 Ecli:NL:RBAMS:2024:211 en Gerechtshof Amsterdam 29 maart 2022 Ecli:NL:GHAMS, 2022:953. (andere samenstelling dan het hof in de onderhavige zaak).
Vgl. G.E. Langemeijer, Strafrecht of onrecht, p. 5 en 69.
Zie EHRM 25 februari 1993 NJ 1993, 485 m.nt. Knigge (Funke) en EHRM 17 decemer 1996 NJ 1997, 659 m.nt. Knigge (Saunders)