Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/2.6.1.5
2.6.1.5 Vergoeding van rechtshulpverleners
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS297648:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik doel op Pres. Rb. Den Haag 18 oktober 1990, KG 1990, 350 en Hof Den Haag 7 maart 1991, gepubliceerd in Rechtshulp 1991, p. 15.
Zie De Roos (1991), p. 1228-1229 en Hoogenboom (1991), p. 15-19.
Klijn (1993), p. 443 e.v.
Commissie herijking vergoedingen rechtsbijstand, ingesteld bij besluit van 9 mei 1995 van de Staatssecretaris van Justitie (Commissie Maan). Zie voor een samenvatting van het rapport 'Fair forfaitair' van de commissie, NJ B 1997, p. 1951-1953.
Uit de Monitor Gesubsidieerde Rechtsbijstand, Den Haag 2005 (N. Jungmann e.a.), blijkt dat de ingevoerde hogere eigen bijdrage het gebruik van bijstand, en dus de toegang tot de rechter, niet heeft belemmerd.
Uit art. 5 R(78)8 valt op te maken dat een rechtsbijstandverlener 'should be adequately remunerated for the work he does on behalf of the assisted person'. Een vergoeding voor rechtshulp aan de vraagzijde (dat wil zeggen aan minder draagkrachtige rechtzoekenden die daaraan behoefte hebben) zou moeten corresponderen met een redelijke vergoeding aan de aanbodzijde (van rechtsbijstandverleners kan niet verwacht worden dat zij het werk voor ondraagkrachtigen geheel of nagenoeg voor niets doen).
De redelijke vergoeding van rechtsbijstand is bij de totstandkoming van de WRB een heikel punt geweest. Onder de WROM is een eis van de advocatuur tot verhoging van de toevoegingsvergoedingen met 25% de inzet geweest in een kortgedingprocedure in eerste aanleg en in appel die destijds veel stof heeft doen opwaaien.1 Vooral het obiter dictum in de uitspraak van het hof is onderwerp geweest van heftige kritiek.2 De gewraakte overweging ten overvloede van het hof werd voorafgegaan door diens oordeel dat de mededeling van de minister, dat de toegezegde verhoging van 25 % eerst zou kunnen ingaan met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet op de rechtsbijstand (waarin ook een controle-mechanisme zou zijn ingebouwd om toe te zien op de uitgaven voor de gefinancierde rechtshulp), niet onrechtmatig was. De bewuste overweging luidde als volgt:
'Het Hof veroorlooft zich, evenals de president, een overweging ten overvloede. Het betreurt, met de president, dat een door alle partijen noodzakelijk geachte verhoging zo lang op zich moet laten wachten. Het is echter tevens van oordeel dat niet onbegrijpelijk kan worden geacht dat geïntimeerde, tegelijk met die verhoging, garanties wil inbouwen opdat de kosten van de rechtshulp niet ongecontroleerd hun eigen weg gaan. De ervaring heeft namelijk - ook - het hof geleerd dat toevoegingen, ondanks wellicht aanwezige goede bedoelingen, menigmaal tot procedures leiden die men voor eigen rekening nimmer zou hebben gevoerd. Een controlesysteem zoals geïntimeerde voor ogen staat, lijkt daarom geenszins ongepast.'
Het hof meende derhalve dat reeds onder het regime van de WROM menigmaal van het toevoegingssysteem misbruik werd gemaakt in die zin dat dit systeem dikwijls aanleiding gaf tot een meer dan gerechtvaardigde toeloop op de rechter. Een verhoging van de toevoegingsgelden met 25% zou, zo kan men vrij vertalen, de toegang tot de rechter nog ongebreidelder maken; een controlesysteem zou een terechte rem daarop betekenen.
Klijn is op basis van empirische gegevens nagegaan of het toevoegingssysteem onder de WROM werkelijk aanleiding gaf tot een verhoogde (lees: te hoge) toeloop op de rechter door hen aan wie de toevoegingsgelden worden toegekend, dat wil zeggen de advocaten.3, Hij kwam tot de conclusie dat er weliswaar een 'WROM-effect' te constateren viel, doch dat dit effect slechts in enige mate optrad in voornamelijk een bepaald soort procedures gevoerd ten behoeve van een bepaalde categorie justitiabelen, namelijk bij door individuen ingestelde geldvorderingen tegen (door Klijn zo genoemde particuliere-) rechtspersonen.
In 1997 was de conclusie van de door de Staatssecretaris van Justitie ingestelde Commissie herijking vergoedingen rechtsbijstand dat het tot dan toe bestaande stelsel van vergoedingen voor rechtsbijstandverlening op onderdelen niet evenwichtig was: voor de ene zaak was de vergoeding relatief hoog, voor de andere daarentegen relatief laag. De commissie stelde voor een vereenvoudigd forfaitair stelsel in te voeren waarbinnen de vergoedingsnormen worden gecorrigeerd volgens een puntensysteem.4 Per 1 januari 2000 is het Besluit vergoedingen rechtsbijstand, dat een nadere uitwerking is van art. 37, art. 39 en art. 41 WRB, gewijzigd waarbij het door genoemde commissie voorgestane idee van een puntensysteem is overgenomen.5