Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.4.3.3
3.4.3.3 Gedeelde verantwoordelijkheid spreker en toehoorder
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
‘Testimonial justification requires positive epistemic contributions from both the speaker and the hearer. Though this point is not acknowledged by any of the standard views in the current literature, it should be obvious: acquiring testimonial justification involves an exchange between two parties. And in order for such an exchange to properly result in justification, both parties need to do their epistemic work’ (Lackley 2006, p. 171).
Lackley 2006, p. 170.
Lackley 2006, p. 170. Zie voor een uitgebreidere variant Lackley 2008, p. 177.
Lackley geeft aan dat over de details waaronder kan worden aangenomen dat aan de tweede voorwaarde is voldaan, kan worden getwist. Het gaat er echter om dat om tot justified belief te komen, de rol van de spreker moet worden meegenomen. Zonder oprechte spreker is er in beginsel geen kennis.
Lackley 2006, p. 171.
De Bock 2011, p. 253.
Wel kan de rechter zich een beeld vormen over de wijze van kennisvergaring van de getuige door te vragen naar zijn ‘redenen van wetenschap’.
De Bock 2011, p. 253.
Lackley stelt dat voor wat betreft het verkrijgen van kennis zowel op de spreker als de toehoorder een epistemologische verantwoordelijkheid rust.1 Volgens haar richten de reductionisten zich teveel op de positie van de toehoorder en de non-reductionisten op de rol van spreker.2 Het aandeel van de spreker is daarin gelegen dat hij een oprechte verklaring moet afleggen, terwijl de toehoorder tegelijkertijd goede redenen moet hebben om de verklaring te accepteren. Ook al legt de spreker een waarheidsgetrouwe verklaring af, als de toehoorder reden ziet om te twijfelen aan de verklaring, dan zal deze de verklaring in beginsel niet als waar accepteren en omgekeerd. Volgens Lackley is sprake van gerechtvaardigd geloof onder de volgende omstandigheden.
‘For every speaker and hearer B, B justifiably believes that p on the basis of A’s testimony that p only if: 1) B believes that p on the basis of the content of A’s testimony that p, 2) A’s testimony that p is reliable or otherwise truth conductive, and 3) B has appropriate positive reasons for accepting A’s testimony that p.’3
Deze drie voorwaarden van Lackley zijn cumulatief. In de eerste voorwaarde ligt besloten dat de toehoorder zijn geloof moet vormen naar aanleiding van de verklaring. De tweede voorwaarde heeft betrekking op de spreker en de door hem afgelegde verklaring. De verklaring moet ‘reliable’ of ‘otherwise truth conductive’ zijn. Daaronder kan worden begrepen dat de verklaarder gelooft wat hij zegt en zijn eigen geloof op epistemologisch correcte wijze heeft gevormd.4 De derde voorwaarde houdt in dat de toehoorder goede redenen moet hebben om de verklaring te accepteren.5 Ontbreken deze dan bestaat het risico dat de verklaring ten onrechte als onwaar of ongeloofwaardig terzijde wordt geschoven.
De Bock die zich in haar proefschrift ook met deze problematiek bezighoudt, brengt in dit verband naar voren dat de rol van de spreker (de getuige) in het vergaren van kennis problematisch is omdat er in het recht altijd een fundamentele onzekerheid bestaat over diens epistemologische positie.6 Er kan immers nimmer uitsluitsel worden verkregen of de getuige ook oprecht heeft verklaard en daadwerkelijk gelooft in hetgeen hij naar voren heeft gebracht.7 Daardoor verdwijnt de epistemologische positie van de spreker naar de achtergrond en komt het accent te liggen op de toehoorder, dus de rechter of jury.8 Vanwege de onzekerheid omtrent de positie van de spreker kan in de juridische context uitsluitend worden gesproken van justified belief in plaats van true justified belief.
Dat over de positie van de spreker geen zekerheid kan worden verkregen, betekent niet dat de rechter en jury niet kunnen trachten zich hieromtrent een beeld te vormen. Het gevormde beeld omtrent de oprechtheid kan (mede) aanleiding zijn omde verklaring te accepteren. Echter, wanneer gekeken wordt naar de voorwaarden van Lackley, dan valt dit mijns inziens beter te begrijpen onder de derde voorwaarde. Door de verschuiving in perspectief valt de tweede voorwaarde als het ware weg. Het accent komt te liggen op het geloof dat de toehoorder aan de verklaring hecht en diens redenen om de verklaring te accepteren. Bij de redenen voor de toehoorder om een verklaring te accepteren, wordt in het zesde hoofdstuk nader stilgestaan.