Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/6.4.2.2
6.4.2.2 Derdenbelangen
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955508:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zij bijv. Hof Leeuwarden 12 november 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AU4338 (Schneider/Cordis), rov. 14 (verlies van arbeidsplaatsen wegens bedrijfssluiting); Rb. Middelburg (pres.) 28 augustus 1992, nr. KG 146/1992 (BV Architectenburo Van den Pauwert BNA/Societe d’Exploitation Bell-Man SA), rov. 3.7-3.10 (verplaatsing bedrijfslocatie vanwege bouwstop).
Zie Ohly, GRUR 2021, afl. 2, p. 307; Stierle & Hofmann, GRUR Int. 2022, afl. 12, p. 8-11; Grabinski, GRUR 2021, p. 200-203.
Zo worden bedrijfseconomische belangen bestreken door de vrijheid van ondernemerschap (art. 16 Handvest) en vallen informationele en artistieke belangen onder het bereik van de vrijheid van meningsuiting (art. 11 en 13 Handvest). Daarnaast biedt het Handvest bescherming een breed scala aan sociaaleconomische belangen zoals de vrijheid van beroep en het recht om te werken (art. 15 Handvest), gezondheidsbescherming (art. 35 Handvest), milieubescherming (art. 37 Handvest), en consumentenbescherming (art. 38 Handvest).
Par. 5.2.2.2.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 47; HvJ EU 15 september 2016, C-484/14, ECLI:EU:C:2016:689 (McFadden), rov. 82; COM 2017(712), p. 13: “De Commissie is van oordeel dat er aandacht moet worden besteed aan de relatieve relevantie van de betwiste technologie voor de toepassing in kwestie en de mogelijke overloopeffecten van een rechterlijk bevel op derde”.
Deze kwestie is in Duitsland uitvoerig aan de orde gekomen rondom de herziening van het octrooirecht en de daarmee samenhangende codificatie van het evenredigheidsbeginsel in de bepaling die het inbreukverbod regelt (§139(1) PatG); zie BT-Drs. 19/25821, p. 54-55. Zie ook Busche, GRUR 2021, afl. 2, p. 160; McGuire, GRUR 2021, afl. 6, p. 781-783; Ohly, GRUR 2021, afl. 2, p. 306-308; Ohly & Stierle, GRUR 2021, afl. 10, p. 1232 en 1237; Osterrieth, GRUR 2018, afl. 10, p. 988; Schellhorn 2020, nr. 535; Schönbohm & Ackermann-Blome, GRUR Int. 2020, afl. 6, p. 578-579; Stierle, GRUR 2020, afl. 3, p. 266.
Dijkman 2023, p. 207-210.
McGuire, GRUR 2021, afl. 6, p. 781.
Denkbaar is voorts dat de als gevolg van deze niet-nakoming geleden schade wordt meegenomen bij de begroting van een passende vergoeding; zie par. 6.3.3.3.
Bij toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vormen de belangen van de betrokken procespartijen het vertrekpunt. In de praktijk kan een verbod echter ook gevolgen hebben voor derden.1 Dit roept de vraag op of de rechter zulke belangen moet betrekken bij de evenredigheidstoets.2 Een bevestigend antwoord ligt voor de hand: zowel de TRIPs-overeenkomst als de Handhavingsrichtlijn verwijzen immers uitdrukkelijk naar de belangen van derden als relevante beoordelingsfactoren.3 Bovendien kunnen de belangen van derden constitutionele bescherming genieten.4 Het negeren van zulke belangen kan in strijd zijn met het Handvest of het EVRM. Ten slotte vereist het Unierecht uitdrukkelijk dat de rechter de evenredigheid van een concrete maatregel per geval beoordeelt en daarbij alle relevante omstandigheden in acht neemt.5 De rechtspraak van het Hof van Justitie laat zien dat deze beoordeling verder reikt dan een analyse van de belangen van de betrokken procespartijen.6
Bedrijfseconomische en maatschappelijke belangen. Nu is vastgesteld dat de belangen van derden een rol kunnen spelen bij de evenredigheidstoets, rijst de vraag welke belangen in dit verband kunnen worden meegewogen.7 Zoals Dijkman schrijft, kan bij de beantwoording van die vraag onderscheid worden gemaakt tussen bedrijfseconomische belangen die verband houden met de inbreuk en maatschappelijke belangen die gerelateerd zijn aan het gebruik van het beschermingsobject.8 Onder de bedrijfseconomische belangen vallen de belangen van fabrikanten, afnemers, distributeurs en andere derden die onderdeel uitmaken van de productie- en distributieketen. Maatschappelijke belangen zijn de met het gebruik van het beschermingsobject samenhangende belangen van consumenten, patiënten en andere ‘eindgebruikers’. Zoals hierna aan de orde zal komen, is voor beide categorieën een plaats ingeruimd in de evenredigheidstoets.
Licentienemers en concurrenten. Bij een specifiek geschil kunnen ook derden betrokken zijn die er belang bij hebben dat de rechter een verbod uitspreekt. Het kan daarbij onder meer gaan om licentienemers en concurrenten die kosten hebben gemaakt om een alternatief te ontwerpen.9 Hun concurrentiepositie komt op de tocht te staan als ondernemingen die deze investeringen niet hebben gedaan vrijelijk inbreuk zouden kunnen maken. Bovendien kan afwijzing van een verbod ertoe leiden dat de rechthebbende niet langer kan voldoen aan bestaande licentieverplichtingen.10 Zulke belangen kunnen, al naar gelang de situatie dat rechtvaardigt, worden meegenomen bij de weging van het exclusiviteitsbelang.