Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.4.3
3.4.3 Geldelijke vergoeding in plaats van een verbod
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955455:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
COM 2003/0024 (COD) p. 32.
Blok, BIE 2016, afl. 4, p. 82, onder verwijzing naar: Europese Commissie, ‘Proposed Directive on enforcement of intellectual property rights: frequently asked questions’, Memo 03/20, 30 januari 2003, p. 9.
Daarnaast maakte de bepaling onderdeel uit van een (vroege) versie van de Rules of Procedure die in aanmerking moeten worden genomen bij de uitleg en toepassing van bepalingen van het UPCA. Zij ontbreekt echter in de definitieve tekst.
Blok, BIE 2016, afl. 4, p. 82.
Blok, BIE 2016, afl. 4, p. 84.
Uit art. 12 Handhavingsrichtlijn volgt dat lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties, in passende gevallen en op verzoek van de gedaagde, kunnen gelasten dat aan hem een geldelijke schadeloosstelling wordt betaald in plaats van een verbod. Er is ruimte voor een dergelijk oordeel als de verzoeker zonder opzet en zonder nalatigheid heeft gehandeld, toewijzing van het verbod hem onevenredige schade zou berokkenen en een geldelijke schadeloosstelling van de benadeelde partij redelijkerwijs bevredigend lijkt. Uit de toelichting bij een eerdere versie van de bepaling blijkt dat zij is gebaseerd op §101 UrhG en tot doel heeft tegemoet te komen aan de belangen van de bonafide inbreukmaker.1 Het lijkt daarbij in het bijzonder te gaan om het belang om beschermd te worden tegen oneerlijke procesvoering.2
De bewoordingen van art. 12 Handhavingsrichtlijn maken duidelijk dat het om een facultatieve bepaling gaat. Het merendeel van de lidstaten heeft ervoor gekozen haar niet te implementeren.3 Dat is niet geheel verbazingwekkend gezien de controverse die vanaf het begin rondom de bepaling bestond.4 Ook de Nederlandse wetgever heeft ervoor gekozen geen uitvoering te geven aan het artikel. In de parlementaire geschiedenis wordt als reden aangedragen dat de bepaling niet past in het Nederlandse rechtssysteem, dat geen basis biedt voor het opleggen van een schadevergoeding zonder toerekenbaarheid.5 Blok heeft in mijn ogen echter overtuigend geïllustreerd dat deze lezing berust op een onjuiste voorstelling van zaken. Toewijzing van een alternatieve vergoeding is namelijk alleen mogelijk op verzoek van de inbreukmaker. Er kunnen gegronde redenen zijn om een dergelijk verzoek in te dienen, zeker als het naleven van een inbreukverbod of corrigerende maatregelen veel duurder of ingrijpender is dan het betalen van een schadeloosstelling. Bovendien is het toepassingsbereik van de alternatieve vergoeding beperkt tot voortdurende inbreuken of voortdurende aanwezigheid van inbreukmakende goederen op de markt. De rechter kan pas een vergoeding opleggen als hij de inbreuk heeft vastgesteld; vanaf dat moment kan toerekenbaarheid redelijkerwijs worden aangenomen.6