Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.2.2:6.2.2 De Invoeringswet voor de Boeken 3, 5 en 6 BW van 1989
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.2.2
6.2.2 De Invoeringswet voor de Boeken 3, 5 en 6 BW van 1989
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301653:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Lubach 2005, p. 284.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De toelichting waarvan art. 6:181 bij haar introductie in het Gewijzigd Ontwerp vergezeld ging, zou zo begrepen kunnen worden dat daaruit blijkt wie vooral c.q. in ieder geval onder het bedrijfsbegrip kan worden begrepen. Ondanks dat het ging om een kernbegrip, werd in de toelichting een ‘buitengrens’ – hoe zit het bijvoorbeeld met de al genoemde beroepsbeoefenaar of de overheid? –, toen niet gesteld. Het was dan ook weinig verrassend dat de regering alsnog werd uitgenodigd hierop in te gaan.1 Zo was het een aantal Kamerleden niet duidelijk waarom op diverse plekken in het ontwerp-NBW beroeps- en bedrijfsuitoefening soms werden gelijkgeschakeld en soms niet.2 De minister gaf aan dat ‘over het algemeen’ in de bepalingen van het NBW beide begrippen worden gebruikt.3 Voor een begrenzing tot alleen bedrijfsuitoefening in de art. 6:171, 181 en het toen nog voorontwerp van art. 6:173 bestond volgens de minister echter goede reden:4
‘Zij berust (...) op een samenstel van vier overwegingen:
de eenheid van onderneming;
het feit dat het voor de benadeelde moeilijk kan zijn om te bepalen of degene die de schade veroorzaakte ondergeschikte of niet-ondergeschikte opdrachtnemer in de zin van [art. 6:171] is, onderscheidenlijk aan wie de in de uitoefening van een bedrijf gebruikte zaak of stof die schade veroorzaakt, toebehoort;
het feit dat bedrijfsmatig verrichte activiteiten in beginsel gericht zijn op het verkrijgen van profijt; en
het feit dat van een ondernemer kan worden gevergd dat hij zijn bedrijfsrisico’s als één risico verzekert.’ (curs. AK)
Dit samenstel van overwegingen geldt volgens de minister niet voor ‘natuurlijke personen die een vrij beroep uitoefenen’, waarbij de advocaat, arts, vroedvrouw, belastingconsulent en deurwaarder als voorbeeld werden genoemd. Toch leek de minister niet volkomen overtuigd van dit door hemzelf bepleite onderscheid tussen ‘beroep’ en ‘bedrijf’. De minister vervolgde omtrent het vrije beroep:
‘Anders ligt dit indien de betreffende praktijk in een rechtspersoon is ondergebracht. Er mag naar ik meen van worden uitgegaan dat een vennootschap – ook de zgn. praktijk-b.v. – steeds een bedrijf uitoefent. Bij een zodanige vennootschap kan de “eenheid van onderneming” een reële rol spelen. In het oog moet evenwel worden gehouden dat dit juist bij de praktijk-b.v. niet steeds het geval zal zijn. Indien bijv. voor iedere advocaat een eigen B.V. wordt gecreëerd die dan vervolgens een maatschap vormen, kan niet gezegd worden dat de ene advocaat van de maatschap zijn werkzaamheden verricht in de uitoefening van de praktijk van de andere, wanneer hij de behandeling van een zaak van deze overneemt, zelf als dit op een “opdracht” van de eerste advocaat zou berusten. Hetzelfde geldt indien een advocaat die zijn praktijk in een B.V. onderbracht, een procureur in een ander arrondissement inschakelt.’5
Uit deze redenering, die in mijn ogen niet uitblinkt in helderheid, volgt ten eerste dat indien een beroepsbeoefenaar zijn praktijk in een rechtspersoon onderbrengt, toch van een ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:181 kan worden gesproken. De minister wijst, gelet op de ‘eenheid van onderneming’, op de zogenoemde ‘praktijk-BV’. Daarbij wordt vervolgens evenwel direct aangetekend dat in geval van het onderbrengen van beroepsbeoefening in een praktijk-BV de eenheidsgedachte ‘juist’ niet steeds opgaat, en dan (toch) niet van ‘bedrijfsuitoefening’ kan worden gesproken. Ook kan worden geconstateerd dat de minister in het gegeven voorbeeld de reden voor niet-aansprakelijkheid van de advocaat als beroepsbeoefenaar ex art. 6:171 niet zozeer lijkt te zoeken in de hoedanigheid van deze opdrachtgever (het bedrijfsbegrip), maar veeleer in het functioneel verband-vereiste van deze bepaling (te weten: de werkzaamheden van de hulppersoon moeten plaatsvinden ‘ter uitoefening van’ het bedrijf van diens opdrachtgever). Hoewel de vorenstaande toelichtende passage uit de wetsgeschiedenis dus niet gemakkelijk te doorgronden is, wordt in ieder geval duidelijk dat onder omstandigheden ook een beroepsbeoefenaar kan worden geacht een ‘bedrijf’ uit te oefenen in de zin van art. 6:171, 181 en toen nog het voorontwerp van art. 6:173. De minister rondt zijn toelichting op het bedrijfsbegrip van de bepalingen tezamen vervolgens af met wederom een niet gemakkelijk te duiden redenering:
‘Voorts wijs ik erop dat voor de vraag of er van bedrijf kan worden gesproken, het winstoogmerk of het behalen van voordeel niet beslissend zijn. Men denke aan de in de Parl. Gesch. Boek 6, blz. 730, uitdrukkelijk vermelde overheidsbedrijven en ziekenhuizen, alsook aan het geval dat een beroepspraktijk niet in een B.V. maar in een stichting wordt ondergebracht. Vgl. H.R. 2 april 1982, N.J. 1983, 429 voor de verwante vraag wat onder “onderneming” in de zin van de Handelsregisterwet moet worden verstaan. Ook bij rechtsvormen die niet naar hun aard meebrengen dat het beroep in de vorm van een bedrijf wordt uitgeoefend, behoeft er dus geen praktische reden te bestaan voor een ander resultaat. Derhalve moet de term “bedrijf” in de voormelde bepalingen uitgelegd worden in het licht van de strekking van die bepalingen zelf. Waar het vooral op aan komt is in hoeverre de betreffende activiteiten naar buiten moeten worden gezien als afkomstig van een eenheid.’6 (curs. AK)
Waar de minister één alinea eerder nog wees op het profijtbeginsel als een van de dragende argumenten voor de beperking van de kwalitatieve aansprakelijkheid tot enkel de bedrijfsmatige gebruiker, wordt een winstoogmerk of het behalen van profijt uiteindelijk toch niet beslissend geacht. Het aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 1982 betrof overigens een stichting zonder winstoogmerk die als ‘onderneming’ in de zin van de Handelsregisterwet werd aangemerkt. Een winstoogmerk is dus niet vereist, en ook de rechtsvorm waarin de activiteiten worden verricht is volgens de wetgever niet beslissend. Zelfs in geval van rechtsvormen die ‘niet naar hun aard meebrengen dat het beroep in de vorm van een bedrijf wordt uitgeoefend’ kan zijns inziens sprake zijn van ‘bedrijfsuitoefening’. Zodoende kunnen volgens de minister ook een overheidsbedrijf en ziekenhuis, alsmede onder omstandigheden een stichting en (andere) beroepsbeoefenaren onder het ‘bedrijfsbegrip’ van art. 6:171, 181 en het voorontwerp van art. 6:173 worden geschaard.
Hoewel de zojuist besproken toelichting op het bedrijfsbegrip van onder meer art. 6:181 naar mijn idee niet volledig sluitend voorkomt, volgt daaruit wel onmiskenbaar dat een ruime uitleg van dit begrip wordt voorgestaan. Zo kunnen ook bepaalde beroepsbeoefenaren en het overheidsbedrijf worden geacht een ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:181 uit te oefenen. Het lijkt erop dat de regering het zogeheten vrije beroep en de klassieke overheid buiten het bedrijfsbegrip van art. 6:181 – en art. 6:171 – heeft willen houden. Een dergelijke benadering zou ook aansluiten bij de aanvankelijke wetsgeschiedenis van art. 6:171 alléén, waarin het vrije beroep en de klassieke overheid reeds van de term ‘bedrijf’ werden uitgesloten7 en waarnaar in de latere, zojuist besproken wetsgeschiedenis van de art. 6:171 en 181 gezamenlijk ook wordt verwezen.8 Er bestaat geen aanleiding voor de veronderstelling dat de regering bij gelegenheid van de (latere) Invoeringswet op de eerder door haar voorgestane reikwijdte van art. 6:171 terug heeft willen komen, terwijl ten tijde van deze Invoeringswet het bedrijfsbegrip van art. 6:181 ‘in één adem’ met dat van art. 6:171 werd behandeld.