Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/4.3.3.2
4.3.3.2 Belangen die niet op geld te waarderen zijn
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657490:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 6-IV 2019/303. De rectificatie wordt soms onder verwijzing naar art. 6:103 BW toegewezen, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 6 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2093, JOR 2018/253, m.nt. Van Eeden-Van Harskamp; Hof ’s-Hertogenbosch 1 mei 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW5415; Rb. Den Haag 1 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9231. Van Nispen meende voor de invoering van art. 6:167 BW dat deze veroordeling beter kan worden gezien als een bevel tot voorkoming van verdere schade (Van Nispen 1978 p. 68) maar erkent dat anderen de veroordeling vaak opvatten als schadevergoeding in natura (Van Nispen 2018, p. 33).
Art. 6:167 lid 2 bepaalt daarentegen dat een rectificatie ook kan worden gevorderd van degene die niet aansprakelijk is omdat de publicatie hem wegens onbekendheid met de onjuistheid of onvolledigheid niet kan worden toegerekend. Dit artikellid codificeert een betamelijkheidsnorm en deze veroordeling kan beter worden gezien als een species van het rechterlijk bevel, zie TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 666; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/303. Cruciaal onderscheid is, niet zonder reden, dat de kosten van rectificatie dan voor eiser kunnen worden gelaten, zie art. 6:167 lid 3 BW.
TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 666.
Vgl. De Rey 2019b, p. 206 onder verwijzing naar Lindenbergh 1999, p. 1699, die deze beperking slechts summierlijk aanstipt.
Naar Duits recht is de systematiek dan ook anders: de beperking tot vermogensschade geldt alleen voor § 251 BGB en niet voor § 249 BGB, zie Oetker 2019, randnummers 321-322; Koziol 2012, p. 298.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 372; Stolker 1988, p. 1-5.
Uijtenbroek e.a. 2008; Van Dijck 2017a; Van Dijck 2017b.
Zie bijvoorbeeld Verheij 2010. Empirisch onderzoek suggereert, overigens, dat ze desalniettemin wel degelijk effect kunnen hebben, zie daarover met nadere verwijzingen: Van Dijck 2017b, p. 298.
Ik dank Thijs Beumers voor dit inzicht.
Cruciaal lijkt ook hier dus weer te zijn dat de eiser kan wijzen op een belang dat uitstijgt boven een financieel belang. Maar als dat zo is, dan rijst de vraag of het nodig is om het toepassingsbereik te beperken tot gevallen waar een eiser een zaak waarbij hij een aanvullend belang heeft, is kwijtgeraakt of misgelopen, maar daarop geen goederenrechtelijke aanspraak heeft. Natuurlijk liggen die gevallen voor de hand, omdat schadevergoeding in natura daar nogal voor de hand ligt, maar in principe is er geen reden om het toepassingsbereik tot die gevallen te beperken. Sterker nog, er is reden om te denken dat de schadevergoeding in natura juist een rol te spelen heeft buiten de quasi-goederenrechtelijke context.
Het standaardgeval van rectificatie uit artikel 6:167 lid 1 BW kan gezien worden als een species van de schadevergoeding in natura.1 Dat lid bepaalt dat wie jegens een ander aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard op vordering van die ander kan worden veroordeeld tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze.2 Waar de publicatie niet onjuist of onvolledig is, maar desalniettemin onrechtmatig jegens de persoon over wie de publicatie gaat, is de eiser aangewezen op de schadevergoeding in natura.3 Belangrijke toegevoegde waarde van deze bepaling is dat zij expliciet duidelijk maakt dat niet vereist is dat vermogensschade wordt geleden.4 Sterker nog, deze remedie wordt niet geraakt door het gesloten stelsel van de artikelen 6:95 en 6:106 BW. Waar schadevergoeding in geld alleen mogelijk is als het gaat om vermogensschade of in de wet omschreven immateriële schade, is de rectificatie bij uitstek toewijsbaar in gevallen waarin schade is geleden die niet onder één van die twee categorieën te scharen valt.
Die benadering roept dan wel de vraag op welk systeem gevolgd zou moeten worden voor de schadevergoeding in natura. Zou hier, net als bij de rectificatie, geen beperking moeten gelden omdat niet-monetaire schade vergoed wordt in een andere vorm dan in geld? Of zou hier het feit dat naar Nederlands recht in beginsel geen aanspraak bestaat op vergoeding van schade die buiten het systeem van de artikelen 6:95 en 6:106 BW valt, de doorslag moeten geven? Wetssystematisch is er alle reden te denken dat de beperkingen van de vergoeding van immateriële schade door de artikelen 6:95 en 6:106 BW evengoed zouden moeten gelden voor de schadevergoeding in natura.5 Deze remedie is immers slechts een in bijzondere gevallen toe te wijzen alternatief voor schadevergoeding in geld. Normatief is die redenering echter minder sterk.6 De in de Parlementaire Geschiedenis en literatuur aangevoerde gronden voor de beperkingen die het stelsel van artikel 6:95 en 6:106 BW aanbrengt, lijken vooral te zijn gelegen in het feit dat leed en schadevergoeding ongelijke grootheden zijn; verdriet wordt niet gecompenseerd met geld.7 Die moeilijkheid zou zich bij een niet-monetaire vergoeding nu juist niet voordoen, wat de vraag oproept of hier niet ruimte zou moeten zijn om nieuwe vormen van vergoeding toe te staan.
In de afgelopen jaren gaan in de literatuur bijvoorbeeld steeds meer stemmen op om een vordering tot afgedwongen excuses mogelijk te maken.8 Hoewel natuurlijk betoogd kan worden dat afgedwongen excuses minder effectief zijn dan oprechte excuses,9 is het maar zeer de vraag in hoeverre dat zou moeten uitmaken. Als een eiser onrecht is aangedaan dat niet in geld kan worden uitgedrukt en de eiser meent dat dit immateriële leed passend kan worden weggenomen met afgedwongen excuses, is het dan aan de rechter om te zeggen dat dat niet zo is?10 Denk daarbij aan normen die beschermen tegen discriminatie of die de goede naam beschermen. Natuurlijk beschermen die normen de vermogensbelangen van potentiële slachtoffers, maar ze beschermen daarnaast ook de waardigheid. Als een eiser in zo’n geval behoefte heeft aan excuses van de wederpartij en we in het algemeen aannemen dat excuses een zeker – zij het niet volledig – vergoedend effect kunnen hebben, waarom zou het stelsel van de artikel 6:95 en 6:106 BW daar dan aan in de weg moeten staan?