Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/9.5
9.5 Tot besluit
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301661:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Dit betreffen vragen ten aanzien van het bedrijfsbegrip van art. 6:181 (par. 1.1.1), het gebruiksbegrip (par. 1.1.2), het functioneel verband-vereiste (par. 1.1.3), de voor opstallen geldende tenzij-clausule in art. 6:181 lid 1 (par. 1.1.4), de verhouding tussen de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker en de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde bezitter (par. 1.1.5), alsmede de verhouding tussen meerdere bedrijfsmatige gebruikers in geval van het ter beschikking stellen van zaken (par. 1.1.6).
Vgl. de strekking van het – door mij overbodig geachte – tweede (en ook derde) lid van art. 6:181.
Vgl. de rechtsregel uit o.a. HR 12 mei 2000, NJ 2001/300, m.nt. Hijma (Verhuizende zusjes) en HR 7 april 2006, NJ 2006/244 (Bildtpollen/Miedema).
Deze studie ving aan met de casus van een carnavalsvereniging, waarin diverse vraagstukken betreffende de toepassing van art. 6:181 liggen besloten. De vereniging liet andermans paard meelopen in de jaarlijkse carnavalsoptocht, vervoerde dit dier met behulp van andermans veewagen, bediende zich van andermans cirkelzaag om een praalwagen te bouwen en verrichte de diverse voorbereidende werkzaamheden in andermans loods, waarin bovendien het carnavalspaard tijdelijk werd gestald. Bezien we nu aan het einde van dit onderzoek nogmaals de diverse aansprakelijkheids- en verzekeringskwesties die zich rondom de carnavalsvereniging afspeelden,1 dan blijkt daaromtrent met betrekking tot de toepassing van art. 6:181 het volgende.
De vereniging valt als (voldoende) ‘professioneel’ onder het bedrijfsbegrip van art. 6:181: van een handelen in de particuliere sfeer of als ‘consument’ was geen sprake. Dat het paard om niet aan de vereniging ter beschikking is gesteld en de vereniging geen winstoogmerk heeft, maakt dit niet anders: het profijtbeginsel is niet beslissend voor de toepassing van art. 6:181.
Wanneer de vereniging het van de particuliere bezitter betrokken paard laat meelopen tijdens de optocht, voldoet de vereniging ook aan het gebruiksbegrip van art. 6:181: er is sprake van een feitelijk handelen met het dier. Overigens valt reeds het enkele onder zich houden van een dier al onder het gebruiksbegrip van art. 6:181. Zo geldt de vereniging ook als ‘gebruiker’ van het paard wanneer zij dit dier in de loods op stal zet, in afwachting van de start van de optocht. In dat geval is bovendien sprake van het onder zich houden van het dier ‘met het oog op’ een feitelijk handelen (het laten meelopen in de optocht), hetgeen evenzeer kwalificeert als ‘gebruik’ ex art. 6:181. Ook het vervoeren van het paard door de carnavalsvereniging in een veewagen heeft in beginsel als ‘gebruik’ van dit dier te gelden. Ook nu geldt dat het onder zich houden van een dier daartoe al voldoende is, terwijl ook kan worden gezegd dat van het enkele vervoeren geen sprake is maar van het vervoeren ‘met het oog op’ een feitelijk handelen (laten meelopen in de optocht).
De vereniging geldt ook als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van de door de bouwmarkt tegen een vergoeding ter beschikking gestelde cirkelzaag. Door het feitelijk handelen met deze zaak wordt de vereniging geacht het aansprakelijkheidsrisico van schade door een (verborgen) gebrek te hebben aanvaard. Nu de vereniging de grootste mate van invloed heeft op de aan de zaak verbonden risico’s, rust alleen op haar als ‘eindgebruiker’ de kwalitatieve aansprakelijkheid; lid 2 van art. 6:181 kan hiertoe gemist worden. Is evenwel sprake van een productiegebrek in de cirkelzaag, dan wordt de aansprakelijkheid gekanaliseerd naar de in afd. 6.3.3 BW producent. Het is dan immers deze laatste die ‘een grotere mate van verantwoordelijkheid draagt’ voor de door de gebrekkige zaak aangerichte schade.
Ook de van een transportbedrijf afkomstige veewagen waarin de vereniging het paard vervoert, wordt door de vereniging ‘gebruikt’. Wederom omdat sprake is van een feitelijk handelen met de zaak, hetgeen ‘risicoaansprakelijkheidsaanvaarding’ in geval van een (verborgen) gebrek in de zaak met zich brengt. Ook nu is enkel de vereniging als degene met de meeste invloed op de aan de zaak verbonden risico’s – als ‘laatste in de keten’ – met de kwalitatieve aansprakelijkheid belast en is art. 6:181 lid 2 voor dit resultaat niet nodig. Dat de veewagen op ‘ad hoc-basis’ tegen vergoeding ter beschikking werd gesteld door het transportbedrijf en zijn activiteiten, anders dan die van de bouwmarkt, niet (mede) bestaan uit het aan anderen ter beschikking stellen van zaken (verhuur/leasing) maakt dit niet anders. Is sprake van een productiegebrek in de veewagen, dan zal ook hier de producent als ‘meest verantwoordelijke’ hebben te gelden.
Komt tijdens de activiteiten van de vereniging in de gehuurde loods het dak daarvan plotseling naar beneden, dan zal de vereniging veelal als ‘toevallige’ gebruiker van de opstal hebben te gelden die niets van doen heeft met het schadeveroorzakende gebrek. Voor schade door ‘eigen’ gebreken in de loods draagt de eigenaar/bezitter van de opstal uit art. 6:174 de aansprakelijkheid. Dit is anders wanneer sprake zou zijn van instorting van het dak te wijten aan bijvoorbeeld een overmatig trillen en schokken door de werkzaamheden die de carnavalsvereniging in de loods verricht. Alsdan heeft niet de eigenaar maar de vereniging als ‘meest verantwoordelijk’ voor het ontstaan van de schade te gelden. De tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 is voor de voornoemde risicoverdeling niet nodig; zij wordt geacht de grondnorm van de vuistregel uit art. 6:181 lid 1 nog eens uit te drukken.
Het ‘gebruik’ dat de vereniging van het paard, de veewagen en de cirkelzaag in de zin van art. 6:181 maakt, vindt plaats ‘in de uitoefening van’ haar bedrijf. De band tussen de activiteiten van de vereniging en de inzet van deze zaken is sprekend: aan de elementen van kansvergroting en zeggenschap is voldaan. Nu het gebruiksbegrip van art. 6:181 echter al een vergelijkbare toets aanlegt, komt het functioneel verband-vereiste van art. 6:181 nauwelijks zelfstandige betekenis toe; ook zij drukt veeleer de grondnorm van art. 6:181 lid 1 nog eens uit. Zo kan bij gebreke van kansvergroting en zeggenschap met betrekking tot de loods gezegd worden dat de vereniging daarvan niet de in art. 6:181 bedoelde ‘gebruiker’ is ofwel dat de loods niet ‘in de uitoefening van’ haar bedrijf wordt gebruikt. In grensgevallen zou het functioneel verband-vereiste van art. 6:181 niettemin verhelderend kunnen werken: de voorzitter van de carnavalsvereniging laat zijn dochter thuis, in de privésfeer een ritje op het carnavalspaard maken. Geïnspireerd op het functioneel verband van art. 6:170, lijkt (toch) toepassing aan art. 6:181 gegeven te kunnen worden: het functioneel verband kent als uitgangspunt een ruime uitleg, terwijl de ‘bedrijfsactiviteiten’ van de vereniging de gelegenheid voor het schadeveroorzakende gebruik (berijdster wordt afgeworpen) hebben geschapen, daarover via de persoon van de voorzitter namens de vereniging een zekere zeggenschap bestaat, het paard als een bij het ongeval betrokken hulpmiddel van de vereniging kan worden gezien en het gebruik van dit dier strekte tot motivatie van de dochter – die zelf ook lid van de vereniging was – om zich voor de vereniging te blijven inzetten. De vereniging zou in dit schadegeval zodoende toch geacht kunnen worden het paard ‘in de uitoefening van’ haar activiteiten te hebben gebruikt. Of over een andere boeg: op het moment van de schadeveroorzaking kwalificeerde de vereniging toch ‘als’ gebruiker van het dier. Of nog weer anders: de vereniging gebruikte het dier toch ‘als’ bedrijf.
Is de carnavalsvereniging binnen het stelsel van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 als bedrijfsmatige gebruiker eenmaal belast met de kwalitatieve aansprakelijkheid voor de door het paard, de veewagen, cirkelzaag of loods aangerichte schade, dan is zij ten opzichte van de bezitter of het ‘uitlenende’ bedrijf daarvan exclusief aansprakelijk. Een cumulatieve aansprakelijkheid voor dezelfde schade van de bedrijfsmatige gebruiker én bezitter dan wel van meerdere bedrijven in geval van terbeschikkingstelling, staat op gespannen voet met de grondgedachte van art. 6:181: de aansprakelijkheid behoort steeds te berusten bij degene die in de beste positie verkeert op de aan de zaak verbonden risico’s invloed uit te oefenen en schade te voorkomen. In geval van bedrijfsmatig gebruik van andermans zaak, wordt de bezitter geacht daarmee nog een te weinig sprekende band te hebben om zijn veronderstelde zorgplicht met betrekking tot die zaak waar te kunnen maken. Eenzelfde gedachte gaat op voor het ‘uitlenende’ bedrijf dat een zaak aan een ander ter beschikking heeft gesteld voor gebruik in de uitoefening het bedrijf van deze ‘inlener’.2 Is evenwel sprake van een gezamenlijk gebruik door meerdere bedrijven van dezelfde zaak, dan bestaat de mogelijkheid van een hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 6:181 lid 1.
Het leek mij niet verkeerd dit onderzoek op het terrein van het civiele aansprakelijkheidsrecht af te ronden met een relativerende kanttekening. Bij eenieder die zich professioneel bezighoudt met het aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht ligt, in beslag genomen door enkel de gevallen waarin gevaren zich hebben verwezenlijkt en schade is geleden, een zekere beroepsdeformatie op de loer. Niet uit het oog moet echter worden verloren dat in zowel de particuliere als professionele sfeer op velerlei manieren gevaarscheppend wordt gehandeld, maar dat bepaald niet iedere bezigheid waaraan zekere gevaren zijn verbonden ook tot een verwezenlijking daarvan leidt.3 Zo ook in de casus van het carnavalspaard: nadat de praalwagen mede door de inzet van de cirkelzaag tijdig en droog onder het dak van de loods kon worden afgebouwd, werd het met de veewagen aangevoerde paard door de leden van de carnavalsvereniging voor de praalwagen gespannen, waarna dit dier monter meeliep in de feestelijke optocht die tot genoegen van de toeschouwers door het dorp trok.