Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.4.2
9.4.2 Beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid op het moment van de fusie of de splitsing
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250337:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hiervoor is vereist dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken (sub a). Daarnaast moet een mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen twee maanden ter inzage hebben gelegen bij het handelsregister (sub b). Voorts dienen er twee maanden te zijn verlopen na de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar deze mededeling ter inzage ligt (sub c). Tot slot mag tegen het voornemen tot beëindiging geen verzet zijn ingesteld door de crediteur, dan wel moet diens verzet zijn ingetrokken of door de rechter ongegrond zijn verklaard (sub d).
Zie § 8.13.
Zie art. 2:404 lid 3 sub b en c BW.
Zie art. 2:404 lid 5 BW, § 8.6.3 en Kamerstukken II 1983/84, 16551, 11, p. 17 (NnavhEV). Zie ook Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326, m.nt. Loesberg (Pergen/Eneco), r.o. 4.6.
Zie § 8.13.
Zie art. 2:318 BW, respectievelijk art. 2:334n BW.
Verbrugh 2006, p. 53-54.
Als vaststaat dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij zal worden verbroken door een aanstaande fusie of splitsing van een van beide, zullen partijen doorgaans willen dat de aansprakelijkheid op grond van de 403-verklaring voor de fusie of de splitsing wordt beëindigd. De moedermaatschappij – of haar rechtsopvolger – heeft na het verbreken van de groepsband geen doorslaggevende invloed meer ten aanzien van de 403-maatschappij – of haar rechtsopvolger –, maar zij is wel aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij (heeft) verricht.
In hoofdstuk 8 heb ik geconcludeerd dat er geen vaste volgorde is waarin aan de voorwaarden voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid ex art. 2:404 lid 3 sub a tot en met d BW1 moet worden voldaan.2 Dit betekent dat als de moedermaatschappij de overblijvende aansprakelijkheid wil beëindigen zij niet als eerste aan de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW hoeft te voldoen dat de groepsband met de 403-maatschappij is verbroken, voordat aan de andere voorwaarden uit lid 3 kan worden voldaan. De moedermaatschappij kan voor het verbreken van de groepsband al beginnen met de procedure om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Zij kan al een mededeling deponeren van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen en een aankondiging plaatsen in een landelijk verspreid dagblad dat en waar deze mededeling ter inzage ligt.3 De dag nadat de moedermaatschappij deze aankondiging heeft geplaatst in een landelijk verspreid dagblad begint de tweemaandstermijn te lopen waarbinnen de crediteuren verzet kunnen instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.4 Ik heb eerder opgemerkt dat ik art. 2:404 lid 3 BW zo uitleg dat uiterlijk op het moment dat deze tweemaandstermijn verloopt aan alle voorwaarden voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid moet zijn voldaan, behoudens de afwikkeling van een eventueel ingesteld verzet.5 Uiterlijk op dat moment moet dus ook de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij zijn verbroken.
Het is mogelijk om de fusie of de splitsing van de moeder- of de 403-maatschappij – waarbij de groepsband tussen hen wordt verbroken – te laten samenvallen met het moment dat de verzetstermijn ex art. 2:404 lid 5 BW voor de crediteuren verstrijkt. De moedermaatschappij moet dan twee maanden voor de dag waarop de fusie of splitsing van kracht wordt6 een aankondiging plaatsen in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de door haar gedeponeerde mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen ter inzage ligt. Als vervolgens door de fusie of de splitsing de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij verbreekt, is op dat moment aan alle voorwaarden van art. 2:404 lid 3 BW voldaan en is de overblijvende aansprakelijkheid beëindigd, behoudens de afwikkeling van een eventueel ingesteld verzet ex art. 2:404 lid 5 BW.7