Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/4.2.2
4.2.2 Achtergronden
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hinarejos 2015a, p. 4 en 5.
DeVroe & Wouters 1996, p. 394 en Smits 1992, p. 703 en 704.
Zie onder andere Smits 1992, p. 703, Geelhoed 2003, p. 745 en DeVroe & Wouters 1996, p. 393.
Zie voor de verschillende argumenten Craig & De Búrca 2015, p. 729-730.
Zie ook Barents & Brinkhorst 2012, p. 666 en Geelhoed 2003, p. 737-739.
Barents & Brinkhorst 2012, p. 664-665 en Geelhoed 2003, p. 737-738.
Barents & Brinkhorst 2012, p. 665-666 en Geelhoed 2003, p. 738-739.
Zie voor de verschillende politieke en economische argumenten: Craig & De Búrca 2015, p. 730.
Wat later ook bleek na het uitbreken van de eurocrisis.
De EMU werd gezien als de volgende stap in de vervolmaking van het Europees economisch integratieproces na de totstandkoming van de interne markt.1 De gedachte achter de EMU was het opzetten van een monetaire unie, met één gezamenlijk monetair beleid en één gezamenlijke munt. Om een monetaire unie in stand te houden, zo werd algemeen aangenomen, was het noodzakelijk dat er ook een bepaalde mate van economische convergentie tussen de lidstaten aanwezig is.
Onder een monetaire unie wordt verstaan: het bestaan van een gezamenlijk bepaald monetair beleid met het doel gemeenschappelijke en macro-economische doelstellingen te verwezenlijken. Het bestaan van één gezamenlijke munt is niet noodzakelijk, maar de voordelen van een muntunie zijn met één gezamenlijke munt is wel optimaal.2 Een economische unie omvat een volledige geïntegreerde markt met een vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal, een vrije en onvervalste concurrentie, een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot mededinging, structurele veranderingen en regionaal beleid en waarbij het macro-economisch beleid wordt gecoördineerd en bindende regels voor het begrotingsbeleid van de lidstaten worden gehanteerd.3
De voorstanders van de oprichting van een EMU en vergaande monetaire integratie droegen daartoe verschillende argumenten aan. Het voeren van een gezamenlijk monetair beleid zou economische groei tot gevolg hebben en grotere prijsstabiliteit bewerkstelligen door middel van lage inflatie.4 Het hebben van een gezamenlijke munt zou daarnaast de interne markt in stand houden en optimaliseren.5 Een monetaire unie zou hieraan bijdragen omdat het bestaan van één wisselkoers en één munt onder andere transactiekosten, het fluctueren van wisselkoersen en speculatieve kapitaalstromen voorkomt.6 Een economische unie zou hieraan bijdragen, omdat de lidstaten in een interne markt te maken krijgen met het versmelten van nationale markten, waardoor het nationale handelsvermogen wordt ingeperkt en de onderlinge afhankelijkheid maakt dat negatieve ontwikkelingen in het ene land kunnen leiden tot negatieve gevolgen in andere landen (spill over-effect). Om deze risico’s te bestrijden zou dwingende coördinatie van nationaal economische politiek (ten minste) noodzakelijk zijn.7
De tegenstanders van de totstandkoming van een EMU brachten niet alleen economische maar ook politieke argumenten ter tafel.8 Zo werd beargumenteerd dat ten tijde van de totstandkoming van de EMU de lidstaten niet voldoende convergentie hadden bereikt en de houdbaarheid van de EMU daarmee in gevaar kwam.9 Anderen zagen in de totstandkoming van de EMU een aantasting van de nationale soevereiniteit. Niet alleen kreeg de EU een bepaalde mate van controle over het economisch beleid van de lidstaten, ook zouden de nationale lidstaten de mogelijkheid ontnomen worden om via monetair beleid, zoals het devalueren van de munt, controle uit te kunnen uitoefenen op het algemene economisch beleid in de lidstaten.
Ook werden er economische argumenten aangedragen tegen de totstandkoming van de EMU: een munt zou tot gevolg hebben dat de prijzen zouden stijgen en ook zou het spanningen op kunnen leveren tussen de lidstaten nu de economische omstandigheden in de lidstaten verschillende cycli hadden en omdat de lidstaten niet meer de mogelijkheid hadden om wisselkoersen te laten fluctueren konden ze zich ook niet aanpassen aan de economische cycli van de andere lidstaten.