Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/3.7.1:3.7.1 De programmaverantwoording
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/3.7.1
3.7.1 De programmaverantwoording
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 25 lid 1 BBV.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De programmaverantwoording (art. 25 BBV) kan worden gezien als de tegenhanger van het programmaplan. Het stellen van veel regels met betrekking tot de inrichting van dit gedeelte van de jaarstukken is derhalve overbodig gebleken; de inrichting van het programmaplan is leidend. De programmaverantwoording bevat dus een verantwoording van alle programma's die in de begroting waren opgenomen. Ten aanzien van de verschillende programma's moet worden aangegeven wat de mate is waarin de in de begroting aangegeven doelstellingen zijn gerealiseerd, op welke wijze getracht is de doelstellingen te verwezenlijken en wat de gerealiseerde baten en lasten zijn. Ofwel: 'Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?', 'Wat hebben we daarvoor gedaan?' en 'Wat heeft dat gekost?'
De programmaverantwoording geeft verder ten minste een verantwoording ten aanzien van het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen en van het gebruik van het geraamde bedrag voor onvoorziene uitgaven. Ook dit mag geen verrassing heten, aangezien het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen, alsmede de post onvoorzien onderdeel zijn van het programmaplan.
Wat wel (en wederom) opvalt, is het gebruik van de woorden 'ten minste' in art. 25 lid 1 BBV. In de tegenhangende bepaling art. 8 BBV wordt deze formulering niet gebruikt. Hiermee lijkt enige afstand te worden genomen van de hoofdregel dat de indeling van de begroting en de jaarstukken identiek moet zijn. De gebezigde terminologie zou kunnen leiden tot de conclusie dat elementen kunnen worden opgenomen in de programmaverantwoording die niet herleidbaar zijn tot de begroting. Er kan echter ook voor een verklaring worden gekozen die iets dichter bij het identiteitsvereiste ligt. Zoals gezegd bevat de programmaverantwoording een verantwoording van de programma's; de programmaonderdelen komen in art. 25 BBV niet voor. De woorden 'ten minste' bieden de mogelijkheid een verantwoording in de jaarstukken op te nemen ten aanzien van eventueel in de begroting opgenomen programmaonderdelen. Het blijft niettemin opvallend dat de tekst van art. 25 BBV hiertoe niet iberhaupt verplicht. Waarom de regels voor de inrichting van begroting en jaarstukken op dit punt verschillen, wordt in de Nota van Toelichting niet uit de doeken gedaan, maar uit een letterlijke interpretatie van het BBV volgt dat de verantwoording plaatsvindt op een hoger aggregatieniveau dan de autorisatie. Het is natuurlijk op zichzelf mogelijk dat in het BBV van de hoofdregel van art. 4 lid 1 BBV wordt afgeweken, maar het feit dat dit gebeurt zonder nadere toelichting doet de vraag rijzen of deze afwijking wel bedoeld is. Deze vraag wordt niet in de laatste plaats opgeworpen omdat in de toelichting op art. 4 BBV juist wordt gesteld dat de identiteit van de indeling van de begroting en de jaarstukken van wezenlijk belang is voor met name de controlerende taak van de gemeenteraad.1 De bevoegdheid van de raad om de indeling van de begroting zelf te bepalen, biedt hem de mogelijkheid om van tevoren aan te geven op welke punten hij achteraf wil controleren. Deze controle vindt plaats in het kader van de behandeling van de jaarstukken. Het is derhalve nog niet zo vergezocht te veronderstellen dat in de woorden "verantwoording van de realisatie van de programma's"2 ook de programmaonderdelen worden begrepen. Omdat één en ander niet nader is toegelicht, is moeilijk na te gaan of deze veronderstelling klopt.