Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.5.5
5.5.5 Begrenzingen toelaatbaar?
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577562:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 1 juni 1999, zaak C-126/97 (Eco Swiss/Benetton), Jur. 1999, p. 1-3055, NJ 2000, 339 m.nt. HJS onder HR 25 februari 2000, NJ 2000, 340. Verder besproken door Meijer 1999, p. 61-65; De Ly, TvA 1999, p. 100-108; Mok 1999, p. 337-339; Shelkoplyas, SEW 2000, p. 344349; Jongbloed 2000, p. 92-96; Hoogervorst 2001, p. 93-98. Zie ook Snijders 2007c, Introductie, aant. 8.
Zie bijvoorbeeld Mok 2003, p. 310.
H.J. Snijders in zijn noot onder HR 25 februari 2000, NJ 2000, 340(Eco Swiss/Benetton), sub 2c.
Mok 2003, p. 311.
Zie A-G Keus in zijn conclusie bij HR 3 december 2004, NJ 2005, 118 m.nt. MRM (Vreugdenhil/BVH), sub 2.8.
HvJ EG 14 december 1995, gevoegde zaken C-430/93 en C-431/93 (Van Schijndel en Van Veen), Jur. 1995, p. 1-4705, NJ 1997, 116, m.nt. P.J. Slot en HJS onder HR 22 december 1995, NJ 1997, 118(Vierkant Beheer/KVBBB). Zie ook SEW 1996, p. 267, m.nt. L.A.D. Keus.
A-G Keus in zijn conclusie bij HR 3 december 2004, NJ 2005, 118 m.nt. MRM (Vreugdenhil/ BVH), sub 2.8.
Hoogervorst 2001, p. 96; Snijders 2007a, p. 79-95.
Hartkamp 2007a, p. 24-25, p. 36.
Hartkamp 2007a, p. 36. Zie ook Snijders 2008, p. 546-547, p. 552.
Het verbod op het aanvullen van feitelijke gronden en de regel dat de rechter de door partijen bepaalde omvang van de rechtsstrijd moet respecteren, kunnen in de weg staan aan de verwezenlijking van het Europees mededingingsrecht. De vraag die gesteld kan worden, is of deze begrenzingen krachtens het Europees recht wel toelaatbaar zijn. Het HvJ EG beschouwt artikel 81 EG als een fundamentele bepaling die onontbeerlijk is voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap en in het bijzonder voor de werking van de interne markt. Het HvJ EG heeft in het arrest Eco Swiss/Benetton geoordeeld dat daaruit volgt dat (r.o. 37)
'(...) wanneer een nationale rechter volgens de regels van zijn nationale procesrecht een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis op grond van strijd met nationale regels van openbare orde moet toewijzen, hij dat ook moet doen ingeval een dergelijke vordering is gebaseerd op schending van het in artikel 85, lid 1, van het Verdrag [thans artikel 81 lid 1 EG, toevoeging EJZ] neergelegde verbod:1
In hoofdstuk 6 ga ik verder in op de rol van de arbiter in het Europees en Nederlands mededingingsrecht en de verhouding van Eco Swiss/Benetton met Van Schijndel, maar voor de rol van de nationale overheidsrechter bij de handhaving van het mededingingsrecht is van belang of de nationale rechter bij een contractueel geschil de partijautonomie met een beroep op artikel 81 EG opzij mag zetten door, indien dit nodig is, buiten de door partijen bepaalde grenzen van de rechtsstrijd nietigheid van de overeenkomst aan de uitspraak ten grondslag te leggen.2
Snijders,3 Mok4 en A-G Keus5 zijn van mening dat de partijautonomie niet opzij mag worden gezet met een beroep op artikel 81 EG. Daarbij wordt hun standpunt ondersteund door de jurisprudentie inzake Van Schijndel.6Verordening 1/2003 draagt, zoals Keus naar voren brengt, nog een extra a contrario argument aan voor het standpunt dat de partijautonomie niet opzij mag worden gezet met een beroep op artikel 81 EG.7 In Verordening 1/2003 is namelijk in artikel 2 een uitdrukkelijke regeling inzake de verdeling van de bewijslast opgenomen. Artikel 2 van Verordening 1/2003 luidt:
'In alle nationale of communautaire procedures tot toepassing van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag dient de partij of autoriteit die beweert dat een inbreuk op artikel 81, lid 1, of artikel 82 van het Verdrag is gepleegd, de bewijslast van die inbreuk te dragen. De onderneming of ondernemersvereniging die zich op artikel 81, lid 3, van het Verdrag beroept, dient daarentegen de bewijslast te dragen dat aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan.'
Deze uitdrukkelijke regeling wijst niet in de richting van de aanname, dat er een eis van gemeenschapsrecht bestaat die meebrengt dat artikel 81 EG zonodig buiten de rechtsstrijd van procespartijen om moet worden toegepast. Hoewel artikel 81 EG als fundamentele bepaling wordt gekwalificeerd (net als de artikelen 82 en 86 EG), is de bepaling kennelijk niet zo fundamenteel dat de rechter de hem passende lijdelijkheid moet verzaken.8
Hartkamp heeft op dit punt een afwijkende visie. Hij is het niet eens met de opvatting dat ambtshalve toepassing slechts mogelijk is waar strijd bestaat met de openbare orde of waar aangenomen mag worden dat de belanghebbende partij die toepassing wenst. Volgens Hartkamp is het niet verdedigbaar dat 'de rechter niet gehouden zou zijn tot ambtshalve toepassing van een dwingende bepaling van het EG-verdrag, die fundamenteel is en onontbeerlijk voor de werking van de interne markt, voor zover zij zou leiden tot nietigheid van een daarmee strijdige overeenkomst.' Volgens Hartkamp is Van Schijndel achterhaald door het Manfredi-arrest (en is de overweging van het HvJ EG in Manfredi dat artikel 81 EG van openbare orde is dus geen 'slip of the pen' zoals Snijders aanneemt in zijn noot onder 1\11 2000, 340 (Eco Swiss/Benetton), sub 3). Daarnaast is het volgens hem niet meer van praktisch belang nu de Hoge Raad in het Vreugdenhil-arrest heeft beslist dat artikel 81 EG ambtshalve moet worden toegepast.9 In § 5.5.2 heb ik reeds duidelijk gemaakt dat ik Hartkamp's visie op het Vreugdenhil-arrest niet deel. De discussie is dan ook nog steeds van praktisch belang. In § 5.5.6.6 zal ik duidelijk maken dat Van Schijndel, anders dan Hartkamp in zijn Nijmeegse oratie heeft betoogd, niet is achterhaald door het Manfredi-arrest.10