Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/12.2:12.2 Rubricering van gewetensbezwaar of gewetensdrang als psychische overmacht
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/12.2
12.2 Rubricering van gewetensbezwaar of gewetensdrang als psychische overmacht
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452791:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Smidt 1881, p. 339 en 375-376.
HR 26 juni 1916, NJ 1916, 703 (Zijpse dominee).
HR 20 juni 1950, NJ 1951, 348, m.nt. W.J. Pompe (Alphense boer).
Keulen 2006, p. 22.
Ten Voorde 2015. Zie ook HR 4 december 1979, NJ 1980, 157.
Remmelink 1995, p. 306.
Remmelink & Van Eck 1960.
Remmelink 1995, p. 306, 307.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Memorie van Toelichting van artikel 40 Sr typeert overmacht als ‘elke kracht, elke drang, elke dwang waaraan men geen weerstand kan bieden’. Deze kracht, drang of dwang dient volgens de wetgever te worden veroorzaakt door uitwendige omstandigheden. Dit in tegenstelling tot een kracht, drang of dwang die van ‘binnenuit’, uit het innerlijk komt zoals in het geval van ontoerekeningsvatbaarheid (opgenomen in artikel 39 Sr). Daar gaat het om een abnormale toestand der geestesvermogens of een ziekelijke stoornis.1 De eerste zaak waarin de Hoge Raad zich uitsprak over de vraag of gewetensbezwaar of -drang kan gelden als psychische overmacht is het Zijpse dominee-arrest uit 1915. Deze dominee riep tijdens de mobilisatie vanwege de dreiging van de Eerste Wereldoorlog, in een pamflet iedereen op tot dienstweigering. Hij beriep zich op overmacht: hij moest zijn morele opvattingen navolgen. De Hoge Raad oordeelde dat de gewetensdrang die slechts uit morele opvattingen voortspruit geen overmacht in de zin van artikel 40 Sr oplevert. De Hoge Raad overwoog: ‘(…) dat overmacht niet is een slechts uit eigen opvatting omtrent de zedelijke en maatschappelijke waarde van wettelijke instellingen en voorschriften voortspruitende drang’.2 Volgens de Hoge Raad moet er bij overmacht sprake zijn van ‘bijzondere uitwendige omstandigheden’. Innerlijke overtuigingen voldoen daaraan niet.
In het arrest van 20 juni 1950 nuanceert de Hoge Raad zijn eerdere uitspraak.3 Het ging in deze zaak om een Alphense veehouder die zich vanwege zijn geloofsovertuiging onttrok aan zijn wettelijk verplichte lidmaatschap van de provinciale gezondheidsdienst voor dieren. De rechtbank was aan deze gewetensbezwaren voorbij gegaan. De Hoge Raad overwoog dat een beroep op gewetensbezwaren een verweer is in de zin van artikel 358 lid 3 Sv. Op het beroep op gewetensbezwaren moest uit hoofde van artikel 358 lid 3 Sv in het vonnis ingegaan worden, met andere woorden: de rechtbank had het verweer van de Alphense veehouder inderdaad moeten opvatten als een beroep op strafuitsluitingsgrond vanwege religieuze gewetensbezwaren.4
In zijn annotatie stelt Pompe dat de gewetensbezwaren van de veehouder niet anders dan kunnen worden begrepen als een beroep op overmacht in de zin van artikel 40 Sr en noemt hij de vraag wanneer gewetensbezwaren overmacht vormen, ‘de grote, actuele en tot den diepsten grondslag van het recht reikende vraag’. Het antwoord op deze vraag geeft de Hoge Raad in deze zaak echter niet. Enkel wordt duidelijk dat de Hoge Raad stelt dat gewetensbezwaren moeten worden opgevat als een beroep op een strafuitsluitingsgrond.5 Deze uitspraak werd in de literatuur fel bekritiseerd. Verschillende auteurs vroegen zich af hoe de Hoge Raad een gewetensbezwaar dogmatisch gerubriceerd wilde zien. Pompe en Hazewinkel lieten blijken het principieel met de Hoge Raad oneens te zijn en vonden dat voor een strafuitsluitingsgrond vanwege gewetensbezwaren geen plaats is in het recht.6 Langemeijer dacht aan psychische overmacht, Van Eck bepleitte een algemene strafuitsluitingsgrond. De Nederlandse Juristen Vereniging (NJV) wees in 1960 het idee van Van Eck om het gewetensbezwaar te rubriceren als algemene strafuitsluitingsgrond met grote stemmenmeerderheid af.7 Men was het echter erover eens dat uit dit arrest volgt dat de rechter niet meer zoals vroeger stilzwijgend aan een beroep op een gewetensbezwaar voorbij mag gaan. Hij moet in het geval dat iemand zich beroept op een gewetensbezwaar onderzoeken of dit beroep een strafuitsluitingsgrond oplevert. Later werd vervolgens in het Quaker-arrest (hierover meer in de volgende paragraaf) bepaald dat indien een bezwaar is vervat in meer psychologische termen de rechter een dergelijke beroep als psychische overmacht moet kwalificeren en onderzoeken.8