Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/3.11.1
3.11.1 Personenvennootschappen en (gebrek aan) rechtspersoonlijkheid
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS306111:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In een dergelijk geval zou men de hoedanigheid van beherend vennoot gelijk moeten stellen aan de hoedanigheid van bestuurder.
Vgl. MvA 16 631, p. 9; Asser-Maeijer 2 III (1994), nr. 337; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 476; Bundel NV en BV, p. IXs-28 (MvA II); De Groot 2011, p. 145; Akkermans 1987, p. 32; Honée 1986, p.104 en Tuit 1982, p. 112.
Zie art. 7A:1655 BW: “Maatschap is eene overeenkomst, […]”. De vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschappen zijn bijzondere verschijningsvormen van de maatschap (vgl. artt. 16 en 19 WvK).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2717, r.o. 8.2.
Inmiddels ontstond namelijk een particulier initiatief om te komen tot een nieuwe wettelijke regeling voor de personenvennootschappen, de “Werkgroep personenvennootschappen” onder leiding van prof. mr. M. van Olffen. Op 15 juni 2016 presenteerde deze commissie een rapport “Naar een nieuwe regeling voor de personenvennootschap”. Mathey-Bal 2016, par. 5 merkt op dat de voorgestelde regeling aan rechtspersoonlijkheid geen gevolgen voor het aansprakelijkheidsregime verbindt. Uit een brief d.d. 9 december 2016 (kenmerk: 2024822) (m.n. p. 29 e.v.) blijkt dat Minister Van der Steur voornemens is te werken aan een voorontwerp van een nieuwe wettelijke regeling voor personenvennootschappen.
Wetsvoorstel tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken II, 2002/03, 28 746, nrs. 1-2).
Memorie van Toelichting, vergaderjaar 2006-2007, 31 065, nr. 3, p. 2.
Zie bijv. art. 36 lid 1 Invorderingswet 1990 en Wezeman 1998, p. 145 e.v.
Het tussenschuiven van een lichaam helpt de bestuurders derhalve niet om zich aan bestuurdersaansprakelijkheid te onttrekken. Vgl. Kamerstukken II 1980-1981, 16 530, nrs. 3-4, p. 16; Wezeman 1998, p. 361-385 en Raaijmakers 2005, p. 33.
Gelet op de wettekst heeft art. 2:11 BW betrekking op de rechtspersoon die bestuurder is van een andere rechtspersoon. Art. 2:11 BW is derhalve niet van toepassing indien sprake is van een rechtspersoon die vennoot1 is van een maatschap, beherend vennoot is van een commanditaire vennootschap, dan wel vennoot is van een vennootschap onder firma.2 Maatschappen, commanditaire vennootschappen en vennootschappen onder firma zijn naar geldend recht namelijk geen rechtspersonen, maar overeenkomsten.3 Dat is althans de heersende leer. Ook bij de rederij (die overigens geen personenvennootschap is) komt art. 2:11 BW niet in beeld. De rederij is namelijk geen rechtspersoon (art. 8:160 lid 2 BW).
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overweegt in een arrest van 1 april 2014 het volgende: “[…] heeft de rechtbank ten onrechte art. 2:11 BW van toepassing geacht. Nu […] een C.V. is, een vennootschap die geen rechtspersoonlijkheid bezit, valt zij niet onder het bereik van genoemde bepaling. […] is geen bestuurder, maar beherend vennoot van de C.V. en er vindt daarom geen doorbraak plaats naar […], de natuurlijke persoon die bestuurder van […] is.”4
Het “wetsvoorstel personenvennootschappen” is inmiddels ingetrokken. Gelet op het feit dat inmiddels weer nieuwe initiatieven zijn ontstaan om tot een wettelijke regeling te komen voor personenvennootschappen sta ik daar toch even bij stil.5 In het “wetsvoorstel personenvennootschappen” worden de Openbare Vennootschap met Rechtspersoonlijkheid (OVR) en de Commanditaire Vennootschap met Rechtspersoonlijkheid (CVR) geïntroduceerd.6 Het feit dat de openbare vennootschappen rechtspersoonlijkheid kunnen bezitten, riep onder meer de vraag op of in wettelijke bepalingen waarin sprake is van “rechtspersonen” mede gedoeld wordt op deze rechtspersoonlijkheid bezittende personenvennootschappen. Teneinde de praktijk een handreiking te bieden, is gekozen voor een algemene uitlegbepaling (zie het voorgestelde art. 7:804 BW). Lid 2 van dat artikel bepaalt dat – voor zover niet anders blijkt – met het begrip “rechtspersoon” niet mede gedoeld wordt op openbare vennootschappen met rechtspersoonlijkheid. Volgens de MvT strookt dit met het specifieke karakter van de rechtspersoonlijkheid van deze vennootschappen: behalve dat daardoor de OVR en de CVR als rechtssubjecten worden erkend, is zij er vooral om de goederenrechtelijke aspecten van de samenwerking te vereenvoudigen.7 Gelet op het vorenstaande zou art. 2:11 BW geen betrekking hebben op de OVR en de CVR.
Anders dan art. 2:11 BW, is de Tweede Misbruikwet wel (direct) van toepassing op personenvennootschappen. De Tweede Misbruikwet geldt voor premie- en belastingschulden van “lichamen” in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).8 Onder “lichamen” worden in de AWR niet alleen rechtspersonen, maar ook personenvennootschappen begrepen. Art. 2 lid 1 sub b. AWR bepaalt namelijk dat “lichamen” zijn: verenigingen en andere rechtspersonen, maat- en vennootschappen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens. Art. 36 Invorderingswet 1990 beperkt de in dat artikel vermelde regelingen tot een lichaam in de zin van de AWR dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen. Om nog even bij het formeel belastingrecht te blijven, wijs ik tevens op art. 33 lid 1 Invorderingswet 1990. Dat artikel bepaalt – in zoverre in afwijking van andere wettelijke regelingen – dat ieder van de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk is voor de rijksbelastingen, verschuldigd door een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is. Voor de toepassing van het betreffende artikel wordt als bestuurder aangemerkt de volledig aansprakelijke vennoot van een maat- of vennootschap. Art. 33 lid 1 Invorderingswet 1990 bepaalt tevens dat voor de toepassing van dat artikel – ingeval een bestuurder van een lichaam zelf een lichaam is – onder bestuurder mede wordt verstaan ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.9 Indien een rechtspersoon optreedt als vennoot van een personenvennootschap kan – afhankelijk van de toepasselijke regeling – de Tweede Misbruikwet derhalve van toepassing zijn op die rechtspersoon. De bestuurders van die rechtspersoon zijn eveneens aansprakelijk. In dit opzicht is sprake van een ruimere (personele) reikwijdte dan die van art. 2:11 BW.