Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.5.2
13.3.5.2 Gevolgen voor de tegenbewijsgradatie: aannemelijk maken?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940772:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een voorbeeld Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21, r.o. 10. Vgl. in dit verband ook de onder meer in paragraaf 7.3.7.4.2 aangehaalde uitspraak van Hof Den Haag 17 mei 2016, V-N 2016/39.1.1, waaruit volgt dat het leveren van tegenbewijs naar de gradatie ‘aannemelijk maken’ voldoende kan zijn voor de bestrijding van de zware gradatie ‘doen blijken’.
Zie paragraaf 7.3.8.3.
In dezelfde zin: Bemelmans 2018, par. VII.5.3.
Zie (met betrekking tot een aansprakelijkstelling voor een boete) HR 25 juni 1997, BNB 1997/275, r.o. 4.3.1-4.3.2. De Hoge Raad ging hier, voor het leveren van tegenbewijs, expliciet uit van ‘aannemelijk maken’. Hierbij moet worden opgemerkt dat de Hoge Raad voor wat betreft het primaire bewijs dat de inspecteur moet leveren, niet specifiek de zware gradatie ‘beyond reasonable doubt’ noemde (inmiddels heeft de Hoge Raad dat wél gedaan, zie HR 10 februari 2023, V-N 2023/9.22, r.o. 4.6.2). In plaats daarvan van hanteerde de Hoge Raad destijds steevast het neutrale ‘bewijzen’, zie ook HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.5.3, HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, vanaf r.o. 3.4.1. Zie voorts paragraaf 7.3.8.1.
Zie paragraaf 9.3.1.
Zie voor een voorbeeld Hof Amsterdam 22 januari 2016, V-N 2016/9.6, r.o. 5.9.3. Het Hof achtte het tegenbewijs van de boeteling niet bij voorbaat aannemelijk, maar evenmin ongeloofwaardig of onbestaanbaar, en daarmee toch voldoende voor het bestaan van gerede twijfel. Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22, achtte de stellingen van tegenbewijs van de boeteling juist ‘volstrekt onaannemelijk’, ‘niet geloofwaardig’ en ‘niet aannemelijk’ (zie r.o. 4.23 en 4.30). Dit Hof legde voor het positieve bewijs van de inspecteur overigens niet de gradatie ‘beyond reasonable doubt’ aan (r.o. 4.29-4.33).
Zie paragraaf 7.3.8.3.2.
Zie ook paragraaf 10.2.1, waar ik heb betoogd dat bij een vermoeden, naar de aard der zaak, altijd kan worden getwijfeld, omdat het nu eenmaal ‘slechts’ een vermoeden is. In de boetesfeer voldoet de boeteling daarom wellicht reeds op voorhand aan de tegenbewijslast.
Vgl. ook paragraaf 7.3.5.5.
Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen dat de boeteling het beboetbare feit heeft begaan. Als de inspecteur daarin slaagt, kan de boeteling vervolgens uiteraard tegenbewijs leveren. In paragraaf 7.3.7.4.2 is in dat kader naar voren gekomen dat de gradatie ‘beyond reasonable doubt’ onderuit kan worden gehaald door stellingen die zelf niet aan die zware gradatie voldoen. Stellingen die als tegenbewijs worden aangevoerd en aannemelijk gemaakt worden, zullen bijvoorbeeld steeds ‘redelijke twijfel’ zaaien en dus voldoende sterk zijn om het primaire bewijs van de inspecteur te neutraliseren.1 Bij aannemelijk maken is er immers sprake van een redelijke mate van waarschijnlijkheid.2 Wanneer de lezing van de boeteling aannemelijk is, staat vast dat deze redelijkerwijs voor juist mag worden gehouden. Daarmee ontstaat naar mijn mening per definitie ook de voor het slagen van het tegenbewijs benodigde redelijke twijfel.3 In de jurisprudentie wordt deze opvatting niet expliciet bevestigd, maar evenmin uitdrukkelijk tegengesproken.4
Ook minder overtuigend tegenbewijs, dat qua gradatie lichter is dan aannemelijk maken, kan onder omstandigheden tot redelijke twijfel leiden. Dat hangt samen met de voordeelregel die in de boetesfeer geldt: elke twijfel moet immers in het voordeel van de boeteling werken.5 Wanneer de boeteling zijn stelling niet aannemelijk kan maken, sluit dat dus nog niet uit dat hij wél redelijke twijfel zaait ten aanzien van het primaire bewijs van de inspecteur.6
In dit verband wijs ik nog op de tegenbewijsgradatie zoals die specifiek geldt voor het ontzenuwen van vermoedens.7 Op het eerste oog lijkt die gradatie voldoende om het vereiste tegenbewijs te leveren: als het bewijs ‘redelijkerwijs moet worden betwijfeld’, kan dat immers niet meer ‘beyond reasonable doubt’ zijn. In deze context gaat het echter om het onschadelijk maken van het vermoeden als bewijsmiddel. Het gevolg van een geslaagde ontzenuwing is dat het betreffende vermoeden wordt uitgeschakeld: het draagt niet meer bij aan het bewijs.8 Dat is van een geheel andere orde dan het bestrijden van een volledige bewijspositie die ‘beyond reasonable doubt’ is opgebouwd. De enkele ontzenuwing van een of meerdere vermoedens hoeft nog geen redelijke twijfel te zaaien ten aanzien van die bewijspositie als geheel.9 Uiteraard kan het wegvallen van de betreffende vermoedens er wel toe leiden dat het resterende bewijs van onvoldoende gewicht is om de gradatie ‘beyond reasonable doubt’ te halen.