De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.3
4.3 Wetsgeschiedenis toestemmingsvereiste
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS389663:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Voor deze paragraaf is gebruikgemaakt van het wetgevingsarchief van het Nieuw BW. Het archiefmateriaal geeft standpunten, argumenten en overwegingen weer met betrekking tot de verschillende onderwerpen en de wijze waarop regulering en codificatie vereist was. De overwegingen bieden inzicht in de achtergrond en de bedoeling van bepaalde regelingen die niet altijd blijkt uit de gepubliceerde parlementaire geschiedenis. Dat kan niet leiden niet tot een nieuwe interpretatie van de geldende wettekst, mede omdat deze overwegingen geen rol hebben gespeeld in de parlementaire behandeling, maar wel tot een beter inzicht in de achtergrond daarvan.
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Justitie, Directie Wetgeving, Nieuw Burgerlijk Wetboek, nummer toegang 2.09.75, inventarisnummer 183. Het archief van de Staatscommissie tot herziening van de Nederlandse Burgerlijke Wetgeving bestaat uitsluitend uit notulen. Zie Sütő 2004, p. 259-261 voor een beschrijving van de werkwijze van de Staatscommissie. Meijers was de voorzitter van deze vergaderingen en de notulen zijn van belang omdat de ontwerpen van de hand van Meijers in zijn bijzijn werden besproken door leden van de subcommissie en hun assistenten. Naast de toelichting op het ontwerp voor titel 5.7 BW en de verslagen van de parlementaire behandeling van vraagpunt zeven vormen de verslagen van deze vergaderingen de enige bronnen van de opvattingen van Meijers over de erfpachttitel. Het driemanschap dat het werk van Meijers na zijn dood voortzette heeft de hier gemaakte opmerkingen in haar werk betrokken.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 183, Notulen 139e vergadering subcommissie Burgerlijk Recht op 30 mei 1953, p. 748. Ik veronderstel dat met deze regeling de opstalvergoeding werd bedoeld, het onderwerp van het op dat moment actuele vraagpunt 7, PG Algemeen deel BW, p. 109.
In deze paragraaf wordt een korte blik geworpen op de wetsgeschiedenis van het toestemmingsvereiste bij erfpachtrechten.1 De toestemming voor splitsing, appartementensplitsing, overdracht en bestemmingswijziging zijn op verschillende momenten en om verschillende redenen in de wet opgenomen. Ook werd verschillend geregeld of de erfpachter een rechtsmiddel zou hebben tegen een onredelijke weigering van toestemming door de erfverpachter. De praktijk van stedelijke erfpacht speelde een aanzienlijke rol bij het tot stand komen van de wettelijke regelingen. Hierna komen afzonderlijk aan de orde de toestemming voor splitsing in appartementsrechten van art. 5:106 lid 7 BW (par. 4.3.1), de toestemming voor splitsing en overdracht van art. 5:91 BW (par. 4.3.2) en de toestemming voor bestemmingswijziging van art. 5:89 lid 2 BW (par. 4.3.3). De paragraaf sluit af met een samenvatting en begint met een weergave van de bespreking van het onderwerp in de Staatscommissie.
De subcommissie Burgerlijk Recht van de Staatscommissie tot herziening van de Nederlandse Burgerlijke Wetgeving heeft de titels over erfpacht en opstal uit het ontwerp voor Boek 5 BW in aanwezigheid van Meijers besproken.2 Tijdens de vergadering op 30 mei 1953 ging Meijers nader in op het einde van het erfpachtrecht door afstand en werden verschillende aspecten van het erfpachtrecht in verband met elkaar besproken. Afstand was onder het OBW een niet-gecodificeerde eenzijdige rechtshandeling die terugging op het beginsel dat iedere rechthebbende om hem moverende redenen afstand van zijn recht moest kunnen doen. Onder het NBW zou afstand een tweezijdige rechtshandeling worden. Meijers was van mening dat de erfpachter de mogelijkheid moest behouden om zijn recht en daarmee de daaraan verbonden verplichtingen prijs te geven, legde dit vraagstuk aan de vergadering voor en wees er daarbij op dat de erfpachter tevens vrij was zijn recht over te dragen en op die manier ook van zijn verplichtingen bevrijd kon raken. Bij overdracht was het mogelijk dat de erfverpachter geconfronteerd werd met een insolvente rechtsopvolger en om dat te voorkomen zou de erfverpachter ofwel een vetorecht moeten krijgen ten aanzien van opvolgende erfpachters ofwel er moest een regeling komen voor de aansprakelijkheid van de vorige erfpachter. Het resultaat van een korte discussie die helaas niet is weergegeven, was om ‘de wettelijke regeling voor waardevergoeding, die in de plaats komt van de regeling bij overeenkomst, nog eens nader te overwegen.’3 Op deze wijze werd een aantal aspecten van het einde van het recht in samenhang bekeken: het einde door afstand als gevolg van de wens van de erfpachter om aan een te zware canonlast te ontkomen met de veronderstelling dat de erfpachter een canonschuld zou achterlaten, de verhaalsmogelijkheden van de erfverpachter die bij het einde van het recht nog uitstaande vorderingen had op de voormalige erfpachter, de overdracht van het recht en het toestemmingsvereiste van de erfverpachter bij overdracht van het recht door de erfpachter, ter voorkoming van een mogelijk insolvente verkrijgende erfpachter, en de door de erfverpachter te betalen vergoeding voor de waarde van gebouwen, werken en beplantingen die na het einde van het erfpachtrecht aan de grondeigenaar zouden toevallen. In het vervolg van de discussies en ontwerpen werden deze aspecten van het einde van het recht nog vele malen in samenhang met elkaar bekeken. Eigenlijk betrof het steeds de vraag op welke wijze de erfverpachter zou krijgen waar hij recht op had indien de erfpachter onverhoopt niet aan zijn (canon)verplichtingen zou kunnen voldoen.
4.3.1 Toestemming voor splitsing in appartementsrechten naar OBW4.3.2 Toestemmingsvereiste artikel 5:91 BW4.3.3 Toestemming voor bestemmingswijziging4.3.4 Samenvatting wetsgeschiedenis