De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.9:3.2.9 Toezichthoudend orgaan
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.9
3.2.9 Toezichthoudend orgaan
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384884:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Krootjes 1952, p. 169-177.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voorstel Commissie Petit
In 1952 deed de Commissie Petit, die was ingesteld door het Centrum voor Staatkundige Vorming, in een rapport een voorstel voor een regeling van de stichting met een bestuur en een verplicht toezichthoudend orgaan.1 Het toe-zichthoudend orgaan zou, volgens het voorstel van de Commissie Petit, moeten bestaan uit ten minste twee natuurlijke personen, tenzij een rechtspersoon als toezichthoudend orgaan wordt benoemd. Het toezichthoudend orgaan zou moeten worden belast met het houden van toezicht op de naleving van de wet en statuten en op deugdelijk beheer door het bestuur. Voorts dient het toezichthoudend orgaan volgens het voorstel te voorzien in vacatures in het bestuur, de stichting te vertegenwoordigen in het geval dat een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft met de stichting en mag het beheersdaden die geen uitstel kunnen lijden verrichten als alle bestuurders ontbreken of verhinderd zijn. Tot slot suggereerde de Commissie Petit dat de taken van het toezichthoudend orgaan in de stichtingsbrief (de statuten) kunnen worden uitgebreid, maar dat aan het toezichthoudend orgaan niet zulke ruime bevoegdheden mogen worden toegekend dat dit orgaan een overwegende invloed heeft op het bestuur. Voorkomen moet worden dat bestuurders slechts uitvoerders worden van de leiding van het toezichthoudend orgaan, aldus de Commissie Petit.
Vragen Vaste Commissie voor Justitie en reactie Minister van Justitie
Tijdens de behandeling van het voorstel voor de WS 1956 stelde een aantal leden van de Vaste Commissie voor Justitie aan de Minister van Justitie de vraag of het – in lijn van het Rapport van de Commissie Petit – niet de voorkeur verdiende het toezicht op de werkzaamheid van het stichtingsbestuur aan anderen dan rechterlijke instanties op te dragen. Zij vroegen de Minister bovendien of in gevallen dat een toezichthoudend orgaan is ingesteld, de wettelijke regeling (van toezicht via de rechter) niet zou kunnen vervallen.2
Minister Donker zei in zijn reactie niets te voelen voor verplichte aanwijzing van een toezichthoudend orgaan voor alle stichtingen. Hij meende dat, hoewel instelling van een toezichthoudend orgaan in veel gevallen aanbeveling verdient, dit niet voor alle stichtingen noodzakelijk of wenselijk is:
“Aan het rechtsleven wordt hier vrijheid gelaten. Als bijzondere overweging geldt ook, dat een wezenlijk toezicht bij alle afzonderlijke stichtingen een zware wissel zou trekken op de krachten in de maatschappij, die zich in hoofdzaak belangeloos voor deze taak beschikbaar moeten stellen.”3
In reactie op de tweede vraag van de Vaste Commissie voor Justitie, vatte Minister Donker allereerst de bevoegdheden die in het ontwerp voor de WS 1956 aan de rechter werden toegekend als volgt samen: (a) wijziging van de statuten (artikel 9WS 1956), (b) nietigverklaring van een statutenwijziging (artikel 10 WS 1956); (c) ontslag, schorsing en benoeming van bestuurders (artikel 12 en 13 WS 1956); (d) ontbinding van stichtingen met aanwijzing van vereffenaars (artikel 15 WS 1956); (e) ontzegging bij voorraad aan bestuurders van de bevoegdheid tot het verrichten van rechtshandelingen (artikel 22 WS 1956). Bovendien werd aan het openbaar ministerie – als gezegd – de bevoegdheid toegekend om het bestuur om inlichtingen te verzoeken en kan het openbaar ministerie de rechter verzoeken om inzage van boeken en bescheiden te bevelen. De Minister vervolgde dat het wetsontwerp de genoemde bevoegdheden ook aan de rechter zou toekennen indien – overeenkomstig de aanbevelingen van de Commissie Petit – een toezichthoudend orgaan voor alle stichtingen verplicht zou worden gesteld. Ook in dat geval zouden de bevoegdheden van het openbaar ministerie, zoals de Commissie Petit zelf ook aangeeft, niet kunnen worden gemist, aldus de Minister. Voorts zegt Minister Donker:
“Verplichte aanwijzing voor elke stichting van een toezichthoudend orgaan betekent dus niet dat het toezicht, zoals dit in het ontwerp is opgedragen aan de rechter en openbaar ministerie, belangrijk zou kunnen veranderen. Slechts lijkt denkbaar, dat de mate van ingrijpen door rechter en openbaar ministerie in beide stelsels zou verschillen.”4
Uit het voorstaande kan mijns inziens worden afgeleid dat de wettelijke “corrigerende bevoegdheden” van het openbaar ministerie en van betrokken belanghebbenden via de rechter aldus vooral beoogden het ontbreken van een algemene vergadering en niet zozeer het ontbreken van een toezichthoudend orgaan te compenseren.