Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/2.6.1.2
2.6.1.2 Weigeringsgronden
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS303687:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. ECRM 10 juli 1980, 8158/78, DR 21, p. 95; ECRM 11 mei 1983, WebbJGB, 9353181, DR 33, p. 133; ECRM 16 juli 1986, Rayner/GB, 9310181, DR 47, p. 5.
In ECRM 4 december 1985, 11564/85, DR 45, p. 291 werd rechtsbijstand van overheidswege geweigerd aan een partij die wilde scheiden na in het huwelijk te zijn getreden met een buitenlander, enkel en alleen om deze aan een verblijfsvergunning te helpen.
EHRM 26 februari 2002, Del Sol, nr. 46800/99 en EHRM 26 februari 2002, Essaadi, 49384/99. Van belang acht het Hof daarbij dat er 'substantial guarantees' zijn ingebouwd om rechtzoekenden te beschermen tegen 'arbitrariness', bijvoorbeeld door de (objectieve) samenstelling van het betreffende rechtsbijstandbureau (in Nederland inmiddels geheten: Juridisch Loket) en de mogelijkheid om tegen een afwijzing om rechtsbijstand in beroep te kunnen komen.
Zie over deze problematiek Schruer en Eelkman Rooda (1992), p. 19-23.
Door de Europese Commissie is in voorkomende gevallen geoordeeld dat van schending van het recht op (daadwerkelijke) toegang geen sprake is indien de weigering (van overheidswege) om rechtsbijstand te verlenen niet arbitrair is geweest, indien de kansen op succes in de procedure nihil waren, indien de rechter ondanks het ontbreken van rechtsbijstand in voldoende mate heeft toegezien op een eerlijk verloop van de procedure1 of ook indien een procedure geëntameerd is op grond van oneigenlijke motieven.2 Ook het Europees Hof heeft in dit verband geoordeeld dat een rechtsbijstandbureau mag selecteren in zaken, onder meer op grond van de mate van kans van slagen.3
In dit verband vraagt aandacht de bepaling in art. 12 lid 2 WRB dat rechtsbijstand voor zover hier van belang - niet wordt verleend indien:
het daartoe strekkende verzoek kennelijk van elke grond is ontbloot, of
de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak, en
het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan verzoeker zelf kan worden overgelaten.
Een nadere uitwerking van de weigeringsgronden vindt men in het Besluit Rechtsbijstand- en Toevoegcriteria (BRT).
Grond a is nader uitgewerkt in art. 3 BRT:
Rechtsbijstand wordt als zijnde van elke grond ontbloot niet verleend indien het verzoek betrekking heeft op een vordering of verweer:
voor de instelling waarvan de wettelijke termijn is verstreken of indien de aanwending van een rechtsmiddel wordt voorgesteld, de termijn waarbinnen deze kan worden aangewend is verstreken;
waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft;
dat uitsluitend wordt gevoerd om uitstel van betaling of van executie te verkrijgen;
waarover reeds eerder door meer dan één rechtsbijstandverlener een advies is gegeven;
waarvan gezien de recente rechtspraak redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze geen kans van slagen maakt.
De gronden a en b (en de uitwerkingen daarvan in het BRT) kunnen vanuit Straatsburgs oogpunt op zich de toets der kritiek doorstaan, niet alleen uit oogpunt van de zojuist vermelde ECRM- en EHRM-uitspraken, maar ook vanwege enkele bepalingen uit Resolution R(78)8 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, achter in dit boek als bijlage opgenomen. Principle 6 daaruit vermeldt met zoveel woorden dat de autoriteiten bij de vraag of rechtsbijstand verleend moet worden in ogenschouw mogen nemen of het al dan niet redelijk is een procedure te entameren of daarin verweer te voeren. En volgens art. 1 onder b Resolution R(78)8 kunnen de 'anticipated costs of the proceedings' bij de afweging of rechtsbijstand verleend wordt een rol spelen.
Meer moeite heb ik met de hierboven vermelde grond g van art. 12 WRB. Deze grond wordt uitgewerkt in art. 6-8 BRT. Afgezien van het feit dat de opsomming van verzoeken en aanvragen bij kantonrechter en overheden in art. 6 en art. 8 BRT wat arbitrair en op onderdelen onbillijk aandoet (zo ten aanzien van verzoeken om een verblijfsvergunning en ten aanzien van voor beroep vatbare beslissingen), levert art. 7 BRT in het licht van art. 6 EVRM evidente problemen op. Dit artikel bepaalt:
'Voor rechtsbijstand terzake van het treffen van een afbetalingsregeling, het aanvragen van het eigen faillissement of het kwijtschelden van een schuld wordt geen toevoeging verstrekt.'
De Raden voor de rechtsbijstand hanteren deze bepaling zeer strikt. Het afdwingen van een schuldakkoord in surseance met de wettelijk voorgeschreven hulp van een bewindvoerder wordt door de houding van de Raden onmogelijk gemaakt, nu voor de diensten van de bewindvoerder geen toevoeging wordt afgegeven en de debiteur niet diens honorarium kan voldoen. Dit betekent dat wettelijk verplichte rechtshulp in zo'n geval onmogelijk blijkt en daarmee impliciet de weg naar de rechter afgesloten wordt.4