Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.6.1:4.6.1 Algemeen
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.6.1
4.6.1 Algemeen
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS299533:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit wordt ook aldus opgemerkt in de toelichting op art. 5, lid 3, in het voorstel voor een Zesde richtlijn (zie V-N 1973, blz. 753); technisch wordt dit resultaat bereikt doordat de ter zake van de fictieve heffingen verschuldigde btw niet wordt aangemerkt als voor aftrek in aanmerking komende btw in art. 168 en 169 van de btw-richtlijn en in art. 15 wet.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals ik al heb opgemerkt in onderdeel 2.7.4 gaat het bij de fictieve heffingen van art. 16 en art. 26 btw-richtlijn (voorheen art. 5, lid 6, en art. 6, lid 2, Zesde richtlijn) in hoofdzaak en materieel om aftrekcorrecties.1 Een dergelijke correctie wordt toegepast als de belastingplichtige:
een goed onttrekt en bestemt voor eigen privédoeleinden, privédoeleinden van zijn personeel, of voor verstrekkingen om niet, of meer in het algemeen voor andere dan bedrijfsdoeleinden, ingeval voor het goed recht op gehele of gedeeltelijke aftrek is ontstaan (art. 16, btw-richtlijn);
een goed gebruikt voor eigen privédoeleinden, privédoeleinden van zijn personeel, of meer in het algemeen voor andere dan bedrijfsdoeleinden, ingeval voor het goed recht op gehele of gedeeltelijke aftrek is ontstaan (art. 26, lid 1, letter a, btw-richtlijn);
3. een dienst om niet verricht voor eigen privédoeleinden, privédoeleinden van zijn personeel, of meer in het algemeen voor andere dan bedrijfsdoeleinden (art. 26, lid 1, letter b, btw-richtlijn). Over het antwoord op de vraag of deze fictieve heffing bedoeld is als aftrekcorrectie in materiële zin wordt in de literatuur gediscussieerd. Ik kom hierop terug in onderdeel 5.5.5.4b.
Het Hof van Justitie EU heeft zich al verschillende keren over de werking en het bereik van deze belastbare feiten moeten uitlaten. Tot 1 januari 2007 was het belang van deze rechtspraak voor de Nederlandse btw-praktijk gering omdat Nederland immers deze fictieve heffingen niet kende (met uitzondering van art. 3, lid 1, letter g, wet). Nu Nederland met ingang van 1 januari 2007 de fictieve heffingen heeft geïmplementeerd in art. 3, lid 3, letter a, en art. 4, lid 2, wet, is deze rechtspraak wel van belang geworden.