Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/4.3
4.3 Vertrouwen als ordenend beginsel
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456969:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de vorige paragraaf zijn deze aspecten ook al aan de orde gekomen. In die zin overlapt het vertrouwen als ordenend beginsel ten dele met het vertrouwen als praktisch beginsel. Het verschil tussen beide functies is vooral gelegen in het meer neutrale karakter en het meer neutrale uitgangspunt van het vertrouwen als ordenend beginsel: voorop staat dat een bepaald aspect ergens aan de orde moet komen, het maakt in principe niet uit waar. Het vertrouwen als praktisch beginsel zegt juist dat het aspect daar aan de orde moet komen waar dat praktisch het meest aangewezen is.
En de veroordeelde geen gedwongen psychiatrische verpleging behoeft. Zie art. 30 eerste lid, aanhef en onder b, WOTS.
Zie voor een voorbeeld HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8291.
Uiteraard is daarvoor nodig dat het toepasselijke verdrag die beoordeling toelaat.
Zie par. 11.3.3.
Zie HR 8 februari 2000, LJN AA4741, r.o. 3.3.
Juridische gelijkwaardigheid of equivalentie van samenwerkende staten
Naast de hiervoor besproken principiële en praktische functie van het vertrouwensbeginsel heeft het ook een ordenende functie. In die ordenende functie heeft het vertrouwensbeginsel ervoor te zorgen dat bepaalde aspecten van interstatelijke samenwerking in één van de betrokken staten worden beoordeeld of getoetst, maar dat een herhaalde of dubbele toetsing wordt voorkomen.1 Niet alleen is een dubbele beoordeling vanwege de dubbele kosten in tijd en mankracht inefficiënt, zij brengt ook het risico mee dat de toetsing uiteenloopt hetgeen tot rechtsonzekerheid voor de justitiabele en inconsistentie van het systeem kan leiden.
Ordenend vertrouwen gaat uiteindelijk uit van de gelijkwaardigheid van de beoordeling van aspecten van de samenwerking in het ene en het andere land. Vanwege die gelijkwaardigheid maakt het niet veel uit in welk land de beoordeling plaatsvindt, zolang zij maar plaatsvindt. Deze benadering van het vertrouwensbeginsel maakt een soepel en efficiënt rechtshulpverkeer mogelijk. Hier wordt opnieuw het eerder geformuleerde doel van internationale rechtshulp in herinnering geroepen: het vergemakkelijken, vervolledigen, eerlijker maken dan wel mogelijk maken van een afgeronde strafrechtelijke procedure in de ene staat door het verlenen van bijstand door de andere staat op één of meer van de hoofdonderdelen van de strafprocedure, te weten de opsporing, de vervolging, de berechting of de tenuitvoerlegging van een sanctie, waarbij van belang is dat de gerechtvaardigde belangen van de verdachte of veroordeelde worden gewaarborgd.
Bij toepassing van ordenend vertrouwen ondersteunen de rechtsstelsels van de samenwerkende landen elkaar en vullen elkaar aan. Idealiter vormen zij in systematisch opzicht één geheel. Dit komt enerzijds de efficiënte en soepele samenwerking ten goede, maar zorgt er anderzijds, bij een juiste en consequente invulling, ook voor dat de gerechtvaardigde belangen van verdachte en veroordeelde een plaats krijgen in dat systeem. Van belang is op te merken dat deze ordenende functie van het vertrouwensbeginsel een principiële voorwaarde kent: aan een zuivere ordenende werking van het vertrouwensbeginsel ligt namelijk een grote mate van onderling vertrouwen, in de meest zuivere vorm in wezen absoluut vertrouwen, ten grondslag. De achterliggende gedachte is immers, in zuivere vorm, dat het geen verschil maakt waar de toetsing plaatsvindt en door welke staat. Men zou kunnen spreken van vertrouwen in de juridische gelijkwaardigheid of equivalentie van samenwerkende staten.
Inherente verdeling van onderdelen van het strafproces
De aan een bepaalde vorm van samenwerking inherente verdeling van onderdelen van opsporing, vervolging en berechting heeft ordenende kenmerken. Het proces tegen een verdachte zal, als die wens bestaat, nu eenmaal in één van de staten moeten plaatsvinden. Eerder bleek dat deze verdeling ook praktische en principiële gronden kent.
Illustratief is in elk geval de mogelijkheid bij overname van executie om wel te toetsen aan gronden die in Nederland wel, maar in de veroordelende staat niet tot uitsluiting van de strafbaarheid van feit of dader leiden,2 maar niet aan excepties die in de veroordelende staat wel bestaan en waarover een oordeel is gegeven door of had kunnen worden gevraagd aan de rechter in de staat van veroordeling.3 De strafuitsluitingsgronden die het Nederlandse strafrecht kent, moeten door een rechter worden beoordeeld. Geldt een strafuitsluitingsgrond ook in de staat van veroordeling dan is het de rechter aldaar die zich over deze grond uit moet spreken (en dat in zijn vonnis heeft gedaan). Die keuze hangt samen met de aan deze vorm van rechtshulp inherente verdeling van onderdelen van het strafproces. Kent echter het recht van de staat van veroordeling een bepaalde strafuitsluitingsgrond niet, dan is het enkel de exequaturrechter in Nederland, in dit voorbeeld de staat van tenuitvoerlegging, die daarover een oordeel kan geven en daartoe ook gehouden is.4
Ook de hiervoor besproken lijn in de jurisprudentie van de Hoge Raad aangaande toetsing van opsporingshandelingen verricht onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de vreemde staat die partij is bij het EVRM kent ordenende trekken: de opsporing moet worden getoetst aan het EVRM, maar die taak wordt ondergebracht bij de rechter van de vreemde staat en op diens oordeel wordt vertrouwd.5 Overigens kent dat vertrouwen wel een grens: aan artikel 6, eerste lid, EVRM kan en dient onder omstandigheden wel te worden getoetst. De mogelijkheid blijft bestaan dat de vreemde staat zozeer is tekort geschoten dat het recht op een eerlijk proces in het geding is. Een dergelijke tekortkoming zal in het bijzonder aan de orde kunnen zijn, als de rechter in de vreemde staat onvoldoende toezicht op de opsporing houdt of als er onvoldoende toegang tot die rechter heeft bestaan. In bijzondere gevallen, de Hoge Raad noemt van oudsher het verbod op overheidsuitlokking als voorbeeld,6 kan dan toch de conclusie zijn dat de resultaten van de opsporing niet kunnen worden gebruikt.
Keuze van het toepasselijke verdrag
De benadering van de keuze voor het toepasselijke verdrag vertoont ook ordenende kenmerken: is meer dan één verdrag van toepassing dan is het in beginsel aan de verzoekende staat om voor het ene of andere verdrag te kiezen. Iemand zal de keuze moeten maken welk verdrag van toepassing is, waarbij het in beginsel niet zoveel uitmaakt wie die keuze maakt. Op praktische, maar ook principiële gronden wordt die keuze vervolgens aan de verzoekende staat gelaten, als meerdere verdragen van toepassing zijn: hij doet immers het eerste verzoek en richt dat in naar de voorwaarden gesteld in dat verdrag. Grondt de verzoekende staat het verzoek op een verdrag dat niet van toepassing is, dan verbetert de rechter in de aangezochte staat dat wel.