Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/6.4.3
6.4.3 Vaststelling van een (on)redelijke verhouding
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955424:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [28]-[32].
Zie par. 2.3.3.
Zie ook Van der Helm 2023, nr. 213, die betoogt dat “in de regel juist nakoming of anderszins het voldoen aan een rechtsplicht zonder nadere poespas proportioneel is te achten”.
Aldus ook: Twentieth Century Fox Film Corp v British Telecommunications Plc [2011] EWHC 1981 (Ch) [200].
Merges 2011, p. 261.
Men kan het ook omdraaien door te zeggen dat de gedaagde meer schade wordt toegebracht dan de inbreuk rechtvaardigt.
Zie o.m. Desaunettes-Barbero e.a. 2020, p. 7 (‘leverage’); Dijkman 2023, p. 178 (‘overreach’); Merges 2011, p. 166 (‘undue leverage’).
Aronstein 2019, nr. 294. Zie ook: HvJ EU 5 juli 2017, ECLI:EU:C:2017:513, C-190/16 (Fries/Lufthansa), rov. 53; HvJ EG 11 oktober 2007, C-460/06, ECLI:EU:C:2007:601 (Paquay) rov. 49.
De laatste stap van de evenredigheidstoets heeft betrekking op de vraag of het bereiken van het nagestreefde doel in een redelijke verhouding staat tot de schadelijke gevolgen voor andere belangen. Deze afweging concentreert zich op een afweging van het belang van de rechthebbende en de belangen van de partijen die nadelige gevolgen van het verbod ondervinden. Deze afweging zal in de meeste gevallen in het voordeel van de rechthebbende uitvallen.1 Uit het materiële recht volgt immers al waarop de rechthebbende recht heeft (en waartoe de inbreukmaker verplicht is).2 Een rechterlijk verbod bevestigt deze rechtsverhouding eenvoudigweg door de inbreukmaker te veroordelen de inbreuk te beëindigen en zich te onthouden van verdere inbreuk(en). Men zou hieruit de conclusie kunnen trekken dat een verbod evenredig is zolang de formulering ervan overeenkomt met de onderliggende rechtsplicht.3 In dat geval krijgt de rechthebbende immers precies waarop hij recht heeft, en de inbreukmaker wordt verplicht te voldoen aan zijn rechtsplicht. In deze opvatting zou de evenredigheidstoets niet meer inhouden dan een explicitering van de overeenstemmingsregel.
Op zichzelf is juist dat, zolang het verbod nauwkeurig is geformuleerd, het belang van een effectieve bescherming tegen inbreuk in beginsel prevaleert boven de belangen van de inbreukmaker en eventuele derden.4 Gewaakt moet echter worden voor absolutisme. Het evenredigheidsbeginsel vereist immers dat de uitoefening van het recht ook in een concreet geval redelijk is.5 Er zijn gevallen denkbaar waarin de eiser meer krijgt dan redelijk is gegeven zijn aanspraak, of waarin de gedaagde een grotere last moet dragen dan redelijk is gegeven zijn verplichting(en).6
Welk perspectief men ook kiest: voorkomen moet worden dat de schadelijke gevolgen van het verbod niet worden gerechtvaardigd door de onderliggende aanspraak. Deze gedachte is in de literatuur met enige regelmaat aan de orde gesteld, al worden verschillende termen gebruikt en lopen de opvattingen uiteen over de vraag in welke gevallen een verbod gerechtvaardigd is.7 Ik sluit wat dit betreft aan bij de rechtspraak van het Hof van Justitie. Hieruit volgt dat een remedie onevenredig is als zij in een wanverhouding staat tot de ernst van de schending of excessieve schade toebrengt aan de belangen van de inbreukmaker of derden.8 Hieronder zal ik kort aandacht besteden aan beide categorieën.
6.4.3.1 Wanverhouding tot de ernst van de inbreuk6.4.3.2 Excessieve belangenaantasting