Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.3.2.2
3.4.3.2.2 Is de werkelijk gerealiseerde opbrengst van belang op de waardering?
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630445:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 12 juli 2013, nr. 12/02319, BNB 2013/218.
Ook in het Chinese potarrest (inzake successierecht, paragraaf 3.6.4) heeft de Hoge Raad overwogen dat onder de waarde in het economische verkeer moet worden verstaan de prijs die bij aanbieding van een zaak op de voor die zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn betaald. Omdat er geen verkoopprijs op de overlijdensdatum was, kon de circa 2 jaar later gerealiseerde verkoopprijs als uitgangspunt worden genomen.
Bruins Slot 2017-2.
Indien na staking van een ib-onderneming nog vermogensbestanddelen worden aangehouden in afwachting van een geschikte gelegenheid tot verkoop, mogen deze vermogensbestanddelen nog tot het ondernemingsvermogen blijven worden gerekend (HR 25 oktober 1978, nr. 18 747, BNB 1979/56). Ondanks dat uit deze jurisprudentie niet expliciet blijkt dat de daadwerkelijk gerealiseerde verkoopprijs invloed heeft op de waarde op het moment van de sfeerovergang, wordt hiermee wel bereikt dat heffing beperkt blijft dat het gerealiseerde rendement. Zie ook paragraaf 4.4.3.1.
In de praktijk komt het regelmatig voor dat de belastingplichtige enige tijd na het waarderingstijdstip het vermogensbestanddeel verkoopt en het voordeel daadwerkelijk realiseert. De vraag is dan welk licht het later werkelijk gerealiseerde voordeel werpt op de waarde op het waarderingstijdstip.
In het zogenoemde Chinese potarrest ging het over de vraag voor welke waarde een Chinese pot moest worden meegenomen in de aangifte successierecht.1 Deze vaas was oorspronkelijk gewaardeerd voor een bedrag van € 15.000. Vervolgens werd de vaas medio 2005 verkocht voor een bedrag ad € 23 mln. Voorafgaand aan de veiling had het veilinghuis de veilinglimiet diverse keren verhoogd naar uiteindelijk tussen de € 300.000 en € 500.000. De Hoge Raad heeft overwogen dat onder de waarde in het economische verkeer moet worden verstaan de prijs die bij aanbieding van een zaak op de voor die zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn betaald. Omdat er geen verkoopprijs op de overlijdensdatum was, kon de later gerealiseerde verkoopprijs als uitgangspunt worden genomen:
‘Het stond het Hof vrij om, zoals het heeft gedaan, bij het ontbreken van een verkoopprijs op de overlijdensdatum in een geval als het onderhavige, waarin partijen de door hen verdedigde waarden niet aannemelijk hebben gemaakt, de later gerealiseerde verkoopprijs tot uitgangspunt te nemen en op basis daarvan de waarde op de overlijdensdatum schattenderwijs vast te stellen, met inachtneming van de marktontwikkelingen in de tussenliggende periode. De omstandigheid dat in het onderhavige geval die tussenliggende periode twintig maanden omvat staat daaraan evenmin in de weg.’
Over de schatting van de invloed van de marktontwikkelingen tussen de overlijdensdatum en de verkoopdatum heeft de Hoge Raad geen oordeel geveld, omdat dit is voorbehouden aan de feitenrechter. De rechtbank had de uiteindelijke waarde vastgesteld op € 10 mln. en derhalve € 13 mln. toegerekend aan de periode tussen overlijden en verkoop. Een deugdelijke onderbouwing van deze waardestijging was er echter niet.
Ook in HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, BNB 2011/246 nam de Hoge Raad gebeurtenissen van na het waarderingstijdstip in ogenschouw. In geschil was of belanghebbende een onderneming dreef en meer specifiek of sprake was van een voordeelsverwachting. De Hoge Raad overwoog dat de voordeelsverwachting mede kan worden afgeleid uit de werkelijk behaalde voordelen. Ondanks dat de rechtsvraag feitelijk niet ging over de invulling van het begrip ‘waarde in het economische’ verkeer, kan in dit arrest een aanwijzing worden gevonden dat de Hoge Raad het daadwerkelijke gerealiseerde rendement belangrijker vindt dan de verwachting omtrent dat rendement op de balansdatum.2 Ik citeer de Hoge Raad:
‘De vraag of een belastingplichtige in een jaar een onderneming uitoefent, en met name of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.’
Volgens Bruins Slot zou op basis van dit arrest de waarde in het economische verkeer mogen (of moeten) worden bepaald op de prijs die in latere jaren bij verkoop is gerealiseerd. Of, als die verkoop wat lang op zich laat wachten, op de oorspronkelijke kostprijs. Bij verkoop zal de waarde op de fiscale openingsbalans moeten worden gecorrigeerd met inachtneming van de foutenleer.3 Deze methode laat zich echter moeilijk verenigen met het uitgangspunt dat de vermogensbestanddelen moeten worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer ten tijde van de sfeerovergang. Op dat moment is de uiteindelijke verkoopprijs immers nog niet bekend. De verkoopprijs hoeft de waarde in het economische verkeer op het moment van de sfeerovergang niet te reflecteren, omdat niet altijd sprake is van een gelijkmatig waardeverloop. Er kunnen zich tussen de periode van sfeerovergang en vervreemding vanzelfsprekend specifieke omstandigheden hebben voorgedaan. Ook kan er een relatief lange periode zitten tussen het moment van aanvang van de belastingplicht en de vervreemding. Ik zie echter in het licht van het totaalwinstbeginsel wel het voordeel van de redenering van Bruins Slot. Het gaat bij een sfeerovergang immers om de verdeling van de daadwerkelijke genoten voordelen. In zijn benadering wordt de gehele waardemutatie aan de onbelaste periode toegerekend. Dit geldt dan voor zowel een vermogenswinst als een vermogensverlies. Dit vind ik een stap te ver, omdat hiermee terugwerkende kracht aan de belastingplicht wordt gegeven. Mijns inziens zou daarom van het daadwerkelijke rendement moeten worden uitgegaan (conform de zienswijze van Bruins Slot), maar dient daarna nog een verdeling over de onbelaste en belaste periode plaats te vinden.
Als er een relatief korte periode tussen het moment van verkoop en de sfeerovergang zit, is de gerealiseerde verkoopprijs een indicatie voor de waarde op de fiscale openingsbalans en dient bij de waardering met deze prijs rekening te worden gehouden.4