Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/7.2.4.3.4
7.2.4.3.4 Voorwaarde 3 (vervallen) – De aanpassing wordt gedaan binnen één jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258602:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
De bepaling is ingetrokken in Uitvoeringsverordening (EU) 2020/893 van de Commissie van 29 juni 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, OJ L 206, 30.6.2020, p. 8–26.
Verordening (EG) nr. 444/2002 van de Commissie van 11 maart 2002 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek en Verordeningen (EG) nr. 2787/2000 en (EG) nr. 993/2001, PB L 68 van 12.3.2002, p. 11–17.
HvJ EU 19 maart 2009, nr. C-256/07 (Mitsui & Co. Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf), ECLI:EU:C:2009:167.
HvJ EU 19 maart 2009, nr. C-256/07 (Mitsui & Co. Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf), ECLI:EU:C:2009:167, r.o. 37.
HvJ EU 12 oktober 2017, nr. C-661/15 (X BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2017:753.
HvJ EU 12 oktober 2017, nr. C-661/15 (X BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2017:753, r.o. 46.
HvJ EU 12 oktober 2017, nr. C-661/15 (X BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2017:753, r.o. 47-49.
HvJ EU 12 oktober 2017, nr. C-661/15 (X BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2017:753, r.o. 50-52.
HvJ EU 12 oktober 2017, nr. C-661/15 (X BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2017:753, r.o. 53-54.
HvJ EU 12 oktober 2017, nr. C-661/15 (X BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2017:753, r.o. 60.
Uitvoeringsverordening (EU) 2020/893 van de Commissie van 29 juni 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, OJ L 206, 30.6.2020, p. 8–26, preambule punt 2.
A. Willems & J. Grigorova, Determination of Customs Value and Warranties: Lessons from the Recent Case Law of the European Court of Justice, GTCJ 13(6), p. 237.
Artikel 132, onderdeel c, UDWU schreef tot 20 juli 2020 voor dat de aanpassing binnen één jaar na het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte waarmee de gebrekkige goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, moet worden gedaan.1 Onder het CDW-wetgevingspakket was de tijdsduur voor het verzoek om een prijsaanpassing in aanmerking te nemen in artikel 145, lid 3, TCDW eveneens wettelijk begrenst tot één jaar. Het Hof van Justitie heeft zich twee keer uitgelaten over de geldigheid van lid 3, welke lid op 19 maart 2002 in werking is getreden (dus ruim na de inwerkingtreding van het TCDW).2 In de zaak Mitsui & Co. Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf lag de vraag voor of de éénjaarstermijn toepassing vindt voor gevallen die zich hebben voorgedaan in een tijdvak voor 19 maart 2002 (de datum waarop de éénjaarstermijn in het TCDW is geïntroduceerd). In de zaak X BV tegen Staatssecretaris van Financiën, waarbij het feitencomplex betrekking had op een tijdvak na 19 maart 2002, lag de vraag voor of de éénjaarstermijn überhaupt geldig is in het licht van de algemene verjaringstermijn van drie jaar. Ik zal hierna nader op voornoemde zaken ingegaan.
In de zaak Mitsui & Co. Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf3waren de voertuigen zoals genoemd in onderdeel 7.2.4.3.3 ingevoerd vóór 19 maart 2002. Op 13 juni 2003 heeft Mitsui verzocht om gedeeltelijke terugbetaling van invoerrechten over voertuigen die zij in juli 2000 in het vrije verkeer had gebracht. Mitsui & Co. claimde daarop dat de éénjaarstermijn geen toepassing vond. Het Hof van Justitie overwoog dat aan deze bepaling inderdaad geen terugwerkende werking toekomt.4 Uit de bewoordingen, de doelstellingen en opzet van deze bepaling volgt niet dat aan deze bepaling terugwerkende kracht moet worden toegekend. Indien hieruit desondanks blijkt dat de bepalingen met terugwerkende kracht toegepast moeten worden, dan zou dit afbreuk doen aan het gewettigd vertrouwen van de betrokken marktdeelnemers aangezien de Duitse autoriteiten voor invoering van deze bepaling aansloten bij de algemene verjaringstermijn van drie jaar. Het Hof van Justitie overwoog tegen deze achtergrond dat aan artikel 145, lid 3, TCDW geen terugwerkende kracht moet worden toegekend.
In het arrest X BV tegen Staatssecretaris van Financiën lag onder andere de vraag voor of artikel 145, lid 3, TCDW geldig is in het licht van de algemene verjaringstermijn van drie jaar en in het bijzonder de artikelen 78 jo. 236 CDW.5 Evenals in het arrest Mitsui & Co. Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf verzocht X BV binnen de algemene verjaringstermijn van drie jaar, maar pas na één jaar na vrijgave van de goederen, om gedeeltelijke terugbetaling van betaalde invoerrechten. Voor de vaststelling of artikel 145, lid 3, TCDW geldig is, moet worden bepaald of de termijn van twaalf maanden noodzakelijk of nuttig is.6 Het Hof van Justitie overweegt dat dit niet het geval is, nu de bewijslast om aan te tonen dat de goederen gebreken vertoonden op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van die goederen reeds bij de importeur ligt.7 Ook ziet het Hof van Justitie geen ruimte voor het argument dat de éénjaarstermijn noodzakelijk is om de rechtszekerheid en de uniforme toepassing van de teruggaafregeling bij gebrekkige goederen te waarborgen. Immers, voor teruggaafbetalingsverzoeken die op een andere grond berusten, bestaat een uniforme regeling in artikel 236, lid 2, CDW, die voldoende rechtszekerheid schept.8 Het standpunt dat met de toepassing van een éénjaarstermijn de termijn gelijkgeschakeld wordt met de termijn die geldt voor het doen van een verzoek tot teruggaaf of kwijtschelding van betaalde invoerrechten in het geval dat goederen gebreken vertonen en derhalve overeenkomstig artikel 238 CDW door de importeur worden geweigerd, houdt eveneens geen stand. De situatie is namelijk wezenlijk anders, omdat de importeur die de goederen weigert zulks doet, omdat de goederen gebrekkig zijn, waar de importeur bij een verzoek op grond van artikel 145, lid 2, TCDW hiervan veelal niet op de hoogte is ten tijde van de invoer.9 Het niet toestaan van het doorvoeren van een gewijzigde transactiewaarde na de éénjaarstermijn vanwege de gebrekkige aard van de ingevoerde goederen, is tot slot in strijd met artikel 29 CDW (thans artikel 70 DWU).10
Zoals hiervoor aangegeven kende het DWU met artikel 132, onderdeel c, UDWU ook een éénjaarstermijn. Deze bepaling is inmiddels met terugwerkende kracht ingetrokken tot het moment van inwerkingtreding van het UDWU vanwege de zaak X BV tegen Staatssecretaris van Financiën.11 Toch is het vanuit wetenschappelijk oogpunt de moeite waard om stil te staan bij de vraag of de éénjaarsperiode ten gevolge van het X BV tegen Staatssecretaris van Financiën-arrest überhaupt moest komen te vervallen. In het bijzonder is deze vraag van belang, omdat de terug- en kwijtscheldingsbepalingen in het DWU-wetgevingspakket anders zijn opgebouwd dan onder het CDW-wetgevingspakket en de éénjaarsperiode derhalve in de literatuur werd verdedigd.
In de eerste plaats merk ik op dat de ongeldigheidsverklaring van artikel 145, lid 3, TCDW niet automatisch doorwerkte onder het DWU-wetgevingspakket en daarmee artikel 132, onderdeel c, UDWU buiten werking stelde. Indien er gronden bestonden om voornoemd artikel ongeldig te verklaren, dan is alleen het Hof van Justitie bevoegd zich daarover uit te spreken dan wel moet de Europese Commissie overgaan tot aanpassing van het UDWU (wat uiteindelijk dus is gebeurd). Ten tweede moet erop worden gewezen dat de bepalingen die betrekking hebben op een verzoek tot teruggaaf of kwijtschelding, anders zijn opgebouwd. Onder het CDW waren in artikel 238 CDW de voorwaarden opgenomen voor een verzoek tot teruggaaf of kwijtschelding voor het geval goederen werden geweigerd vanwege de gebrekkige aard van deze goederen. In het vierde lid was opgenomen dat het verzoek om teruggaaf of kwijtschelding in dergelijke gevallen binnen één jaar moesten plaatsvinden. Daarnaast was een algemene verjaringstermijn van drie jaren voor terugbetaling of kwijtschelding opgenomen in artikel 236, lid 2, CDW. Thans zijn in artikel 121 DWU de termijnen opgenomen waarbinnen de verzoeken tot terugbetaling of kwijtschelding ingediend moeten zijn. In het geval van ‘goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn’, geldt overeenkomstig artikel 121, lid 1, onderdeel b, DWU dat het verzoek ingediend moet zijn binnen één jaar na de datum waarop de douaneschuld is meegedeeld. Aangezien artikel 116, lid 1, onderdeel b, DWU niet specifiek verwijst naar een verzoek om teruggaaf of kwijtschelding in de situatie dat gebrekkige goederen worden geweigerd, wordt in de literatuur opgeworpen dat de éénjaarstermijn in artikel 121, lid 1, onderdeel b, DWU ook toepassing vindt in de in artikel 132 UDWU bedoelde situaties (prijsaanpassing voor gebrekkige goederen).12 Met andere woorden, een verzoek tot terugbetaling of kwijtschelding ten gevolge van een prijsaanpassing voor gebrekkige goederen zou dan binnen één jaar na aanvaarding van de douaneaangifte ingediend moeten worden.
Ik meen dat de éénjaarstermijn ook onder het DWU alleen op de situatie betrekking moet hebben dat een verzoek om teruggaaf of kwijtschelding wordt ingediend, omdat de gebrekkige goederen worden geweigerd. De verschuldigde invoerrechten worden in zulk geval volledig terugbetaald of kwijtgescholden, waarbij het niet uitmaakt of de verkoper de koper het aankoopbedrag terugbetaald. Daarmee verschilt deze situatie wezenlijk met de situatie dat vanwege de gebrekkige aard van de goederen er een prijsaanpassing plaatsvindt. Op dat moment wordt een deel van het aankoopbedrag gecrediteerd en valt de werkelijk betaalde of te betalen prijs (achteraf bezien) lager uit. Er zijn met andere woorden voor de ingevoerde goederen, achteraf bezien, te veel invoerrechten betaald. Voor die situaties regelt artikel 116, lid 1, onderdeel a, DWU dat een verzoek om teruggaaf of kwijtschelding ingediend kan worden waarbij de algemene verjaringstermijn van drie jaren geldt ex artikel 121, lid 1, onderdeel a, DWU. Met andere woorden, de basisverordening (lees: het DWU) lijkt de mogelijkheid te openen om, gelijk aan het CDW, verzoeken tot teruggaaf of kwijtschelding vanwege prijsaanpassingen bij gebrekkige goederen te honoreren gedurende een periode van drie jaren. Daarom is de intrekking van artikel 132, onderdeel c, UDWU met Uitvoeringsverordening 2020/893 de enige juiste gevolgtrekking van het X BV tegen Staatssecretaris van Financiën-arrest.