Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/3.10.1
3.10.1 Publiekrechtelijke rechtspersonen
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS304842:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Men kan zich afvragen of de komma’s in dit artikel juist geplaatst zijn. Nu lijkt het alsof aan alle “andere lichamen” een deel van de overheidstaak is opgedragen, terwijl wordt bedoeld de reikwijdte van dit artikel te beperken tot een deel van de andere lichamen, te weten die lichamen waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen.
De term “publiekrechtelijke rechtspersonen” wordt gebruikt, aangezien de inrichting van deze rechtspersonen geheel of grotendeels door het publiekrecht wordt beheerst. Deze rechtspersonen zijn echter rechtspersonen in de zin van het Burgerlijk Wetboek, rechtspersonen in privaatrechtelijke zin derhalve. Zie ook: Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:1 BW, aant. 2.1.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 124.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 124.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat DNB een privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in Boek 2 BW is en dat zij niet krachtens publiekrecht is ingesteld. Zie: ABRvS 26 oktober 2005, AB 2006, 21 (Free Record Shop Holding/DNB).
De Staat, de provincies, de gemeenten, de waterschappen, alsmede alle lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordenende bevoegdheid is verleend1, bezitten rechtspersoonlijkheid (art. 2:1 lid 1 BW). Andere lichamen, waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen, bezitten slechts rechtspersoonlijkheid, indien dit uit het bij of krachtens de wet bepaalde volgt (art. 2:1 lid 2 BW).2
In art. 2:1 lid 3 BW wordt uitdrukkelijk bepaald dat de artikelen van Titel 1 Boek 2 BW – met uitzondering van art. 2:5 BW – niet gelden voor de in art. 2:1 BW bedoelde rechtspersonen. Art. 2:11 BW is opgenomen in Titel 1 Boek 2 BW. Dat artikel is derhalve niet van toepassing op voormelde “publiekrechtelijke rechtspersonen”.3
Sommige rechtspersonen (niet zijnde rechtspersonen als bedoeld in art. 2:1 lid 2 BW) worden ondanks een civielrechtelijke aanduiding naar structuur en inrichting door publiekrechtelijke voorschriften beheerst. Kroeze is van mening dat op dergelijke rechtspersonen de bepalingen van Boek 2 BW niet van toepassing zijn.4 Daarbij gaat hij onder meer in op De Nederlandsche Bank N.V. (DNB). Zoals de naam al aangeeft, is deze vennootschap “gegoten” in een privaatrechtelijke rechtsvorm, te weten de vorm van een naamloze vennootschap. De Bankwet 1998 – een publiekrechtelijke regeling derhalve – regelt echter de inrichting van DNB. Kroeze is (of lijkt althans) van mening dat DNB kwalificeert als een publiekrechtelijke persoon.5 Ik deel die mening niet. Naar mijn mening dient men in het kader van de rechtszekerheid in beginsel uit te gaan van toepasselijkheid van Boek 2 BW op een naamloze vennootschap (zoals DNB). Indien en voor zover de publiekrechtelijke taken met zich brengen dat van het bepaalde in Boek 2 BW afgeweken dient te worden, dient dat mijns inziens expliciet uit wetgeving te blijken. Overigens is dat ook het geval bij DNB. Zo bepaalt art. 10 van de Bankwet 1998 expliciet dat art. 2:153 BW niet van toepassing is. Art. 11 van de Bankwet 1998 bepaalt dat bepalingen van Boek 2 BW die bij toepassing op DNB strijdigheid opleveren met het EU-Werkingsverdrag of de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank niet van toepassing zijn op DNB. Ook in art. 17 van de Bankwet 1998 wordt afgeweken van bepalingen van Boek 2 BW. Het feit dat aan een rechtspersoon als de onderhavige “publiekrechtelijke aspecten” kleven, brengt mijns inziens niet direct mee dat een dergelijke rechtspersoon kwalificeert als een publiekrechtelijke rechtspersoon. Uit het feit dat in de Bankwet 1998 concrete uitzonderingen worden gemaakt op toepasselijkheid van Boek 2 BW leid ik af dat in beginsel Boek 2 BW wel degelijk van toepassing is op DNB.6 Dat betekent dat ook art. 2:11 BW van toepassing is op DNB. In de Bankwet 1998 tref ik geen bepaling aan waarin dat artikel wordt uitgesloten of waarin bijvoorbeeld wordt bepaald dat slechts natuurlijke personen deel kunnen uitmaken van – zoals art. 12 lid 1 Bankwet 1998 het aanduidt – “de directie van de Bank”. Art. 12 lid 2 Bankwet 1998 spreekt echter wel over “een aanbevelingslijst van drie personen” en lid 3 van datzelfde artikel spreekt over “een functieprofiel”. Dat doet mij vermoeden dat de wetgever slechts heeft gedacht aan natuurlijke personen als leden van de directie van DNB.