Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/5.6.1
5.6.1 Het pleitbare standpunt in Duitsland
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS569910:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van § 15 Strafgesetzbuch leidt uitsluitend opzettelijk handelen tot een strafbaar feit.
§378 AO verlangt geen schuld oftewel Fahrlässigkeit, maar grove schuld oftewel Leichtfertigkeit.
BGH 5 maart 1986, 2 StR 666/85, BGH 8 september 2011, 1 StR 38/11, rdnr. 19: “Nach ständiger Rechtsprechung des Bundesgerichtshofs gehört zum Vorsatz der Steuerhinterziehung, dass der Täter den Steueranspruch dem Grunde und der Höhe nach kennt oder zumindest für möglich hält und ihn auch verkürzen will… es genügt, dass der Täter die Verwirklichung der Merkmale des gesetzlichen Tatbestands für möglich hält und billigend in Kauf nimmt…”
Ondanks deze jurisprudentie is het in de Duitse literatuur omstreden of het niet-weten dat het belastingrecht onjuist wordt geïnterpreteerd of toegepast een Tatbestandsirrtum inhoudt, als gevolg waarvan het opzet vervalt, of een Verbotsirrtum, dat slechts als het unvermeidbar is – als aan voorwaarden is voldaan die overeenkomen met de voorwaarden die voor verontschuldigbare rechtsdwaling gelden – tot straffeloosheid leidt. C.J.M. Safferling, Vorsatz und Schuld. Subjektive Täterelemente im deutschen und englischen Strafrecht, Tübingen: Mohr Siebeck 2008, p. 150-152, Toifl 2010, p. 252, K. Tipke, J. Lang, Steuerrecht – Ein systematischer Grundriß, Köln: Verlag Otto Schmidt 2013, p. 1271-1272. C.J.M. Safferling, K. Tipke und J. Lang stellen dat het niet-weten “slechts” een Verbotsirrtum inhoudt. Het Bundesgerichtshof heeft de vraag in BGH 8 september 2011, 1 StR 38/11, rdn. 22 en 23 opgeworpen maar niet beantwoord.
BGH 5 maart 1986, 2 StR 666/85: “Ein Irrtum über das Bestehen des Steueranspruchs stelle einen (vorsatzausschließenden) Tatbestandsirrtum da…Angesichts der kontroversen Rechtsprechung der Finanzgerichte…ist auch die Verneinung einer leichtfertigen Steuerverkürzung rechtsfehlerfrei.” H. Dörn, ‘Steuerhinterziehung und Steuerstrafrecht’, Wistra 1992/7, p. 241, H. Dörn, ‘Hinweispflicht bei Abweichung von der Rechtsansicht von der Finanzverwaltung?’, Wistra 2000/9, p. 334-336.
Tipke und Lang 2013, p. 1265.
Dörn 1992, p. 241-247.
Dörn 1992, p. 241-242, G. Kohlmann, Steuerstraf- und Steuerordnungswidrigkeitenrecht einschließlich Verfahrensrecht. Kommentar zu den §§ 369-412 AO 1977, Köln: Verlag Otto Schmidt 2003, p. 64, K. Franzen, B. Gast-de Haan, Steuerstrafrecht mit Zoll- und Verbrauchsteuerstrafrecht, Kommentar §§ 369-412 AO, StraBEG, § 32 ZollVG, bearbeitet von B. Gast-de Haan, W. Joecks, M. Jäger, K. Randt, R. Voss, München: Verlag C.H. Beck 2005, p. 191, 192, Tipke und Lang 2013, p. 1265.
BGH 8 augustus 1985, 2ARs 223/85, een zaak waarin een belastingadviseur de verdachte was: “Wenn sich Rechtsanwalt Dr. H. somit der “objektiven Zweifelhaftigkeit der Rechtsfrage”… bewußt war, so hätte er seinem Mandanten… den Rat geben müssen, dem Finanzamt jedenfalls den Sachverhalt mitzuteilen.”, BGH 19 december 1990, 3 StR 90/90, rdnr. 75: “Es ergibt sich unmittelbar aus dem Gesetz, daß es dem Steuerpflichtigen nicht etwa freisteht, den Steuerbehörden aus einem Gesamtsachverhalt nur einen Teil der Tatsachen richtig vorzutragen und sie im übrigen unter Berufung auf eine nicht zu erkennen gegebene unzutreffende eigene rechtliche Bewertung des Vorgangs zu verschweigen, obwohl die Einzelheiten für die steuerliche Beurteilung bedeutsam sein können. Nach § 90 Abs. 1 Satz 2 AO haben die Beteiligten im Rahmen ihrer Mitwirkungspflicht im Besteuerungsverfahren ‘die für die Besteuerung erheblichen Tatsachen vollständig und wahrheitsgemäß offenzulegen’.”
Er is in oudere lagere jurisprudentie ook wel aangenomen dat een belastingplichtige bij de opgave van de feiten in zijn aangifte wel uitsluitend moet kunnen uitgaan van zijn vertretbare Rechtsauffassung. OLG Düsseldorf 2 februari 1989, aangehaald door H. Dörn in Dörn 1992, p. 244: “Die Angabe…ist solange nicht unrichtig…wie ihr eine vertretbare, auch von der Meinung der Finanzverwaltung abweichende Rechtsansicht zugrunde liegt.”
Deze opvatting is in Nederland terug te vinden in Wattel 1989, p. 55 en Valkenburg en Van der Werff 2014, p. 61.
Tipke und Lang 2013, p. 1265, I. Flore, M. Tsambikalis, Steuerstrafrecht. Kommentar, Köln: Carl Heymanns Verlag 2016, p. 445, 446.
BGH 10 november 1999, 5 StR 221/99, rdnr. 25: “… wenn die von dem Steuerpflichtigen vertretene Auffassung über die Auslegung von Rechtsbegriffen oder die Subsumtion bestimmter Tatsachen von der Rechtsprechung, Richtlinien der Finanzverwaltung oder der regelmäßigen Veranlagungspraxis abweicht.” K. Randt, ‘Reichweite und Grenzen der steuerliche Erklärungspflicht im Steuerstrafrecht’, in: W. Spindler, K. Tipke, T. Rödder (red.), Steuerzentrierte Rechtsberatung, Köln: Verlag Otto Schmidt 2009, p. 1255-1267.
H. Dörn, ‘Hinweispflicht bei Abweichung von der Rechtsansicht von der Finanzverwaltung?’, Wistra 2000/9, p. 334-342, Toifl 2010, p. 207, R. Seer, M. Krumm, ‘Die Kriminalisierung der Cum-/ Ex-Dividende Geschäfte als Herausforderung für den Rechtsstaat (Teil 2)’, DStR 35/2013, p. 1816, voetnoot 67.
Tipke und Lang 2013, p. 1265.
BGH 10 november 1999, 5 StR 221/99, rdnr. 26: “… da er von der von ihm mit der Klärung dieser Frage beauftragten Steuerkanzlei ausdrücklich darauf hingewiesen worden war…” In deze uitspraak heeft het BGH daarnaast overwogen dat het opzet werd bevestigd door de omstandigheid dat de belastingplichtige naderhand onjuiste informatie had verstrekt.
BGH 23 februari 2000, StR 570/99, rdnr. 14. Uit deze uitspraak is ook op te maken, dat het Bundesgerichtshof een objectieve werking van het pleitbare standpunt, die mee zou brengen dat er bij een pleitbaar standpunt zonder meer niet kan worden gesproken van opzet of grove schuld, niet volgt: “Für 1994 konnte das Verhalten des Angeklagten nich durch den Zeitungsartikel vom 27. Juni 1996 beeinflußt worden sein, da der für die Vollendung und Beendigung der Tat maßgebliche Abschluß der Veranlagungsarbeiten der Finanzbehörden bereits Ende Mai 1996 erfolgt war.”
BGH 16 december 2009, 1 StR 491/09, rdnr. 44: “Leichtfertig handelt, wer die Sorgfalt außer Acht lässt, zu der er nach den besonderen Umständen des Einzelfalls und seinen persönlichen Fähigkeiten und Kenntnissen verpflichtet und imstande ist, obwohl sich im aufdrängen musste, dass dadurch eine Steuerverkürzung eintreten wird…”, BGH 8 september 2011, 1 StR 38/11, rdnr. 16.
BGH 15 november 1994, 5 StR 237/94, BGH 11 oktober 2012, 1 StR 213/10 (een niet fiscale zaak), rdnr. 75: “Unvermeidbar ist ein Verbotsirrtum erst dann, wenn der Täter alle seine geistigen Erkenntniskräfte eingesetzt und etwa aufkommende Zweifel durch Nachdenken oder erforderlichenfalls durch Einholung verlässlichen und sachkundigen Rechtsrats beseitigt hat”.
BGH 11 oktober 2012, 1 StR 213/10 (een niet fiscale zaak), rdnr. 75: “Bei der Auskunftsperson ist dies der Fall, wenn sie die Gewähr für eine diesen Anforderungen entsprechende Auskunftserteilung bietet, sie muss insbesondere sachkundig und unvoreingenommen sein und mit der Erteilung der Auskunft keinerlei Eigeninteresse verfolgen.”
Dörn 1992, p. 244.
Op grond van § 370 lid 1 Abgabenordnung (AO), de Duitse equivalent van de AWR, leidt het opzettelijk onjuist of onvolledig aangeven van fiscaal relevante feiten tot bestraffing indien daardoor te weinig belasting wordt betaald of ten onrechte een belastingvoordeel wordt verkregen.1 Onder opzet wordt ook Eventualvorsatz of bedingte Vorsatz begrepen, oftewel voorwaardelijk opzet, waarbij de belastingplichtige niet alleen ernstig voor mogelijk houdt, maar ook op de koop toeneemt dat hij feiten onjuist of onvolledig verstrekt.2 Als de zojuist genoemde gedraging niet opzettelijk maar leichtfertig oftewel met grove schuld heeft plaatsgevonden, kan op grond van § 378 lid 1 AO worden gesproken van een beboetbaar feit.3
Deze straf- en boetebepaling verschillen van de Nederlandse straf- en boetebepalingen die verband houden met het doen van een onjuiste aangifte. De in § 370 lid 1 en 378 lid 1 AO genoemde gedraging bestaat namelijk uit het onjuist of onvolledig verstrekken van feiten, terwijl in de Nederlandse straf- en boetebepalingen het doen van een onjuiste belastingaangifte, -heffing of -betaling strafbaar of beboetbaar is gesteld, ongeacht de oorzaak van de onjuistheid.
Zoals eerder in dit onderzoek, in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4.3.5.2 uiteengezet, lijkt het in § 370 lid 1 AO genoemde opzet ook te moeten zien op onjuiste interpretatie of toepassing van het belastingrecht. Volgens het Bundesgerichtshof (BGH), de Duitse equivalent van de Hoge Raad, moet een belastingplichtige zich namelijk bij fiscale strafbepalingen op grond van de zogenoemde Steueranspruchstheorie bewust zijn geweest van het ontstaan en de hoogte van de mogelijke belastingverplichting.4 Het maakt voor deze bewustheid niet uit of het ontstaan en de hoogte van de belastingverplichting (mede) voortvloeit uit interpretatie of toepassing van het belastingrecht. De Steueranspruchstheorie lijkt zo een zekere kleuring van het opzet met zich mee te brengen.5
In oudere jurisprudentie heeft het Bundesgerichtshof nog wel geoordeeld dat de omstandigheid dat een belastingplichtige in zijn belastingaangifte is uitgegaan van een onjuiste, maar vertretbare Rechtsauffassung, oftewel een verdedigbaar standpunt over de interpretatie of toepassing van het recht, tot het ontbreken van opzet of grove schuld leidt.6 Het Bundesgerichtshof heeft echter vaker uitspraken gedaan waarin de vertretbare Rechtsauffassung een andere invloed heeft op het bewijs van het strafbare of beboetbare feit. Dit houdt verband met de delictsomschrijvingen van § 370 lid 1 en 378 lid 1 AO die, zoals zojuist opgemerkt, spreken van het onjuist of onvolledig aangeven van fiscaal relevante feiten en niet van onjuiste Rechtsauffassungen.7 Hiervan uitgaande hoeft een in de aangifte verwerkte onjuiste, maar vertretbare Rechtsauffassung op zichzelf geen onjuiste of onvolledige opgave in de zin van deze straf- en boetebepalingen in te houden.8 Een dergelijke Rechtsauffassung kan echter wel weer een onjuiste of onvolledige opgave van de fiscaal relevante feiten tot gevolg hebben.9 Volgens het Bundesgerichtshof staat het een belastingplichtige in dat geval niet vrij om alleen die feiten aan te geven die uitgaande van zijn Rechtsauffassung relevant zijn.1011
In het verlengde hiervan heeft het Bundesgerichtshof in 1999 geoordeeld dat een belastingplichtige de vrijheid heeft om, openlijk of verborgen, zijn eigen standpunt in te nemen.12 Een onjuiste Rechtsauffassung is op zichzelf volgens het Bundesgerichtshof inderdaad geen fiscaal relevant feit.13 De aangifte hoeft derhalve niet conform de Empfängerhorizont, oftewel conform het standpunt van de belastingdienst, te worden ingediend.14 Dit neemt niet weg dat de belastingplichtige volgens het Bundesgerichtshof verplicht is om alle fiscaal relevante feiten aan te geven, zodat de belastingdienst in staat is een eigen oordeel over de belastingheffing te vormen.15 Een belastingplichtige moet derhalve, om te voorkomen dat hij een strafbaar of beboetbaar feit in de zin van § 370 lid 1 en 378 lid 1 AO pleegt, niet alleen de feiten aangeven die op basis van de door hem gevolgde Rechtsauffassung van belang zijn, maar ook alle overige relevante feiten. Hiertoe moet de belastingplichtige volgens het Bundesgerichtshof overgaan als zijn Rechtsauffassung objektiv zweifelhaft oftewel objectief voor twijfel vatbaar is. Van objectieve twijfel kan in ieder geval worden gesproken als de door de belastingplichtige ingenomen Rechtsaufassung afwijkt van de jurisprudentie, de richtlijnen van de belastingdienst of van de bestendige rechtspraktijk.16
De verplichting om alle relevante feiten aan te geven is door het Bundesgerichtshof op § 90 lid 1 AO tweede volzin gebaseerd.17 Hierin is bepaald dat de reikwijdte van de verplichting om feiten te verstrekken wordt ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval.
De Nederlandse wetgeving kent de verplichting om alle fiscaal relevante feiten juist en volledig mee te delen niet. In Nederland ziet zowel de verplichting om aangifte te doen,18 als de verplichting om informatie te verstrekken,19 namelijk uitsluitend op het verstrekken van informatie waarom is verzocht. § 90 lid 1 AO lijkt dan ook een ruimere werking te hebben dan de Nederlandse informatieverplichtingen.
Hoewel de zojuist besproken uitspraak van het Bundesgerichtshof in de Duitse literatuur is bekritiseerd,20 is deze nog steeds maatgevend.21 Het innemen van een pleitbaar standpunt leidt in de Duitse fiscale straf- en boetejurisprudentie dus niet tot een strafbare of beboetbare gedraging, zolang de belastingplichtige de belastingdienst maar in staat heeft gesteld een eigen oordeel te vormen. Als de belastingplichtige echter, door uitsluitend van zijn pleitbare standpunt uit te gaan, niet alle fiscaal relevante feiten juist en volledig heeft aangegeven, heeft hij een strafbare of beboetbare gedraging in de zin van § 370 lid 1 en 378 lid 1 AO begaan. In dat geval hangt het vervolgens af van de subjectieve omstandigheden – de mate van zorgvuldig en voorzichtig handelen, de persoon, het weten en willen van de belastingplichtige – of die onjuiste of onvolledige opgave van fiscaal relevante feiten opzettelijk, grofschuldig of met een unvermeidbar Verbotsirrtum, een vorm van verontschuldigbare rechtsdwaling, heeft plaatsgevonden.
In situaties waarin de belastingplichtige zich bewust is geweest van de mogelijkheid dat zijn Rechtsauffassung onjuist was, maar de belastingdienst toch niet van alle fiscaal relevante feiten op de hoogte heeft gebracht, kan tot voorwaardelijk opzet worden geconcludeerd. Hiertoe is bijvoorbeeld besloten in de zojuist besproken uitspraak uit 1999, in de situatie waarin de belastingplichtige bij de opgave van de fiscaal relevante feiten uitsluitend van zijn Rechtsauffassung was uitgegaan, terwijl hij door zijn gemachtigde erop was gewezen dat de door hem ingenomen Rechtsauffassung met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid onjuist was,22 en in een situatie waarin de verdachte gemachtigde geen jurisprudentie kende die zijn Rechtsauffassung ondersteunde, maar wel jurisprudentie die zijn standpunt ontkrachtte.23 Ook in een situatie waarin een belastingplichtige zijn Rechtsauffassung op een krantenartikel baseerde, terwijl in hetzelfde artikel stond opgemerkt dat de belastingdienst een ander standpunt innam, heeft het Bundesgerichtshof voorwaardelijk opzet niet uitgesloten.24
Een belastingplichtige die uitsluitend uitgaande van zijn Rechtsauffassung niet alle fiscaal relevante feiten juist en volledig heeft aangegeven, kan daarnaast grove schuld worden verweten.25 De zorgvuldigheid brengt volgens het Bundesgerichtshof namelijk mee dat een belastingplichtige die enig besef moest hebben dat hij te weinig belasting zou kunnen betalen, gehouden is informatie in te winnen over zijn fiscale positie.26 Op grond hiervan komt het volgens het Bundesgerichtshof regelmatig voor dat een belastingplichtige van wie kon en mocht worden verwacht dat hij onderzoek zou hebben gedaan naar zijn fiscale positie, maar die daartoe niet is overgegaan en als gevolg daarvan de fiscaal relevante feiten niet juist en volledig aan de belastingdienst heeft meegedeeld, grofschuldig heeft gehandeld.27 Dit oordeel lijkt redelijk overeen te komen met de hiervoor in paragraaf 5.4.2 besproken jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, op grond waarvan een boete ook gehandhaafd kon blijven als de werkgever zich er niet bewust van was dat hij een andersluidend standpunt dan dat van de uitvoeringsinstantie had ingenomen.
Een vertretbare Rechtsauffassung kan in beginsel derhalve niet tot straffeloosheid leiden zolang de belastingdienst in staat is gesteld een eigen oordeel te vormen. Dit zou slechts anders kunnen zijn als de belastingplichtige zich kan beroepen op een unvermeidbar Verbotsirrtum. Hiervoor is vereist dat de belastingplichtige zich er niet bewust van is geweest dat zijn standpunt mogelijk onjuist was.28 Bij twijfel of het standpunt juist was, is een unvermeidbar Verbotsirrtum niet meer mogelijk.29 Van belang is niet of het standpunt verdedigbaar is,30 maar of de belastingplichtige zich door middel van een betrouwbare opinie,31 afkomstig van een betrouwbare instantie32 ervan heeft overtuigd dat hij een juist standpunt heeft ingenomen.
Naast het voorgaande is in de Duitse literatuur gesteld dat bij een vertretbare Rechtsauffassung bestraffing of beboeting op grond van § 370 en 378 AO in strijd zou kunnen komen met het Bestimmtheitsgebot van § 103 II van het Grundgesetz.33 Omdat er bij een vertretbare Rechtsauffassung ten tijde van het doen van de aangifte verschillende interpretaties of toepassingen van de onderliggende bepaling uit het belastingrecht mogelijk zijn geweest, zou de onjuiste interpretatie of toepassing van die onderliggende bepaling en daarmee van het al dan niet plegen van een strafbaar of beboetbaar feit onvoldoende voorzienbaar kunnen zijn geweest. Tot nu toe hebben het Bundesgerichtshof en het Bundesverfassungsgericht (BVerfG), het Duitse constitutionele hof, bij vertretbare Rechtsauffassungen nog niet geconcludeerd tot strijdigheid met het Bestimmtheitsgebot.34 Dit sluit aan bij de eerder in dit hoofdstuk, in paragraaf 5.5.5, gemaakte opmerking dat bij een pleitbaar standpunt in het algemeen niet zal kunnen worden gezegd dat de beslissing van de belastingrechter ten tijde van het doen van de aangifte onvoorzienbaar is geweest.