Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.2.4
4.2.4 Accent op beslis- en motiveringsregels
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Deze term is enigszins misleidend want voor elk rechtsstelsel dat zich toelegt op waarheidsvinding geldt dat de beslisser tot op zekere hoogte vrij is in het waarderen van bewijsmateriaal en dat er in ieder geval enkele bewijsregels gelden. Vgl. Jackson & Summer 2012, p. 11 en 30.
Jackson & Summers 2012, p. 69.
Bij de rule against hearsay zal in § 4.4 in detail worden stilgestaan.
In sommige gevallen is wel hoger beroep mogelijk maar dit beperkt zich in de regel tot rechtsvragen en biedt geen tweede feitelijke instantie.
Wanneer het type regels in de beide stelsels met elkaar worden vergeleken, wordt wel gesproken in termen van ‘input- versus outputcontrole’. In het Anglo-Amerikaanse stelsel staat de toelaatbaarheid centraal en zou het gaan om een vorm van inputcontrole, waarbij een bepaald type informatie aan de feitelijke beslisser wordt onthouden. In het continentale stelsel neemt de rechter in beginsel kennis van alle beschikbare informatie, maar is zijn beslissing aan bepaalde regels gebonden en dient deze te worden gemotiveerd, hetgeen wel wordt aangeduid als een vorm van outputcontrole. Deze tegenstelling is echter niet helemaal zuiver, daar in het continentale model daadwerkelijke controle op de beslissing – door een andere autoriteit dan de feitelijke beslisser – pas wordt uitgeoefend als hoger beroep wordt ingesteld. In dit verband gaat het dan ook eerder om een outputverantwoording, dan om een daadwerkelijke outputcontrole.
Vgl. Damaška 1997, p. 12e.v., die in dit verband spreekt van intrinsic en extrinsic exclusionary rules. Zie ook Jackson & Summers 2012, p. 71.
Indien in continentale gerechten sprake is van enige vorm van lekenparticipatie, dan betreft het vaststellen van de feiten in de regel een gezamenlijke onderneming, in die zin dat de lekenrechters samen met de professionele rechter beslissen over vragen van feiten en recht. Er is geen verdeling van verantwoordelijkheden tussen het oordeel over de feiten (de schuldvraag) en het oordeel over het recht zoals dat gangbaar is in het Anglo-Amerikaanse procesmodel (Damaška 1992, p. 427).
Damaška 1992, p. 428.
Het continentale procesmodel wordt gekenmerkt door een minimum aan regels die bepalen welke waarde de feitenrechter (of jury) moet toekennen aan het bewijsmateriaal waarvan hij kennisneemt. De feitenrechter krijgt in beginsel alle relevante informatie onder ogen en de keuze om bepaalde informatie wel of niet voor de bewijsbeslissing te gebruiken, wordt aan hem overgelaten. In dit verband wordt wel gesproken van een vrije bewijsleer.1 Dat betekent niet dat de rechter aan geen enkele regel of norm gebonden is, maar de wet schrijft hem in beginsel niet voor welk gewicht aan bepaald materiaal moet worden toegekend.2 In veel continentale stelsels zijn wel nadere regels neergelegd ten aanzien van de bewijsbeslissing (denk aan de bewijsminima in Nederland) en wordt vereist dat de rechter zijn bewijsbeslissing motiveert door in zijn vonnis op te geven welke informatie hij daaraan ten grondslag heeft gelegd. De motivering van de rechter biedt de mogelijkheid aan partijen om de beslissing te controleren en een basis om deze bij een hogere instantie aan te vechten. De legitimiteit van de rechterlijke beslissing wordt ondersteund door de motivering.
Rechtsstelsel binnen de Anglo-Amerikaanse traditie kenmerken zich door presentatie van bewijsmateriaal ter terechtzitting en kennen in aansluiting daarop aanmerkelijk meer bewijsregels in de vorm van toelaatbaarheidsregels, de zogenaamde admissibility (of exclusionary) rules. Informatie die onder deze regels valt, wordt niet in het proces ingebracht of met behulp van een preliminaire beslissing door de rechter uitgesloten. Indien in de rechtszaal door de rechter een beslissing over de al dan niet toelaatbaarheid van informatie tot het bewijs moet worden gegeven, dan wordt de jury gevraagd zich af te zonderen. De jury neemt dus in beginsel geen kennis van deze informatie. De legitimiteit van de beslissing wordt ondersteund door het proces van presentatie. Gronden waarop uitsluiting van bewijsmateriaal kan plaatsvinden, kunnen zijn gelegen in de relevantie, rechtmatigheid of geloofwaardigheid van het vergaarde bewijsmateriaal. Een voorbeeld van een admissibility rule gegrond op de potentiële ongeloofwaardigheid van het verkregen materiaal is de rule against hearsay, op grond waarvan verklaringen van horen zeggen zijn uitgesloten voor het bewijs.3 Indien bepaald bewijsmateriaal eenmaal als toelaatbaar is aangemerkt, is de jury vrij in het gewicht dat daaraan moet worden toegekend. Er wordt echter niet van de jury verlangd dat zij haar beslissing motiveert. Controle daarop is ook niet aan de orde, nu in beginsel in één feitelijke instantie recht wordt gedaan.4 De Anglo-Amerikaanse toelaatbaarheidsregels zijn een product zijn van het jurysysteem en het diepgewortelde wantrouwen jegens de lekenjury die de bewijskracht van een bepaald type informatie zou kunnen overschatten.
Daar waar in het Anglo-Amerikaanse model de nadruk dus ligt op toelaatbaarheidsregels, ligt die in het continentale model op beslis- en motiveringsregels.5 Dat wil niet zeggen dat er in continentale stelsels geen materiaal voor het bewijs wordt uitgesloten. Zo kennen veel continentale jurisdicties regels voor het uitsluiten van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. Deze uitsluitingsregels zijn echter vooral gegrond in niet-epistemologische waarden. Uitsluitingsregels die primair in het leven zijn geroepen om de accuratesse van het beslisproces te vergroten komt men op het Europese continent daarentegen niet of nauwelijks tegen.6 In de literatuur is ook wel naar voren gebracht dat een stelsel van uitsluitingsregels op het continent ook minder voor de hand zou liggen vanwege het zogenaamde ‘eenheidskarakter’ van gerechten. In continentale stelsels wordt immers door dezelfde persoon of personen geoordeeld over de feiten en de toepassing van het recht.7 Damaška heeft opgemerkt dat bewijsuitsluitingsregels in de continentale context een zekere mate van ‘psychologische onwerkelijkheid’ krijgen, wanneer de rechter bij zijn beslissing geen rekening mag houden met informatie die hij wel onder ogen heeft gehad en die mogelijk zeer overtuigend is. Het is maar zeer de vraag of de rechter in staat is zich voor dit type informatie af te sluiten als hij daar eenmaal kennis van heeft genomen. Dit probleem manifesteert zich niet alleen bij als onrechtmatig aangemerkt bewijsmateriaal, maar ook bij andersoortige informatie die is neergelegd in het dossier waarmee de rechter bij de bewijsbeslissing geen rekening mag houden, zoals de justitiële documentatie van de verdachte. Damaška voegt daaraan toe dat indien in de continentale jurisdicties voor dit type bewijsuitsluitingsregels wordt gekozen, beslissers in feite worden gedwongen om te redeneren op een manier die afwijkt van het normale cognitieve model.8