De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.2.1.4:9.2.1.4 De aard van eindvoorzieningen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.2.1.4
9.2.1.4 De aard van eindvoorzieningen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372117:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.3.2.2 en 8.3.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat een belangenafweging dient plaats te vinden alvorens eindvoorzieningen te treffen, volgt logischerwijs uit de aard van eindvoorzieningen. Deze maken naar hun aard een inbreuk op de bestaande rechtsverhoudingen,1 dus altijd. Die rechtsverhoudingen hebben een ratio. Zij dienen niet alleen persoonlijke belangen, maar ook bepaalde maatschappelijke belangen en reflecteren algemeen erkende rechtsbeginselen en in Nederland levende rechtsovertuigingen.
In hoofdstuk 4 werd dienaangaande het volgende uiteengezet. De wetgever en de bij de organisatie van de vennootschap betrokkenen proberen door middel van de regels van de deelrechtsorde de gang van zaken binnen de vennootschap te sturen. Er is sprake van een combinatie van (deels dwingendrechtelijke) regels die enerzijds bepaalde bevoegdheden toekennen aan personen met een bepaalde positie binnen de rechtspersoon en anderzijds gedragsnormen die bij de uitoefening van die bevoegdheden in acht moeten worden genomen. Die combinatie waarborgt dat deze bevoegdheden worden uitgeoefend met inachtneming van de belangen die de desbetreffende gedragsnormen beschermen. Dit kan gaan om persoonlijke, ideële en/of maatschappelijke belangen van enerzijds bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen, zoals aandeelhouders, en anderzijds andere belanghebbenden bij de gang van zaken binnen de vennootschap zoals werknemers en crediteuren. Tevens heeft de wetgever op andere punten de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen de vrijheid geboden om bepaalde bevoegdheden, rechten en plichten naar eigen wens in te vullen. Met gebruikmaking van die inrichtingsvrijheid hebben partijen bepaalde (persoonlijke, ideële en/of maatschappelijke) belangen proberen te dienen en/of beschermen.
Eindvoorzieningen zijn er naar hun aard op gericht om dit alles te veranderen. Daarvoor is een goede reden. De wijze waarop de bij de organisatie betrokkenen de vennootschap hebben ingericht of zich daarin vervolgens hebben gedragen, heeft geleid tot gedrag van de rechtspersoon dat strijdig is met de elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap, dus wanbeleid. Enig sleutelen aan de organisatie van de vennootschap is daarom noodzakelijk. Dat neemt echter niet weg dat achter de inrichting (van de verschillende aspecten) van de organisatie van de vennootschap (persoonlijke, ideële en maatschappelijke) belangen schuilgaan. Het enkele feit dat sprake is van wanbeleid betekent niet dat deze belangen geen – zo veel mogelijk – rechtens te respecteren belangen zouden zijn.
Deze belangen zijn voorts gediend met de handhaving van de bestaande rechtsverhoudingen. In voorkomende gevallen zullen de gevolgen van het terzijde schuiven van deze rechtsverhoudingen en belangen ernstiger zijn dan de kwaal die daardoor wordt bestreden (namelijk wanbeleid). Tevens kan het voorkomen dat het wanbeleid ook kan worden verholpen op andere wijze, die in de gegeven omstandigheden als minder bezwaarlijk moet worden gezien.
Dit alles noopt tot een afweging tussen enerzijds de (persoonlijke, ideële en maatschappelijke) belangen die schuilgaan in deze rechtsverhoudingen en anderzijds de noodzaak om (op juist) de desbetreffende rechtsverhoudingen een inbreuk te maken. Die belangenafweging is, zo zal in par. 9.2.2 ter sprake komen, de essentie van de proportionaliteitstoets.