De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.5.6:3.5.6 Samenvatting en conclusies
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.5.6
3.5.6 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388538:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sinds de laatste eeuwwisseling zijn er diverse wetgevingsinitiatieven geweest die ten doel hadden en hebben om governance bij semipublieke instellingen (woningcorporaties, zorginstellingen en scholen die overheidsgeld ontvangen) te verbeteren. Daarbij werd steeds gezocht naar de optimale balans tussen de bevoegdheden van het bestuur en de raad van toezicht en (organen van) belanghebbenden.
Wetgevingsinitiatieven die ten doel hadden om de “maatschappelijke onderneming” als aparte rechtsvorm of als modaliteit van de stichting in Boek 2 BW, met een verplichte raad van toezicht en verplichte belanghebbendenvertegenwoordiging, te regelen sneuvelden uiteindelijk. Men meende dat de voorgestelde regels over de maatschappelijke onderneming geen zinvolle aanvulling vormen op de bepalingen in Boek 2 BW en dat zij geen betere waarborgen bieden voor intern toezicht en belanghebbendenvertegenwoordiging dan de reeds bestaande sectorregels en sectorale governancecodes.
Steeds vaker werden regels van bestuur en toezicht bij semipublieke instellingen niet alleen opgenomen en uitgewerkt in sectorcodes maar ook in sectorspecifieke wet- en regelgeving. Zo werd in sectorwetgeving voor zorginstellingen en woningcorporaties het interne aansprakelijkheidsrecht (artikel 2:9 BW) voor leden van de raad van toezicht van toepassing verklaard en werd aan belanghebbendenorganen enquêterecht toegekend. De vraag kwam op of dergelijke regels niet beter thuis horen in Boek 2 BW.
Vanaf 2012 en 2013 deden zich spraakmakende incidenten voor bij semipublieke instellingen en werd gesproken over “falend toezicht”. De Commissie Halsema kreeg tot taak om gedragsregels op te stellen voor professioneel en ethisch verantwoord handelen van bestuurders en toezichthouders in de semipublieke sector. In haar Rapport constateerde de Commissie dat van belang is dat de taak van bestuurders en interne toezichthouders voldoende duidelijk is en dat bestuurders en toezichthouders interne tegenspraak organiseren. De Commissie adviseerde om civielrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders verder aan te scherpen. Voorts werd geadviseerd om aan de externe toezichthouder meer bevoegdheden toe te kennen, zoals de bevoegdheid tot het instellen van een enquête en het recht om bestuurders via de rechter te ontslaan. In aanvulling daarop adviseerde de WRR het interne toezicht te verplichten om vaker de externe toezichthouder te informeren over risicovolle zaken.
In reactie op het rapport van de Commissie Halsema en andere rapporten verschenen achtereenvolgens in 2014 het Voorontwerp btrp en in 2016 het Wetsvoorstel btrp, die ten doel hebben de kwaliteit van bestuur en toezicht bij semipublieke instellingen die de vorm van een stichting (of vereniging) hebben, te verbeteren. Het Wetsvoorstel btrp richt zich echter niet alleen op semipublieke instellingen, maar op alle soorten stichtingen, waaronder stichtingen met een private doelstelling. In het Wetsvoorstel btrp, dat op dit moment ter behandeling bij de Tweede Kamer ligt, wordt een basis geboden voor de instelling van een raad van toezicht bij de stichting. Middels uniforme wettelijke regels die gelden voor alle rechtspersonen, worden de taak en aansprakelijkheid van leden van de raad van toezicht geregeld. Het Wetsvoorstel btrp bevat voorts – onder meer – een regeling voor tegenstrijdig belang van leden van de raad van toezicht en geeft de raad van toezicht de bevoegdheid om bestuurders te schorsen.