Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.4.3.2
II.5.4.3.2 Geen vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622754:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Breemhaar 1992, nr. 127.
Denk aan de zogenoemde ‘ik-opa-clausule’.
Zie mijn opmerking in voetnoot 136 van dit hoofdstuk.
De vervallenverklaring als bedoeld in art. 4:131 BW heeft overigens wel goederenrechtelijk effect (maar geen terugwerkende kracht, art. 3:38 lid 2 BW).
Asser/Perrick 2013 (4), nr. 215.
Hoofdstuk 3 ‘Het materiële aspect van het hoogstpersoonlijke’.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 175 waarin is opgemerkt dat een verbintenis niet afhangt van de willekeur van een schuldenaar indien deze heeft gehandeld met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid.
Bij de behandeling van de materiële aard van de erfstelling merkte ik in paragraaf 5.2.2.1 reeds op dat het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid aansluit bij de bestaanseis van art. 4:56 lid 1 eerste zin BW. Art. 4:56 lid 1 eerste zin BW bepaalt dat:
‘Om aan een making een recht te kunnen ontlenen, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt (curs. NB).’
Ik haalde vervolgens een citaat van Breemhaar aan. In dit citaat wordt door Breemhaar onder andere opgemerkt dat ten aanzien van de uitzonderingen op de bestaanseis, zoals bijvoorbeeld de uitzonderingen voor de tweetrapsmaking in art. 4:56 leden 2-4 BW, het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid ook uitzondering moet lijden.1 Voor de beschikkingen waarvoor de bestaanseis niet geldt, geldt met andere woorden ook geen vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid. Dat is, zoals ik reeds in paragraaf 5.2.2.1 opmerkte, logisch. Bestaat men nog niet op het moment dat de nalatenschap openvalt, dan kan men ook niet onmiddellijk geïdentificeerd worden. Hoeft men zodoende nog niet te bestaan op het moment dat de nalatenschap openvalt, dan hoeft men op dat moment ook niet onmiddellijk identificeerbaar te zijn.
De last is geen making en voor hem geldt het bestaansvereiste zodoende niet. De last kan dan ook worden gebruikt om ongeborenen (bijvoorbeeld kleinkinderen die na het overlijden van opa of oma geboren worden),2 uit de nalatenschap te laten verkrijgen. Uiteraard dient hierbij wel te worden gerealiseerd dat, zoals reeds opgemerkt, een vorderingsrecht tot nakoming voor hen ontbreekt. Welnu de bestaanseis voor ‘lastbevoordeelden’3 niet geldt, geldt de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid voor hen evenmin. Degenen die op grond van een last iets uit de nalatenschap verkrijgen, hoeven op het moment van erflaters overlijden dan ook niet onmiddellijk te worden geïdentificeerd. Er geldt ten aanzien van het bepalen van deze personen dus geen strikt bepaaldheidsvereiste, in de zin dat erflater deze personen in zijn uiterste wil volledig moet hebben bepaald. De last roept immers ook geen goederenrechtelijke verhouding,4 doch slechts een verplichting in het leven. Zoals gezegd geldt er voor de testamentaire last wel een bepaaldheidsvereiste. De testamentaire last is immers een rechtshandeling en het bepaaldheidsvereiste geldt voor alle rechtshandelingen. Is dit bepaaldheidsvereiste dan soepel? Voldoet bijvoorbeeld, net zoals bij het legaat, bepaalbaarheid en kan na erflaters overlijden een keuze worden gemaakt uit een door erflater afgebakende kring van personen? En in welke mate zou deze kring dan afgebakend moeten zijn? Dient erflater deze groep af te bakenen door het noemen van een specifieke hoedanigheid (vgl. hierboven de ongeboren ‘kleinkinderen’), of is er zelfs nog meer ruimte en kan erflater volstaan met bijvoorbeeld het noemen van het doel dat moet worden nagestreefd? Bijvoorbeeld: ‘ik legateer een geldbedrag van € 500,- aan X, onder de verplichting dat hij dit uitkeert aan een stichting die de belangen van gehandicapten behartigt.’
Perrick merkt in dit kader op dat wanneer erflater een erfgenaam of legataris een last ten voordele van niet individueel aangewezen personen oplegt, hij in zijn uiterste wil een richtsnoer zal moeten aangeven, waaraan de bevoordeelden moeten voldoen. De keus van de bevoordeelden mag de erflater volgens Perrick namelijk niet aan de willekeur van de erfgenaam of legataris overlaten, omdat het hoogstpersoonlijk karakter van de uiterste wil dit met zich brengt.5 In het eerste deel van dit onderzoek heb ik uiteengezet dat het hoogstpersoonlijk karakter van de uiterste wilsbeschikking, zoals dat tot uitdrukking komt in art. 4:42 lid 3 BW, slechts betrekking heeft op het maken van een uiterste wilsbeschikking (formeel aspect).6 Art. 4:42 lid 3 BW zegt daarmee niets over de mogelijkheid om (hoogst)persoonlijk gemaakte delegatiebevoegdheden te verlenen. Hiervoor is mijns inziens het bepaaldheidsvereiste doorslaggevend (paragraaf 3.5). Hoe het bepaaldheidsvereiste zich tot willekeur verhoudt werd al enigszins zichtbaar in de casus van Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205 (paragraaf 4.3.3.2) en paragraaf 4.3.5, waarin ik de rol van de redelijkheid en billijkheid voor de bepaaldheid van verbintenissen aanstipte. Kort gezegd kan de redelijkheid en billijkheid de subjectieve invulling van degene die de uiterste wilsbeschikking nader inkleurt, objectiveren. De redelijkheid en billijkheid voorkomt daarmee dat willekeurig wordt gehandeld.7 Omdat de redelijkheid en billijkheid in het gehele vermogensrecht een pregnante plaats inneemt, hoeft willekeur mijns inziens niet al te gauw te worden gevreesd. Op het bepaaldheidsvereiste en de verhouding tot willekeur, kom ik hierna, in hoofdstuk 6, ook nog kort terug.