Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/9.3.3
9.3.3 Geen bindende overeenkomst of afdwingbare verbintenis vereist
J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS370003:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de klassieke betekenis daarvan: een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, krachtens welke de een jegens de ander tot een prestatie gerechtigd is en deze jegens gene tot die prestatie verplicht is, zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/6.
Idem De Wulf 2008, p. 62-63.
Idem Rebers 2007, p. 363. Vgl. ook het AFM-beleid ten aanzien van de acting in concert-regeling uit de meldingsplicht (art. 5:45 lid 5 Wft), zoals dat blijkt uit haar Leidraad voor aandeelhouders op <www.afm.nl>. Zie daarover nader Beckers 2010-1.
In de onderzochte landen wordt dit ook zo benaderd, zie voor België De Wulf 2008, p. 56 en voor Duitsland Schockenhoff/Schumann 2005, p. 586.
Vgl. Wessels 1984, p. 55 met verwijzingen naar de mededingingsrechtelijke jurisprudentie van het Europese Hof (waarover ook § 9.3.5).
Vgl. Waaijer 1996, p. 26 in het kader van de afdwingbaarheid van stemovereenkomsten in de context van art. 2:24a BW. In de kern gaat het daarbij om dezelfde kwestie als bij acting in concert in het kader van de biedplicht.
In Italië is expliciet bepaald dat zelfs nietige overeenkomsten worden aangemerkt als acting in concert (§ 5.6.2.2 sub II).
Om van een overeenkomst in de zin van de acting in concert-definitie van art. 1:1 Wft te kunnen spreken, is geen bindende overeenkomst of rechtens afdwingbare verbintenis1 vereist.
Het andersluidende oordeel zou eenvoudig tot omzeiling van de biedplicht kunnen leiden.2 Volgens de acting in concert-definitie uit de Overnamerichtlijn (art. 2 lid 1 sub d) moet het gaan om samenwerking op basis van een overeenkomst. De richtlijn zelf bevat hierover geen nadere voorschriften. Via richtlijnconforme interpretatie en een teleologische interpretatie van het in de richtlijn gehanteerde begrip overeenkomst (zie eerder over het samenstel van die interpretaties § 3.4.2) geeft zij desalniettemin een kader. Zo zou met de richtlijn onverenigbaar zijn – want leidend tot de mogelijkheid van omzeiling – de uitleg van het nationale recht dat onder overeenkomst slechts wordt verstaan de geldige en bovendien in rechte afdwingbare overeenkomst. Overigens is dit in geen van de onderzochte landen het geval (zie de desbetreffende paragrafen in hoofdstuk 5).
Voor een overeenkomst – en daarmee voor acting in concert – is weliswaar enigerlei beperking van de individuele vrijheid van de betrokken aandeelhouders vereist3 , maar waar het voornamelijk om gaat is of partijen zich gebonden achten.4,5 Relevant is of partijen zelf de overeenkomst als geldig beschouwen. Dat mag naar mijn mening worden aangenomen zolang er geen aanwijzingen dat zij zich niet naar die overeenkomst zouden willen gedragen.6 Of dat het geval is moet worden beoordeeld aan de hand van dezelfde “objectieve maatstaven” als door de wetgever voorgeschreven bij de beoordeling van de achterliggende bedoelingen van partijen (zie eerder § 6.3.2 en hierna § 9.4.3). Dat geen sprake hoeft te zijn van een rechtens afdwingbare verbintenis, betekent dat ook een nietige overeenkomst7 tot een biedplicht kan leiden. Op dezelfde voet moeten mijns inziens ook rechtens niet-bindende overeenkomsten zoals gentlemen’s agreements als overeenkomst wordt gezien.
Ten slotte merk ik op dat het doelcriterium, dat maakt dat een biedplicht afhankelijk is van het doel van de samenwerking en niet van het resultaat daarvan (zie nader § 6.2), niet terzake doet bij de vraag naar het bestaan van een overeenkomst. Waar het hier om gaat is dat er een overeenkomst is via welke partijen beogen de controle te verkrijgen. De intentie om een overeenkomst te sluiten, is (nog) niet relevant.