De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.11.6:5.11.6 Intermezzo: Hoge Raad centraal examen Frans (2019)
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.11.6
5.11.6 Intermezzo: Hoge Raad centraal examen Frans (2019)
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949633:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Midden-Nederland 28 augustus 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:4334.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1817.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1091.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is de zaak over het centraal examen Frans waar de Hoge Raad in 2019 over oordeelde al verschillende keren aan bod gekomen. Hier wordt in het bijzonder stilgestaan bij de kern van het geschil, de rechtsbescherming van de leerling ten aanzien van een door het CvTE vastgesteld correctievoorschrift. Dit geeft een goed beeld van de rol van de rechter bij een geschil over een examen.
Op 19 mei 2017 legde een leerling het centraal eindexamen Frans af, hiervoor behaalde zij een 4,0. Met een 4,1 zou ze echter geslaagd zijn voor het eindexamen. Er ontstond een geschil over de beantwoording van vraag 15. In het door het CvTE vastgestelde correctievoorschrift stond ‘Il s’(agit) als het enige juiste antwoord. De leerling had echter ‘en effet’ geantwoord. De examinator en gecommitteerde van de andere school hebben dan ook geen punten toegekend voor deze vraag. Op 13 juni 2017 werd door CvTE besloten dat ‘en effet’ ook een juist antwoord was. Ter compensatie werd N-term aangepast zodat alle leerlingen 0,4 punt extra kregen voor het examen Frans. Het correctievoorschrift bleef echter hetzelfde en aan de leerling werden niet alsnog punten toegekend voor de betreffende vraag. De 0,4 punt die de leerling kreeg na het aanpassen van de N-term was niet voldoende voor het halen van een 4,1 waarmee ze had kunnen slagen.
De leerling kwam hier in eerste instantie tegen op bij de rechtbank.1 Die oordeelt dat de latere correctie van de N-term door het CvTE niet onrechtmatig is en dat het CvTE geen ruimte heeft om te beslissen in een individueel geval. Ook de examinator en gecommitteerde vallen volgens de rechtbank niets te verwijten. Zij mogen niet afwijken van het correctievoorschrift, ook liet dit voorschrift geen ruimte voor interpretatie, nu slechts één woord als juist mocht worden aangemerkt.
In 2018 lag de zaak voor bij het Hof Arnhem-Leeuwarden.2 Daar kwam de vraag op of in plaats van de burgerlijke rechter niet de bestuursrechter bevoegd is. Het Hof stelt vast dat het vaststellen van de uitslag van het centraal examen een besluit in de zin van de Awb is. Tegen een besluit staat in beginsel bezwaar en beroep bij de bestuursrechter open. Volgens het Hof staat artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb in dit geval niet aan het beroep in de weg. De zaak draait niet om de beoordeling van de leerling, maar om het onvolledige correctievoorschrift en de vaststelling van de N-term. Van een beoordeling van het kennen of kunnen is dan ook geen sprake. Op grond van hetzelfde artikel kan ook geen beroep worden ingesteld tegen de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor examinering of toetsing. Ook daar is volgens het Hof geen sprake van. Artikel 8.4, derde lid, onder b, van de Awb staat de toegang tot de bestuursrechter in dit geval dan ook niet in de weg. De bestuursrechter kan de correctievoorschriften, zijnde algemeen verbindende voorschriften, namelijk exceptief toetsen. Het Hof verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad komt in 2019 tot een andere conclusie. Zoals uitgebreider toegelicht in § 5.7.2. komt de Hoge Raad, op basis van de conclusie van de AG, tot het oordeel dat de vaststelling van de uitslag van het centraal examen een besluit in de zin van de Awb is. Evenwel staat geen beroep open bij de bestuursrechter tegen zowel het correctievoorschrift als de N-term, behorende tot het centraal examen. Dit beroep stuit af op artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb. Uit de toelichting bij dit artikel wordt afgeleid dat geen beroep ingesteld kan worden tegen beoordelingsnormen van examens en toetsen. Beoordelingsnormen zijn ten nauwste verbonden met de beoordeling van het kennen of kunnen van de leerling. Nu de leerling niet in beroep kan bij de bestuursrechter is de burgerlijke rechter bevoegd. De Hoge Raad vernietigt dan ook het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden en draagt het Hof ’s-Hertogenbosch op een nieuw arrest te wijzen.
Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft in 2021 arrest gewezen, bijna vier jaar nadat de leerling het gewraakte eindexamen Frans had afgelegd.3 Het Hof oordeelde dat de leerling niet langer spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dit is echter wel vereist, aangezien het een zaak in kort geding betreft. Het spoedeisend belang van de leerling is weggevallen omdat zij haar diploma al in 2018 heeft behaald, ze verwacht zelfs binnenkort haar universitaire bachelor te halen. Het Hof wijst de vorderingen van de leerling dan ook af, zonder verder inhoudelijk op de zaak in te gaan.
Na vijf jaar procederen is er geen antwoord gekomen op de rechtsvraag die voor lag, namelijk of het correctievoorschrift en de beoordeling van het betreffende examen aangepast hadden moeten worden. Duidelijk is wel geworden dat een leerling hiervoor naar de burgerlijke rechter moet. De vaststelling van de uitslag van het centraal examen is immers een besluit in de zin van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb geen beroep openstaat bij de bestuursrechter.
Voor de vraag of het correctievoorschrift en de beoordeling van het examen achteraf aangepast had moeten worden, had de rechter in eerste aanleg het mijns inziens bij het rechte eind. De examinator is in de eerste plaats gehouden het correctievoorschrift toe te passen en had in casu geen ruimte om in het voordeel van de leerling daarvan af te wijken. Uit artikel 7 van de Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores centraal examen VO vloeit voort dat als de examinator een fout of onvolkomenheid in het correctievoorschrift constateert, hij dit dient te melden bij het CvTE. Het examen dient hij vervolgens te corrigeren alsof het correctievoorschrift juist is. Indien het CvTE eveneens een fout of onvolkomenheid vaststelt, wordt daarmee rekening gehouden in de N-term. Zo wordt bewerkstelligd dat elke leerling op dezelfde wijze wordt beoordeeld. In casu is dit gebeurd, van een onrechtmatigheid is dan ook geen sprake.