Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/7.2.6
7.2.6 Diversiteit
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS383712:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook NCGC, p. 26.
Kahneman, Lovallo & Sibony 2011, p. 55: “Groupthink is especially likely if there is little diversity of background and viewpoint within a team.”
Zie overweging 18 van de Europese Richtlijn met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit voor grote ondernemingen en groepen (Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet- financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (PbEU 2014, L 330) (“Richtlijn Diversiteit”).
Kahneman 2011, p. 363-364.
Volgens de hierna te noemen Code Culturele Diversiteit die geldt voor culturele instellingen, wordt de term diversiteit veelal gebruikt om aan te geven dat mensen op een reeks van kenmerken van elkaar verschillen. Dat kunnen zichtbare kenmerken zijn, zoals geslacht, leeftijd en etniciteit, maar ook minder zichtbare persoonskenmerken zoals wensen en behoeften, seksuele voorkeur, leef- en werkstijlen en karaktereigenschappen. Culturele diversiteit in de zin van de Code Culturele Diversiteit verwijst overigens naar een specifiek persoonskenmerk: de etnisch-culturele achtergrond.
Stb. 2016, 559.
6.2.4. GCZ 2017, Code Pf 2014, norm 53. Zie wat betreft pensioenfondsen ook de toelichting op de wijziging van de Pw (Kamerstukken II 2011-2012, 33 182, nr. 3, p. 6).
Code Pf 2014, norm 67. Zie hierover Klaassen & Vletter-van Dort 2015, p. 33-36. Overigens blijkt uit het onderzoek dat is verricht door Klaassen en Vletter-van Dort dat bij de onderzochte pensioenfondsen van de totaal 139 leden van de raad van toezicht totaal 41 leden (29%) vrouw is (stand per ultimo april 2015).
Op 10 februari 2017 werd de Wet tot herinvoering van de streefcijfers aangenomen (Kamerstukken 34 435), die op 13 april 2017 in werking trad. Op 31 december 2016 trad bovendien het Besluit bekendmaking diversiteitsbeleid in werking (ter uitvoering van Europese Richtlijn 92014/95/EU), welk besluit geldt voor grote beursvennootschappen). Grote beursvennootschappen moeten in de corporate governanceverklaring de doelstellingen van het beleid, alsmede de wijze waarop het beleid is uitgevoerd en de resultaten daarvan in het afgelopen boekjaar vermelden. Indien de vennootschap geen diversiteitsbeleid heeft, doet zij gemotiveerd opgave van de redenen hiervoor.
Minister Bussemaker heeft de aanbeveling van de commissie Monitoring Talent naar de Top overgenomen: Doelstelling is dat op 31 december 2019 een aandeel van 20% vrouwen in de raad van bestuur en in de raad van commissarissen dient te zijn gerealiseerd. Is dit aandeel niet gerealiseerd, dan wordt in 2020 het streefcijfer vervangen door een quotum van 30%, dat wil zeggen: een target waarvoor sancties gelden indien het niet wordt gerealiseerd. Kamerstukken II 2016-2017, 30 420, nr. 256.
Kruisinga, Lennarts & Senden 2016.
Kamerstukken I 2010-2011, 31 763, C, p. 25. De Minister geeft daarbij aan dat hij vooralsnog daarover geen gegevens heeft.
Bedrijvenmonitor 2012-2015 van de Commissie Monitoring Talent naar de Top in samenwerking met VanDoorneHuiskes en partners, samenvatting als Bijlage bij Kamerstukken II 2015-2016, 30 420, nr. 227.
Zie hierover de brief van de Minister van V&J van 9 december 2016, Kamerstukken II 29 752, nr. 9 (Modernisering van het ondernemingsrecht), p. 18 en 19.
Kamerstukken II 2015/2016, 30420 en 32 637, nr. 227, p. 7. Overigens is het onderzoek van de Commissie Monitoring Talent naar de Top 2016 uitgebreid naar grote organisaties in de (semi)publieke sector. Daaruit blijkt dat (semi)publieke organisaties het wat betreft het percentage vrouwen in het toezichthoudend orgaan beter doen dan beursgenoteerde vennootschappen. Medio 2016 was het percentage vrouwen in raden van toezicht bij (semi)publieke organisaties 34% terwijl het percentage vrouwen in raden van commissarissen medio 2016 22,3% was. Zie Bedrijvenmonitor Topvrouwen 2016, p. 33 en p. 64, Bijlage bij de brief van de Minister van OCW van 15 december 2016 (Kamerstukken II 2016-2017, 30 420 en 32 637, nr. 256, p. 3-5).
Zie ook Bedrijvenmonitor Topvrouwen 2016, Kamerstukken II 2016-2017, 30 420 en 32 637, nr. 256, p. 5-6. Bedrijven nemen met name niet op welk expliciet beleid zij gevoerd hebben om het streefcijfer te behalen.
Wat betreft pensioenfondsen bepaalt de Code Pf 2014 uitdrukkelijk dat niet alleen rekening houdt met opleiding, achtergrond, persoonlijkheid en geslacht, maar ook met leeftijd (Code Pf 2014, norm 53). Zie ook. 2.1 van de VITP-Toezichtcode voor pensioenfondsen en voor culturele instellingen 6.5 GCC.
Overigens is in de Code Pf 2014 voor het bestuur wel bepaald dat ten minste één lid zitting heeft van boven en één lid van onder veertig jaar. Code Pf 2014, norm 68.
De Pw kent een uitdrukkelijk verbod op een leeftijdsgrens, artikel 109 Pw Zie hierover Klaassen & Vletter-van Dort 2015, p. 36-38. Uit het onderzoek blijkt dat van 37 onderzochte pensioenfondsen 35 pensioenfondsen geen leden in het intern toezichtsorgaan hebben die jonger zijn dan 40 jaar (95%) (stand per ultimo april 2015). Bij culturele instellingen is slechts 5% van de leden van de raad van toezicht (en het bestuur) jonger dan 35 jaar, aldus Rapport Culturele Instellingen 2016.
In 2011 werd de Code Culturele Diversiteit gelanceerd door de Stuurgroep Code Culturele Diversiteit. De Stuurgroep Code Culturele Diversiteit bestaat uit de directie van drie brancheorganisaties (NAPK, NMV en VSCD) en van vier sectorinstituten (Erfgoed Nederland, Kunstfactor, TIN en MCN). Deze Stuurgroep ging aan het werk na een verzoek van toenmalige minister van OCW om voor de cultuursector te komen tot een Code Culturele Diversiteit. https://codeculturelediversiteit.com/
Beleidsbrief van de Minister van OCW van 24 november 2009 aan de Tweede Kamer over culturele diversiteit binnen de kunst- en cultuursector. De minister zegt hierin ook: “Diversiteit is vastgelegd in de Wet op het specifieke cultuurbeleid, waarin staat dat de regering zich laat leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid.” Culturele diversiteit was echter nog niet verankerd in de cultuursector. Het toezichthoudend orgaan van de culturele instelling ziet toe op de naleving van de Code Culturele Diversiteit.
Rapport Culturele Instellingen 2016.
2.1.6 NCGC
Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (PbEU 2014, L 330 onder (18).
Niet alleen is van belang dat verschillende competenties en expertises binnen de raad van toezicht zijn vertegenwoordigd, maar ook dat de raad van toezicht in andere opzichten evenwichtig en divers is samengesteld. Een diverse samenstelling van de raad van toezicht kan bijdragen aan een afgewogen wijze van besluitvorming binnen de raad, aangezien verschillende achtergronden net als verschillende expertises kunnen leiden tot verschillende invalshoeken, zienswijzen en (nieuwe) ideeën.1
Indien de raad van toezicht uit meerdere leden bestaat is sprake van een bepaalde groepsdynamiek. Als de groep homogeen is samengesteld zal sneller sprake van gelijkgestemde personen.2 Een voordeel van gelijkgestemdheid van een groep is dat de groep snel tot beslissingen komt, maar een nadeel is dat er mogelijk (te) weinig discussie is en mensen zich (te) snel conformeren. Meer diversiteit binnen de raad van toezicht zou in sommige gevallen kunnen bevorderen dat bestaande patronen worden doorbroken en kan er toe leiden dat er een andere dynamiek binnen de raad ontstaat. Door diversiteit kan het fenomeen groepsdenken (groupthink), waarbij de leden van de raad er gelijklopende meningen op na houden, worden doorbroken.3 Diversiteit in karakters en achtergronden kan de discussie bevorderen en kan bewerkstelligen dat de leden van de raad van toezicht ten opzichte van elkaar kritisch zijn of elkaar juist aanvullen.4
Een ander aspect van diversiteit dat mijns inziens bij sommige soorten stichtingen met een “maatschappelijk doel” van belang kan zijn, is dat groepen mensen waarvoor de stichting zich inzet of waarvoor de stichting diensten verricht zich ook “herkennen” in de samenstelling van de raad van toezicht, zich dus vertegenwoordigd voelen. Dat geldt bijvoorbeeld voor stichtingen in de semipublieke sector, maar ook in de culturele sector.
Begrip diversiteit
Het begrip diversiteit wordt in de meeste governancecodes in brede zin opgevat en verwijst niet alleen naar geslacht, maar ook naar leeftijd, nationaliteit, etnische achtergrond, maatschappelijke achtergrond, regionale binding, opleiding, expertise, onafhankelijkheid en ervaring.5 Volgens de Nota van Toelichting bij het Besluit bekendmaking diversiteitsbeleid6 dat geldt voor “grote ondernemingen die organisaties van openbaar belang zijn” (grote beursvennootschappen, banken en verzekeraars), kan het diversiteitsbeleid betrekking hebben op leeftijd, geslacht en achtergrond inzake opleiding en beroepservaring. Aan objectief bepaalbare diversiteitsfactoren kan, anders dan aan karaktereigenschappen, een streefcijfer worden verbonden.
Man-vrouwverdeling; quota
In een aantal sectorcodes is in algemene bewoordingen bepaald dat gestreefd moet worden naar een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen binnen de raad van toezicht.7 In deze sectorale codes is echter geen concreet streefcijfer voor een evenwichtige verdeling opgenomen. Voor pensioenfondsen wordt in de Code Pensioenfondsen wél voorgeschreven dat in het bestuur ten minste één man en één vrouw zitting moeten hebben, maar een vergelijkbare bepaling geldt niet voor de raad van toezicht van een pensioenfonds.8
De regeling in Boek 2 BW (wetsartikelen 2:166, 276 en 391 lid 7 BW),9 waarin is voorgeschreven dat het bestuur en de raad van commissarissen uit ten minste 30% vrouwen en ten minste 30% mannen bestaat, geldt niet voor grote stichtingen maar slechts voor grote vennootschappen.10 In de literatuur is, mijns inziens terecht, gesignaleerd dat dit opmerkelijk is.11 De Minister van V&J heeft hierover bij de invoering van de regeling voor NV’s en BV’s in de Wet bestuur en toezicht in 2013 slechts opgemerkt dat er geen aanleiding is voor uitbreiding van de regeling naar andere rechtsvormen (grote stichtingen, verenigingen en coöperaties) omdat er niet is vastgesteld dat er een probleem is in de samenstelling van het bestuur en het toezichthoudend orgaan bij deze rechtsvormen.12
Niet valt in te zien waarom de regeling niet voor grote stichtingen (en verenigingen en coöperaties) zou moeten gelden. Bijvoorbeeld veel semipublieke instellingen voeren een “grote onderneming”. De Commissie Monitoring Talent naar de Top pleitte, naar aanleiding van de resultaten van de bedrijvenmonitor,13 voor een uitbreiding van het beleid naar de met publieke middelen gefinancierde sector. De Minister van OCW merkte in haar reactie op dat zij aanbeveling wil betrekken bij de evaluatie van de Wet bestuur en toezicht14 en de wetswijziging die op basis daarvan mogelijk zal worden voorbereid. De publieke sector (waartoe semipublieke instellingen kunnen worden gerekend) vervult immers een belangrijke voorbeeldfunctie in het streven naar man-vrouwdiversiteit, aldus de Minister van OCW.15
Aangezien er (vooralsnog) geen wettelijk streefcijfer geldt voor stichtingen, zouden governancecodes voor bepaalde soorten stichtingen, in ieder geval voor semipublieke instellingen en andere instellingen die publiek geld ontvangen zoals gesubsidieerde culturele instellingen, quota kunnen bevatten. Ook als wettelijke voorschriften of codebepalingen ontbreken, zouden dergelijke stichtingen naar mijn mening vanwege hun doel en (voorbeeld)functie dienen te overwegen om vrijwillig streefcijfers te hanteren.
In de NCGC is een regeling opgenomen die geldt naast de Boek 2 BW-bepaling voor grote vennootschappen. Deze regeling komt er op neer dat beursvennootschappen in een verklaring toelichten welke maatregelen worden genomen om, hetzij het eigen streefcijfer, hetzij het wettelijke streefcijfer van 30% te kunnen bereiken. De verklaring die zij hierover afleggen (opgenomen in de zogenoemde verklaring inzake corporate governance in het bestuursverslag) zal hierna aan de orde komen. Uit onderzoeken blijkt dat weinig bedrijven alle wettelijke eisen op het gebied rapportage over man/vrouw-diversiteit nakomen.16
Leeftijd
Net als man-vrouwverdeling, kan een mix van verschillende leeftijden bijdragen aan verscheidenheid en verschillende invalshoeken en daarmee mogelijk een meer evenwichtige besluitvorming. Sommige codes bepalen dat ook gestreefd dient te worden naar een gemengde samenstelling naar leeftijd.17 Dit wordt, denk ik terecht, in governancecodes niet gespecificeerd, aangezien men uit de voeten kan met een algemene bepaling.18 Hoewel een meer concrete bepaling bij sommige individuele stichtingen, mede gelet op hun aard en werkzaamheden, zou kunnen helpen om een bepaald patroon te doorbreken, zal het in het algemeen te star zijn om in een governancecode leeftijden of leeftijdscategorieën te specificeren. Een risico is dat de groep waaruit geschikte kandidaten geworven kunnen worden te klein wordt. Een leeftijdsgrens is overigens ongeoorloofd aangezien die discriminatoir kan zijn.19
Diversiteit in etnisch-culturele achtergrond: culturele instellingen
Voor stichtingen in de culturele sector geldt sinds 2011 een aparte Code Culturele Diversiteit.20 Volgens de toenmalige Minister van OCW raakt diversiteit de kern van het cultuurbeleid.21 Diversiteit speelt niet alleen een grote rol voor de inhoud en kwaliteit van de discussie en de besluitvorming binnen de raad van toezicht, maar ook voor de “maatschappelijke antenne”, aldus brancheorganisatie.22
Culturele diversiteit in de zin van de Code Culturele Diversiteit verwijst naar een specifiek persoonskenmerk: de etnisch-culturele achtergrond. De raad van toezicht van een culturele instelling dient wat betreft etnisch-culturele achtergrond divers te zijn samengesteld. “Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat de etnisch-culturele achtergrond (al dan niet in combinatie met andere persoonskenmerken als levensstijl, leeftijd, opleiding en sociaal- economische achtergrond) van invloed is op de cultuurbeleving en cultuurparticipatie”, aldus de Code Culturele Diversiteit.
De kern van de Code Culturele Diversiteit wordt gevormd door een viertal algemeen geldende principes, die zijn uitgewerkt in concrete bepalingen met een bijbehorende toelichting. Het eerste principe houdt in dat de culturele instelling een visie formuleert op culturele diversiteit. Het bestuur dient dit te concretiseren in beleid en draagt zorg voor financiering daarvan. Ook andere soorten stichtingen kunnen inspiratie opdoen uit bepalingen uit de Code Culturele Diversiteit. Evenals voor andere elementen van diversiteit, geldt dat een stichting er voor kan kiezen om een meer of minder concreet streven en beleid te formuleren. Per sector dient wel de haalbaarheid bekeken te worden, aangezien een combinatie van verschillende deskundigheidseisen en diversiteitseisen de groep kandidaten in sommige sectoren mogelijk erg klein zou kunnen maken.
Verantwoording over diversiteit
Beursvennootschappen dienen op grond van de NCGC23 en op grond van artikel 3a van het Besluit bekendmaking diversiteitsbeleid in het bestuursverslag een verklaring over het diversiteitsbeleid met betrekking tot de samenstelling van het bestuur en de raad van commissarissen af te leggen. Als gezegd is het Besluit bekendmaking diversiteitsbeleid gebaseerd op een Europese Richtlijn,24 waarin wordt overwogen dat het belangrijk is om meer transparantie te brengen in het gevoerde diversiteitsbeleid, aangezien ondernemingen hierdoor onder druk gezet worden om te zorgen voor meer diversiteit. De vennootschap vermeldt in de corporate governanceverklaring de doelstellingen van het beleid, alsmede de wijze waarop het beleid is uitgevoerd en de resultaten daarvan in het afgelopen boekjaar. Indien de vennootschap geen diversiteitsbeleid heeft, doet zij gemotiveerd opgave van de redenen hiervoor. Overigens is ook van belang dat de accountant aandacht besteedt aan rapportageverplichtingen, waaronder voorwaarden in verband met diversiteit.
Stichtingen kunnen, indien zij daartoe verplicht zijn op grond van sectorregels maar ook “onverplicht”, een verklaring omtrent diversiteit opstellen. Daarin komt bijvoorbeeld tot uitdrukking wat de visie van de stichting is op diversiteit. Wat betreft objectief bepaalbare (zichtbare) diversiteitsfactoren, waaronder man-vrouwverdeling, leeftijdsverdeling en achtergrond, kan eventueel worden aangegeven worden welke streefcijfers binnen de raad van toezicht worden gehanteerd en welke maatregelen genomen zijn en zullen worden genomen om die cijfers te bereiken.
Ik meen dat van bepaalde soorten stichtingen, zoals semipublieke instellingen, meer inspanning op het gebied van diversiteit en diversiteitsbeleid verwacht mag worden. Van een stichting die diensten verleent aan het publiek mag mijns inziens verwacht worden dat de raad van toezicht in zekere mate een voldoende afspiegeling vormt van de samenleving.