Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/10.3.12
10.3.12 Het Tacconi-arrest; vorderingen uit afgebroken onderhandelingen vallen onder art. 5 lid 3 EEX
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS299440:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 17 september 2002, zaak C-334/00 Fonderie Officine Meccaniche Tacconi SpA v Heinrich Wagner Sinto Maschinenfabrik GmbH (HWS), (2002) E.C.R. 1-7357.
Vgl. hierover reeds Deelen 1984, p. 126.
Zie Goud 2003, p. 18 e.v. waarin zij, ten aanzien van de door haar gesignaleerde complicaties voor wat betreft het gebruik van een intentieverklaring opmerkt: 'Is er een ondertekende LOI, dan meen ik dat de rechter van artikel 5 EEX-vo bevoegd is; er is immers een vrijwillig aangegane verbintenis. Tenzij er in deze LOI een forumkeuze is opgenomen. In dat geval zal de daar aangewezen rechter exclusief (!) bevoegd zijn op basis van artikel 23 EEX-vo.'.
Vgl. voor een vordering uit afgebroken onderhandelingen die gestoeld was op ongerechtvaardigde verrijking: Rb. Rotterdam, 24 september 2003, JBPR 2004, 43, waarin de rechtbank zich ook de vraag stelde waar het 'schadebrengende feit' ex art. 5 sub 3 EEX zich had voorgedaan. Te dien aanzien overwoog de rechtbank: 'Het voeren van besprekingen zonder de intentie te hebben een overeenkomst aan te gaan valt in het onderhavige geval niet te lokaliseren op één plaats. De mededeling dat de onderhandelingen zijn afgebroken is niet ontvangen in Rotterdam, zodat niet aangenomen kan worden dat het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in Rotterdam. Dat geldt zowel als het afbreken van onderhandelingen moet worden gezien als een handelen van verweerders, als wanneer het wordt beschouwd als een nalaten. Bij dat oordeel wordt in beschouwing genomen: (a) dat de bijzondere bevoegdheid van art. 5 sub 3 EEX, als uitzondering op de hoofdregel van art. 2 EEX en gezien de behoudens uitdrukkelijk voorziene gevallen door het EEX uitgesloten bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de eiser, beperkt moet worden uitgelegd; (b) dat deze bijzondere bevoegdheid berust op het bestaan van een verband tussen de vordering en de andere rechter dan die van de woonplaats verweerder; en (c) dat de eisen van de door het EEX nagestreefde rechtszekerheid meebrengen dat de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welke rechter hij, in afwijking van de hoofdregel, krachtens art. 5 sub 3 EEX zou kunnen worden opgeroepen. Omstreden is de vraag of een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking valt onder art. 5 sub 3 EEX; als dit het geval is kan Rotterdam niet worden aangemerkt als de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, mede in het licht van de eerdere overwegingen'.
Dat de praktijk aldus nog steeds worstelt met het antwoord op de vraag waar, ingeval van een contractuele verplichting tot dooronderhandelen, de verbintenis die aan de eis te grondslag ligt, moet worden uitgevoerd, blijkt genoegzaam uit het hiervoor besproken arrest van het Hof 's-Hertogenbosch van 31 oktober 2006, NJF 2006, 625 (Pingo/Boparan).
De Italiaanse cassatierechter heeft de gevolgtrekking die de Hoge Raad heeft gemaakt in het arrest Bus/Chemconserve niet zonder meer willen maken in een handelszaak die door een Italiaanse partij (Fonderie Officine Meccaniche Tacconi SpA ("Tacconi")) tegen een Duitse wederpartij (Heinrich Wagner Sinto Maschinenfabrik GmbH ("HWS")) in Italië aanhangig was gemaakt1. De vordering strekte tot het verkrijgen van vergoeding wegens het, naar het oordeel van Tacconi, ten onrechte afbreken van met haar gevoerde onderhandelingen door HWS. In deze zaak zijn door de Italiaanse cassatierechter drie prejudiciële vragen voorgelegd, te weten:
Is de vordering ter zake van de precontractuele aansprakelijkheid van een verweerder een vordering ten aanzien van een verbintenis uit onrechtmatige daad (art. 5 sub 3, van het Executieverdrag)
Zo nee, is deze vordering dan een vordering ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst (art. 5 sub 1, van het Executieverdrag), en zo ja, wat is dan de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt?
Zo nee, geldt voor deze vordering dan enkel de algemene regel van de woonplaats van de verweerder?
Helaas is niet als prejudiciële vraag door de Italiaanse rechter voorgelegd wat, als het afbreken van onderhandelingen moet worden gekwalificeerd als een onrechtmatige daad in de zin van art. 5 sub 3 EEX, heeft te gelden als de plaats waar het schadebrengende feit moet worden gelokaliseerd, zodat het oordeel van de Hoge Raad in het hiervoor omschreven arrest nog niet kan worden getoetst aan een communautaire uitleg van het EEX.
Het Europese hof, na te hebben vastgesteld dat het EEX verdragsuniform uitgelegd dient te worden (en het er voor wat betreft de te beantwoorden prejudiciële vragen niet toe doet of volgens het nationale recht van een lidstaat de betreffende vordering een contractuele of delictuele grondslag heeft), oordeelt ten aanzien van de voorgelegde prejudiciële vragen als volgt:
"Zoals het hof heeft geoordeeld, omvat het begrip verbintenissen uit onrechtmatige daad in de zin van art. 5 sub 3, van het Executieverdrag elke vordering die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met een verbintenis uit overeenkomst in de zin van art. 5 sub 1 (...).
Rekening houdend met de omstandigheden van de onderhavige zaak kan de aansprakelijkheid voor de schade die beweerdelijk het gevolg is van de ongerechtvaardigde verbreking van de onderhandelingen slechts voortvloeien uit de schending van rechtsregels. Dit zal met name de regel zijn op grond waarvan partijen bij de onderhandelingen met het oog op het sluiten van een overeenkomst te goeder trouw dienen te handelen.
In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat de aansprakelijkheid die in voorkomend geval voortvloeit uit het niet sluiten van de litigieuze overeenkomst, niet van contractuele aard kan zijn.
Gelet op één en ander moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin geen sprake is van bijonderhandelingen met het oog op het sluiten van een overeenkomst door een partij jegens een andere vrijwillig aangegane verbintenissen en waarin eventueel rechtsregels zijn geschonden, met name de regel op grond waarvan partijen in het kader van deze onderhandelingen te goeder trouw dienen te handelen, de vordering waarmee de precontractuele aansprakelijkheid van de verweerder wordt ingeroepen, een vordering uit onrechtmatige daad is in de zin van art. 5 sub 3 Executie-verdrag."
Aangezien de eerste prejudiciële vraag daarmee bevestigend is beantwoord, hoeven de andere vragen van de Italiaanse cassatierechter geen beantwoording meer.
De Tacconi-zaak laat helaas een aantal vragen onbeantwoord, hetgeen in belangrijke mate het gevolg is van de wijze waarop de prejudiciële vragen zijn geformuleerd. Niet alleen rijst de vraag, indien het afbreken van onderhandelingen als een onrechtmatige daad moet worden geconstrueerd, waar het schadebrengende feit moet worden gelokaliseerd2, maar bijv. ook wat het gevolg is van het sluiten van een intentieverklaring in internationale verhoudingen.3 Het hof heeft het over het schenden van een norm (om bij de onderhandelingen met het oog op het sluiten van een overeenkomst te goeder trouw te handelen) welke "niet van contractuele aard kan zijn".4 Zou men echter niet kunnen betogen dat die verplichting een contractuele wordt op het moment dat partijen met elkaar afspreken dat hun beider streven gericht is op het tot stand brengen van een overeenkomst? M.i. laat de uitspraak in de Tacconi-zaak voor een positieve beantwoording van deze vraag wel de nodige ruimte.5