Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.6:4.6 Samenvatting en conclusies
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.6
4.6 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS497852:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik de nationaalrechtelijke btw-gevolgen van niet-betaling voor de leverancier in kaart gebracht en getoetst aan het Unierecht en het rechtskarakter van de btw. De in paragraaf 4.1 opgenomen deelvraag (‘Welke btw-gevolgen verbindt het nationale recht aan niet-betaling en hoe verhouden deze zich tot het Unierecht en het rechtskarakter van de btw?’) laat zich – bezien vanuit de leverancier – derhalve als volgt beantwoorden. De regeling voor oninbare vorderingen ligt besloten in art. 29 Wet OB 1968. Ik heb eerst aandacht besteed aan het ontstaan van de bepaling, al is het omdat art. 29 Wet OB 1968 met ingang van 1 januari 2017 ingrijpend is gewijzigd. Vervolgens heb ik de inhoud van de bepaling behandeld. Ik ben daarbij uitvoerig ingegaan op de betekenis van de diverse onderdelen van de regeling. Ik heb onder meer stilgestaan bij de vraag naar wat onder (niet-)betaling moet worden verstaan, de toepasselijkheid van het door de Hoge Raad aangelegde ‘redelijkheidscriterium’, het karakter van de (nieuwe) éénjaarstermijn, de (nieuwe) herzieningsregeling bij een ‘betaling alsnog’, de reikwijdte van de (nieuwe) indeplaatstredingsregeling, met inbegrip van de (on)mogelijkheid om de rechten (en de verplichtingen) van art. 29 Wet OB 1968 met behulp van het civiele recht op een ander te doen overgaan en, tot slot, de (nieuwe) wijze waarop het recht op teruggaaf (en de herzieningsverplichting) moet worden geëffectueerd. Ieder onderdeel van de regeling heb ik separaat en in samenhang met de overige onderdelen getoetst aan het Unierecht en het rechtskarakter van de btw. Mijn bevindingen over de geldigheid en de kwaliteit van de regeling voor oninbare vorderingen heb ik tot slot geconsolideerd opgenomen, en laten zich als volgt schematisch samenvatten:
Onderdeel (paragraafnummer)
Verhouding tot het Unierecht (4.4)
Verhouding tot het rechtskarakter van de btw (4.5)
Niet-betaling als grond voor teruggaaf (4.3.1)
Vrijheid lidstaten invulling begrip ‘(niet-)betaling’
√
√
Codificatie rechtsgevolg ‘teruggaaf van btw’
√
√
Vereiste dat vergoeding in rekening gebracht moet zijn
x
x
Uitsluiting ten onrechte gefactureerde ‘art. 37-btw’
√
√
Ontstaansmoment recht op teruggaaf (4.3.2)
Toepassing van het ‘redelijkheidscriterium’
√
√
Toepassing éénjaarstermijn
√
√
Fataal karakter éénjaarstermijn
x
x
Herziening van het recht op teruggaaf (4.3.3)
Herzieningsregeling
x
√
Als een opzichzelfstaand heffingsmoment
√
√
Overdracht van vorderingen (4.3.4)
Indeplaatstredingsregeling
x
√
Wijze effectueren recht op teruggaaf (4.3.5)
Verwerken recht op teruggaaf in reguliere aangifte
√
√
Verwerken recht op teruggaaf in afzonderlijk verzoek
√
√
Verwerken correctieverplichting in reguliere aangifte
√
√
Ik kom derhalve tot de algehele conclusie dat de nationale regeling voor oninbare vorderingen op de meeste punten in overeenstemming is met het Unierecht, maar dat het op een aantal belangrijke onderdelen hier mogelijkerwijs aan schort. De regeling beantwoordt in ruime mate aan het rechtskarakter van de btw.