Richtlijn 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (herschikking) (PbEU 2016, L 354/37).
HR, 09-02-2024, nr. 22/03487
ECLI:NL:HR:2024:194
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-02-2024
- Zaaknummer
22/03487
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:194, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑02‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:1002, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:908
ECLI:NL:PHR:2023:908, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:194
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑09‑2022
- Vindplaatsen
PR-Updates.nl PR-2024-0046
NJ 2024/154 met annotatie van M. Heemskerk
Uitspraak 09‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Pensioenrecht. Unierecht. Collectieve actie (art. 3:305a BW). Is in art. 131 en 132 Pensioenwet opgenomen verplichting van pensioenfondsen om over bepaald eigen vermogen te beschikken in strijd met IORP II-richtlijn?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/03487
Datum 9 februari 2024
ARREST
In de zaak van
1. STICHTING PENSIOENBEHOUD,
gevestigd te Wassenaar,
2. KATHOLIEKE BOND VAN OUDEREN IN NOORD-BRABANT,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: Pensioenbehoud c.s.,
advocaat: M.E. Bruning,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: J.W.H. van Wijk.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/09/580679 / HA ZA 19-1011 van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2020 en 10 februari 2021;
b. het arrest in de zaak 200.294.840/01 van het gerechtshof Den Haag van 21 juni 2022.
Pensioenbehoud c.s. hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen schriftelijk en mondeling toegelicht door hun advocaten, voor Pensioenbehoud c.s. mede door H. van Meerten en K.P.D. Vermeulen en voor de Staat mede door J.B.B. Heinen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Pensioenbehoud c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze procedure vorderen Pensioenbehoud c.s. een verklaring voor recht dat art. 131 en/of art. 132 Pensioenwet (hierna: Pw), welke bepalingen pensioenfondsen verplichten om bij wijze van buffer een bepaald eigen vermogen aan te houden, in strijd is/zijn met de IORP II-richtlijn1.(hierna: IORP II) en dus buiten toepassing moet(en) blijven. Pensioenbehoud c.s. beogen met hun vordering te bewerkstelligen dat pensioenfondsen het thans als buffer aangehouden eigen vermogen zullen (kunnen) aanwenden om de pensioenen te verhogen.
2.2
De rechtbank2.heeft de vordering afgewezen.
2.3
Het hof3.heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en heeft daartoe – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen.
Pensioenbehoud c.s. voeren aan dat de kernvraag is of de Nederlandse pensioenfondsen zelf biometrische risico’s verzekeren. (rov. 6.2)
Art. 15 lid 1 IORP II schrijft voor dat de lidstaat ervoor zorgt dat ‘instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening’ (hierna: IBPV’s) die zelf, en niet de bijdragende ondernemingen, (i) een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren of (ii) een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garanderen, bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden naast de zogenoemde technische voorzieningen. (rov. 6.3)
IORP II beoogt een minimale harmonisatie te bieden. Het staat lidstaten vrij om verdere maatregelen te nemen ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden. In art. 15 lid 3 IORP II is opgenomen dat lid 1 de lidstaten niet belet op hun grondgebied gevestigde IBPV’s te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen, of gedetailleerdere voorschriften vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn. (rov. 6.4)
Biometrische risico’s zijn risico’s in verband met overlijden, arbeidsongeschiktheid en levensverwachting. Partijen zijn het erover eens dat het werk van pensioenfondsen betrekking heeft op biometrische risico’s. Het gaat uitsluitend om de vraag of die worden verzekerd. IORP II geeft geen definitie van het begrip verzekeren in art. 15 lid 1 IORP II. De bewoordingen van een richtlijn moeten autonoom en uniform worden uitgelegd. (rov. 6.5)
Uit art. 134 lid 1 Pw volgt dat een pensioenfonds de uitkeringen kan korten indien, samengevat weergegeven, het niet aan zijn verplichtingen op grond van de art. 131 en 132 Pw kan voldoen. (rov. 6.6)
Het standpunt van Pensioenbehoud c.s. komt in de kern erop neer dat nationale pensioenfondsen geen biometrische risico’s verzekeren omdat bij een tekort een pensioenfonds de uitkeringen kan korten en dus uiteindelijk de deelnemers zelf dat tekort dragen. In de visie van Pensioenbehoud c.s. is pas sprake van “verzekeren” indien een gegarandeerde aanspraak op een bepaalde pensioenvoorziening bestaat. Dat standpunt slaagt niet. (rov. 6.7)
In de eerste plaats is van belang dat art. 15 lid 1 IORP II geen nadere eisen stelt aan de geboden verzekering. Volgens de tekst van het artikel gaat het erom dat “een dekking” wordt geboden tegen biometrische risico’s. Het feit dat bij een tekort de uitkeringen kunnen worden gekort, brengt dus niet mee dat geen sprake is van een verzekering. Ook dan wordt immers “een dekking” geboden – zij het geen volledige dekking – terwijl tussen partijen niet in geschil is dat die dekking betrekking heeft op biometrische risico’s. (rov. 6.8)
In de tweede plaats is van belang dat art. 15 IORP II feitelijk twee situaties onderscheidt, namelijk die waarin een IBPV (i) een dekking tegen biometrische risico’s verzekert en (ii) een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garandeert. Dit artikel maakt dus een onderscheid tussen verzekeren enerzijds en garanderen anderzijds. In andere taalversies van de richtlijn wordt datzelfde onderscheid gemaakt. Daarmee volgt uit de tekst van de richtlijn zelf dat het begrip “verzekeren” niet vereist dat een bepaalde garantie wordt verstrekt. In dat geval zou dit onderscheid in de tekst immers geen functie hebben. Het gegeven dat bij een eventueel tekort als noodmaatregel de pensioenen kunnen worden gekort, brengt ook daarom niet mee dat van “verzekeren” geen sprake is. Ook wanneer een pensioenfonds de risico’s herverzekert, blijft het zelf jegens de aanspraakgerechtigde aansprakelijk voor een eventuele uitkering die verband houdt met biometrische risico’s. Ook in dat geval blijft het dus het pensioenfonds zelf dat de biometrische risico’s verzekert. (rov. 6.9)
In de derde plaats biedt art. 15 IORP II slechts een minimumharmonisatie. Ook als in de Nederlandse situatie geen sprake zou zijn van “verzekeren” in de zin van dit artikel, heeft de Staat de vrijheid om aanvullende voorschriften aan IBPV’s op te leggen indien die uit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn. Ook in dat geval hoeft van strijd van de art. 131 en 132 Pw met art. 15 IORP II dus geen sprake te zijn. (rov. 6.10)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 2 van het middel richt zich tegen rov. 6.2 tot en met 6.11 en klaagt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de begrippen “dekking” en “verzekeren” in art. 15 IORP II, en dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat art. 15 IORP II slechts minimumharmonisatie biedt. Deze klachten zijn onder meer uitgewerkt in de hierna te noemen onderdelen.
Onderdeel 2.1 klaagt in de kern dat het hof bij de uitleg van art. 15 lid 1 IORP II ten onrechte niet heeft betrokken dat in het overeenkomstige art. 17 lid 1 van de IORP I-richtlijn4.met ‘instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en zelf (…) een dekking tegen biometrische risico's verzekeren’ (slechts) werd gedoeld op ‘pensioenuitvoerders vergelijkbaar met levensverzekeringsondernemingen’.
Onderdeel 2.2 klaagt (onder a) dat het hof heeft miskend dat alleen in de in art. 15 lid 1 IORP II bedoelde specifieke situatie dat de IBPV’s de dekking tegen biometrische risico’s zelf ‘verzekeren’ op een wijze ‘vergelijkbaar met levensverzekeringsondernemingen’, door nationale wetgevers aanvullende activa als buffer mogen worden geëist, volgens gelijke regels als die voor levensverzekeringsbedrijven.
Onderdeel 2.2 klaagt voorts (onder b) dat het oordeel van het hof dat het begrip ‘verzekeren’ niet zou vereisen dat een bepaalde garantie wordt verstrekt, niet strookt met de tekst van art. 15 lid 1 IORP II zoals uitgelegd naar doel en strekking van IORP II in samenhang met de IORP I-richtlijn, en dat het hof bij zijn uitleg ten onrechte niet kenbaar heeft betrokken dat uit art. 13 lid 1 en lid 2 IORP II (en art. 15 lid 1 en lid 2 van de IORP I-richtlijn) volgt dat de technische voorzieningen toereikend (moeten) zijn ter dekking van de biometrische risico’s.
Daarnaast klaagt onderdeel 2.2 (onder c) dat onjuist is het oordeel van het hof in rov. 6.9 dat ook wanneer een pensioenfonds de risico’s heeft herverzekerd, het fonds zelf de biometrische risico’s verzekert. Dit oordeel vindt volgens de klacht geen steun in de tekst van art. 15 lid 1 IORP II zoals uitgelegd in context naar doel en strekking van IORP II en de IORP I-richtlijn, en getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof miskent dat art. 15 lid 1 IORP II ertoe strekt om tweemaal afdekken van risico’s te voorkomen.
Onderdeel 2.3 klaagt onder meer dat het hof met zijn oordeel dat IORP II alleen minimumharmonisatie biedt, eraan voorbij heeft gezien dat de vrijheid van de lidstaten om verdere voorschriften ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden in te voeren is beperkt doordat die verdere voorschriften in overeenstemming moeten zijn met de Unierechtelijke verplichtingen van de lidstaten. Volgens de klacht volgt uit de context en het doel en de strekking van de IORP I-richtlijn en IORP II dat de aan de lidstaten gelaten wetgevingsvrijheid uitsluitend ziet op de in art. 15 lid 1 IORP II bedoelde specifieke situaties waar IBPV’s zelf de dekking van biometrische risico’s verzekeren vergelijkbaar met levensverzekeringsondernemingen.
3.2.1
Bij de behandeling van de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten wordt het volgende vooropgesteld.
3.2.2
IORP II heeft betrekking op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's). Een IBPV is een op basis van kapitalisatie gefinancierde instelling die onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een individuele of collectieve overeenkomst (vgl. art. 6 onder 1 IORP II). Alle Nederlandse ondernemingspensioenfondsen, beroepspensioenfondsen en bedrijfstakpensioenfondsen vallen onder deze omschrijving.5.
In de bepalingen die betrekking hebben op de kwantitatieve vereisten waaraan IBPV’s moeten voldoen, maakt IORP II onderscheid tussen de technische voorzieningen (art. 13 IORP II) en het voorgeschreven eigen vermogen (art. 15 IORP II). In deze zaak gaat het in het bijzonder om de kwantitatieve vereisten in verband met biometrische risico’s. Biometrische risico’s in de zin van IORP II zijn risico’s in verband met overlijden, arbeidsongeschiktheid en levensverwachting (art. 6 onder 9 IORP II).
Technische voorzieningen worden gevormd om alle uit de pensioenregeling voortvloeiende pensioenverplichtingen te kunnen nakomen (vgl. art. 13 lid 1 IORP II). IORP II bepaalt, voor zover thans van belang, dat de lidstaat van herkomst ervoor zorgt dat IBPV’s die dekking bieden tegen biometrische risico’s, toereikende technische voorzieningen vaststellen, gedekt door voldoende activa, en dat het minimumbedrag van de technische voorzieningen wordt berekend aan de hand van een voldoende prudente waardering, ook met betrekking tot de gebruikte biometrische tabellen (art. 13 leden 2 en 4 IORP II en art. 14 lid 1 IORP II).
Met betrekking tot het voorgeschreven eigen vermogen bepaalt art. 15 lid 1 IORP II, voor zover thans van belang, dat de lidstaat van herkomst ervoor zorgt dat IBPV’s die zelf, en niet de bijdragende ondernemingen, een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garanderen, permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden naast de technische voorzieningen. Art. 15 lid 1 IORP II houdt voorts in dat de omvang van de buffer is afgestemd op het soort risico en de aard van de activaportefeuille met betrekking tot het geheel van uitgevoerde regelingen en dat die activa vrij zijn van alle voorzienbare verplichtingen en dienen als veiligheidskapitaal om verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke uitgaven en winsten op te vangen. Voor de berekening van het minimumbedrag van de aanvullende activa zijn de in de artikelen 16, 17 en 18 IORP II vastgestelde regels van toepassing (art. 15 lid 2 IORP II).
3.2.3
Art. 15 lid 3 IORP II bepaalt dat lid 1 de lidstaten niet belet op hun grondgebied gevestigde IBPV's te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen, of gedetailleerdere voorschriften vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn. IORP II beoogt minimale harmonisatie en mag de lidstaten daarom niet beletten verdere voorschriften ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden van bedrijfspensioenregelingen in te voeren, mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de Unierechtelijke verplichtingen van de lidstaten, aldus punt 3 van de considerans.
De in IORP II verankerde prudentiële regels zijn bedoeld om alle toekomstige gepensioneerden door middel van strenge toezichtsnormen een hoge mate van zekerheid te bieden en tegelijkertijd een gezond, prudent en efficiënt beheer van de regelingen voor bedrijfspensioenregeling mogelijk te maken (punt 17 van de considerans van IORP II).
3.2.4
IORP II heeft met ingang van 13 januari 2019 de IORP I-richtlijn6.(hierna: IORP I) vervangen (art. 65 IORP II). Art. 15 lid 1 IORP II bevat inhoudelijk dezelfde bepaling over het voorgeschreven eigen vermogen als eerder in art. 17 lid 1 IORP I was opgenomen en ook ten aanzien van de technische voorzieningen bevatte IORP I dezelfde bepalingen als de hiervoor in 3.2.2 genoemde bepalingen daarover in IORP II (art. 15 leden 2 en 4 en art. 16 lid 1 IORP I).
3.2.5
Art. 17 IORP I is onder meer geïmplementeerd in art. 131 Pw en art. 132 Pw. De vervanging van IORP I door IORP II heeft niet tot wijziging van art. 131 Pw en art. 132 Pw geleid.7.
Art. 131 lid 1 Pw bepaalt dat een pensioenfonds over een minimaal vereist eigen vermogen beschikt, tenzij a. een pensioenfonds tot volledige overdracht of onderbrenging is overgegaan; en b. de toezichthouder heeft ingestemd met het feit dat het pensioenfonds daarom niet beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de omvang en de samenstelling van het minimaal vereist eigen vermogen bepaald (art. 131 lid 2 Pw).
Art. 132 lid 1 Pw bepaalt dat een pensioenfonds over een vereist eigen vermogen beschikt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld inzake de berekening en de samenstelling van dit vereist eigen vermogen (art. 132 lid 3 Pw). De algemene maatregel van bestuur als bedoeld in art. 131 lid 2 Pw en art. 132 lid 3 Pw is het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen8..
3.2.6
Op grond van art. 15 Pw strekt een ouderdomspensioen tot het levenslang uitkeren van pensioen aan de gepensioneerde. Een pensioenfonds biedt dus een dekking tegen een ‘biometrisch risico’, te weten het risico in verband met levensverwachting. Evenzo biedt een nabestaandenpensioen een dekking tegen het biometrische risico in verband met overlijden van de deelnemer en een arbeidsongeschiktheidspensioen een dekking tegen het biometrische risico in verband met arbeidsongeschiktheid.
3.3.1
Het oordeel van het hof dat art. 131 Pw en art. 132 Pw niet in strijd zijn met art. 15 IORP II, berust op twee zelfstandig dragende gronden: (i) dat Nederlandse pensioenfondsen een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren in de zin van art. 15 IORP II (rov. 6.8-6.9) en (ii) dat de met art. 15 IORP II beoogde minimumharmonisatie de Staat de vrijheid laat om, ook als de Nederlandse IBPV’s niet een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren in de zin van art. 15 IORP II, aanvullende voorschriften vast te stellen over het door die IBPV’s aan te houden eigen vermogen, indien die voorschriften uit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn (rov. 6.10).
3.3.2
Onderdeel 2.3 klaagt over het in 3.3.1 onder (ii) weergegeven oordeel over de minimumharmonisatie van IORP II. Het onderdeel berust op de opvatting dat IORP II slechts ruimte laat voor aanvullende voorschriften over het aan te houden eigen vermogen van pensioenfondsen die zelf een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren in de zin van art. 15 lid 1 IORP II.
De bewoordingen van art. 15 lid 3 IORP II bieden geen steun aan die opvatting. De bepaling maakt het niet slechts mogelijk om gedetailleerdere voorschriften, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn, vast te stellen voor de in art. 15 lid 1 IORP II bedoelde IBPV’s, maar laat de lidstaten daarnaast de mogelijkheid ook andere op hun grondgebied gevestigde IBPV’s te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen. Ook de hiervoor in 3.2.3 genoemde overwegingen uit de considerans van IORP II bieden geen argument voor de opvatting van Pensioenbehoud c.s.
Gelet op het doel van de richtlijn en in het bijzonder van de daarin verankerde prudentiële regels – waaronder om alle toekomstige gepensioneerden een hoge mate van zekerheid te bieden (zie hiervoor in 3.2.3) – is er geen reden om aan te nemen dat de algemeen geformuleerde en gebruikelijke voorwaarde in punt 3 van de considerans van IORP II dat aanvullende voorschriften van de lidstaten in overeenstemming dienen te zijn met de Unierechtelijke verplichtingen van de lidstaten, de specifieke betekenis heeft dat de richtlijn zich ertegen verzet om de verplichting tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen uit te breiden tot pensioenfondsen die niet zelf een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren in de zin van art. 15 IORP II.
Anders dan Pensioenbehoud c.s. aanvoeren, kan de beperking die zij bepleiten ook niet worden afgeleid uit punt 32 van de considerans van IORP I. Die overweging heeft geen betrekking op de verplichting tot het aanhouden van het voorgeschreven eigen vermogen, maar op de beleggingsvoorschriften van art. 18 IORP I, zoals punt 47 van de considerans van IORP II betrekking heeft op de beleggingsregels van art. 19 IORP II.
Onderdeel 2.3 faalt daarom.
3.4.1
Het falen van de klachten tegen de hiervoor in 3.3.1 achter (ii) vermelde, zelfstandig dragende grond dat IORP II de Staat de vrijheid laat om, ook als de Nederlandse pensioenfondsen niet een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren in de zin van art. 15 lid 1 IORP II, aanvullende voorschriften vast te stellen over het aan te houden eigen vermogen, brengt mee dat Pensioenbehoud c.s. geen belang hebben bij hun klachten tegen de andere, hiervoor in 3.3.1 achter (i) vermelde – eveneens zelfstandig dragende – grond voor de beslissing van het hof, te weten dat Nederlandse pensioenfondsen een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren in de zin van art. 15 IORP II. Naar aanleiding van de onderdelen 2.1 en 2.2 onder a-c overweegt de Hoge Raad ten overvloede het volgende.
3.4.2
Het hof heeft bij de uitleg van art. 15 lid 1 IORP II met juistheid overwogen dat de bewoordingen van een richtlijn autonoom en uniform moeten worden uitgelegd.9.
Art. 15 lid 1 IORP II ziet op IBPV’s die pensioenregelingen uitvoeren en die zelf, en niet de bijdragende ondernemingen, “een dekking” tegen biometrische risico’s verzekeren. Niet in geschil is dat in Nederland ‘de bijdragende ondernemingen’ niet een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren. In de bepaling wordt voorts een onderscheid gemaakt tussen het verzekeren van een dekking tegen biometrische risico’s en het garanderen van een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen. Uit de bewoordingen van art. 15 lid 1 IORP II volgt aldus dat het verzekeren van een dekking tegen biometrische risico’s niet gelijkstaat aan het garanderen van een bepaald beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen.
Dit strookt met de normale betekenis van het begrip ‘verzekeren’ en met andere taalversies van art. 15 lid 1 IORP II: “underwrites the liability to cover against biometric risks”; “die Haftung für biometrische Risiken übernimmt”; “souscrit l’engagement de couvrir les risques biométriques”.
Dit strookt ook met punt 44 van de considerans van IORP II, inhoudende dat indien de IBPV zelf hetzij het biometrische risico dekt, hetzij een bepaalde hoogte van de uitkeringen of bepaalde beleggingsresultaten waarborgt – en de verplichtingen van de bijdragende onderneming beperkt blijven tot betaling van de noodzakelijke bijdragen – de desbetreffende IBPV eigen vermogen moet aanhouden.
3.4.3
De bewoordingen van art. 15 lid 1 IORP II bieden geen aanknopingspunt voor de in onderdeel 2 verdedigde uitleg dat van “verzekeren” pas sprake is indien een gegarandeerde aanspraak op een bepaalde pensioenvoorziening bestaat. Dat geldt ook voor de vrijwel gelijkluidende bewoordingen van art. 17 lid 1 IORP I.
De door Pensioenbehoud c.s. verdedigde uitleg van art. 15 lid 1 IORP II volgt ook niet uit punt 30 van de considerans van IORP I. Daar staat onder meer dat indien de instelling zelf hetzij het biometrische risico dekt, hetzij een bepaald uitkeringsniveau of bepaalde beleggingsresultaten waarborgt, de aangeboden producten vergelijkbaar zijn met die van levensverzekeringsondernemingen en dat de desbetreffende instellingen dan ten minste hetzelfde aanvullende eigen vermogen moeten aanhouden als levensverzekeringsondernemingen. Deze overweging is niet teruggekeerd in punt 44 van de considerans van IORP II; daar staat kort gezegd slechts dat een pensioenfonds dat zelf het biometrische risico dekt het voorgeschreven eigen vermogen moet aanhouden (tenzij de bijdragende onderneming verplicht is bij te springen).
3.4.4
Ook de klacht dat het hof heeft miskend dat uit art. 13 lid 1 en lid 2 IORP II (en art. 15 lid 1 en lid 2 IORP I) volgt dat de technische voorzieningen toereikend (moeten) zijn ter dekking van de biometrische risico’s, faalt. De klacht gaat er ten onrechte aan voorbij dat, zoals onder meer blijkt uit punt 44 van de considerans van IORP II, art. 15 lid 1 IORP II ertoe strekt dat de daar omschreven IBPV’s, naast de technische voorzieningen, een buffer in de vorm van eigen vermogen moeten aanhouden om verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke baten en lasten op te vangen. Met die buffer wordt beoogd alle toekomstige gepensioneerden een hoge mate van zekerheid te bieden (zie hiervoor in 3.2.3).
3.4.5
De klacht van onderdeel 2.2 (onder c), die berust op het betoog dat op grond van art. 15 lid 1 IORP II geen voorgeschreven eigen vermogen is vereist indien een pensioenfonds de biometrische risico’s (geheel) heeft herverzekerd, slaagt evenmin. Zoals het hof met juistheid heeft overwogen, blijft het pensioenfonds ook in geval van herverzekering jegens de gerechtigden aansprakelijk voor het doen van een uitkering. In het licht daarvan is er geen reden aan te nemen dat de in art. 15 lid 1 IORP II bedoelde verplichting eigen vermogen aan te houden niet geldt als het pensioenfonds de biometrische risico’s (geheel) heeft herverzekerd. De omstandigheid dat een pensioenfonds de biometrische risico’s geheel of gedeeltelijk heeft herverzekerd kan wel van invloed zijn op de omvang van het aan te houden eigen vermogen, zoals blijkt uit de tweede volzin van art. 15 lid 1 IORP II, waarin staat dat de omvang van de buffer is afgestemd op het soort risico en de aard van de activaportefeuille met betrekking tot het geheel van uitgevoerde regelingen.
3.5
Naar het oordeel van de Hoge Raad kan geen redelijke twijfel bestaan over de juistheid van hetgeen hiervoor in 3.3.2 en 3.4.2-3.4.5 is overwogen. Het is daarom niet nodig hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.10.
3.6
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Pensioenbehoud c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 857,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Pensioenbehoud c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 9 februari 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑02‑2024
Rechtbank Den Haag 10 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:944.
Gerechtshof Den Haag 21 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1002.
Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEU 2003, L 235/10).
Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEU 2003, L 235/10).
Besluit van 18 december 2006, houdende regels met betrekking tot het financiële toetsingskader op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, Stb. 2006, 710.
HvJEU 6 oktober 2021, zaak C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799 (Consorzio Italian Management), punt 45.
Vgl. HvJEU 6 oktober 2021, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799, (Consorzio Italian Management) punt 33, 39 en 66.
Conclusie 13‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Unierecht. Pensioenrecht. Collectieve actie art. 3:305a BW. Is het buffervereiste voor Nederlandse pensioenfondsen (art. 131 Pw) in strijd met de IORP II-Richtlijn?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03487
Zitting 13 oktober 2023
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1. Stichting Pensioenbehoud
2. Katholieke Bond van Ouderen in Noord-Brabant
eiseressen tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid)
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Pensioenbehoud c.s. en Staat.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft een collectieve actie over de vraag of een voorschrift in de pensioenwetgeving over het door pensioenfondsen aan te houden eigen vermogen in strijd is met het Unierecht, meer specifiek met Richtlijn (EU) 2016/2341. Deze richtlijn wordt verkort aangeduid als IORP-II. IORP staat voor institutions for occupational retirement provision, de Engelse benaming van ‘instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening’ (hierna: IBPV’s).
1.2
Art. 15 lid 1 IORP-II schrijft ten aanzien van het verzekeren van biometrische risico’s (zoals levensverwachting) een bepaald niveau van eigen vermogen voor. Volgens Pensioenbehoud c.s. geldt deze kapitaalseis niet voor Nederlandse pensioenfondsen omdat die geen biometrische risico’s zouden ‘verzekeren’. Pensioenbehoud c.s. baseren die stelling in de kern op twee gronden. Ten eerste worden zulke risico’s veelal herverzekerd zodat de risico’s elders liggen. Ten tweede dragen de deelnemers en de gepensioneerden, en niet de fondsen, de economische risico’s. De pensioenen zijn vanaf 2008 jarenlang niet geïndexeerd en in bepaalde gevallen zelfs gekort. De achterban van Pensioenbehoud c.s. heeft daardoor vermogensschade geleden, die de Staat zal moeten vergoeden.
1.3
In deze procedure vorderen Pensioenbehoud c.s. echter alleen een verklaring voor recht.1.De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft overwogen dat het feit dat pensioenen kunnen worden gekort niet meebrengt dat niet langer sprake zou zijn van ‘verzekeren’ als bedoeld in art. 15 lid 1 IORP-II. Het begrip verzekeren vereist niet dat een bepaalde garantie wordt verstrekt. Ook in geval van een herverzekering ‘verzekert’ het pensioenfonds nog de risico’s. Bovendien voorziet IORP-II in minimumharmonisatie. De Staat mag verdergaande maatregelen nemen op het gebied van het door pensioenfondsen aan te houden eigen vermogen. Ook als moet worden aangenomen dat in de Nederlandse situatie geen sprake is van het ‘verzekeren’ van biometrische risico’s, kunnen om die reden de omstreden wettelijke bepalingen toch worden toegepast. Dat lijkt mij zonder meer juist. Ik kom hierna dan ook tot de conclusie dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.2
Bij wet van 19 december 2018,2.in werking getreden op 13 januari 2019,3.is in Nederland uitvoering gegeven aan IORP-II.4.
2.3
Art. 15 Richtlijn IORP-II luidt als volgt (onderstreping toegevoegd):
“Artikel 15 Voorgeschreven eigen vermogen
1. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat IBPV’s die pensioenregelingen uitvoeren en zelf, en niet de bijdragende ondernemingen, een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garanderen, permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden naast de technische voorzieningen. De omvang van de buffer is afgestemd op het soort risico en de aard van de activaportefeuille met betrekking tot het geheel van uitgevoerde regelingen. Die activa zijn vrij van alle voorzienbare verplichtingen en dienen als veiligheidskapitaal om verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke uitgaven en winsten op te vangen.
2. Voor de berekening van het minimumbedrag van de aanvullende activa zijn de in de artikelen 16, 17 en 18 vastgestelde regels van toepassing.
3. Lid 1 belet de lidstaten echter niet op hun grondgebied gevestigde IBPV’s te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen, of gedetailleerdere voorschriften vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn.”
2.4
Art. 15 IORP-II is (onder meer) geïmplementeerd in art. 131 en art. 132 Pensioenwet (hierna: Pw).5.Art. 131 luidt:
“Artikel 131. Minimaal vereist eigen vermogen
1 Een pensioenfonds beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen, tenzij:
a. een pensioenfonds tot volledige overdracht of onderbrenging is overgegaan; en
b.de toezichthouder heeft ingestemd met het feit dat het pensioenfonds daarom niet beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen.
2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de omvang en de samenstelling van het minimaal vereist eigen vermogen bepaald.”
Artikel 132 heeft betrekking op het ‘vereist eigen vermogen’ waarover een pensioenfonds moet beschikken.
2.5
Pensioenbehoud c.s. hebben op 9 augustus 2019 een brief aan de Staat (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) gestuurd, waarin zij verzoeken om in art. 131 Pw een uitzondering op te nemen voor pensioenfondsen die enkel CDC-/premieovereenkomsten uitvoeren omdat dit geen fondsen zouden zijn in de zin van art. 15 IORP-II.6.
2.6
Bij brief van 13 september 2019 heeft de Staat op dit verzoek afwijzend gereageerd. Art. 131 Pw geldt onverkort voor pensioenfondsen die een Collective Defined Contribution-regeling7.uitvoeren die kwalificeert als premieovereenkomst. Zij bieden als andere pensioenfondsen in Nederland dekking voor ‘biometrische risico’s’, waaronder worden verstaan “risico’s in verband met overlijden, arbeidsongeschiktheid en levensverwachting”.8.
2.7
Pensioenbehoud c.s. hebben daarop de Staat op 23 september 2019 gedagvaard voor de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank). Zakelijk weergegeven vorderden zij dat voor recht wordt verklaard dat art. 131 en/of art. 132 Pw in strijd is c.q. zijn met één of meer bepalingen uit de IORP II-richtlijn en aldus buiten toepassing moet(en) blijven voor zover een pensioenfonds een CDC-/premieovereenkomst uitvoert.
2.8
De rechtbank heeft bij eindvonnis van 10 februari 2021 de vorderingen afgewezen.9.Samengevat heeft zij het volgend eoverwogen:
- Art. 10 Pw onderscheidt drie pensioenovereenkomsten: (a) uitkeringsovereenkomst, (b) kapitaalovereenkomst en (c) premieovereenkomst. De Pw kent geen CDC-regeling. Aan dit begrip wordt geen zelfstandige betekenis toegekend. (rov. 4.20-4.24)
- In IOPR-II is geen steun te vinden voor de stelling van Pensioenbehoud c.s. dat voor de uitleg en toepassing van artikel 15 lid 1 IORP II van belang is of IBPV al dan niet zelf de biometrische risico’s draagt. Het gaat erom of een pensioenfonds zelf biometrische risico’s verzekert (rov. 4.28). Ook als een pensioenfonds als laatste redmiddel moet overgaan tot het korten van opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten (art. 134 Pw), draagt het pensioenfonds nog steeds de biometrische risico’s (rov. 4.29).
- Alleen een pensioenfonds dat uitsluitend een premieovereenkomst met een variabele regeling uitvoert en geen (andere) biometrische risico’s verzekert, valt niet onder de reikwijdte van art. 15 lid 1 IORP II (rov. 4.33). Zo’n pensioenfonds bestaat in Nederland niet, zodat Pensioenbehoud c.s. geen belang hebben bij hun vordering.
- De situatie waarop art. 15 lid 3 IORP-II doelt (gedetailleerdere voorschriften), doet zich niet voor (rov. 4.34).
2.9
Pensioenbehoud c.s. zijn van dit vonnis in beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). In hoger beroep hebben zij hun vordering geherformuleerd tot een verklaring voor recht dat art. 131 en/of art. 132 Pw in strijd is of zijn met IORP II, in ieder geval met art. 15 daarvan, en dus buiten toepassing moet(en) blijven.10.Verder hebben Pensioenbehoud c.s. het hof verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.
2.10
Het hof heeft bij arrest van 21 juni 2022 het vonnis bekrachtigd.11.Het heeft onder meer het volgende overwogen:
i) Uit de memorie van grieven volgt dat in hoger beroep niet langer relevant is of een pensioenregeling een CDC-regeling vormt. Pensioenbehoud c.s. heeft daarom geen belang bij grief I, die is gericht op de oordelen dat geen wettelijke CDC-regeling bestaat en dat geen waarde wordt gehecht aan dit begrip (rov. 6.2).
ii) Partijen zijn het erover eens dat het werk van pensioenfondsen betrekking heeft op biometrische risico’s. Het gaat om de vraag of die worden verzekerd (rov. 6.5).
iii) Het standpunt van Pensioenbehoud c.s. komt erop neer dat pensioenfondsen geen biometrische risico’s verzekeren omdat, bij een tekort, uiteindelijk de deelnemers zelf dat tekort (moeten) dragen. Volgens Pensioenbehoud c.s. is er pas sprake van verzekeren indien er een gegarandeerde aanspraak op een bepaalde pensioenvoorziening bestaat (rov. 6.7). Dat standpunt slaagt niet, omdat:
a. art. 15 lid 1 IORP-II geen nadere eisen stelt aan de geboden verzekering (‘een dekking’ is voldoende), en er ook na het doorvoeren van een korting op het pensioen nog steeds een dekking is (rov. 6.8);
b. art. 15 lid 1 IORP-II onderscheidt tussen verzekeren en garanderen. Daaruit volgt dat het begrip ‘verzekeren’ niet vereist dat een bepaalde garantie wordt verstrekt, dus een korting doorvoeren betekent niet dat daarna niet meer verzekerd wordt (rov. 6.9);
c. art. 15 IORP-II voorziet slechts in minimumharmonisatie, dus ook al zou geen sprake zijn van verzekeren, kan de Staat aanvullende voorschriften opleggen, en hoeven art. 131 en 132 Pw niet in strijd te zijn met art. 15 IORP II (rov. 6.10).
iv) Op het voorgaande stuiten grieven I-VIII af (rov. 6.11), die in de kern opkomen tegen het oordeel van de rechtbank dat pensioenfondsen biometrische risico’s verzekeren (rov. 5.2). Ten overvloede: Pensioenbehoud c.s. beogen te bewerkstelligen dat de pensioenen van leden omhoog gaan, maar de gevorderde verklaring voor recht hoeft daar niet toe te leiden. Als er geld vrijkomt bij een pensioenfonds, is nog niet gezegd dat dit voor indexatie wordt ingezet. (rov. 6.11).
v) Het hof ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, omdat de uitleg van art. 15 IORP II geen vragen oproept die daartoe noodzaken (rov. 6.12). Grief IX faalt daarom.
2.11
Bij procesinleiding van 21 september 2022 hebben Pensioenbehoud c.s. tijdig cassatieberoep ingesteld. De Staat heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunten op 30 juni 2023 zowel schriftelijk als mondeling door hun advocaten laten toelichten, Pensioenbehoud c.s. mede door mr. H. van Meerten en mr. K.P.D. Vermeulen, advocaten in feitelijke instantie, en de Staat mede door mr. J.B.B. Heinen. Ter zitting hebben partijen kort gerepliceerd en gedupliceerd. Daarna heeft op 25 augustus 2023 schriftelijke repliek en dupliek plaatsgevonden. Partijen hebben de onderwerpen die zij bij pleidooi aan de orde hebben gesteld, ook in hun schriftelijke toelichting (uitvoerig) behandeld.
3. Juridisch kader
3.1
Voordat ik toekom aan het middel ga ik in op de juridische achtergronden.
Algemeen: financiële voorschriften12.
3.2
Een pensioenfonds heeft verplichtingen, waaronder de verplichting om aan een deelnemer vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd levenslang een pensioenuitkering te betalen. Met de wettelijke financiële voorschriften wordt beoogd te waarborgen dat pensioenfondsen die verplichting kunnen nakomen. Zo vereist de wet dat een pensioenfonds toereikende voorzieningen vaststelt ter hoogte van de te verwachten verplichtingen. De pensioenverplichtingen (passiva) moeten zijn gedekt door voldoende bezittingen (activa). Dit is de dekkingseis. De verhouding tussen bezittingen en pensioenverplichtingen bepaalt of een pensioenfonds mag indexeren en ook wanneer een pensioenfonds een herstelplan moet maken of, in het uiterste geval, de pensioenen moet korten. Deze verhouding heet de dekkingsgraad. Als de dekkingsgraad 100% is, betekent dit dat een pensioenfonds voor elke EUR 100 aan verplichtingen EUR 100 aan vermogen heeft.
3.3
De wetgeving onderscheidt een ‘minimaal eigen vermogen’ (dat is de ondergrens) en een ‘voorgeschreven eigen vermogen’. Op grond van het laatste moet er in principe meer vermogen zijn dan er verplichtingen zijn. In de meeste gevallen komt dat neer op een dekkingsgraad van minimaal 104%.13.Deze aanvullende activa (boven de 100% dekkingsgraad) worden aangehouden naast de technische voorzieningen en dienen als buffer om verschillen tussen de verwachte en werkelijke uitgaven en inkomsten op te vangen. Een (te) lage dekkingsgraad kan zijn veroorzaakt aan de activazijde (door lagere beleggingsresultaten) of aan de passivazijde (door hogere pensioenverplichtingen).
De eerste Europese pensioenrichtlijn (IORP-I) en de implementatie daarvan
3.4
Op 11 oktober 2000 diende de Europese Commissie (hierna: de Commissie) een voorstel in voor een Richtlijn betreffende de werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.14.Daarin werd een artikel 17 voorgesteld dat als volgt luidde (onderstreping hieronder en hierna in dit hoofdstuk steeds toegevoegd):
“Het wettelijk voorgeschreven eigen vermogen
1. De lidstaten dragen er zorg voor dat instellingen die pensioenregelingen beheren waarbij de instelling zelf de verplichting op zich neemt een biometrisch risico te dekken en/of waarbij de instelling zelf een beleggingsprestatie of het niveau van de uitkeringen garandeert, permanent bijkomende activa aanhouden naast de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van regelingen die zij beheren. Deze activa moeten vrij van alle voorzienbare verplichtingen zijn en als veiligheidskapitaal dienen om de verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke uitgaven en winsten op te vangen.
2. Voor de berekening van het bedrag van de bijkomende activa zijn de in Richtlijn 79/267/EEG [de eerste coördinatierichtlijn levensverzekering, A-G] vastgestelde regels van toepassing.”
3.5
De toelichting van de Commissie in de voorgestelde considerans, hield het volgende in:
“24. Dikwijls is het de bijdragende onderneming en niet de instelling zelf die hetzij het biometrische risico dekt hetzij een bepaald uitkeringsniveau of bepaalde beleggingsresultaten waarborgt. Soms verschaft de instelling deze dekking of garanties echter zelf en blijven de verplichtingen van de bijdragende onderneming over het algemeen beperkt tot de betaling van de noodzakelijke bijdragen. Onder deze omstandigheden zijn de aangeboden producten vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen en moeten de desbetreffende instellingen hetzelfde aanvullende eigen vermogen aanhouden als levensverzekeringsondernemingen.”
De woorden ‘onder deze omstandigheden’ verwijzen naar de als tweede genoemde situatie, waarin de instelling deze dekking of garanties zelf verschaft.
3.6
Het Europees Parlement heeft in de eerste fase van het Europese wetgevingsproces een aantal amendementen op deze bepalingen voorgesteld.15.Die voorstellen hielden het volgende in (geschrapte tekst doorgehaald, toegevoegde tekst vet gedrukt in het origineel):
“Amendement 24 (considerans 24):
(24) Dikwijls is het de bijdragende onderneming en niet de instelling zelf die hetzij het biometrische risico dekt hetzij een bepaald uitkeringsniveau of bepaalde beleggingsresultaten waarborgt. Soms verschaft de instelling deze dekking of garanties echter zelf en blijven de verplichtingen van de bijdragende onderneming over het algemeen beperkt tot de betaling van de noodzakelijke bijdragen. Onder deze omstandigheden zijn de aangeboden producten vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen en moeten de desbetreffende instellingen hetzelfde een soortgelijk aanvullend eigen vermogen aanhouden als levensverzekeringsondernemingen.”
en
“Amendement 81 (artikel 17 lid 2)
2. Voor de berekening van het bedrag van de bijkomende activa zijn de in richtlijn 79/267/EEG vastgestelde regels van toepassing die voor de desbetreffende instelling gelden in de lidstaat van ontvangst. Indien een lidstaat geen bepalingen heeft aangenomen, zijn de bepalingen als vastgesteld in de artikelen 18 en 19 van Richtlijn 79/267/ EEG (artikel 18 als gewijzigd bij artikel 25 van Richtlijn 92/96/EEG), van toepassing.”
3.7
De Raad van de Europese Unie (hierna: de Raad), die samen met het Europees Parlement de wetgever van de Unie vormt, heeft daarna een gemeenschappelijk standpunt vastgesteld.16.In de toelichting daarop werd over artikel 17 het volgende opgemerkt:17.
“Met betrekking tot artikel 17 betreffende het voorgeschreven eigen vermogen heeft de Raad […] door "en niet de bijdragende ondernemingen" in te voegen, getracht duidelijker te maken welke situaties in lid 1 worden bedoeld. Evenzo heeft de Raad in lid 2 verduidelijkt dat dit betrekking heeft op het minimumbedrag en dat de relevante bepalingen van de levensverzekeringsrichtlijn in dit verband de artikelen 18 en 19 zijn. Daarmee heeft de Raad amendement 81 van het Europees Parlement ten dele overgenomen; hij ziet echter geen reden om de rest van dat amendement over te nemen (noch het daarmee samenhangende amendement 24), aangezien de twee door het Europees Parlement genoemde richtlijnen reeds in alle lidstaten zijn uitgevoerd.
Ten slotte acht de Raad een aanvullend lid nodig dat de lidstaten in staat stelt nadere eisen en
gedetailleerder voorschriften inzake het eigen vermogen vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn.”
3.8
De tekst uit het gemeenschappelijk standpunt van de Raad is op deze twee onderdelen opgenomen in de eindtekst, Richtlijn (EG) 2003/4118.(hierna: IORP-I) en luidt als volgt:
“(30) Dikwijls kan het de bijdragende onderneming en niet de instelling zelf zijn die hetzij het biometrische risico dekt, hetzij een bepaald uitkeringsniveau of bepaalde beleggingsresultaten waarborgt. Soms verschaft de instelling deze dekking of garanties echter zelf en blijven de verplichtingen van de bijdragende onderneming over het algemeen beperkt tot de betaling van de noodzakelijke bijdragen. Onder deze omstandigheden zijn de aangeboden producten vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen en moeten de desbetreffende instellingen ten minste hetzelfde aanvullende eigen vermogen aanhouden als levensverzekeringsondernemingen.”
en
“Artikel 17
Voorgeschreven eigen vermogen
1. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en zelf, en niet de bijdragende ondernemingen, een dekking tegen biometrische risico's verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen garanderen, permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden naast de technische voorzieningen. De omvang van de buffer is in overeenstemming met het soort risico en de aard van de activa met betrekking tot het geheel van uitgevoerde regelingen. Deze activa zijn vrij van alle voorzienbare verplichtingen en dienen als veiligheidskapitaal om verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke uitgaven en winsten op te vangen.
2. Voor de berekening van het minimumbedrag van de aanvullende activa zijn de in de artikelen 27 en 28 van Richtlijn 2002/83/EG vastgestelde regels van toepassing.
3. Lid 1 belet de lidstaten echter niet op hun grondgebied gevestigde instellingen te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen, of gedetailleerdere voorschriften vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn.”
3.9
De Nederlandse wetgever heeft deze bepaling geïmplementeerd in art. 9a van de Pensioen- en spaarfondsenwet (hierna: Psw).19.Het derde lid van art. 9a Psw luidde:
“3. Een pensioenfonds of beroepspensioenfonds dat niet volledig het risico, bedoeld in artikel 9, eerste lid [het uit de aangegane verplichtingen voortspruitende risico, A-G], heeft overgedragen of herverzekerd houdt, naast de technische voorzieningen, permanent bij wijze van buffer een eigen vermogen aan (…).”
3.10
“Artikel 131. Minimaal vereist eigen vermogen
1 Een pensioenfonds beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen, tenzij:
a. een pensioenfonds tot volledige overdracht, herverzekering of onderbrenging is overgegaan; en
b. de toezichthouder heeft ingestemd met het feit dat het pensioenfonds daarom niet beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen.
2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de omvang en de samenstelling van het minimaal vereist eigen vermogen bepaald.
De in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen (BFTK).20.
3.11
In de toelichting op art. 131 Pw21.wordt onder meer opgemerkt:22.
“Fondsen herverzekeren bepaalde verzekeringsrisico’s geheel of gedeeltelijk. Dat kan bij een verzekeraar of een professionele herverzekeraar. Een verzekeraar en een herverzekeraar die is gevestigd binnen de EU moet een minimaal vereist eigen vermogen aanhouden. Als een fonds volledig is herverzekerd, is het niet nodig dat het fonds zelf ook het minimaal vereist eigen vermogen aanhoudt. Zou dat wel het geval zijn, dan is er sprake van het tweemaal afdekken van hetzelfde risico. Om die reden is dit artikel aangepast. Of de kwaliteit van de herverzekering de zekerheid van het minimaal vereist eigen vermogen voor een fonds volledig compenseert, is uiteindelijk aan DNB ter beoordeling. […].”
3.12
Na de financiële crisis liet het kabinet aan de Tweede Kamer weten dat voor herverzekerde fondsen de eis van het minimaal vereist eigen vermogen altijd geldt, omdat deze eis los staat van het kredietrisico en voortvloeit uit art. 17 van Richtlijn 2003/41/EG.23.Met het oog daarop werd een wetsvoorstel ingediend en aangenomen om art. 131 Pw te wijzigen, in die zin dat ‘herverzekering’ verdween uit de uitzonderingsbepaling in het eerste lid sub a.24.Dit betekent dat ook verzekerde fondsen steeds een buffer (van beperkte omvang) moeten aanhouden.25.
De tweede Europese pensioenrichtlijn (IORP-II) en de implementatie daarvan
3.13
Op 16 februari 2012 kondigde de Commissie aan met een voorstel tot wijziging van IORP-I te zullen komen.26.Het doel hiervan was onder andere om een gelijk speelveld met de Richtlijn Solvency II27.te behouden. In een reactie heeft het Nederlandse kabinet gewezen op de mogelijke financiële consequenties van het streven naar een gelijk speelveld met (pensioen)verzekeraars.28.Het gevolg zou kunnen zijn dat dezelfde (hogere) solvabiliteitseisen die gelden voor verzekeraars ook zouden kunnen gaan gelden voor pensioenfondsen. Daaraan bestond geen behoefte, aldus het kabinet.
3.14
Op 27 maart 2014 heeft de Commissie een voorstel tot herziening van de IORP-richtlijn ingediend.29.Daarin was geen wijziging van de solvabiliteitseisen opgenomen.30.De tekst van art. 17 IORP-I is zonder inhoudelijke wijziging overgenomen in art. 15 IORP-II. Overweging 30 IORP-I werd overgenomen in overweging 44 IORP II. Na onderhandelingen (in de trialoog) tussen Raad, Europees Parlement en Commissie31.is die overweging als volgt gewijzigd (geschrapte tekst doorgehaald, toegevoegde tekst vet gedrukt in het origineel):
“(44) Dikwijls kan het de bijdragende onderneming en niet de instelling IBPV zelf zijn die hetzij het biometrische risico dekt, hetzij een bepaald uitkeringsniveau een bepaalde hoogte van de uitkeringen of bepaalde beleggingsresultaten waarborgt. Soms verschaft de instelling IBPV deze dekking of garanties echter zelf en blijven de verplichtingen van de bijdragende onderneming over het algemeen beperkt tot betaling van de noodzakelijke bijdragen. Onder deze die omstandigheden zijn de aangeboden producten vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen en moeten de desbetreffende instellingen IBPV ten minste hetzelfde aanvullende eigen vermogen aanhouden als levensverzekeringsondernemingen. eigen vermogen aanhouden op basis van de waarde van de technische voorzieningen en het risicokapitaal.”
3.15
In IORP-II is dit ‘minimale karakter’ van de richtlijn nader geëxpliciteerd door toevoeging van een nieuwe overweging 3 die als volgt luidt:
“(3) Deze richtlijn beoogt minimale harmonisatie en mag de lidstaten daarom niet beletten verdere voorschriften ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden van bedrijfspensioenregelingen in te voeren, mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de Unierechtelijke verplichtingen van de lidstaten. (...).”
3.16
IORP-I is met ingang van 13 januari 2019 vervangen door IORP-II (zie art. 65 IORP II).
3.17
De Pw is op het punt van het (minimaal) vereist eigen vermogen niet aangepast.32.
3.18
Na een lange voorgeschiedenis is recent Wet toekomst pensioenen aangenomen.33.Deze wet laat art. 131 Pw ongewijzigd. In de memorie van toelichting wordt hierover onder meer het volgende opgemerkt (citaat zonder voetnoot, A-G):
“Het onderhavige wetsvoorstel stelt geen wijzigingen voor ten aanzien van het verplicht aanhouden van een minimaal vereist eigen vermogen, dan wel de vaststelling van de hoogte van het minimaal vereist eigen vermogen. Dus ook in het nieuwe pensioenstelsel geldt het uitgangspunt dat wanneer een pensioenfonds een dekking tegen biometrische risico’s verzekert, of de hoogte van uitkeringen of beleggingsrendement garandeert, het pensioenfonds verplicht is om een minimaal vereist eigen vermogen aan te houden. […]”34.
3.19
Naar aanleiding van Kamervragen heeft de regering hierover het volgende opgemerkt:35.
“(…) De regering geeft aan dat het denkbaar is dat een pensioenfonds op grond van de IORP-richtlijn geen minimaal vereist eigen vermogen hoeft aan te houden. Dat is alleen mogelijk indien het pensioenfonds enkel een variabele ouderdomspensioenuitkering aanbiedt en daarnaast geen nabestaandenpensioen en/of arbeidsongeschiktheidspensioen aanbiedt, ook niet in de opbouwfase. Alleen in dat geval is er geen dekking tegen biometrische risico’s en wordt er geen beleggingsrendement of bepaalde uitkeringshoogte gegarandeerd. In dat geval is het pensioenfonds op grond van de IORP-richtlijn niet verplicht om een minimaal vereist eigen vermogen aan te houden.”
Het standpunt van de regering over de invloed van herverzekering van biometrische risico’s door een pensioenfonds is daarmee ongewijzigd ten opzichte van het standpunt dat eerder was ingenomen (zie 3.14).36.
Recente rechtspraak over verenigbaarheid voorschriften Pensioenwet met het Unierecht
3.20
Tot slot van dit juridisch kader wijs ik op een recente uitspraak in kort geding in een zaak die met de onderhavige zaak enige verwantschap vertoont. Volgens eiser in die zaak heeft de Staat de pensioenfondsen ten onrechte voorgeschreven om bij het berekenen van hun financiële ruimte voor indexatie uit te gaan van een (lage) risicovrije rekenrente in plaats van een hogere marktrente. Eiser stelt dat de Staat aansprakelijk is voor zijn schade (bestaande uit het mislopen van indexeringen tussen 2008 en 2019 van zijn ABP-pensioen), op de grond dat de Staat IORP-I niet correct heeft geïmplementeerd.
3.21
De voorzieningenrechter wijst de vordering af. De reden hiervoor is dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat IORP-I (en vervolgens IORP-II) geen ruimte laten voor het voorschrijven van een risicovrije rekenrente.37.In die zaak was ook nog gesteld dat het achterwege laten van indexering (van het ABP-pensioen) een inbreuk op het eigendomsrecht opleverde als bedoeld in art. 17 EU-Handvest van de Grondrechten (hierna: het Handvest). Het ging in die zaak evenwel om een voorwaardelijke indexatie, dus om onzekere toekomstige vooruitzichten op waardevermeerdering, wat volgens de voorzieningenrechter niet als een eigendomsrecht is aan te merken.
3.22
Na dit alles kom ik toe aan het middel.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het middel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 vecht de gegeven uitleg van gedingstukken aan. Onderdeel 2 bevat rechtsklachten over de uitleg van art. 15 IORP-II. Onderdeel 3 ziet op de overweging dat toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht niet zonder meer zal leiden tot verhoging van pensioenen.
Onderdeel 1 (uitleg gedingstukken)
4.2
Subonderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 6.2:
“6.2 Pensioenbehoud c.s. voeren in hun memorie van grieven aan dat in de kern in hoger beroep de vraag voorligt of de Nederlandse pensioenfondsen zelf biometrische risico’s verzekeren en dat die vraag los staat van het type pensioenregeling dat zij uitvoeren (randnummers 6 en 7). Daarmee laten Pensioenbehoud c.s. kennelijk de discussie over de vraag of een pensioenregeling een zogenaamd CDC-karakter heeft, los. Ook in de toelichting op grief I benadrukken zij dat het in hoger beroep niet gaat om de vraag of een CDC-(premie)regeling bestaat, maar uitsluitend om de vraag of een pensioenfondsdekking tegen biometrische risico’s verzekert. Nu Pensioenbehoud c.s. zelf stellen dat het voor de in hoger beroep te beantwoorden vraag niet relevant is of een pensioenregeling een CDC-regeling is, hebben zij bij grief 1 in ieder geval geen belang. Die grief faalt daarom.”
4.3
Pensioenbehoud c.s. achten onbegrijpelijk dat het hof tot uitgangspunt neemt dat bij de uitleg van het begrip ‘verzekeren’ uit IORP-II in hoger beroep alleen de vraag voorligt of pensioenfondsen zelf biometrische risico’s verzekeren, en het niet meer gaat om de vraag of een CDC-(premie)regeling bestaat. Uit de door het hof aangewezen passages uit de memorie van grieven kan niet anders worden geconcludeerd dan dat Pensioenbehoud c.s. zich ook in hoger beroep op het standpunt stellen dat beantwoording van de rechtsvraag of een pensioenfonds dekking tegen biometrische risico’s verzekert, niet los staat van de vraag of een pensioenregeling kwalificeert als een CDC-regeling. Het is dus wel degelijk relevant of een CDC-regeling bestaat en welke.
4.4
Deze klacht faalt omdat de door het hof gegeven uitleg van de stellingen van Pensioenbehoud c.s. zeker niet onbegrijpelijk is. Ik citeer de passages uit de memorie van grieven waarover het gaat:
“Waar gaat deze procedure over?
[…]
5. […] In de kern gaat de procedure over de vraag naar de betekenis van het begrip ‘verzekeren’ van een dekking tegen biometrische risico’s.
6. Die vraag staat eigenlijk los van het type pensioenovereenkomst. Hoewel premieovereenkomsten naar hun aard minder ‘garanties’ kennen dan uitkeringsovereenkomsten, is de praktijk in Nederland zodanig dat een pensioenregeling in de vorm van een uitkeringsovereenkomst ook geen pensioenaanspraken ‘garandeert’ noch dat een pensioenfonds daarbij instaat voor bepaalde risico’s of dekking biedt tegen bepaalde risico’s. De procedure ziet dus, anders dan voorop werd gesteld in de uitspraak van de rechtbank, niet vooral of alleen op premieovereenkomsten of CDC-pensioenregelingen.
7. De stelling van appellanten is dat pensioenfondsen, los van het type pensioenregeling dat zij uitvoeren, geen biometrisch risico ‘verzekeren’. Dat risico ligt volledig bij de deelnemers. Buffers voor biometrische risico’s als genoemd in artikel 15 IORP-II kunnen dan ook niet door de Staat aan pensioenfondsen worden opgelegd.
[…]
Grief I
De rechtbank heeft ten onrechte in rechtsoverweging 4.3 appellanten in het ongelijk gesteld door daar kortweg te overwegen dat er geen wettelijke CDC-regeling bestaat. Deze grief richt zich ook tegen de overwegingen 4.24 en 4.32 van het vonnis waarin de rechtbank kortweg heeft geoordeeld geen waarde te hechten aan het begrip ‘CDC-/premieovereenkomst’.
Toelichting grief I
16. […] In de praktijk bestaat de CDC-pensioenovereenkomst dus wel degelijk. In wettelijke termen is dan sprake van ofwel een zuivere premieovereenkomst ofwel van een uitkeringsovereenkomst in de zin van de wet die dan in feite (de facto) de vorm van een premieovereenkomst heeft – namelijk geen uitkeringsgaranties voor deelnemers en alle risico’s bij de deelnemers.
17. Het gaat dus niet om een beoordeling van de vraag of een CDC- (premie)regeling bestaat en of daarvoor de buffereisen ter zake biometrische risico’s wel of niet gelden. De vraag is of een pensioenfonds dekking tegen biometrische risico’s verzekert, of het nu gaat om de uitvoering van een premieovereenkomst als bedoeld in de wet, en/of een uitkeringsovereenkomst als bedoeld in de wet en/of een CDC-(premie)regeling zoals die in de praktijk voorkomt en de iure ofwel kwalificeert als premieovereenkomst ofwel als uitkeringsovereenkomst.. Appellanten hebben niet gesteld dat een CDC-regeling per definitie een premieovereenkomst is. Sterker nog, zij hebben ter comparitie betoogd dat een CDC-regeling vaak de iure een uitkeringsovereenkomst is.
18. Appellanten wensen dus te benadrukken dat in onderhavige procedure moet worden beoordeeld óf pensioenfondsen die ‘pensioenregelingen’ uitvoeren – of dat nu de iure of de facto uitkerings- of premieovereenkomsten zijn (en of sommige daarvan CDC-(premie)regelingen zijn of worden genoemd) - een dekking tegen biometrische risico’s ‘verzekeren’.”
4.5
De bestreden overweging van het hof is in mijn ogen een adequate en goed te volgen samenvatting van het hiervoor weergegeven standpunt van Pensioenbehoud c.s. De uitleg van gedingstukken betreft een feitelijk oordeel dat in cassatie alleen op begrijpelijkheid wordt getoetst.38.Het hof blijft met deze weergave van (de strekking van) het betoog ruim binnen de grenzen van begrijpelijkheid. Dit geldt temeer omdat Pensioenbehoud c.s. hun vordering in hoger beroep in lijn met de door het hof gegeven uitleg hebben geherformuleerd. In eerste aanleg werd immers een verklaring voor recht gevorderd dat art. 131 en/of art. 132 Pw in strijd is c.q. zijn met één of meer bepalingen uit de IORP II-richtlijnen aldus buiten toepassing moet(en) blijven voor zover een pensioenfonds een CDC/premieovereenkomst uitvoert (rov. 4.1, zie petitum onder I van de inleidende dagvaarding), terwijl in hoger beroep de vordering werd geherformuleerd tot een verklaring voor recht dat art. 131 en/of art. 132 Pw in strijd is of zijn met IORP II, in ieder geval met art. 15 daarvan, en dus buiten toepassing moet(en) blijven (zie onder 79 en petitum onder I van de memorie van grieven). In hun schriftelijke toelichting (onder 1.7) laten Pensioenbehoud c.s. optekenen dat het gaat om een ‘gewijzigde ruimere vordering’ in beroep. Verder merken zij onder verwijzing naar de memorie van grieven in onder 1.9 op dat het in hoger beroep ging om de vraag “of pensioenfondsen die pensioenregelingen uitvoeren, uitkerings- of premieovereenkomsten (al dan niet een ‘CDC-premieregeling’ genoemd), een dekking tegen biometrische risico’s ‘verzekeren’ in de zin van art. 15 lid 1 IORP-II.”
4.6
Ten slotte, zelfs als het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn, zie ik niet in wat het belang van Pensioenbehoud c.s. bij die vaststelling is indien de uitkomst van de cassatieprocedure is dat het hof een juiste uitleg heeft gegeven aan art. 15 IORP-II. De vordering van Pensioenbehoud c.s. zal in dat geval door het slagen van dit subonderdeel niet alsnog toewijsbaar zijn.
4.7
Subonderdeel 1.2 is gericht tegen rov. 6.7:39.
“6.7 Het standpunt van Pensioenbehoud c.s. komt er in de kern op neer dat nationale pensioenfondsen geen biometrische risico’s verzekeren omdat, bij een tekort, uiteindelijk de deelnemers zelf dat tekort dragen (achter 31 memorie van grieven). Alle risico’s die een pensioenfonds loopt, komen uiteindelijk voor rekening van het collectief, zodat die risico’s worden gedeeld. In de visie van Pensioenbehoud c.s. is er pas sprake van “verzekeren” indien er een gegarandeerde aanspraak op een bepaalde pensioenvoorziening bestaat. Dat standpunt slaagt niet.”
4.8
Volgens Pensioenbehoud c.s. is het onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat de kern van de procedure zou zijn dat bij een tekort uiteindelijk de deelnemers zelf dat tekort dragen waardoor alle risico’s worden gedeeld, en dat Pensioenbehoud c.s. zou stellen dat pas sprake zou zijn van verzekeren in gevallen dat er een gegarandeerde aanspraak op een bepaalde pensioenvoorziening bestaat. Het hof verwart het gevolg (korten van pensioen) met de stelling dat pensioenfondsen bij de uitvoering van pensioenregelingen de biometrische risico’s niet zelf verzekeren. Verder is het begrip verzekeren in de stukken niet uitgelegd als garanderen.
4.9
Ik acht de door het hof gegeven uitleg niet onbegrijpelijk. Het hof behandelt in rov. 6.3-6.11 de grieven II t/m VIII. De toelichting op deze grieven start met de stelling dat de kern van het betoog is dat pensioenfondsen zélf geen dekking tegen biometrische risico’s verzekeren (onder 19). Vervolgens wordt onder 20-29 toegelicht dat ‘verzekeren’ een onduidelijk begrip is, zowel Unierechtelijk als nationaalrechtelijk, ook voor zover verzekeren zou moeten worden opgevat als garanderen (onder 30). Vervolgens komen Pensioenbehoud c.s. toe aan hun standpunt over de implementatie van IORP II (onder 31-61), waarvoor randnummer 31 het opstapje vormt (onderstreping hieronder en hierna in dit hoofdstuk steeds toegevoegd):
“31. Volgens artikel 15 IORP-II moeten pensioenfondsen die ‘zelf’ een dekking tegen biometrische risico’s ‘verzekeren’, een buffer aanhouden. Die eis heeft de Nederlandse Staat aldus vertaald in de Pensioenwet dat pensioenfondsen verplicht een vereist eigen vermogen en een minimaal vereist eigen vermogen moeten aanhouden (art. 131 en 132 Pw). Er is naar het oordeel van appellanten geen sprake van dat pensioenfondsen biometrische risico’s ‘verzekeren’. Alle biometrische risico’s komen immers voor rekening van de deelnemers en gepensioneerden. Doordat de deelnemers en gepensioneerden die risico’s zelf lopen, stelt de Staat ten onrechte in de Pensioenwet de eis aan pensioenfondsen om buffers voor biometrische risico’s aan te houden. Het gevolg van die eis is dat pensioenfondsen te weinig middelen hebben om pensioenen te indexeren c.q. zich gedwongen voel(d)en om pensioenen te korten.
32. Daar is naar het oordeel van eisers geen aanleiding toe, en zij lichten dat als volgt toe. […].”
4.10
De toelichting vervolgt met het betoog dat de biometrische risico’s bij pensioenfondsen bij tegenvallers (direct) ten laste komen van de technische voorzieningen en dus van het collectief. Daarbij is het korten van pensioenaanspraken en -uitkeringen het laatste redmiddel (onder 33-45). De tussenconclusie is dat het de deelnemers zijn die het biometrisch risico lopen en dat risico delen; het pensioenfonds verzekert dit risico niet (onder 46-48). Bij een verzekeraar die optreedt als pensioenfonds komt het biometrisch risico ook ten laste van de technische voorzieningen, maar dan zit er een extra opslag voor dit risico in de technische voorzieningen. Een verzekeraar verzekert daarmee wel het biometrisch risico. Bovendien kan een verzekeraar, anders dan een pensioenfonds, niet korten bij te lage buffers. Die buffers moeten dan worden verhoogd door (in feite) het bijstorten door aandeelhouders. Dit gebeurt bij een pensioenfonds niet (onder 49-50). De conclusie van Pensioenbehoud c.s. is dan als volgt:
“51. Om deze reden komen de kosten van niet door premies gedekte biometrische risico’s ten laste van deelnemers en gepensioneerden middels verlagingen van het pensioen. Alhoewel stabiliteit van het pensioen wordt beoogd, kan telkenjare sprake zijn van verlaging of niet of niet volledig toekennen van toeslagen. De pensioenuitkering kan daardoor als ‘variabel’ worden gekwalificeerd. Dat heeft de geschiedenis sinds 2008 wel bewezen.
52. Aangezien pensioenfondsen de dekking van biometrische risico’s niet zélf kunnen ‘verzekeren’ of ervoor instaan of garanderen zoals hiervoor is aangetoond, kan er op die gronden geen verplichting bestaan om als pensioenfonds strengere buffers, voor biometrische risico’s, te moeten houden.
[…]
55. Omdat het pensioenfonds geen enkel risico loopt wegens het ontbreken van garanties of het absorberen van biometrische risico’s, is artikel 15 IORP II niet van toepassing op Nederlandse pensioenfondsen die deze risico’s niet zelf dragen. Dat geldt voor zowel premieovereenkomsten als uitkeringsovereenkomsten.
56. Appellanten menen dus dat de Nederlandse regering er steeds ten onrechte van uit is gegaan dat pensioenfondsen risicodragend zijn en dat buffervereisten voor biometrische risico’s gelden. […]”
4.11
Gelet op deze toelichting kon het hof het standpunt van Pensioenbehoud c.s. zo samenvatten dat de deelnemers een tekort uiteindelijk zelf dragen en dat de risico’s voor rekening van het collectief komen, zodat die worden gedeeld. Aan Pensioenbehoud c.s. kan worden toegegeven dat zij niet letterlijk (één-op-één) hebben gesteld dat pas sprake is van verzekeren indien er een gegarandeerde aanspraak op een bepaalde pensioenvoorziening bestaat. Toch vind ik het oordeel van het hof ook op dit punt niet onbegrijpelijk, want op diverse plaatsen in de memorie van grieven worden ‘verzekeren’ en ‘garanderen’ aan elkaar gelijk gesteld. Ik wijs onder meer op randnummers 52 en 55 (zojuist geciteerd).40.
4.12
De Staat heeft het ook zo begrepen dat wordt gesteld dat sprake moet zijn van een garantie op een bepaalde pensioenuitkering (memorie van antwoord onder 2.6-2.7). In de pleitnota van Pensioenbehoud c.s. is hier vervolgens niet op ingegaan. Het partijdebat wijst dus ook niet weg van deze uitleg van de gedingstukken door het hof. De verwijzing in de toelichting op de cassatieklacht naar randnummer 30 van de memorie van grieven maakt dat niet anders.41.Integendeel, zou ik zeggen, omdat daar door Pensioenbehoud c.s. wordt betoogd dat ook als verzekeren zou moeten worden vertaald als garanderen, pensioenfondsen niet onder het nationale kaderbegrip ‘verzekeren’ vallen (zie laatste zin onder 29) omdat van een gegarandeerde pensioenuitkering nimmer sprake is in Nederland. Dit alles leidt ertoe dat niet onbegrijpelijk is dat het hof het standpunt van Pensioenbehoud c.s. aldus samenvat dat pas sprake is van verzekeren indien er een gegarandeerde aanspraak op een bepaalde pensioenvoorziening bestaat. De klacht faalt.
4.13
Subonderdeel 1.3 bevat een rechtsklacht die inhoudt dat het hof, gezien de subonderdelen 1.1 en 1.2, in strijd met art. 24 Rv niet de grondslag heeft beoordeeld die aan de vordering ten grondslag is gelegd. Gelet op mijn bespreking van die twee subonderdelen, kan ook deze klacht niet slagen. Het hof heeft de gedingsstukken zo kunnen uitleggen als in het bestreden arrest is weergegeven en daarop zijn beoordeling kunnen baseren.
Onderdeel 2 (uitleg art. 15 IORP II)
4.14
De klachten in dit onderdeel zijn gericht tegen rov. 6.3-6.11. Er zijn twee ‘algemene rechtsklachten’, die worden uitgewerkt in subonderdelen. De eerste klacht (uitgewerkt in 2.1 en 2.2) houdt in dat het hof ten onrechte niet (mede) heeft betrokken de inhoud en de verdere tekst, doel en strekking van IORP-I. De tweede klacht (uitgewerkt in 2.3) houdt in dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat art. 15 IORP-II slechts minimumharmonisatie biedt waardoor het de wetgever vrijstaat om ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden maatregelen te nemen en IBPV’s aanvullende voorschriften op te leggen die uit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn. Deze algemene klachten bespreek ik niet zelfstandig, omdat zij het lot delen van de vermelde subonderdelen die ik nu zal bespreken.
4.15
Ik zie aanleiding eerst subonderdeel 2.3 over minimumharmonisatie te bespreken. Immers, als die klacht ongegrond is hoeven de klachten over de uitleg van het begrip ‘verzekeren’ niet meer aan de orde te komen. Subonderdeel 2.3 richt klachten tegen rov. 6.4 en rov. 6.10 van het bestreden arrest, die als volgt luiden:
“6.4 Overweging (3) van de considerans van de IORP II-richtlijn maakt duidelijk dat de richtlijn een minimale harmonisatie beoogt te bieden. Dat betekent dat het lidstaten vrij staat om verdere maatregelen te nemen “ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden”. In artikel 15 lid 3 van de IORP II-richtlijn is opgenomen dat lid 1 de lidstaten niet belet op hun grondgebied gevestigde IBPV’s te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen, of gedetailleerdere voorschriften vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn.
[…]
6.10
In de derde plaats biedt artikel 15 IORP II slechts een minimumharmonisatie. Ook als in de Nederlandse situatie niet sprake zou zijn van “verzekeren” in de zin van dit artikel, heeft de Staat de vrijheid om aanvullende voorschriften aan IBPV’s op te leggen indien die uit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn. Ook in dat geval hoeft van strijd van de artikelen 131 en 132 Pw met artikel 15 IORP II dus geen sprake te zijn.”
4.16
Pensioenbehoud c.s. klagen dat het hof hiermee heeft miskend dat art. 15 lid 3 IORP-II moet worden uitgelegd in de context, en naar doel en strekking van IORP-I en IOPR-II. Het betoog begint met de vaststelling dat het op zichzelf juist is dat in overweging 3 van IORP-II voorop wordt gesteld dat minimumharmonisatie is beoogd en dat dit betekent dat Nederland nadere voorschriften mag invoeren om deelnemers en pensioengerechtigden van bedrijfspensioenregelingen te beschermen. Het hof heeft er echter aan voorbij gezien dat die bevoegdheid is geclausuleerd omdat ook in deze overweging staat: “mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de Unierechtelijke verplichtingen van de lidstaten.” Uit overweging 32 van IORP-I blijkt dat de lidstaten maar beperkte vrijheid hebben als het gaat om nadere voorschriften voor de in art. 15 lid 1 IORP-II bedoelde specifieke gevallen waar pensioenuitvoerders/-fondsen zelf de dekking van biometrische risico’s verzekeren vergelijkbaar met levensverzekeringsondernemingen. Voor die fondsen mogen aanvullende voorschriften worden gesteld voor het eigen vermogen, mits ze vanuit prudentieel opzicht gerechtvaardigd zijn. Door dit niet, met aanvulling van rechtsgronden, in zijn beoordeling en oordeelsvorming te betrekken, is het hof door te oordelen als in rov. 6.4 en rov. 6.10 uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte van de in IORP-I en IORP-II bedoelde minimumharmonisatie. Daarmee ging het hof (ook) uit van een verkeerde (want te ruime) uitleg van het bepaalde in art. 15 lid 3 IORP-II. De daarin aan lidstaten gelaten wetgevingsvrijheid ziet uitsluitend op de in art. 15 lid 1 bedoelde specifieke situaties. Het hof heeft hiermee het Unierecht geschonden.
4.17
Ik stel voorop dat IORP II onder meer is gebaseerd op art. 114 lid 1 VWEU, welke bepaling de algemene rechtsgrondslag vormt voor harmonisatiemaatregelen inzake de instelling en de werking van de Europese interne markt.42.Een maatregel op deze rechtsgrond kan,43.naar gelang het te regelen onderwerp, maximale harmonisatie beogen (waarbij de betrokken onderwerpen uitputtend worden geregeld en de lidstaten daar niet van mogen afwijken) of volstaan met minimumharmonisatie (waarbij het de lidstaten is toegestaan om ‘naar boven’ af te wijken door strengere vereisten vast te stellen of te handhaven).44.Zulke strengere maatregelen45.dienen voor het overige verenigbaar te zijn met het primaire Unierecht, in het bijzonder het VWEU. Dit is een algemeen geldende randvoorwaarde,46.die in de harmonisatiemaatregelen veelal ook expliciet staat vermeld. Art. 15 lid 3 IORP II biedt daarvan een voorbeeld, door aan de daar vermelde bevoegdheid van de lidstaten om ‘gedetailleerdere voorschriften vast te stellen’ de voorwaarde te verbinden dat zulke voorschriften ‘vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn’.
4.18
Het komt voor dat binnen een en dezelfde richtlijn bepaalde onderwerpen uitputtend zijn geharmoniseerd, terwijl voor andere onderwerpen minimumharmonisatie is beoogd. IORP-II kent zo’n onderscheid niet want geeft over de hele linie minimumvoorschriften. Dat was ook reeds het geval voor IORP-I. In IORP-II is dit ‘minimale karakter’ van de richtlijn nader geëxpliciteerd door toevoeging van een nieuwe overweging 3 (hiervoor geciteerd in 3.15).
4.19
Het beroep dat Pensioenbehoud c.s. doen op overweging 32 van IORP-I doet aan het vorenstaande niet af. Deze overweging luidt als volgt:
“(32) De toezichtmethoden en -praktijken lopen van lidstaat tot lidstaat uiteen. Daarom moet de lidstaten een zekere vrijheid worden gelaten om te bepalen welke beleggingsvoorschriften zij aan de op hun grondgebied gevestigde instellingen wensen op te leggen. Deze voorschriften mogen het vrije kapitaalverkeer evenwel niet belemmeren, tenzij dit om prudentiële redenen gerechtvaardigd is.”
4.20
Getuige de toelichting op het Commissievoorstel voor IORP-I ziet deze passage op de in art. 18 van die richtlijn gegeven beleggingsvoorschriften47.en niet op het voorgeschreven eigen vermogen in art. 17 IORP-I.48.Dit volgt overigens ook rechtstreeks uit de tekst van de geciteerde overweging. Bovendien zie ik niet in hoe deze overweging de lidstaten zou beperken in de mogelijkheid om nadere maatregelen te nemen inzake het vereist eigen vermogen, welke mogelijkheid expliciet is erkend in art. 17 lid 3 IORP-I en thans art. 15 lid 3 IORP-II. Deze bepaling geeft lidstaten de bevoegdheid om de in het eerste lid gestelde buffereis ook toe te passen op pensioenfondsen die niet onder de reikwijdte van het eerste lid vallen. Er staat immers dat lid 1 de lidstaten niet belet de op hun grondgebied gevestigde IBPV’s te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen. Deze constatering wordt ondersteund door het feit dat de Raad (later) in het wetgevingsproces het derde lid aan art. 17 toevoegde met de motivering dat een aanvullend lid nodig was om de lidstaten in staat te stellen nadere eisen en gedetailleerder voorschriften inzake het eigen vermogen vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn (zie 3.7 en 3.8 van deze conclusie).
4.21
In dit verband wijs ik ook nog op het arrest van het HvJEU in de zaak Commissie/Tsjechië49.uit 2010. Aanleiding voor die zaak was dat de Tsjechische Republiek de Richtlijn IORP-I niet volledig had omgezet. In reactie op het betoog dat Tsjechië geen IBPV’s kende en dat de omzetting van de richtlijn haar zou dwingen tot het invoeren van ‘tweede pijler-pensioenen’ (in strijd met haar vrijheid om haar nationale socialezekerheidsstelsel naar eigen inzicht te organiseren),50.overweegt het HvJEU dat IORP I een eerste stap is op de weg naar de instelling van een interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening door op Europese schaal in minimale prudentiële regels te voorzien (rov. 59). Het HvJEU overweegt dit in algemene zin, maar dit is dus in art. 17 lid 3 IORP-I specifiek bepaald voor 17 lid 1 IORP-I.
4.22
Eén en ander is niet veranderd met de invoering van IORP-II. Zoals blijkt uit de toelichting bij het Commissievoorstel voor IORP-II, werd geen verdere harmonisatie van voorschriften betreffende financiële solvabiliteit van IBPV’s voorgesteld.51.Wel werd als gezegd een nieuwe overweging 3 toegevoegd, waar het minimumkarakter van de richtlijn expliciet voorop wordt gesteld. Ook met art. 15 lid 1, is dus minimumharmonisatie beoogd.
4.23
In hun schriftelijke repliek (onder 2.11) benadrukken Pensioenbehoud c.s. nog dat overweging 3 minimumharmonisatie enkel toelaat onder de voorwaarde dat de nationale voorschriften in overeenstemming zijn met de Unierechtelijke verplichtingen van lidstaten. In het licht van die voorwaarde zou moeten worden getoetst of de toepassing van de Nederlandse implementatiebepalingen in lijn is met (o.a.) het Handvest (onder 2.12). Als voorbeeld van een dergelijke toepassing wordt vermeld de kortingsmaatregel van art. 134 Pw. Eén en ander komt hierna aan bod bij de bespreking van subonderdeel 2.2.d.
4.24
In het licht van het voorgaande falen de klachten van subonderdeel 2.3. Het hof is niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan door IORP-I niet (kenbaar) bij de interpretatie van het harmonisatieniveau van art. 15 IORP-II te betrekken. Het stond de wetgever daarom vrij om de in art. 15 lid 1 IORP II gestelde buffereis aan de in Nederland gevestigde pensioenfondsen op te leggen.
4.25
Het voorgaande betekent dat rov. 6.10 van het bestreden arrest stand houdt. Rov. 6.10 is bovendien een zelfstandig dragende overweging voor de afwijzing van de vordering van Pensioenbehoud c.s. omdat het hof daarin heeft beslist dat ook als in Nederland geen sprake zou zijn van ‘verzekeren’ in de zin van art. 15 lid 1 IORP-II, de Staat zich met vrucht kan beroepen op art. 15 lid 3 IORP-II ter rechtvaardiging van de norm in art. 131 Pw. Hieruit volgt dat Pensioenbehoud c.s. bij de overige cassatieklachten in onderdeel 2 geen belang hebben.
4.26
Niettemin zal ik de overige klachten van onderdeel 2 hieronder bespreken.
4.27
Subonderdeel 2.1 betoogt dat het hof de betekenis van de bewoordingen in art. 17 lid 1 IORP-I had moeten betrekken bij de uitleg van art. 15 lid 1 IORP-II. Door dat niet te doen, heeft het hof miskend dat de Europese wetgever in art. 17 lid 1 IORP-I doelde op pensioenuitvoerders, zoals pensioenfondsen, die zelf door verzekering dekking bieden voor biometrische risico’s, net zoals levensverzekeringsondernemingen dat doen. Voor de laatsten verwees art. 17 lid 2 IORP-I naar art. 27 en 28 Richtlijn 2002/83/EG (betreffende levensverzekering) voor het minimumbedrag van de aanvullende activa naast de technische voorzieningen. Pensioenbehoud c.s. wijzen op de toelichting bij deze buffereis in punt 30 van de considerans van IORP-I (geciteerd hiervoor in 3.8). Pensioenbehoud c.s. voeren verder aan dat, buiten het daar bedoelde geval waarin de specifieke (verzekerings)situatie bij pensioenuitvoerders vergelijkbaar is met die van levensverzekeringsondernemingen, de Europese wetgever het voor pensioenfondsen voldoende achtte dat een prudente berekening van de technische voorzieningen op basis van erkende actuariële methoden ervoor zorgde dat aan uitkeringsverplichtingen zou kunnen worden voldaan (overweging 26) en dat toereikende activa ter dekking van technische voorzieningen de belangen van de deelnemers en pensioengerechtigden te allen tijde zouden beschermen (overweging 28). Dit onderscheid is sindsdien gehandhaafd, mede gelet op het overnemen van de tekst van art. 27-28 van Richtlijn 2002/83/EG (levensverzekeringen) in art. 16-18 IORP-II.52.Door deze uitleg van art. 17 lid 1 IORP-I niet te betrekken bij de uitleg van art. 15 lid 1 IORP-II en daaraan geen bepalend gewicht toe te kennen, ‘eventueel met aanvulling van rechtsgronden’, heeft het hof het (Unie)recht miskend. In de schriftelijke toelichting (onder 3.4) vullen Pensioenbehoud c.s. dit betoog nader in met de stelling dat het hof zich bij de uitleg van het begrip ‘verzekeren’ (en het begrip garanderen) zich ten onrechte alleen bedient van een grammaticale (taalkundige) interpretatie en niet een historische en/of teleologische interpretatie.
4.28
Ik stel het volgende voorop. Ten eerste kan aan Pensioenbehoud c.s. worden toegegeven dat het betrekken van IORP I bij de uitleg van een bepaling uit IORP II in dit geval een relevant gezichtspunt zou kunnen opleveren. Art. 17 lid 1 IORP-I en art. 15 lid 1 IORP-II zijn immers geformuleerd in nagenoeg gelijke bewoordingen. Continuïteit in de uitleg van die bepalingen ligt daarom voor de hand.53.Ten tweede memoreer ik dat de volgende uitlegmethoden door het HvJEU worden gebruikt bij de uitleg van richtlijnen: grammaticale (tekstueel), systematische (contextueel), teleologische (functioneel), historische en verdragsconforme uitleg.54.Ten derde moeten begrippen in een EU-richtlijn, behoudens expliciet voorziene uitzonderingen, autonoom en uniform moeten worden uitgelegd. Ten vierde geldt dat iedere bepaling van Unierecht in haar context moet worden geplaatst en moet worden uitgelegd in het licht van het Unierecht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast.55.Beperking tot een letterlijke of grammaticale interpretatie ligt (mede) daarom niet voor de hand.56.Ten vijfde wijs ik erop dat de considerans van een richtlijn als hulpmiddel bij de interpretatie van die richtlijn kan fungeren maar geen bindende rechtskracht heeft. Als er licht zit tussen een bepaling en een overweging gaat de bepaling voor.57.
4.29
Dan nu de centrale stelling dat ‘verzekeren’ in art. 15 lid 1 IORP II in die zin moet worden geïnterpreteerd dat een minimaal eigen vermogen alleen moet worden aangehouden indien een IBPV biometrische risico’s verzekert zoals levensverzekeringsondernemingen dat doen. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijzen Pensioenbehoud c.s. vooral naar art. 17 lid 2 en overweging (30) van IORP I.
4.30
Ik stel vast dat de door Pensioenbehoud c.s. verdedigde uitleg niet volgt uit de tekst van art. 17 lid 1 IORP-I, die (niet woordelijk maar wel) inhoudelijk gelijkluidend is aan de tekst van art. 15 lid 1 IORP-II (zie ook 3.14 van deze conclusie). Art. 17 lid 2 verwijst naar de (oude) levensverzekeringsrichtlijn Richtlijn 2002/83/EG, echter alleen voor de berekening van het minimumbedrag van de aanvullende activa. Dat is een voorschrift dat van toepassing is áls voor een pensioenfonds een aanvullende buffer verplicht is, maar in geschil is hier óf dat zo is. Overweging 30 noemt levensverzekeringsondernemingen alleen in verband met de noodzaak eerlijke concurrentie tussen alle dienstverleners te waarborgen, zoals ook reeds bleek uit de toelichting bij het Commissievoorstel voor IORP I.58.
4.31
Ondanks bezwaren van het Europees Parlement is het voorstel van de Commissie op deze punten (overweging 30 en art. 17 lid 2) destijds inhoudelijk ongewijzigd gebleven (zie 3.6 e.v. van deze conclusie). Wat bij de totstandkoming van IORP-I wél is gewijzigd is de door de Commissie voorgestelde tekst van art. 17 lid 1. Na het gemeenschappelijk standpunt van de Raad stond er niet langer “waarbij de instelling zelf de verplichting op zich neemt een biometrisch risico te dekken”, maar: “dat instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en zelf […] een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren”. Ik heb geen toelichting op deze wijziging gevonden. In de Engelse, Duitse en Italiaanse taalversies van art. 17 IORP-I is op dit punt overigens niets gewijzigd ten opzichte van het Commissievoorstel. In de Franse59.en Spaanse60.taalversies is wel een wijziging opgetreden, maar deze tekstwijzigingen zijn evenmin toegelicht en vinden niet hun weerslag in de uiteindelijke tekst van overweging 30.61.
4.32
Het is in dit licht niet aannemelijk dat met het gebruik van het woord ‘verzekeren’ in de uiteindelijke richtlijntekst een andere (stringentere) toets zou zijn bedoeld dan door de Commissie was voorgesteld voor de vraag óf een buffer verplicht is. Het gaat er in het eerste lid van art. 17 IORP-I om dat dekking wordt geboden of verschaft voor biometrische risico’s. Dat maakt de door een IBPV aangeboden producten in zoverre vergelijkbaar met die van een levensverzekeringsonderneming (wat niet hetzelfde is als ‘gelijk’). Dit leidt ertoe dat dezelfde regels gelden als voor deze verzekeringsondernemingen. Met de vergelijking met levensverzekeringsondernemingen is dus niet beoogd het begrip ‘verzekeren’ in art. 17 lid 1 IORP-I resp. art. 15 lid 1 IORP-II te duiden.62.Anders dan Pensioenbehoud c.s. ingang willen doen vinden kan het woord ‘verzekeren’ niet zó beperkt worden geïnterpreteerd dat een minimaal eigen vermogen alleen moet worden aangehouden indien een IBPV biometrische risico’s verzekert zoals een levensverzekeringsonderneming dat doet.
Dat dit wel zo zou zijn, volgt ook niet uit andere taalversies van art. 17 lid 1 IORP-I respectievelijk 15 lid 1 IORP-II. Integendeel, de verschillende taalversies duiden erop dat het pensioenfonds toezegt een uitkering te doen, zich daartoe verbindt, of de aansprakelijkheid op zich neemt, indien het biometrische risico zich verwezenlijkt:
“[…] souscrit l'engagement de couvrir les risques biométriques […]”
“[…] underwrites the liability to cover against biometric risk […]”
“[…] die Haftung für biometrische Risiken übernimmt […]”
“[…] assume direttamente l'impegno di coprire i rischi biometrici […]”
“[…] asuma la responsabilidad de cubrir los riesgos biométricos […]”
4.33
Pensioenbehoud c.s. wijzen ook nog op considerans 26 en 28 van IORP-I. Deze overwegingen hebben betrekking op het vaststellen van toereikende technische voorzieningen. In deze zaak gaat het echter om aanvullend eigen vermogen naast de technische voorzieningen (art. 17 lid 1 IORP I en art. 15 lid 1 IORP II). De verwijzing naar deze overwegingen is dus irrelevant.63.
4.34
In IORP-I en in IORP-II ging en gaat het erom dat de IBPV zelf jegens de gerechtigden gehouden is een uitkering te doen (dekking te bieden) als een biometrisch risico zich verwezenlijkt. De in art. 15 lid 1 IORP-II genoemde verplichting een buffer van aanvullende activa aan te houden geldt niet slechts indien een pensioenfonds biometrische risico’s verzekert zoals levensverzekeringsondernemingen. Ik meen dat juist als dit betoog van Pensioenbehoud c.s. zou worden gevolgd, in strijd met art. 15 lid 1 IORP-II wordt gehandeld. Genoemde verplichting geldt niet als de bijdragende onderneming(en) de dekking tegen biometrische risico’s voor hun rekening nemen omdat het dan niet noodzakelijk is dat de IBPV diezelfde risico’s ook dekt. Voor zover die situatie zich in Nederland überhaupt al voordoet, is zij in de onderhavige zaak niet aan de orde
4.35
Tot slot van deze bespreking van subonderdeel 2.1 wijs ik op het volgende. Pensioenbehoud c.s. stellen dat het de deelnemers aan een pensioenregeling zijn die de economische risico’s dragen. Dit is in zoverre juist, dat bij tegenvallende beleggingsresultaten, een ongunstige renteontwikkeling of oplopende pensioenverplichtingen de ruimte voor indexatie kan ontbreken en in voorkomend geval, als ultimum remedium, de pensioenen worden gekort. Dit alles betekent evenwel niet dat er om die reden geen, althans niet langer, sprake zou zijn van ‘verzekeren’. Als bij een schadeverzekering de schadelast (sterk) is gestegen zal dat in de regel doorwerken in de hoogte van de premies en/of de omvang van de dekking (binnen wettelijke grenzen). Zo ook hier: bij tegenvallers blijft het pensioen verzekerd, alleen valt de hoogte ervan lager uit dan mogelijk werd verwacht. Tegenvallers voor een pensioenfonds als uitvoerder van een pensioenregeling zijn daarom – direct of indirect – ook tegenvallers voor de deelnemers aan die regeling. Voor meevallers is dat in beginsel niet anders. Dit is echter inherent aan het collectieve en solidaire karakter van een pensioenverzekering.
4.36
Subonderdeel 2.2.a klaagt dat het hof ‘daarmee, of daarnaast’ in rov. 6.3-6.10 ‘aldus’ heeft miskend dat op grond van het bepaalde in art. 13 lid 2 en 15 lid 1 IORP-II c.q. art. 15 lid 2 en 17 lid 1 IORP-I, alleen in de in art. 15 lid 1 IORP-II (art. 17 lid 1 IORP-I) bedoelde specifieke situatie dat de pensioenuitvoerders/pensioenfondsen de dekking tegen biometrische risico's zelf 'verzekeren' op een wijze 'vergelijkbaar met levensverzekeringsondernemingen', door nationale wetgevers aanvullende activa mogen worden geëist als veiligheidskapitaal om verschillen tussen de verwachte en daadwerkelijke uitgaven en winsten op te (kunnen) vangen, welk 'minimumbedrag' van de 'aanvullende activa' dan wordt berekend volgens dezelfde regels als die voor levensverzekeringsbedrijven.
4.37
De klacht faalt reeds omdat Pensioenbehoud c.s. ervan uitgaan dat alleen in art. 15 lid 1 IORP-II bedoelde situaties de eis van een buffer kan worden gesteld. Dat is onjuist, omdat zoals hiervoor aangetoond sprake is van minimumharmonisatie. Uit art 15 lid 1 IORP-II blijkt wel in welke situatie de eis van een buffer niet kan worden gesteld, namelijk als de bijdragende onderneming (de ‘sponsor’) de biometrische risico’s moet dekken (zie ook zojuist 4.34).
4.38
Subonderdeel 2.2.b is gericht tegen rov. 6.5-6.10. Volgens het middel heeft het hof in rov. 6.8 ten onrechte geoordeeld dat het ingevolge de tekst van art. 15 lid 1 IORP-II erom gaat dat met een verzekering ‘een dekking’ wordt geboden tegen biometrische risico’s, en sprake kan zijn van verzekering als bij een tekort geen volledige dekking wordt geboden. Uit de tekst van de richtlijn zelf volgt niet dat het begrip ‘verzekeren niet zou vereisen dat een bepaalde garantie wordt verstrekt. Het gaat in art. 15 lid 1 IORP-II erom dat een pensioenfonds dekking tegen biometrische risico's volledig zelf 'verzekert', derhalve niet door een (her)verzekering bij directe verzekeraars, en verzekeringsdekking biedt 'vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen'. Aldus is het hof uitgegaan van een verkeerde uitleg van de begrippen 'verzekeren', 'garanderen' en/of 'dekking' als bedoeld in art. 15 IORP-II.
4.39
Ik begrijp de klachten zo dat het in art. 15 lid 1 IORP-II niet erom gaat dat ‘een dekking wordt geboden’; dat zou niet volstaan. Het zou erom gaan dat pensioenfondsen een dekking tegen biometrische risico’s volledig zelf verzekeren. Die eis zou (mede) afgeleid kunnen worden uit het feit dat art. 13 lid 2 IORP-II verplicht tot het aanhouden van toereikende technische voorzieningen met betrekking tot de dekking voor biometrische risico’s.
4.40
Leden 1 en 2 van art. 13 IORP-II luiden als volgt:
“1. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat IBPV's die bedrijfspensioenregelingen uitvoeren te allen tijde met betrekking tot het geheel van de door hen uitgevoerde pensioenregelingen een passend bedrag van de passiva vaststellen overeenkomend met de financiële verplichtingen die uit hun portefeuille van bestaande pensioenovereenkomsten voortvloeien.
2. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat IBPV's die bedrijfspensioenregelingen uitvoeren en dekking bieden tegen biometrische risico's of een garantie bieden met betrekking tot hetzij het beleggingsrendement, hetzij een bepaalde hoogte van de uitkeringen, toereikende technische voorzieningen vaststellen met betrekking tot het geheel van dergelijke regelingen.”
4.41
In art. 13 lid 2 IORP II komt het begrip verzekeren niet voor. Deze bepaling ziet op technische voorzieningen en zegt niet iets over de mate van dekking van biometrische risico’s als bedoeld in art. 15 lid 1 IORP-II die zou zijn vereist om de verplichting tot het aanhouden van een minimum vereist eigen vermogen te activeren. Bovendien geeft de tekst van art. 15 lid 1 IORP-II ook geen aanleiding om een vereiste mate van dekking te bepalen. Zoals het hof terecht vaststelt, staat er: ‘een’ dekking. Pensioenfondsen die pensioenregelingen uitvoeren bieden per definitie dekking aan tegen biometrische risico’s.64.Het hof was daarom niet gehouden om art. 13 lid 2 IORP-II te betrekken bij de uitleg van art. 15 lid 1 IORP-II.
4.42
Subonderdeel 2.2.c richt zich tegen rov. 6.8-6.9. Volgens de klacht vallen onder art. 15 lid 1 IORP-II niet de situaties dat een pensioenfonds de dekking van biometrische risico’s met een verzekeringsovereenkomst volledig overdraagt dan wel (geheel) onderbrengt bij een verzekeraar waardoor alle risico’s volledig zijn afgedekt. Een (minimaal) vereist eigen vermogen, naast de technische voorzieningen, op grond van art. 15 lid 1 IORP-II is dan ook niet nodig. Dit strookt met de door het hof in rov. 6.9 vermelde taalversies. De ratio van deze richtlijnbepaling is dat tweemaal afdekken van risico’s moet worden voorkomen. Het hof kon dus ook niet oordelen dat wanneer een pensioenfonds de risico’s herverzekert, het fonds zelf jegens de aanspraakgerechtigde aansprakelijk blijft voor een eventuele uitkering die verband houdt met biometrische risico’s omdat ook in dat geval het pensioenfonds zelf die risico’s verzekert, zelfs als zij het kredietrisico op de (her)verzekeraar draagt.
4.43
Ook deze klacht faalt. Het oordeel van het hof gaat over herverzekeren, en niet over ‘volledige overdracht’ of ‘onderbrenging’. Pensioenbehoud c.s. gaan bij hun klacht kennelijk ervan uit dat een pensioenfonds door herverzekering de biometrische risico’s – in alle gevallen – geheel kan afdekken, in die zin dat herverzekering gelijk kan worden gesteld aan volledige overdracht en onderbrenging. Indien het middel dat inderdaad bedoelt, is dat onjuist. Ten eerste krijgt het pensioenfonds bij herverzekering een aanspraak op een uitkering van een verzekeraar. Het pensioenfonds blijft echter aansprakelijk voor het doen van een uitkering aan de gerechtigden indien een risico zich verwezenlijkt. Bij volledige overdracht of onderbrenging is dat laatste niet het geval.65.Ten tweede kunnen door (her)verzekering weliswaar de risico’s worden afgedekt, maar waterdicht hoeft dat niet te zijn. Illustratief is een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) waarin aan de orde was of De Nederlandsche Bank (DNB) ontheffing van de eis van art. 131 Pw (minimum eigen vermogen) kon weigeren. Het CBb overwoog:66.
“3.3.4. […] Naar het oordeel van het College heeft DNB in redelijkheid kunnen aannemen en van belang kunnen achten dat de herverzekering van appellante geen “waterdichte aansluiting” (“een garantie dat elke vorm van overlijdensrisico altijd wordt gedragen door de derde”) is. DNB heeft in het bestreden besluit overwogen dat de omstandigheid dat appellante het overlijdensrisico tot aan de pensioendatum heeft herverzekerd en vanaf de pensioendatum het overlijdensrisico verschuift naar de pensioengerechtigde, onverlet laat dat er verschillen kunnen optreden tussen de opzet van de (her)verzekering en de daadwerkelijke uitkomst in het geval het verzekeringscontract onvoorzien de te verzekeren verplichtingen niet afdekt. […]”
4.44
Tot de wetswijziging in 2012 was herverzekering nog uitdrukkelijk een wettelijke uitzondering op de verplichting tot het aanhouden van een minimaal vereist eigen vermogen, naast volledige overdracht en onderbrenging. Na de wetswijziging was herverzekering geen expliciete wettelijke grond meer om niet aan de vereisten van art. 131 Pw te voldoen (zie 3.12 van deze conclusie). Ik zie niet in hoe de andere taalversies van art. 15 lid 1 IORP-II het betoog van Pensioenbehoud c.s. zouden ondersteunen (zie de bespreking van onderdeel 2.1, hiervoor 4.32).
4.45
Pensioenbehoud c.s. klagen in subonderdeel 2.2.d dat gelet op het voorgaande het oordeel in rov. 6.5 e.v. (art. 131-132 Pw zijn niet in strijd met art. 15 IORP II) onjuist is. Gelet op mijn bespreking van de vorige klachten in dit subonderdeel, faalt deze voortbouwende klacht.
4.46
Verder klaagt dit subonderdeel nog over het ‘kennelijke oordeel’ in rov. 6.6 tot en met 6.9 dat het bepaalde in de artikelen 131, 132 en 134 Pw niet in strijd zijn met de richtlijn. De klacht komt erop neer dat een kortingsmaatregel overeenkomstig de voorwaarden van art. 134 Pw – in de situatie dat niet voldaan is aan art. 131 en 132 Pw – niet strookt met de doelstellingen van IORP-I en IORP-II om een hoog beschermingsniveau en een behoorlijke levensstandaard aan gepensioneerden te bieden en te streven naar financiële zekerheid na pensionering. In dit kader wordt door Pensioenbehoud c.s. in cassatie (pleitnota onder 28 en repliek onder 2.12) gewezen op de rechten van ouderen zoals verwoord in art. 25 Handvest:
“De EU erkent en eerbiedigt het recht van ouderen, een waardig en zelfstandig leven te leiden en aan het maatschappelijk en cultureel leven deel te nemen.”
4.47
Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest. Bij de beoordeling van deze klacht bestaat bovendien geen belang. Het hof heeft namelijk geen oordeel gegeven over een mogelijke strijd tussen art. 134 Pw en IORP-I en/of IORP-II. Dat was ook niet nodig, want de (grondslag van de) vordering van Pensioenbehoud c.s. is niet (mede) dat art. 134 Pw niet rechtsgeldig is.67.Het slagen van deze klacht kan daarom niet leiden tot toewijzing van de vordering.
4.48
In de literatuur is erop gewezen dat het korten (verminderen) van aanspraken en rechten niet onverenigbaar is met IORP-I c.q. IORP-II.68.In IORP-II wordt bovendien uitgegaan van de mogelijkheid tot korten.69.Het beroep op het algemeen geformuleerde art. 25 Handvest voegt aan het betoog niets toe. Daarbij kan in het midden blijven of het korten van pensioenen wel onder de materiële werkingssfeer van het Handvest valt (art. 51 lid 1 Handvest).70.
4.49
Tot slot kan het betoog van Pensioenbehoud c.s. dat hun zaak mede bestemd is voor ‘de jongeren van nu’ / de ‘ouderen van morgen’ (repliek onder 2.13), er niet toe leiden dat art. 25 Handvest aan beroep van de Staat op art. 15 lid 3 IORP-II in de weg staat. De door Pensioenbehoud c.s. – ook ter zitting – gegeven voorstelling van zaken, als zou haar vordering in het belang van alle generaties zijn, lijkt mij overigens niet helemaal in overeenstemming met de werkelijkheid. Pensioenbehoud c.s. zijn uit op het terugdraaien van kortingen en het toepassen van indexaties. Zouden zij in deze zaak gelijk krijgen dan is aannemelijk dat fondsen omvangrijke middelen vrij moeten maken ten behoeve van gepensioneerden (ervan uitgaande dat niet alleen de belastingbetaler voor de rekening opdraait). Onvermijdelijk zit er na zo’n aderlating minder in de beheerde pensioenpot, met als risico dat er weer geld bij moet. En wie gaat dat betalen? Als de premies omhoog moeten ondervindt de jonge generatie van aangeslotenen direct financieel nadeel. Hoewel dit alles eigenlijk van zelf spreekt dat, leek het mij toch goed dit te zeggen.71.
4.50
Subonderdeel 2.4, het laatste subonderdeel, bevat twee klachten. De eerste klacht is een voorbouwklacht die inhoudt dat gelet op subonderdeel 2.1, 2.2 en/of 2.3 het hof ten onrechte (in rov. 6.3-6.10) tot zijn eindoordeel is gekomen dat art. 131 Pw en 132 Pw niet in strijd zijn met art. 15 IORP II. Deze klacht deelt in het lot van de klachten in de overige subonderdelen.
4.51
Met de tweede klacht betoogt Pensioenbehoud c.s. dat het hof ten onrechte geen prejudiciële vragen heeft gesteld. Deze klacht is kennelijk gericht tegen rov. 6.12 waar het hof, voor zover relevant, overweegt:
“6.12 Het hof ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan hetzij de Hoge Raad hetzij het Hof van Justitie. De uitleg van artikel 15 van de IORP II-richtlijn roept geen vragen op die daartoe noodzaken. Grief IX faalt daarom ook. […]”
4.52
Bij twijfel over de juiste uitleg van de toepasselijke Unierechtelijke bepalingen kán ieder gerecht op de voet van art. 267 VWEU een prejudiciële vraag van uitleg aan het HvJEU stellen, indien het van oordeel is dat een antwoord op die vraag noodzakelijk is voor de te nemen beslissing. Zoals bekend, is (alleen) de hoogste rechter in beginsel verplicht om een prejudiciële beslissing te verzoeken (art. 267, derde alinea, VWEU).
4.53
Uit het voorgaande volgt dat geen verplichting rustte op het hof – zijnde een instantie die een uitspraak doet waartegen een gewoon rechtsmiddel kan worden aangewend – om een prejudiciële uitlegvraag te stellen aan het HvJEU. Het hof had de mogelijkheid daartoe maar heeft daarvan om de reden genoemd in rov. 6.12 geen gebruik gemaakt. Pensioenbehoud c.s. richten daartegen geen motiveringsklacht.
4.54
Overigens meen ik dat er in het licht van de in cassatie aangevoerde klachten voor de Hoge Raad geen verplichting bestaat om in deze zaak prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. De juiste uitleg van art. 15 leden 1 en 3 IORP-II ligt mijns inziens zo voor de hand dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan,72.althans kan er geen redelijke twijfel over bestaan dat de door Pensioenbehoud in het middel voorgestane uitleg niet de juiste uitleg is. Ik zie ook geen andere grond die aanleiding kan zijn voor het stellen van prejudiciële vragen. Het gaat hier bijvoorbeeld niet om een rechtsvraag waar verschillende gerechten, in en/of buiten Nederland, uiteenlopend over hebben geoordeeld.73.
Onderdeel 3 (overweging ten overvloede)
4.55
Met dit onderdeel richten Pensioenbehoud c.s. zich tot slot tegen rov. 6.11:
“6.11 De grieven I-VIII stuiten op het voorgaande af. Het hof voegt daaraan ten overvloede het volgende toe. Pensioenbehoud c.s. beogen blijkens hun stellingen te bewerkstelligen dat de pensioenen van hun leden omhoog gaan. De gevorderde verklaring voor recht hoeft daar echter niet toe te leiden. Ook als zou moeten worden aangenomen dat de artikelen 131 en/of 132 Pw in strijd zouden zijn met de IORP II-richtlijn, zou dat slechts meebrengen dat bepaalde buffervereisten niet meer gelden. Daarmee zou er bij de IBPV’s geld vrijkomen voor andere doelen, maar geenszins is gezegd dat het geld zou moeten worden aangewend voor indexatie van de pensioenen.”
4.56
Volgens Pensioenbehoud c.s. miskent het hof dat de Staat, als gevolg van onrechtmatige implementatie van de IORP-richtlijnen, kan worden aangesproken tot compensatie van vermogensschade ten gevolge van korting van aanspraken vanwege het de toepasselijkheid van art. 131 en 132 Pw. Het hof zou een “te beperkt rechtsgevolg” hebben toegekend aan de strijdigheid van deze artikelen met het Unierecht. Verder miskent het hof dat het niet gelden van buffervereisten zou betekenen dat pensioenfondsen ten onrechte niet hebben geïndexeerd (c.q. indexeren) en dat de Staat voor deze vermogensschade kan worden aangesproken.
4.57
Rov. 6.11 is met zoveel woorden een overweging ten overvloede Dat zal veelal betekenen dat belang ontbreekt bij een daartegen gerichte cassatieklacht. Een automatisme is dat echter niet. Of inderdaad sprake is van een obiter dictum dient namelijk te worden bepaald aan de hand van een materieel criterium; de gekozen bewoordingen in de bestreden overweging zelf zijn daarvoor niet zonder meer beslissend.74.De vraag is of de overweging (hier rov. 6.11) de beslissing in het dictum (mede) draagt.
4.58
Dat lijkt mij hier duidelijk niet het geval te zijn, zodat belang bij de cassatieklacht inderdaad ontbreekt. Het hof oordeelt namelijk dat de vordering niet hoeft te leiden tot het doel wat Pensioenbehoud c.s. voor ogen hebben. Het hof sluit niet uit dat dit wel kán. Het hof gaat niet mee met het betoog van de Staat dat geen belang bij de vorderingen bestaat (memorie van antwoord, par. 3). Wat het hof wél doet, is Pensioenbehoud c.s. erop wijzen dat het sneuvelen van de buffervereisten in art. 131 (en 132) Pw, niet per se zal leiden tot indexatie van pensioenen. Overigens mist de klacht feitelijke grondslag voor zover wordt betoogd dat het hof zou hebben miskend dat een onjuiste implementatie van een richtlijn onrechtmatig kan zijn en dat de Staat in zo’n geval zou kunnen worden aangesproken tot compensatie van dientengevolge geleden vermogensschade. Dat heeft het hof niet geoordeeld.
4.59
Op pagina 11 van de procesinleiding staat ten slotte nog de slotklacht dat gegrondbevinding van (één of meer klachten van) ‘deze middelonderdelen’ betekent dat ook niet in stand kan blijven wat het hof verder heeft geoordeeld en in het dictum heeft beslist. Deze voortbouwende klacht faalt in het voetspoor van de voorafgaande klachten.
Slotsom
4.60
Nu alle klachten falen is de slotsom dat het cassatieberoep tevergeefs is voorgesteld.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑10‑2023
Zie het slot van de schriftelijke repliek van Pensioenbehoud c.s.: “Het gaat nog niet over compensatie van deze vermogensschade door de Staat en fondsen.” Vgl. ook onderdeel 3 van het middel.
Stb. 2018, 515.
Stb. 2018, 517.
Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking), PbEU 2016, L 354/37.
Wet van 7 december 2006 houdende regels betreffende pensioenen, Stb. 2006, 705 (p. 48).
Asser/Lutjens 7-XI 2019/117: “[…] Naar het Nederlands vertaald is het een collectieve beschikbare-premieregeling. De naam duidt op een premieovereenkomst maar het zou ook een uitkeringsovereenkomst met een vastgestelde premie kunnen zijn. Een CDC-regeling beoogt een vastgestelde premie te combineren met een vastgestelde pensioenuitkering. Dat is een combinatie van het element vastgestelde premie uit een premieovereenkomst en een vastgestelde uitkering uit een uitkeringsovereenkomst. […].”
Art. 6 lid 9 IORP-II.
Rb. Den Haag 10 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:944, PJ 2021/37 (red. aant. E. Lutjens).
De beperking tot pensioenfondsen die een CDC-/premieovereenkomst uitvoeren was daarmee kennelijk komen te vervallen.
Hof Den Haag 21 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1002, PJ 2022/90 (red. aant. E. Lutjens). Lutjens merkt op: “Een kort en duidelijk gemotiveerde uitspraak die wat mij betreft een volledig juiste uitleg en toepassing geeft aan de voorschriften van Richtlijn 2016/2341.”
Zie uitgebreider: M. Heemskerk, Pensioenrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2020, hoofdstuk 10 (p. 401 e.v.).
Document (COM/2000/507) en PbEG C 96 E van 17 maart 2001, p. 136 e.v.
PbEG C 65 E van 14 maart 2002, p. 116 e.v.
PbEG C 299 E van 3 december 2002, p. 16 e.v.
Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, PbEG L 235 van 23 september 2003, p. 10 e.v.
Wet van 19 januari 2006, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEG L 235/10), Stb. 2006, 51 (p. 3-4).
Het BFTK (Stb. 2006, 710) is gelijk met de Pensioenwet in werking getreden en is nadien herhaaldelijk gewijzigd.
Tijdens de parlementaire behandeling was dit nog art. 119.
Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 18 (Tweede NvW), p. 21-22.
Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 september 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 28 294, nr. 42).
Wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten (Verzamelwet pensioenen 2012), Stb. 2011, 622 (p. 2).
Kamerstukken II 2011/12, 33013, nr. 3 (MvT), p. 4.
Aanbeveling 11 in de bijlage van het Witboek pensioenen (een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen), COM (2012) 55.
Richtlijn 2009/138/EG betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvency-II), PbEU L 335, 17 december 2009, p. 1 e.v. Solvency II heeft alle toen bestaande ‘verzekeringsrichtlijnen’ vervangen. Met art. 303 lid 1 van deze richtlijn werd art. 17 lid 2 IORP-I gewijzigd. De solvabiliteitseisen uit Richtlijn 2002/83/EG zijn in IORP-I overgenomen (art. 17bis t/m 17quinquies) om de status quo te bewaren (overweging 138 Solvency-II).
Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 april 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 32 043, nr. 109, p. 4).
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking), COM/2014/0167.
R.M.J.M. de Greef, ‘Herziening IORP richtlijn – Een verbetering?’, TPV 2016/50, par. 2.1 en P. Borsjé & H. van Meerten, ‘Voorstel IORP II-richtlijn: aanzet tot hervorming van het Nederlands pensioenstelsel’, NtEr 2014/8, p. 272.
Zie de documenten van 28 juni 2016, ST 10557 2016 INT en ST 10557 2016 ADD 1 – 2014/091 (OLP).
De regering was van mening dat art. 15 IORP-II al was geïmplementeerd in bestaand recht (o.m. door art. 131 en 132 Pw): Kamerstukken II 2017/18, 34 934, nr. 3 (MvT), p. 55.
Stb. 2023, 216. Zie verder het Besluit van 22 juni 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen en het Besluit toekomst pensioenen, Stb. 2023, 218.
Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 3 (MvT), p. 136. Dit is – verkort – herhaald in Kamerstukken I 2022/23, nr. 36 067, nr. H (MvA), p. 116.
Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 7 (NaV), p. 105. Dit is herhaald in Kamerstukken I 2022/23, 36 067, nr. K (NMvA), p. 44.
Kamerstukken I 2022/23, 36 067, nr. H (MvA), p. 194.
Vzr. Rb. Den Haag 28 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9268, PJ 2023/93 (red. aant. E. Lutjens). Lutjens acht het oordeel van de voorzieningenrechter juist en voorspelbaar: “Het was vooraf vrij risicovrij om de kans op succes ‘nihil’ te noemen.”
Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/283 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/68.
In de procesinleiding is “rov. 6.7 e.v.” als doelwit bestempeld, maar alleen rov. 6.7 wordt met klachten bestreden.
Zie ook randnummers 4, 5 en 6 van de memorie van grieven.
Overigens wijs ik erop dat in het cassatiemiddel randnummer 30 van de memorie van grieven onjuist wordt weergegeven. Het daar onderstreepte woordje ‘niet’ is misleidend. Zie ook s.t. Staat onder 4.16 (eerste alinea van de ingesprongen tekst). Pensioenbehoud c.s. hebben zich (steeds) op het standpunt gesteld dat er pas sprake is van ‘verzekeren’ in de zin van art. 15 lid 1 IORP II, indien er een gegarandeerde aanspraak op een bepaalde pensioenverzekering bestaat.
Voorheen waren dit art. 100A EEG en art. 95 EG.
Vgl. K. Lenaerts & P. van Nuffel, Europees recht, Antwerpen: Intersentia 2023, nr. 279 (p. 226-227).
Met ‘strengere’ kan niet alleen zijn bedoeld een striktere norm met hetzelfde toepassingsbereik als de norm uit de richtlijn, maar ook dezelfde norm met een breder toepassingsbereik dan voorgeschreven door de richtlijn.
De toelichting van de Commissie bij dit voorgestelde artikel 18 luidt, voor zover relevant: “[…] De toezichtmethoden verschillen sterk per lidstaat. Daarom moet de lidstaten enige handelingsvrijheid worden gelaten met betrekking tot de precieze inhoud van de beleggingsvoorschriften die zij wensen op te leggen aan op hun grondgebied gevestigde instellingen. Een dergelijke benadering was reeds gevolgd in de verzekeringsrichtlijnen (zie bijvoorbeeld artikel 22, lid 2, van Richtlijn 92/96/EEG). […]”
Zie ook s.t. Staat onder 4.70. Overweging 32 IORP I is vrijwel gelijk aan overweging 47 IORP II. Ook die overweging heeft geen betrekking op art. 15 IORP II, maar op art. 19 IORP II dat ziet op beleggingsregels.
HvJEU 14 januari 2010, C-343/08, ECLI:EU:C:2010:14, PJ 2010/60 m.nt. S.H. Kuipers & E. Lutjens (Commissie/Tsjechische Republiek).
Zoals voorzien in art. 137 lid 4, eerste gedachtestreepje, EG (thans art. 153 lid 4, eerste gedachtestreepje, VWEU).
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking), COM/2014/0167.
Vgl. voetnoot 27 van deze conclusie.
Na een herziening of herschikking van een richtlijn of verordening is al vaak overwogen dat de rechtspraak die ziet op de oude versie gelijkelijk geldt voor de nieuwe regeling voor zover die als gelijkwaardig kan worden aangemerkt. Vgl. bijv. HvJEG 16 juli 2009, C-189/08, ECLI:EU:C:2009:475, NJ 2011/3 49 m.nt. Th.M. de Boer (Zuid Chemie), rov. 18-19 voor het EEX-Verdrag en Verordening (EG) 44/2000 (inmiddels Verordening (EU) 1215/2012).
HvJEU (Grote Kamer) 6 oktober 2021, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799, BNB 2022/48 m.nt. P.J. Wattel, AB 2022/133 m.nt. R. Grimbergen, JB 2021/179 m.nt. J. Krommendijk (Consorzio Italian Management), punt 46.
K. Lenaerts & P. van Nuffel, Europees recht, Antwerpen: Intersentia 2023, nr. 852 (p. 693).
HvJEU 11 april 2013, C-290/12, ECLI:EU:C:2013:235, TRA 2013/97 m.nt. K. Boonstra (Della Rocca), punt 38 en HvJEG 24 november 2005, C-136/04, ECLI:EU:C:2005:716 (Deutsches Milch-Kontor), punt 32. De Staat verwijst in s.t. onder 4.31 op dit punt naar HvJEU 19 december 2019, C-154/18, ECLI:EU:C:2019:113 (Horgan en Keegan), punt 75-76.
In de toelichting bij art. 4 van het voorstel voor IORP-I wordt onder meer opgemerkt: “Bovendien is in het ontwerp voorzien dat de instellingen die in bepaalde opzichten lijken op levensverzekeringsondernemingen (die een gegarandeerde rentevoet aanbieden en/of biometrische risico's dekken), het voorwerp zullen zijn van gelijkwaardige bepalingen inzake het eigen vermogen (zie met name artikel 17).”
De Franse taalversies luiden: “couvrent elles-mêmes les risques bio-métriques” (voorstel) en “elles-mêmes […] souscrit l'engagement de couvrir les risques biométriques” (richtlijn).
De Spaanse taalversies luiden: “el propio organismo cubre riesgos biométricos” (voorstel) “la propia institución […] asuma la responsabilidad de cubrir los riesgos biométrico” (richtlijn).
In zowel het voorstel (overweging 24) als de richtlijntekst (overweging 30) staat in het Frans respectievelijk het Spaans: “couvre les risques biométriques” en “[…] cubre los riesgos biométricos”.
Zie ook s.t. Staat onder 4.36.
Zie ook s.t. Staat onder 4.42.
Kamerstukken II 2004/05, 30 104, nr. 3 (MvT), p. 22 bovenaan. Voor ouderdomspensioenen is dat levenslang (art. 15 lid 1 Pw).
CBb 23 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:169, JOR 2021/151 m.nt. M. Heemskerk (X/DNB).
Zie ook s.t. Staat onder 4.65.
Asser/Lutjens 7-XI 2019/628 (voor IORP-II) en Asser/Lutjens 7-XI 2016/579 (voor IORP-I).
Zie bijv. overweging 68 en art. 28 lid 2 sub e en onder ii) van IORP-II, welke bepaling spreekt van “mechanismen ter verlaging van de uitkering, waaronder de mate waarin de opgebouwde pensioenrechten kunnen worden verlaagd, onder welke voorwaarden en door wie.”
In ontkennende zin: Rb. Zeeland-West-Brabant (vzr.) 1 december 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8093, PJ 2017/5 m.nt. M.J.C.M. van der Poel. Zie verder E. Lutjens, ‘Korting pensioen en eigendomsrecht: geen strijd met EU-recht’, TPV 2016/46.
Vrij naar Talleyrand: ‘Si cela va sans dire, cela ira encore mieux en le disant’.
Vgl. HvJEU (Grote Kamer) 6 oktober 2021, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799, BNB 2022/48 m.nt. P.J. Wattel, AB 2022/133 m.nt. R. Grimbergen, JB 2021/179 m.nt. J. Krommendijk (Consorzio Italian Management), punt 36-38.
Voor de volledigheid wijs ik erop dat er nij het HvJEU drie samenhangende prejudiciële zaken aanhangig zijn over de vraag of de BTW-vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen van toepassing is op pensioenfondsen en in het bijzonder of daarvoor vereist is dat deelnemers in een pensioenfonds beleggingsrisico’s dragen. Zie Rb. Gelderland 6 oktober 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5657 en zaken C-642/22, 643/22 en 644/22 bij het HvJEU. De vraag die in die fiscale zaak aan de orde is, betreft duidelijk een ander juridisch kader (BTW) dan de vraag die in deze zaak aan de orde is.
HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0713, NJ 2011/190, rov. 3.5: “[…] Mocht het hof in dit verband zich hebben laten leiden door de opvatting dat de enkele omstandigheid dat de rechtbank die overweging als ‘ten overvloede’ heeft aangeduid, meebrengt dat die overweging de beslissing niet kan dragen, dan is het van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, omdat op dit punt niet de aanduiding ‘ten overvloede’ beslissend is maar hoe die overweging, naar haar inhoud genomen, zich verhoudt tot de beslissing in het dictum. […]”
Beroepschrift 21‑09‑2022
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ALS BEDOELD IN ART. 407 LID 1 (NIEUW) RV
Eisers tot cassatie zijn de stichting STICHTING PENSIOENBEHOUD, gevestigd te Wassenaar, en de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid KATHOLIEKE BOND VAN OUDEREN IN NOORD-BRABANT, gevestigd te 's‑Hertogenbosch (hierna tezamen: SPB/KBO), te dezer zake woonplaats kiezende te (2514 AC) Den Haag aan de Koninginnegracht nummer 35 ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. M.E. Bruning, die eisers als hun cassatieadvocaat aanwijzen om in cassatie op te treden en hen in dit geding te vertegenwoordigen.
Verweerder in cassatie is DE STAAT DER NEDERLANDEN, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zetelende te Den Haag (hierna: DE STAAT), die te dezer zake laatstelijk woonplaats koos ten kantore van haar (proces)advocaat uit de vorige instantie mevrouw mr. C.M. Bitter te (2594 AC) Den Haag aan de Bezuidenhoutseweg nummer 57 (PELS RIJCKEN & DROOGLEEVER FORTUIJN N.V.).
SPB/KBO stellen door indiening van deze procesinleiding, op de voet van art. 407 Rv, beroep in tegen het door het gerechtshof Den Haag, Afdeling Civiel recht, onder nr. 200.294.840/01 op 21 juni 2022 gewezen en uitgesproken eindarrest tussen SPB/KBO als appellanten, oorspronkelijk eisers, en de Staat als geïntimeerde, oorspronkelijk gedaagde.
Verweerder zal in cassatie ten laatste kunnen verschijnen op VRIJDAG 21 OKTOBER 2022, (niet in persoon maar) door tussenkomst van en vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement van de Hoge Raad voor civiele vorderingszaken (STCRT. 2017/5928) om 10:00 uur. De behandeling van de zaken vindt plaats in het gebouw aan het Korte Voorhout 8 (2511 EK) te 's‑Gravenhage.
Uitgangspunten en klachten in cassatie
Voor zover hier van belang, kan worden uitgegaan van de door het hof in rov. 3.1 t/m 3.9 voor beoordeling van het hoger beroep vooropgestelde vaststaande feiten zoals, voor zover niet in hoger beroep bestreden, door de rechtbank vastgesteld in rov. 2.1 t/m 2.15 van het eindvonnis.
SPB/KBO voeren op grond van art. 407 lid 2 Rv tegen het arrest van het hof aan als
Middel tot cassatie
schending van het recht en/of tot nietigheid leidend verzuim van (wezenlijke) vormen, doordat het gerechtshof heeft overwogen en beslist op de wijze als vermeld in het bestreden arrest, en op die gronden heeft recht gedaan als in het dictum van dit arrest is omschreven, welk dictum als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, ten onrechte zulks om één of meer van de volgende, voor zover nodig (mede) in onderlinge verband en samenhang te lezen en te beoordelen, redenen.
Essentie van deze zaak in cassatie
In deze procedure leggen SPB/KBO met hun collectieve actie (art. 3:305a BW) ten behoeve van hun achterban bestaande uit deelnemers en pensioengerechtigden van pensioenfondsen derechtsvraagvoor of de bepaling van art. 131 lid 1 Pw dat een pensioenfonds over ‘een minimaal vereist eigen vermogen’ moet beschikken, en de daarnaast in art. 132 voorgeschreven ‘eigen vermogen’, in strijd zijn met het bepaalde in, doel en strekking van, art. 15 lid 1 van de herschikkingsrichtlijn nr. 2016/2341 (IORP-II), hernummerd overgenomen uit art. 17 lid 1 van de richtlijn nr. 2003/41/EEG (IORP-I, de ‘Pensioenfondsenrichtlijn’). Het belang van deze vraag ligt in de in art. 134 Pw bepaalde mogelijkheid dat, waar het eigen vermogen een periode onder de in art. 131 bedoelde ondergrens blijft, het fonds kan besluiten tot een kortingsmaatregel om zijn dekkingsgraad direct te laten voldoen aan de eisen in art. 131–132 Pw en ‘vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten’ doorwerkt in de technische voorzieningen ter dekking van ‘het geheel van pensioenverplichtingen’ (art. 126).
Kort gezegd betogen PSB/KBO dat gelet op art. 15 lid 1 IORP-II (art. 17 lid 1 IORP-I) het in art. 131–132 Pw vereiste eigen vermogen niet voor alle pensioenfondsen en pensioenregelingen geldt omdat in Nederland fondsen niet zelf de dekking van biometrische risico's ‘verzekeren’ of pensioenuitkeringen garanderen maar (veelal) bij verzekeraars (her)verzekeren. In de procedure stellen PSB/KBO in het kader van beantwoording van deze rechtsvraag aan de orde wat wordt verstaan en begrepen onder de in art. 15 bedoelde fondsen ‘die pensioenregelingen uitvoeren en zelf, en niet de bijdragende ondernemingen, een dekking tegen biometrische risico's verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garandeert, permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden naast de technische voorzieningen’ (lid 1) en of Nederland volgens lid 3 bevoegd is alle pensioenfondsen, vanuit prudentieel oogpunt, te verplichten tot instandhouding van ‘eigen vermogen’ als bedoeld in art. 132 Pw. Volgens SPB/KBO volstaat dat, buiten de in art. 15 lid 1 IORP-II bedoelde verzekeringsdekkingen (die in Nederland niet spelen), pensioenfondsen voor hun financiële verplichtingen uit portefeuilles van bestaande pensioenovereenkomsten toereikende technische voorzieningen hebben die zonder verdere bufferseisen ‘dekking bieden tegen biometrische risico's of een garantie bieden met betrekking tot hetzij het beleggingsrendement, hetzij een bepaalde hoogte van de uitkeringen’ (art. 13 lid 1). Door steeds het in art. 131–132 Pw (2007) vereist eigen vermogen voor te schrijven voor alle pensioenfondsen heeft Nederland hun inziens de richtlijnen nr. 2003/41/EG en nr. 2016/2341/EU verkeerd geïmplementeerd, waardoor de Pensioenwet en lagere regelgeving (art. 11, 12 en 23A BFTK) strijdig zijn met art. 15 IORP-II (art. 17 IORP-I). Volgens SPB/KBO moeten daarom art. 131 en 132 Pw richtlijnconform restrictief worden uitgelegd of buiten toepassing verklaard waar hun toepassing strijdig is met doel/strekking van de richtlijnen.
Rechtbank en gerechtshof beantwoordden deze rechtsvraag ontkennend op grond van een eigen uitleg van de tekst van art. 15 lid 1 IORP-II gelezen in samenhang met de verdere inhoud van deze herschikkingsrichtlijn. In cassatie betogen SPB/KBO dat het hof het begrip ‘verzekeren’ in art. 15 IORP-II verkeerd heeft uitgelegd en in dat kader ten onrechte niet de inhoud, doel en strekking van de Pensioenfondsenrichtlijn heeft betrokken.
SPB/KBO kunnen zich niet verenigen met hetgeen het hof in rov. 6.1 t/m 6.15 heeft geoordeeld en in het dictum van zijn eindarrest heeft beslist ter bekrachtiging van het beroepen vonnis van de rechtbank, en voert daartoe de hierna volgende, mede in hun onderlinge samenhang te beoordelen, drie middelonderdelen aan.
ONDERDEEL 1: het hof geeft een onbegrijpelijke uitleg aan standpunten van SPB/KBO in hoger beroep
1.1
In zijn arrest neemt het hof in rov. 6.2 in het licht van de hierna vermelde passages uit de gedingstukken ten onrechte en met een onbegrijpelijk uitleg van de stelling(en) van SPB/KBO in hoger beroep tot uitgangspunt van zijn beoordeling dat in het kader van de uitleg van het begrip ‘verzekeren’ in art. 15 lid 1 van de richtlijn nr. 2016/2341/EU (IORP-II)1. in hoger beroep alleen de vraag voorligt of Nederlandse pensioenfondsen zelf biometrische risico's ‘verzekeren’, en het niet meer gaat om de vraag of een CDC-(premie)regeling bestaat. SPB/KBO stelden in eerste aanleg en in hoger beroep steeds zich op het standpunt dat de Nederlandse wetgever met art. 131 en 132 Pw (2007) door de daarin gestelde algemene vereisten voor alle pensioenfondsen tot het aanhouden van ‘eigen vermogen’ het bepaalde in art. 15 IORP-II verkeerd heeft geïmplementeerd omdat de bepaling niet gericht is op alle pensioenfondsen die een premieovereenkomst of een uitkeringsovereenkomst uitvoeren als (collectieve) pensioenregeling ter dekking van de ‘biometrische risico's’ (art. 6 lid 9: ‘risico's in verband met overlijden, arbeidsongeschiktheid en levensverwachting’) en art. 15 lid 1 IORP-II uitsluitend de eis van aanvullende activa als buffer stelt voor de pensioenfondsen die ‘zelf’ een dekking tegen biometrische risico's ‘verzekeren’ of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garanderen.2. In eerste aanleg hebben SPB/KBO dit, in hun brief aan de Staat van 9 augustus 2019 voorgelegde (rov. 2.12 Rb-vonnis), standpunt toegelicht onder verwijzing naar pensioenfondsen die ‘CDC/premieovereenkomsten’ uitvoeren en geen biometrische risico's ‘verzekeren’ en geen beleggingsrendementen en pensioenuitkeringen ‘garanderen’ (‘toezeggen’),3. en aldus vallen buiten het bepaalde in art. 15 lid 1 IORP-II, net zoals de premiepensioeninstellingen (PPI's) die geen dekking bieden tegen biometrische risico's en alleen premieregelingen uitvoeren, waardoor PPI's niet het langlevensrisico verzekeren maar deelnemers van PPI's dit risico collectief delen.4. In rov. 4.3 en 4.24 van haar eindvonnis stelde de rechtbank SPB/KBO in het ongelijk op de grond dat er geen wettelijke ‘CDC-regeling’ is en iedere pensioenovereenkomst aan de hand van de specifieke kenmerken moet worden gekwalificeerd (art. 10 Pw) en moet worden bekeken of sprake is van een premieovereenkomst in de zin van de wet, waar de premie vooraf is vastgesteld en uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een vastgestelde of variabele uitkering. Hieraan voegde de rechtbank in rov. 4.4 toe dat de Europese regelgeving ook geen steun bood voor hun stelling dat de in art. 15 IORP-II vereiste ‘buffer’ alleen geldt als een pensioenfonds feitelijk zelf de financiële risico's in verband met de biometrische risico's draagt, en niet als die risico's worden herverzekerd of vanwege onvoldoende financiële middelen van het pensioenfonds uiteindelijk noodgedwongen door haar deelnemers worden gedragen. In hoger beroep hebben SPB/KBO als algemene grief aangevoerd dat de rechtbank had miskend dat art. 15 lid 1 IORP-II bepaalt dat alléén als pensioenfondsen ‘zelf’ biometrische risico's ‘verzekeren’, zij binnen de richtlijn en dus binnen de verplichting tot het aanhouden van een buffer vallen, maar dat in Nederland pensioenfondsen deelnemers dergelijke garantie of verzekering niet bieden zodat de (art. 131 en 132) Pw 2007 pensioenfondsen ten onrechte die buffereis oplegt (MvG nr. 5). Voor de beantwoording van de vraag of de Staat de richtlijn nr. 2016/2341/ EU (IORP-II) correct heeft omgezet, gaat het volgens SPB/KBO in hun toelichting op deze algemene grief erom wat de betekenis is van het begrip ‘verzekeren’ ter dekking tegen biometrische risico's in art. 15 lid 1 IORP-II en de procedure dus ‘niet vooral of alleen op premieovereenkomsten of CDC-regelingen’ ziet (MvG nr. 6). Binnen dat kader herhaalden SPB/KBO dat ‘los van het type pensioenregelingen dat zij uitvoeren’ pensioenfondsen geen biometrische risico's ‘verzekeren’ en dat risico volledig ligt bij deelnemers en pensioenfondsen ten onrechte de buffereis is opgelegd in geval van ‘premieregelingen met alleen variabele pensioenuitkeringen’ (MvG nrs. 7 en 8). In lijn hiermee voerden SPB/KBO in hoger beroep meer algemeen aan dat ‘noch binnen de uitkeringsovereenkomst, noch binnen de premieovereenkomst’ sprake is van ‘een door een pensioenfonds aan een deelnemer gegeven garantie op een bepaalde pensioenuitkering (nr. 15). Omdat volgens rov. 4.24 van het eindvonnis SPB/KBO hun standpunt ertoe hadden beperkt dat een CDC-pensioenregeling ‘per definitie een premieovereenkomst’ zou zijn, herhaalden zij in hun toelichting op grief I — tegen rov. 4.4, 4.24 en 4.32 — dat een CDC-regeling vaak een uitkeringsovereenkomst kan zijn, maar in de zaak ter beantwoording voorligt de vraag ‘óf pensioenfondsen die ‘pensioenregelingen’ uitvoeren — of dat nu de iure of de facto uitkerings- of premieovereenkomsten zijn (en of sommige daarvan CDC-(premie)regelingen zijn of worden genoemd) — een dekking tegen biometrische risico's ‘verzekeren’’ (nr. 18). Volgens SPB/KBO staat de beantwoording van deze vraag ‘eigenlijk los van het type pensioenovereenkomst’ nu een uitkeringsovereenkomst ook geen pensioenaanspraken garandeert en een pensioenfonds bij risico's niet instaat of dekking biedt (MvG nr. 6).
Tegen die achtergrond is in het licht van de algemene grief en de toelichting op grief I (MvG nrs. 5, 16 t/m 18) onbegrijpelijk dat het hof in rov. 6.2 uit de memorie van grieven onder nrs. 6 en 7 heeft geconcludeerd c.q. de inhoud daarvan aldus heeft uitgelegd dat volgens SPB/KBO beantwoording van de vraag of pensioenfondsen zelf biometrische risico's verzekeren ‘los staat van het type pensioenregeling dat zij uitvoeren’, zij daarmee de discussie loslieten over de vraag of een pensioenregeling een CDC-karakter heeft, en zij in de toelichting op grief I benadrukten dat het in hoger beroep niet (meer) zou gaan om de vraag of een CDC-(premie)regeling bestaat maar uitsluitend om de vraag of een pensioenfonds dekking tegen biometrische risico's verzekert, en SPB/KBO zelf stelden dat het voor de in hoger beroep te beantwoorden vraag niet relevant is of een pensioenregeling een CDC-regeling is. De vorenbedoelde inhoud van de memorie van grieven en toelichting op grief I kunnen 's hofs (onbegrijpelijke) uitleg en conclusie niet dragen en wettigen geen andere lezing, uitleg c.q. gevolgtrekking dan dat SPB/KBO zich ook in hoger beroep op het standpunt stellen dat beantwoording van de rechtsvraag of een pensioenfonds dekking tegen biometrische risico's ‘verzekert’ (art. 15 lid 1 IORP-II), niet los staat van de vraag of een pensioenregeling kwalificeert als een ‘CDC-regeling’ in de zin van een premieovereenkomst dan wel uitkeringsovereenkomst, en aldus voor beantwoording van de rechtsvraag relevant is of een ‘CDC-regeling’ bestaat en welke. Daarmee heeft het hof in rov. 6.2 dan ook ten onrechte en onbegrijpelijk geoordeeld dat SPB/KBO geen belang hadden bij grief I (tegen rov. 4.4, 4.24 en 4.32) nu uit de door het hof betrokken passages uit de memorie van grieven niet volgt c.q. kan worden afgeleid dat SPB/KBO zelf stelden dat het voor de in hoger beroep te beantwoorden rechtsvraag niet relevant zou zijn of een pensioenregeling een CDC-regeling is. Volgens SPB/KBO wordt de vraag bij ‘CDC-regelingen’ als premieovereenkomst/uitkeringsovereenkomst, steeds ontkennend beantwoord omdat pensioenfondsen risico's niet zelf ‘verzekeren’, ‘of het nu gaat om de uitvoering van een premieovereenkomst als bedoeld in de wet, en/of een uitkeringsovereenkomst als bedoeld in de wet en/of een CDC-(premie)regeling zoals die in de praktijk voorkomt en de iure ofwel kwalificeert als premieovereenkomst ofwel als een uitkeringsovereenkomst’ (MvG nr. 17). Gezien het voorgaande is het hof in (rov. 6.2 van) zijn arrest derhalve ten onrechte tot de slotsom gekomen dat SPB/KBO bij grief I ‘in ieder geval’ geen belang (zouden) hebben en die grief (reeds) ‘daarom’ faalt.
1.2
Daarmee, of daarnaast, betrok het hof in rov. 6.7 e.v. voor beantwoording van de vraag of nationale pensioenfondsen geen biometrische risico's ‘verzekeren’ ten onrechte en met een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van SPB/KBO uitsluitend als ‘kern’ dat bij een tekort uiteindelijk de deelnemers zelf dat tekort dragen waardoor alle risico's die een pensioenfonds loopt, voor rekening van het collectief komen zodat die risico's worden gedeeld, en dat er volgens SPB/KBO pas sprake is van ‘verzekeren’ in gevallen dat er een gegarandeerde aanspraak op een bepaalde pensioenvoorziening bestaat. Immers, SPB/KBO stellen zich in deze procedure voor beantwoording van deze vraag op het standpunt dat, samengevat, de Staat ten onrechte op grond van art. 15 IORP-II voor alle pensioenfondsen in art. 131 en 132 Pw (2007) de buffereis stelt ook in gevallen waar zij niet ‘zelf’ een dekking tegen biometrische risico's ‘verzekeren’ en deze risico's voor rekening komen van deelnemers en gepensioneerden doordat zij die zelf lopen en dat deze verkeerde omzetting als ‘gevolg van die eis’ heeft dat pensioenfondsen te weinig middelen hebben om pensioenen te indexeren en gedwongen zijn om te korten (MvG nr. 31). Anders dan het hof onbegrijpelijk uitlegt c.q. uit deze toelichting afleidt, stellen SPB/KBO zich niet op het standpunt dat de pensioenfondsen geen biometrische risico's verzekeren ‘omdat, bij een tekort, uiteindelijk de deelnemers zelf dat tekort dragen’.
Daarmee vereenzelvigde het hof in rov. 6.7 onbegrijpelijk het door SPB/KBO gestelde ‘gevolg’ van de in art. 131 en 132 Pw ten onrechte algemeen voorgeschreven buffereis, met hun stellingname dat Nederlandse pensioenfondsen niet bij de uitvoering van de pensioenregelingen zoals CDC-regelingen de biometrische risico's niet zelf ‘verzekeren’. Volgens de toelichting op grieven II-VIII is verzekeren ‘iets anders … dan risico delen of risico's laten neerslaan bij deelnemers en gepensioneerden, want dan ‘vezeker’ of ‘garandeer’ je de deelnemers en gepensioneerden niets; dan worden zij juist met risico's opgezadeld’ (nr. 48). Zij benadrukten het verschil met verzekeraars als pensioenuitvoerder (MvG nr. 49 e.v.):
- ‘50.
Terwijl bij pensioenfondsen de biometrische risico's direct neerslaan in de technische voorzieningen, en dus bij de deelnemers en gepensioneerden, is het bij de verzekeraars (onder de Solvency II richtlijn) zo dat er nog een extra opslag daarvoor zit in de technische voorzieningen. Dat maakt dat een verzekeraar dit risico ‘verzekert’ (met de welbekende voor pensioenen geldende zekerheidsmaatstaf van 99,5%) en dat een pensioenfonds dus niet ‘verzekert’ (gegeven ook de zekerheidsmaatstaf van 97,5%) waarbij de biometrische risico's direct bij de deelnemers en gepensioneerden neerslaan.
Verzekeraars mogen de door hen ‘verzekerde’ pensioenen en/of indexaties wettelijk niet verlagen bij een te lage buffer, maar moeten die buffers dan verhogen (art. 138 Sovency II). Die buffers vormen het eigen vermogen van een verzekeraar en het zijn in feite de aandeelhouders van een verzekeraar die dan zullen moeten bijstorten, daartoe gedwongen door DNB. Pensioenfondsen zijn per definitie stichtingen zonder eigen vermogen en zonder aandeelhouders die zouden kunnen bijstorten als zich dergelijke biometrische risico's verwezenlijken, waardoor de deelnemers en gepensioneerden direct de negatieve effecten daarvan ondervinden. (…)’
Tegen die achtergrond is in het licht van grieven II-VIII en de toelichting daarop (MvG nrs. 19–61 i.h.b. 30 e.v.) verder onbegrijpelijk dat het hof in rov. 6.7 ervan uitging c.q. de stellingen van SPB/KBO zo uitlegt dat zij stelden dat ‘pas sprake [is] van ‘verzekeren’ indien er een gegarandeerde aanspraak op een bepaalde pensioenvoorziening bestaat’. Die uitleg is temeer onbegrijpelijk omdat SPB/KBO zich in hoger beroep op het standpunt stelden dat ‘verzekeren’ niet kan worden vertaald met ‘garanderen’ nu ook in rechtspraak van de Hoge Raad niet‘ door pensioenfondsen een pensioenuitkering is gegarandeerd of toegezegd of onvoorwaardelijk is, máár de hoogte daarvan, die is voorwaardelijk of variabel’ (MvG nr. 30). SPB/KBO legden in de toelichting ‘verzekeren’ dus niet uit op de wijze als het hof deed, zodat 's hofs verwerping van dat ‘standpunt’ in rov. 6.7 feitelijke grondslag ontbeert.
1.3
Op grond van het aangevoerde ONDER 1.1 en/ of 1.2 heeft het hof in zijn arrest voor zijn beoordeling van de algemene grief van SPB/KBO, c.q. grief I en/of grieven II-VIII dan ook ten onrechte niet, in overeenstemming art. 24 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, in zijn beoordeling en oordeelsvorming betrokken hetgeen SPB/KBO aan hun in hoger beroep gewijzigde eis tot verklaring voor recht ten gronde hebben gelegd c.q. als grief I en II-VIII tegen het beroepen eindvonnis en toelichting daarop hebben aangevoerd, waardoor het hof niet over de (hele) rechtsstrijd van partijen heeft geoordeeld/beslist.
ONDERDEEL 2: het hof legt art. 15 lid 1 en 3 IORP-II verkeerd uit in licht van (considerans) IORP-I
2
Bovendien, of althans, geeft het hof in rov. 6.2 t/m 6.11 bij zijn beoordeling van grieven II t/m VIII op de wijze en gronden als het deed, met inachtneming van art. 288 VWEU en hierop gevormde rechtspraak van het HvJEU, een verkeerde (te beperkte) uitleg aan de begrippen ‘dekking’ en ‘verzekeren’ in art. 15 van de richtlijn nr. 2016/2341 (IORP-II). Daarbij heeft het hof ten onrechte niet (mede) betrokken de inhoud en de verdere tekst, doel en strekking van richtlijn nr. 2003/41/EG (IORP-I)5. waarvan artt. 15–17 nagenoeg gelijkluidend zijn aan art. 13–15 IORP-II en in deze richtlijn (slechts) zijn hernummerd.
In het kader van richtlijnconforme uitleg van art. 131 en 132 Pw ging het ten onrechte, op grond van overweging nr. 3 van de considerans van de richtlijn nr. 2016/2341, ervan uit dat art. 15 IORP-II slechts ‘minimumharmonisatie’ biedt waardoor het de wetgever vrijstaat om ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden maatregelen te nemen en IBPV's aanvullende voorschriften op te leggen die uit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn. Deze algemene rechtsklachten worden als volgt uitgewerkt.
2.1
Immers, onder art. 288 lid 3 VWEU6. en de jurisprudentie van het HvJEU7. is de nationale rechter bij toepassing van de nationale wet c.q. van de specifiek ter uitvoering van een richtlijn vastgestelde nationale regelgeving gehouden om, ongeacht of wetsbepalingen dateren van een eerdere of latere datum dan een om te zetten richtlijn, het nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen (c.q. toe te passen), in het licht van de bewoordingen en het doel van een richtlijn teneinde het daarmee beoogd resultaat te bereiken en aan art. 288 VWEU te voldoen, en met Unierecht onverenigbare wetsuitleg te voorkomen door de ter uitvoering van een richtlijn vastgestelde wet(geving) in overeenstemming met de eisen van het unierecht uit te leggen (en toe te passen). Voor de vaststelling van hun betekenis moeten bewoordingen in richtlijnen worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis in context en in het licht van voorwerp en doel van de richtlijn, rekeninghoudend met relevante regels van volkenrecht die kunnen worden toegepast.8. Eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen volgens vaste rechtspraak dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de hele Europese Unie in beginsel autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en het doel van de Unierechtelijke regeling.9.
In het licht van vorenbedoeld toetsingskader (rov. 4.19 Rb-vonnis) heeft het hof in rov. 6.1 e.v. van zijn arrest in het kader van de uitleg van art. 15 lid 1 IORP-II c.q. de zinsnede ‘IBPV's die pensioenregelingen uitvoeren en zelf (…) een dekking tegen biometrische risico's verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garandeert’ rechtens onjuist/ten onrechte niet betrokken de betekenis van de bewoordingen in art. 17 IORP-I, in context en in het licht van voorwerp en doel van richtlijn nr. 2003/41/EG, welk (gelijkluidend) artikel is gehandhaafd in herschikkingsrichtlijn nr. 2016/2341 en hernummerd is opgenomen in art. 15 IORP-II. Door dit na te laten heeft het hof art. 15 IORP-II naar doel en strekking van deze richtlijn(en) verkeerd uitgelegd en een onjuiste (te beperkte) maatstaf aangelegd. Aldus miskende het hof dat de Europese wetgever met de in art. 17 lid 1 IORP-I vermelde ‘instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en zelf (…) een dekking tegen biometrische risico's verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen garanderen’ voor ogen stond, c.q. doelde op, pensioenuitvoerders zoals pensioenfondsen die (zelf) door verzekering dekking bieden tegen biometrische risico's zoals levensverzekeringsondernemingen, waarvoor die richtlijn (art. 17 lid 2) verwees naar art. 27 en 28 Levensverzekeringsrichtlijn nr. 2002/83/EG10. voor het minimumbedrag van de ‘aanvullende activa’ naast de technische voorzieningen (art. 15 IORP-I). Die buffer-eis is in de considerans van die richtlijn als volgt toegelicht:
- ‘30.
Dikwijls kan het de bijdragende onderneming en niet de instelling zelf zijn die hetzij het biometrisch risico dekt, hetzij een bepaald uitkeringsniveau of bepaalde beleggingsresultaten waarborgt. Soms verschaft de instelling deze dekking of garantie echter zelf en blijven de verplichtingen van de bijdragende onderneming over het algemeen beperkt tot de betaling van de noodzakelijke bijdragen. Onder deze omstandigheden zijn de aangeboden producten vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen en moeten de desbetreffende instellingen ten minste hetzelfde aanvullende eigen vermogen aanhouden als levensverzekeringsondernemingen.’
Buiten deze specifieke (verzekerings) situatie bij pensioenuitvoerders vergelijkbaar met levensverzekeringsondernemingen, acht de Europese wetgever voor pensioenfondsen het voldoende dat een prudente berekening van de technische voorzieningen op basis van erkende actuariële methoden ervoor zorgde dat aan uitkeringsverplichtingen zou kunnen worden voldaan (considerans 26) en toereikende/ passende activa ter dekking van technische voorzieningen ‘de belangen van de deelnemers aan en pensioengerechtigden van de pensioenregeling’ te allen tijde door kapitaal zou beschermen (considerans 28). Sindsdien wordt het aldaar gemaakte onderscheid steeds, als zodanig, gehandhaafd. Voor berekening van het eigen vermogen en de solvabiliteitsmarges bij in art. 17 IORP-I bedoelde pensioenuitvoerders zijn de eisen met betrekking tot levensverzekeringen uit richtlijn nr. 2009/138/EG (Solvabiliteit II)11. van toepassing verklaard op (art. 2 lid 3 b.iii)
‘het beheer van collectieve pensioenfondsen, daaronder begrepen het beheer van beleggingen en met name van de activa welke staan tegenover de voorzieningen van de organen die uitkeringen verstrekken bij overlijden, bij leven of bij beëindiging of vermindering van werkzaamheid’.
Bedoelde (beperkte) uitleg van de zinsnede ‘instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en zelf (…) een dekking tegen biometrische risico's verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen garanderen’ in art. 17 IORP-I naar doel en strekking van richtlijn nr. 2003/41 vindt ook bevestiging in richtlijn nr. 2016/2341/EU in art. 16, 17 en 18 IORP-II waarin voor de bepaling van de vereiste solvabiliteitsmarges bij de in art. 15 bedoelde pensioenfondsen (IBPV's) de bepalingen zijn opgenomen uit art. 27–28 van de Levensverzekeringsrichtlijn nr. 2002/83/EG (art. 16–17) respectievelijk uit de Solvabiliteit II-richtlijn in geval van diensten van levensverzekering (art. 17 lid 3 en 18). Dit onderscheid volgt voorts uit art. 4 derde alinea IORP-II waar de richtlijn voorschrijft dat lidstaten waarborgen dat de nationale toezichthouder op de onder de Solvabiliteit II-richtlijn vallende levensverzekeringsondernemingen in het kader van het toezicht de ‘strikte scheiding van de betrokken bedrijfspensioenvoorzieningswerkzaamheden’ controleren. Volgens overweging nr. 77 van de considerans van deze richtlijn dienen in de EU met betrekking tot IBPV's (pensioenfondsen) ook ‘geen kwantitatieve eigenvermogensvereisen — zoals bijvoorbeeld Solvabiliteit II of daarvan afgeleide HBS-modellen — te worden ontwikkeld’ omdat werkgevers dan minder bereid kunnen zijn in pensioenregelingen te voorzien.
In aanmerking genomen dat richtlijn nr. 2016/2341/EU een ‘herschikkingsrichtlijn’ is en niet ertoe strekt tekstueel en inhoudelijk met het bepaalde in art. 13 t/m 19 IORP-II af te wijken van de regeling van art. 15 t/m 18 IORP-I, had het hof voor de vaststelling van de betekenis van de zinsnede ‘IBPV's die pensioenregelingen uitvoeren en zelf (…) een dekking tegen biometrische risico's verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garandeert’ in art. 15 lid 1 IORP-II moeten betrekken en bepalend gewicht toekennen aan de betekenis in art. 17 IORP-I van de zinsnede ‘instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en zelf (…) een dekking tegen biometrische risico's verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen garanderen’ uitgelegd naar doel en strekking van de richtlijn nr. 2003/41 volgens de considerans sub nr. 30. Door dit alles niet, (zonodig) onder aanvulling van rechtsgronden, in zijn beoordeling en oordeelsvorming te betrekken en (kenbaar) in aanmerking te nemen12. bij uitleg van art. 15 IORP-II, heeft het hof dan ook, of althans, in zoverre het Unierecht geschonden.
2.2
- a.
Daarmee, of daarnaast, heeft het hof in rov. 6.3 t/m 6.10 aldus miskend dat op grond van het bepaalde in artt. 13 lid 2 en 15 lid 1 IORP-II c.q. artt. 15 lid 2 en 17 lid 1 IORP-I alleen in de in art. 15 lid 1 IORP-II (art. 17 lid 1 IORP-I) bedoelde specifieke situatie dat de pensioenuitvoerders/pensioenfondsen (IBPV's) de dekking tegen biometrische risico's zelf‘verzekeren’ op een wijze ‘vergelijkbaar met levensverzekeringsondernemingen’, door nationale wetgevers bij wijze van buffer aanvullende activa mogen worden geëist als veiligheidskapitaal om verschillen tussen de verwachte en daadwerkelijke uitgaven en winsten op te (kunnen) vangen, welk ‘minimumbedrag’ van de ‘aanvullende activa’ dan worden berekend volgens gelijke regels als die voor levensverzekeringsbedrijven.
- b.
Door in rov. 6.5 t/m 6.10 op grond van zijn uitleg van het begrip ‘verzekeren’ volgens de tekst van art. 15 IORP-II met inachtneming van de andere taalversies van de richtlijn te oordelen en beslissen op de wijze als het deed, betrok het hof dan ook ten onrechte niet (kenbaar) dat volgens art. 13 lid 2 IORP-II (art. 15 lid 2 IORP-I) pensioenfondsen moeten ‘dekking bieden tegen biometrische risico's en/of een garantie bieden met betrekking tot hetzij het beleggingsrendement, hetzji een bepaalde hoogte van de uitkeringen’ waarvoor zij de toereikende technische voorzieningen dienen vast te stellen met betrekking tot het geheel van deze (pensioen)regelingen teneinde te kunnen (blijven) voldoen aan het voorschrift van art. 13 lid 1 IORP-II (art. 15 lid 1 IORP-I), om te allen tijde de financiële verplichtingen te kunnen nakomen die voortvloeien uit hun portefeuille van bestaande pensioenovereenkomsten. Anders dan het hof ten onrechte in rov. 6.8 van oordeel was en verder tot uitgangspunt nam, gaat het volgens de tekst van art. 15 lid IORP-II niet erom dat met een verzekering ‘een dekking’ wordt geboden tegen biometrische risico's, en sprake kan zijn van verzekering als bij tekort ‘geen volledige dekking’ wordt geboden. Het hof maakt op grond van de tekst van art. 15 lid 1 IORP-II op zichzelf met juistheid het onderscheid tussen verzekeren enerzijds en garanderen anderzijds. Daarentegen is onjuist 's hofs lezing, uitlegging c.q. oordeel dat uit de tekst van de richtlijn zelf volgt dat het begrip ‘verzekeren’ niet zou vereisen dat een bepaalde garantie wordt verstrekt. Niet alleen strookt dit niet met de tekst van art. 15 lid 1 IORP-II (art. 17 lid 1 IORP-I) zoals uitgelegd naar doel en strekking van richtlijn nr. 2016/2341/EU in samenhang met die van richtlijn nr. 2003/41/EG. Ook zag het hof met deze oordelen eraan voorbij dat volgens art. 13 lid 1 en 2 IORP-II (art. 15 lid 1 en 2 IORP-I) bij pensioenfondsen voor ‘dekking van biometrische risico's’ de technische voorzieningen toereikend (moeten) zijn. Het gaat in art. 15 lid 1 erom dat een pensioenfonds dekking tegen biometrische risico's volledigzelf‘verzekert’, derhalve niet door een (her)verzekering bij directe verzekeraars, en verzekeringsdekking biedt ‘vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen’. Aldus ging het hof uit van een verkeerde uitleg c.q. onjuiste invulling van de begrippen ‘verzekeren’, ‘garanderen’ en/of ‘dekking’ als bedoeld in art. 15 IORP-II (art. 17 IORP-I).
- c.
Door in rov. 6.8 en 6.9 op grond van zijn (onjuiste) uitleg van het begrip ‘verzekeren’ te oordelen en beslissen op de gronden en wijze als het deed, miskende het hof verder, of althans, dat onder art. 15 lid 1 IORP-II (art. 17 lid 1 IORP-I) niet vallen de situaties dat een pensioenfonds de dekking van biometrische risico's met een overeenkomst van (directe) verzekering volledig overdraagt c.q. (geheel) onderbrengt bij een verzekeraar waardoor de risico's volledig zijn afgedekt en met de verzekering door de verzekeraar van het pensioenfonds zijn overgenomen, reden waarom volgens art. 15 lid 1 IORP-II (art. 17 lid 1 IORP-I), naast de technische voorzieningen, geen minimaal vereist eigen vermogen moet worden aangehouden en geen eigen vermogen wordt voorgeschreven. Dit strookt met de door het hof in rov. 6.9 vermelde ‘andere taalversies’ van de richtlijn, zoals in de Franse taalversie ‘souscrit’, de Engelse taalversie ‘underwrites’ en de Duitse taalversie ‘Haftung übernimmt’, wat hier kan worden vertaald als (volledig) overnemen. Bovendien stemt deze uitlegging overeen met de wijze waarop art. 15 IORP-II (art. 17 IORP-I) bijvoorbeeld in België en in Engeland (VK) in pensioenwetgeving is omgezet.13. Aldus is ook rechtens onjuist 's hofs oordeel in rov. 6.9 dat wanneer een pensioenfonds ‘de risico's herverzekert’, het fonds zelf jegens de aanspraakgerechtigde aansprakelijk blijft voor een eventuele uitkering die verband houdt met biometrische risico's omdat ook in dat geval het pensioenfonds dus zelf de biometrische risico's verzekert, zelfs als zij het kredietrisico op de (her)verzekeraar draagt, 's Hofs oordelen vinden geen steun in de tekst van art. 15 lid 1 IORP-II (art. 17 lid 1 IORP-I), zoals uitgelegd in context naar doel en strekking van richtlijnen nrs. 2003/41/EG en 2016/2341/EU (ONDERDEEL 2.1), en getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof miskende dat deze bepaling van de richtlijn(en) ertoe strekt om tweemaal afdekken van de risico's te voorkomen.14.
- d.
Zijn kennelijk oordeel in rov. 6.6 t/m 6.9 dat het bepaalde in art. 131–132 en 134 Pw niet in strijd is met die richtlijn, miskent dat de voor alle pensioenfondsen voorgeschreven kortingsmaatregel in art. 134 als niet is voldaan aan de art. 131 en 132 Pw, niet strookt c.q. strijdig is met de doelstellingen van richtlijnen nrs. 2003/41/EG en 2016/2341/EU om de consumenten van financiële diensten een hoog beschermingsniveau te bieden, te streven naar het verschaffen van financiële zekerheid na pensionering door te zorgen dat de uitkeringen van pensioenfondsen in de regel in uitbetaling van een levenslang pensioen voorzien, te zorgen dat ouderen/ gehandicapten niet in armoede te geraken, een behoorlijke levensstandaard te genieten door middel van passende dekking van de biometrische risico's in hun pensioenregelingen en ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden te zorgen dat uitvoerders van pensioenregelingen de activiteiten beperken tot pensioenvoorziening ter ‘bescherming van de belangen van deelnemers en pensioengerechtigden van de pensioenregeling’, waardoor activa niet voor andere doeleinden mogen worden gebruikt dan ter verstrekking van pensioenuitkeringen (zie overwegingen nrs. 2, 13–14, 17, 28 en 31 in de considerans van richtlijn nr. 2003/41/EG en overwegingen nrs. 2, 10–11, 16, 25–26, 29, 40, 42 en 69 in de considerans van richtlijn nr. 2016/2341/EU die volgens overweging nr. 6 geen ingrijpende wijziging behelsde).
Echter, de mogelijkheid tot korting van pensioenuitkeringen wegens het niet-voldoen aan het niet door de richtlijn(en) voorgeschreven vereiste (minimum) eigen vermogen, strekt niet tot bescherming van de belangen van deelnemers en pensioengerechtigden van pensioenfondsen, verschaft niet de in deze richtlijn(en) beoogde ‘financiële zekerheid na pensionering’ en zorgt niet ervoor dat zij dan een ‘behoorlijke levensstandaard’ genieten. Integendeel, ouderen/gehandicapten lopen ‘het gevaar’ daardoor ‘in armoede te geraken’.
2.3
Met zijn oordelen in rov. 6.4 en 6.10 dat art. 15 IORP-II alleen ‘minimumharmonisatie’ biedt en de Staat de vrijheid laat aanvullende voorschriften aan IBPV's op te leggen waardoor art. 131 en 132 Pw niet in strijd hoeven te zijn met art. 15 IORP-II, miskende het hof dat ook het bepaalde in art. 15 lid 3 IORP-II (art. 17 lid 1 IORP-I) dient te worden uitgelegd samen met richtlijn nr. 2003/41/EG in context naar doel en strekking daarvan volgens de daar vooropgestelde doelstellingen (zoals samengevat in ONDERDEEL 2.2.D). Op zichzelf is juist dat, zoals het hof in rov. 6.4 vaststelt, considerans 3 van richtlijn nr. 2016/2341/EU vooropstelt dat deze richtlijn ‘minimale harmonisatie’ beoogt en daarom Nederland niet belet verdere voorschriften in te voeren ‘ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden van bedrijfspensioenregelingen’. Echter, het hof zag eraan voorbij dat de Europese wetgever aan deze overweging vervolgens heeft toegevoegd ‘mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de Unierechtelijke verplichtingen van de lidstaten’. Hierbij moet mede in aanmerking worden genomen dat volgens considerans nr. 32 van richtlijn nr. 2003/41/EG een ‘minimumharmonisatie’ erop zag dat ‘lidstaten een zekere vrijheid [moet] worden gelaten om te bepalen welke beleggingsvoorschriften zij aan de op hun grondgebied gevestigde instellingen wensen op te leggen’, welke nadere voorschriften vrij kapitaalverkeer niet mogen belemmeren ‘tenzij dit om prudentiële redenen gerechtvaardigd is’. Uit deze overweging volgt dat de uitzondering op deze minimumharmonisatie zag op de nadere voorschriften voor de in art. 15 lid 1 IORP-II (art. 17 lid 1 IORP-I) bedoelde specifieke gevallen16. waar pensioenuitvoerders/pensioenfondsen zelf de dekking van biometrische risico's ‘verzekeren’ vergelijkbaar met levensverzekeringsondernemingen en voor die fondsen aanvullend voorschriften mogen stellen voor het ‘eigen vermogen’ mits ze vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn. Door dit niet, met aanvulling van rechtsgronden, in zijn beoordeling en oordeelsvorming te betrekken, getuigen de oordelen in rov. 6.4 en 6.10 van een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte van de in de richtlijn nr. 2003/41/EG c.q. nr. 2016/2341/EU bedoelde minimumharmonisatie. Het hof ging daarmee (kennelijk) dan ook, of althans, uit van een verkeerde (te ruime) uitleg van het bepaalde in art. 15 lid 3 IORP-II (art. 17 lid 3 IORP-I) in context naar doel en strekking van deze richtlijn(en), op grond waarvan de daarin aan lidstaten gelaten wetgevingsvrijheid, uitsluitend, ziet op de in art. 15 lid 1 bedoelde specifieke situaties. Aldus heeft het hof met zijn hiervóór bestreden oordelen het Unierecht geschonden.
2.4
Gelet op het ONDER 2.1, 2.2 en/ of 2.3 aangevoerde is het hof in zijn arrest (rov. 6.3–6.10) ten onrechte tot zijn eindoordeel gekomen, kort samengevat, dat de art. 131 en 132 Pw niet in strijd zijn met art. 15 lid 1 IORP-II (art. 17 lid 1 IORP-I), en uitleg daarvan (onder art. 267, 3e alinea, VWEU) niet aan het Hof van Justitie EU hoeft te worden voorgelegd.
ONDERDEEL 3: het hof kent te beperkt rechtsgevolg toe aan strijdigheid van Pensioenwet met Unierecht
3
Daarnaast heeft het hof met zijn (zelfstandig dragende) overweging ‘ten overvloede’ in rov. 6.11 dat de door SPB/KBO gevorderde verklaring voor recht niet zonder meer tot verhoging van de pensioenen van hun leden zal leiden maar slechts zou meebrengen dat buffervereisten niet meer gelden, miskend dat — zoals de rechtbank in rov. 4.19 van haar vonnis, in hoger beroep onbestreden, vooropstelde — met onjuiste omzetting in de Pensioenwet c.a. van richtlijn nr. 2003/41/EG (IORP-I) en nr. 2016/2341/EU (IORP-II) waarvan het daarin beoogd doel niet door richtlijnconforme uitleg kan worden bereikt, de wet/regelgeving (BFTK) onrechtmatig zijn en, naast pensioenfondsen, de Staat kan worden aangesproken tot compensatie van de vermogensschade van deelnemers en pensioengerechtigden wier aanspraken uit pensioenregeling jegens pensioenfondsen zijn/worden gekort onder art. 131–132, 134 en 140 Pw vanwege het daarin ten onrechte vereist eigen vermogen. Het hof miskent in rov. 6.11 dat het niet gelden van buffereisen voor pensioenfondsen die niet onder art. 15 lid 1 IORP-II (art. 17 lid 1 IORP-I) vallen, meebrengt dat pensioenfondsen uitkeringen ten onrechte niet hebben geïndexeerd (c.q. indexeren) maar ‘korten’ bij het niet-voldoen aan verplichtingen in art. 131–132 Pw, en gedupeerden (ook) de Staat kunnen aanspreken hun vermogensschade te vergoeden.17. Daarmee kende het hof voor toewijsbaarheid van de gevorderde verklaring voor recht in deze procedure tegen de Staat ten onrechte (bepalend/beslissend) gewicht toe aan de (mogelijke) situatie dat pensioenfondsen met het niet gelden van buffervereisten de daardoor vrijgekomen gelden voor ‘andere doelen’ zouden (hebben) kunnen aanwenden maar niet is gezegd dat dit zou worden aangewend voor ‘indexatie van de pensioenen’.
Gegrondbevinding van (één of meer klachten van) deze middelonderdelen betekent dat ook niet in stand kan blijven wat het hof verder heeft geoordeeld en in het dictum heeft beslist.
Mitsdien
het de Hoge Raad behage het door het gerechtshof Den Haag onder nummer 200.294.840/01 op 21 juni 2022 gewezen en uitgesproken eindarrest, te vernietigen, met zodanige verdere voorziening, mede ten aanzien van de proceskosten in alle instanties, zoals de Hoge Raad in goede justitie geraden voorkomt, met bepaling dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest van de Hoge Raad.
Den Haag, 21 september 2022
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 21‑09‑2022
Richtlijn (EU) nr. 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van de EU van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's), PbEU nr. L 354/37.
Zie o.m. inleidende dagvaarding nrs. 24 e.v., 72–75, 121–122; brief aan rechtbank van 12 november 2020 nrs. 1–10; pleitaantekeningen in eerste aanleg nrs. 13–14; MvG nrs. 5–7, 15–18, 31–33, 39–47, 49–50, 60, 67; pleitnota in hoger beroep nr. 7.
Zie o.m. inleidende dagvaarding nrs. 1, 17, 28 e.v., 32, 37, 50–57, 89, 96–110, 121–124; brief aan rechtbank van 12 november 2020 met verwijzing naar de bijgevoegde nadere producties; pleitaantekeningen in eerste aanleg nrs. 6 e.v. en 16.
Zie o.m. inleidende dagvaarding nrs. 23 e.v., 58–72, 78, 112–115 (herhaald in pleitnota in hoger beroep nrs. 19–22).
Richtlijn nr. 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, PbEG nr. L 235/10.
Vaste rechtspraak; zie hier o.m. HvJEG 10 april 1984, ECLI:EU:C:1984:153 (Von Colson) rov. 28; HvJEG 13 november 1990, ECLI:EU:C:1990:395 (Marleasing) rov. 6; HvJEG 13 juli 2000, ECLI:EU:C:2000:402 (Centrosteel) rov. 17; HvJEG 5 oktober 2004, ECLI:EU:C:2004:584 (Pfeiffer) rov. 110; HvJEG 4 juli 2006, ECLIU:EU:C:2006:443, NJ 2006/593 (Adeneler) rov. 108–124; HvJEU 11 september 2018, ECLI:EU:C:2018:696 (IR) rov. 64 en HvJEU 4 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:148 (Telecom Italia) rov. 61–61.
HvJEU 25 februari 2010, ECLI:EU:C:2010:91 (Brita), rov. 43; HvJEU 12 september 2017, ECLI:EU:C:2017:664 rov. 39.
Zie zijdens SPB/KBO over een juiste richtlijnconforme wetsuitleg o.m. inleid. dagv. nrs. 76 t/m 92 met verdere verwijzingen.
Richtlijn nr. 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van de EG van 5 november 2002 betreffende levensverzekering, PbEG nr. L 345/1.
Richtlijn nr. 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van de EG van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), PbEG nr. L 335/1.
Hieraan doet niet af dat de considerans van de richtlijn nr. 2016/2341/EU de ‘IBPV's’ niet meer expliciet, met zoveel woorden, vergelijkt met producten van levensverzekeringsondernemingen en overweging nr. 44 vermeldt dat fondsen ‘eigen vermogen [moeten] aanhouden op basis van de waarde van de technische voorzieningen en het risicokapitaal’, omdat dit als zodanig reeds volgde uit de tekst in art. 17 lid 1 IORP-I (art. 15 lid 1 IORP-II) dat zij ‘bij wijze van buffer’ aanvullende activa moesten aanhouden naast de technische voorzieningen waarvan de omvang als ‘veiligheidskapitaal’ is afgestemd op het risico en de aard van de activa.
Zie o.m. inleidende dagvaarding nrs. 116–118 (VK) met verwijzing naar producties 12 en 13; MvG nr. 38 (België); pleitnota in hoger beroep nr. 24 (VK) verwijzend naar productie 12.
Zie in vergelijkbare zin aanvankelijk nog de Nederlandse wetgever bij de implementatie van art. 17 IORP-I in art. 9a lid 3 PSW (MvT, kamerstukken II, 2004–2005, 30 104, nr. 3, p. 22–23) en in art. 119 lid 1 oud Pw (tweede NvW, kamerstukken II, 2005–2006, 30 413, nr. 18, p. 21–22): ‘Fondsen herverzekeren bepaalde verzekeringsrisico's geheel of gedeeltelijk. Dat kan bij een verzekeraar of een professionele herverzekeraar. Een verzekeraar en een herverzekeraar die is gevestigd binnen de EU moet een minimaal vereist eigen vermogen aanhouden. Als een fonds volledig is herverzekerd, is het niet nodig dat het fonds zelf ook het minimaal vereist eigen vermogen aanhoudt. Zou dat wel het geval zijn, dan is er sprake van het tweemaal afdekken van hetzelfde risico. Om die reden is dit artikel aangepast.’ Deze uitzondering voor (her)verzekerde fondsen heeft de wetgever, in strijd met de IORP-I, bij wetswijziging in 2012 laten vervallen waardoor ook de (her)verzekerde fondsen in alle gevallen het vereiste ‘eigen vermogen’ als (aanvullende) buffer moesten gaan aanhouden (MvT, kamerstukken II 2011–2012, 33 013, nr. 3, p. 2–3). Zie hierover inleidende dagvaarding nrs. 42–43, 82 met verdere gegevens en verwijzingen naar vakliteratuur.
Ondanks dat het in art. 17 IORP-I bedoeld (minimum) ‘eigen vermogen’ bij wijze van ‘buffer’ gold voor pensioenfondsen die met levensverzekeringen vergelijkbare risicodekking zouden bieden, greep de wetgever de implementatie van art. 17 IORP-I in de Pensioenwet (2007) aan om — in strijd met de tekst, doel en strekking van IORP-I — art. 9a (lid 3) PSW te vervangen door minimaal vereist vermogen in art. 119 oud Pw (thans art. 131 Pw) en daarnaast in art. 120 oud Pw (thans art. 132 Pw) voor alle pensioenfondsen ‘nieuw’ het vereiste eigen vermogen voor te schrijven (MvT, kamerstukken II 2005–2006, 30 413, nr. 3, p. 256). Zie hierover o.m. inleidende dagvaarding nrs. 42–43 en 82.
Zie o.m. inleidende dagvaarding nrs. 98–102 en pleitaantekeningen in eerste aanleg nr. 17.
Zie o.m. inleidende dagvaarding nrs. 2, 18, 47; pleitaantekeningen in eerste aanleg nrs. 1–5, 12, 20 en 25; MvG nrs. 3 e.v., 12, 71–72, 74–76; pleitnota in hoger beroep nrs. 26–28.