Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.II.C.3.c
c. Vraag 4: (ondergrond van) opstallen bij kavelruil
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS478612:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie tevens grenspost 1, hfdst. II, onderdeel B.l.f en B.3
Kamerstukken II 1982/1983, 15907, nr. 11 (Nota naar aanleiding van het Eindverslag), p. 24 en 27. Zie tevens B.F. Preller, ‘Kavelruil en de vrijstelling van overdrachtsbelasting’, in: LTB 2005/1, p. 14, die het aanvankelijk eens lijkt te zijn met de wetgever, maar daar later, in B.F. Preller, ‘De vrijstelling van artikel 15.1.1 WBR geldt bij kavelruil ook voor opstallen’, op terugkomt.
Vgl. W. Meinema, ‘Superheffing en landinrichting’, p. 321.
Vgl. B.F. Preller, ‘Commentaar op het wetsvoorstel Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) met betrekking tot kavelruil’, p. 503.
Zie o.m. grenspost 1, hfdst. II, onderdeel C.2.
B.F. Preller, ‘De vrijstelling van artikel 15.1.1 WBR geldt bij kavelruil ook voor opstallen’, p. 13.
HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU9530. Zie tevens redactie FBN, ‘Artikel 6a (oud) Uitvoeringsbesluit BR was in strijd met artikel 15.1.q (oud) WBR’, in: FBN 2007/45.
Zie over deze ‘cultuurgrondvrijstelling’, alsmede de nadere voorwaarde uit het UBBR, uitgebreid onderdeel C, in het bijzonder onderdeel C.l.e van het navolgende hoofdstuk.
B.F. Preller, ‘De vrijstelling van artikel 15.1.1 WBR geldt bij kavelruil ook voor opstallen’, p. 12.
Kamerstukken II 1982/1983, 15907, nr. 11 (Nota naar aanleiding van het Eindverslag), p. 27.
Rb Breda, 8 oktober 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BG1984. Zie voor een uitgebreide bespreking van deze uitspraak grenspost 1, hfdst. I, onderdeel G.6.j.9. Zie tevens B.F. Preller, ‘De vrijstelling van artikel 15.1.1 WBR geldt bij kavelruil ook voor opstallen’, alsmede Notamail 2010/87 en FutD 2008/ 44.
r.o. 4.6. In dezelfde zin de in het vorige onderdeel besproken uitspraak Rb Arnhem d.d. 22 november 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BU4973.
B.F. Preller, ‘Commentaar op het wetsvoorstel Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) met betrekking tot kavelruil’, p. 503 vermeldt in dit kader: ‘(…) in de instemmingsbeschikking wordt (standaard) vermeld dat de met de bebouwing verbonden notariële kosten niet voor subsidiëring in aanmerking komen.’ Zie tevens grenspost 1, hfdst. I, onderdeel G.6.h., alsmede hfdst. II, onderdeel B.3.
Hof Den Bosch 22 oktober 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:B06870, Notamail 2010/299 en NTFR 2011/
Op de vraag of (krachtens kavelruil verkregen) opstallen en ondergrond ook kunnen delen in de vrijstelling van overdrachtsbelasting, antwoordt de staatssecretaris dat dit niet het geval is.1 Kavelruil heeft, blijkens de parlementaire geschiedenis van de Landinrichtingswet, 2 als doel het samenvoegen van gronden en het vergroten van percelen in een klein gebied met een beperkt aantal deelnemers3 zonder of met weinig aanpassingswerken. Een verkrijging van opstallen is, aldus de staatssecretaris, niet verenigbaar met dit doel. Indien opstallen worden uitgesloten van de kavelruil is het overigens logisch dat ook de ondergrond van opstallen uitgesloten worden. Dit om complicaties als gevolg van de natrekkingsregel te vermijden, 4
De uitsluiting van opstallen en de ondergrond daarvan leverde een storm van kritiek op in onder meer de literatuur en rechtspraak. Zie hierover nader onderdeel 4.c hierna. Ik deel deze kritiek: zoals hiervoor in hoofdstuk II, onderdeel B, 3 van de eerste grenspost reeds opgemerkt, is het begrip ‘onroerende zaken’ in de wettekst niet nader gedefinieerd: noch in de drie Ruilverkavelingswetten, noch in de Landinrichtingswet, noch in de WILG is dit het geval. Gevolg is dat teruggrepen moet worden op de begripsomschrijving uit het civiele recht. Zoals gezien is de overeenkomst van kavelruil immers een civielrechtelijke overeenkomst waarop de bepalingen van het vermogensrecht integraal van toepassing zijn, 5Artikel 3:3 BW definieert onroerende zaken als ‘de grond (…) alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd’. Grond én opstallen derhalve. In de jaren na publicatie van het besluit zal blijken dat deze laatste conclusie de enige juiste is en dat het besluit op dit punt derhalve onjuist is. Hiervoor verwijs ik naar onderdeel 4, d hierna.
Indien de staatssecretaris in fiscalibus nadere (beperkende) voorwaarden aan de facilitering van de kavelruil wil stellen, dient dit mijns inziens te geschieden in de wettekst zelf en niet in een vraag- en antwoordenbesluit. Preller6 wijst er in dat kader tevens op dat, indien de opvatting van de staatssecretaris als beperkende voorwaarde zou zijn opgenomen in een AMvB als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef, WBR, daaraan de rechtskracht zou hebben ontbroken op grond van het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2007, 7 in welk arrest geoordeeld werd dat een in het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer opgenomen nadere voorwaarde ten aanzien van de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel q, WBR8 een beperking inhoudt van het begrip ‘verbetering van de landbouwstructuur’, terwijl niet is gebleken dat de wetgever heeft beoogd een zo vergaande bevoegdheid aan de AMvB-gever te delegeren. Hoewel een vraag- en antwoordenbesluit geen AMvB is, is de onderliggende boodschap naar mijn mening duidelijk: nadere beperkingen ten aanzien van de toepassing van de fiscale vrijstelling van overdrachtsbelasting behoren in de wettekst zelf te worden opgenomen. Ook in de rechtspraak klinkt deze opvatting door, zo zal hierna in onderdeel 4.d blijken.
Bovendien is de verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, zo ben ik met Preller van mening, onjuist.9 Een passage uit de Nota naar aanleiding van het Eindverslag, waar de staatssecretaris naar verwijst, luidt als volgt:
“Kavelruil biedt voor kleine gebieden met een agrarische functie een snelle en eenvoudige procedure om in overeenstemming met alle eigenaren tot ruiling van gronden te komen (…) (onderstreping door mij, JR)”
10
Het woord ‘gronden’ werd in deze passage gebruikt in het antwoord op vragen ten aanzien van de door de overheid beoogde wijze waarop kavelruil dient te worden ingezet (kleinschalig of uitgebreid, met of zonder verbeteringsmaatregelen). De vraag of opstallen in een kavelruil kunnen worden betrokken speelde in het geheel niet: aan de in deze passage gebruikte term ‘gronden’ mag dan ook niet de conclusie worden verbonden dat het van meet af aan de bedoeling is geweest opstallen categorisch uit te sluiten van kavelruil. Sterker nog: het woord ‘gronden’ behoeft de aanwezigheid van opstallen zeker niet uit te sluiten: de ondergronden van opstallen zijn immers ook ‘gronden’.
Kortom: de beantwoording van deze vraag deed, evenals bij vraag 3 het geval was, menig wenkbrauw fronzen. De kritiek was, zoals gezegd, niet van de lucht. De latere (rechts)ontwikkelingen zullen de onjuistheid van dit door de staatssecretaris gegeven antwoord aantonen. Daarover hierna meer.
Overigens heeft de Rechtbank Breda in haar uitspraak van 8 oktober 200811 een inspecteur, die naar aanleiding van een kavelruil uit medio 2001 waarbij onder meer opstallen werden verkregen een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting ten aanzien van de verkrijging van de opstallen oplegde, ‘teruggefloten’: het beroep van de inspecteur op het besluit van 12 november 2004 kon de inspecteur niet baten, gezien de datum van publicatie.12 Voorts overweegt de Rechtbank, ten aanzien van het begrip ‘onroerende zaken’ als volgt:
“4.4.1. De inspecteur stelt dat doel en strekking van de vrijwillige kavelruil zijn gelegen in het samenvoegen van gronden en het vergroten van percelen in een klein gebied met een beperkt aantal deelnemers in het belang van de landbouw.
4.4.2 De Rechtbank overweegt dat de voornoemde doelstelling inderdaad is geformuleerd in de Nota naar aanleiding van het eindverslag Landinrichtingswet. Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 15907. nr. 11. blz. 24 en 27. Naar het oordeel van de Rechtbank is daaruit evenwel niet af te leiden dat de wetgever de mogelijkheid heeft willen uitsluiten dat ook opstallen deel uitmaken van een vrijwillige kavelruil. (onderstreping door mij, JR)"
De onjuistheid van het standpunt van de staatssecretaris wordt derhalve ook door de Rechtbank onderschreven: opstallen kunnen wel degelijk deel uitmaken van de kavelruil. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever opstallen categorisch heeft willen uitsluiten.
In dezelfde uitspraak is tevens een aantal woorden gewijd aan de mogelijke fiscale gevolgen van de onder de Landinrichtingswet gebruikelijke praktijk inhoudende dat, ingeval opstallen deel uitmaakten van een kavelruil, bij de goedkeuring van de overeenkomst door DLG doorgaans een voorbehoud werd gemaakt ten aanzien van de subsidiëring van de notariële kosten die betrekking hadden op de opstallen. Deze kosten kwamen derhalve niet voor subsidiëring in aanmerking. 13 Civielrechtelijk heeft dit geen gevolgen: de kavelruil met opstallen is en blijft rechtsgeldig (mits voldaan aan alle civielrechtelijke vereisten). Hoe zit dit op fiscaal gebied? De Rechtbank nogmaals aan het woord:
“4.5.1 De Rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij vrijwillige kavelruil parallel loopt aan de subsidiëring van kosten door het Ministerie van Landbouw. Natuurbeheer en Visserij. De Rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat de inspecteur refereert aan de passage uit de beschikking van de DLC van 5 juli 2001 zoals opgenomen onder 2.3.
4.5.2. Naar het oordeel van de Rechtbank valt het bestaan van de hiervoor genoemde parallel niet af te leiden uit enige wettelijke bepaling. De onder 2.3 aangehaalde passage sluit naar het oordeel van de Rechtbank slechts de subsidiëring van de kosten uit voor de overdracht van gebouwen binnen de overeenkomst. Deze uitsluiting laat naar het oordeel onverlet dat de overdracht van gebouwen wel deel kan uitmaken van de ruilverkaveling bij overeenkomst als zodanig.”
De conclusie is helder: ook in fïscalibus heeft de weigering van de subsidie voor opstallen geen negatieve gevolgen. De overdracht van gebouwen kon derhalve deel uitmaken van de kavelruil als zodanig en daardoor tevens de fiscale faciliteit, de vrijstelling van overdrachtsbelasting, deelachtig worden. In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof deze visie.14 De onjuistheid van het standpunt van de staatssecretaris is hiermee voldoende aangetoond. Niettemin diende de praktijk sinds 12 november 2004 te handelen met inachtneming van deze (onjuiste en voor de kavelruil onnodig beperkende) stellingname ten aanzien van de opstallen en hun ondergrond.