Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.10.3.4
4.10.3.4 Een dubbele levering onder eigendomsvoorbehoud
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644924:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Op basis van dezelfde gedachte heeft het BGH geen Wegnahmerecht toegekend aan een “eerste” leverancier. Zie BGH 27 mei 1971 VII ZR 85/69, Rn III 2 b. Opgemerkt zij hier wel dat de toekenning van het Wegnahmerecht gekoppeld was aan bepaalde vereisten uit het Duitse verrijkingsrecht. Het BGH overwoog onder meer: “Die auf vertraglicher Grundlage vorgenommenen Materiallieferungen des Baustoffhändlers sind bewußte zweckgerichtete Handlungen und damit Leistungen im bereicherungsrechtlichen Sinne. Dabei ist nicht entscheidend, worin im einzelnen die Zuwendung an den Leistungsempfänger liegt. Sie muß als einheitliches Ganzes betrachtet werden und verschafft dem Empfänger jedenfalls auch die tatsächliche Verfügungsgewalt über das gelieferte Gut (…).” Voorts stelt het BGH dat er sprake is van “eine doppelte Leistungsbeziehung, die über die Gemeinschuldnerin eine geschlossene Kette wirksamer Vertragsverhältnisse bildet, durch die das der Klägerin gehörende Baumaterial an die Beklagte gelangt ist.”
De fictie waardoor de analoge toepassing van art. 3:86 BW mogelijk wordt, leidt tot problemen bij een “dubbele” levering onder eigendomsvoorbehoud. Een voorbeeld om dit te verduidelijken.
Een zaak, bijvoorbeeld een machine, wordt onder eigendomsvoorbehoud geleverd door A aan B. B levert vervolgens deze machine, wederom onder eigendomsvoorbehoud, aan C. C verenigt de machine met zijn fabriek.
Heeft A een afscheidingsrecht tegen C als C te goeder trouw was ten aanzien van de bevoegdheid van B? Dit geval behelst een uitzondering op de overige voorbeelden, aangezien C in de fictie waarin de machine als een zelfstandige roerende zaak wordt overgedragen door een beschikkingsonbevoegde geen eigenaar is geworden. Althans niet zolang hij de koopsom niet heeft voldaan. Als de bestanddeelvorming en natrekking wordt weggedacht, dan is immers de roerende zaak (machine) aan C onder eigendomsvoorbehoud geleverd. Toch zou A tegen C vanaf het ogenblik van de vereniging geen afscheidingsrecht moeten hebben, aangezien C zich anders geconfronteerd ziet met een derde die hij niet kende en niet behoefde te kennen. Dit zou onwenselijk zijn. Een nieuwe begrenzing van het afscheidingsrecht is derhalve noodzakelijk. Alleen degene die de levering aan de verkrijger heeft verricht heeft het afscheidingsrecht. Dat is een uitzondering op de hoofdregel, die zegt dat de oorspronkelijke eigenaar het afscheidingsrecht heeft. Als een dief een zadel steelt en deze op zijn fiets zet, dan heeft de oorspronkelijke eigenaar een afscheidingsrecht. De uitzondering geldt in het geval de vereniging mogelijk is gemaakt doordat een zaak is geleverd. In dat geval heeft degene die de levering aan de verkrijger heeft verricht het afscheidingsrecht, ook al is deze leverancier niet beschikkingsbevoegd. Hij verkrijgt na de afscheiding dezelfde zakenrechtelijke positie die hij had vóór de verbinding. Voor de casus van de dubbele levering betekent dit dat A geen afscheidingsrecht tegen C heeft. Het risico tot verlies van zijn ius tollendi ligt bij A. Het eigendomsverlies van A vindt mede zijn oorsprong in de contractuele relatie tussen A en B, aangezien B immers door de levering van A over de zaak heeft kunnen beschikken.1 Hierbij maakt het geen verschil of B met of zonder toestemming van A handelde door de machine aan C te leveren. Het belang van A moet wijken voor het belang van C. Laatstgenoemde mag niet geconfronteerd worden met een eigendomsvoorbehoud waarvan hij niet op de hoogte was. Was dit anders, dan zouden de grenzen van de rechtszekerheid te ver worden opgerekt.